Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 32

Chapter 323,725 wordsPublic domain

Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen, terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden, om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, 's konings zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd, waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek verdreven.

Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele, plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding, dat hij iedere gemoedsbeweging het best onderdrukken of vergeten kon, wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.

Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam, ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden, vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude, koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.--Wederom opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke droomen den overspannene en vermoeide overvielen?

Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd, voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis, die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand, bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte, die de heilige boeken van Toth [336] en de verhandelingen van een oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth, betreffende de oogheelkunde [337]." Na zijn dood moest zijn werk het eigendom der boekverzameling te Thebe [338] worden, opdat al zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen, en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.--Zie, daar staat zijn oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en--hoor! hun spotlach, die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende en spottende woorden vloeien van de lippen des konings, het gelaat van Neithotep gloeit van helsche vreugde.

Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes, en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?"

»Ik weet het niet," antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen bij mij geweest?"

»Juist."

»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in."

»Hoe weet gij dat?"

»Ik heb het gezien!"

Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in den tuin achter dit huis gebracht?"

»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart over uw lijden een poos te vergeten."

»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij iederen stervenden Pers honden [339] worden gebracht, opdat de Diw des doods in deze beesten vare."

»Gij leeft nog, gebiedster, en...."

»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te leven heb. Het vergif is doodelijk!"

»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen."

»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen, voordat ik sterf."

»Beveel, ik ben uw dienstknecht!"

»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin gebleven.--Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar, gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?"

»Als de koning het veroorlooft."

»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?"

»Mijne kunst staat u ten dienste!"

»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede."

»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u het stilzwijgen moet opleggen."

»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?"

»Ik wil het beproeven."

Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen; daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.

Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar het rijk van Osiris!"

Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt [340].

Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld, als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees, dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.--Nitetis, die eenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal bij de doodenrechters genade vinden?"

»Ik hoop en geloof het!"

»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader...."

»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen, aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden."

»Ik versta u niet."

»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven ontroofden!" riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen, mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere genade doen vinden, dan duizend goede werken!"--Onder het uitspreken dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met hevigheid in de zijne.

Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!"

»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!"

»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O--ach--mijn hart!

Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.

Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als mijn eigen, maar ook als koning Hophra's wreker breng ik het zwaard over Egypte!"

Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.

Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds verstijvende lippen,--den eersten en den laatsten, dien hij haar had mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke lippen; toen zonk zij in Atossa's armen, en ontsliep.

Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des doods [341]; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest, talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan.

Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal, de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof, om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene, op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden, wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor de eeuwigheid te verwachten had [342]. Ook de koning, Cassandane en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden, als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de regels der kunst, het lichaam begon te balsemen [343].

Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:

»Heil den koning!

Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij, de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven, dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en zijne gestalte,--welke de goden, in hunne gunst en genade, aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus, Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,--nogmaals tot schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden [344], ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!"

Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, 't welk nog dienzelfden dag ten uitvoer werd gelegd.

Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te betrekken, dat hij op den berg Arakadris [345] bezat.

Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw, wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was, dag en nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood, dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om 't hoofd, de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht, om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?"

De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief, en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!"

De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem; hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester, meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman van zijn driesnoerigen geesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong als een dolksteek in de wonden van den verminkte.

Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken; hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak, monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar Phanes.

»Mijn koning heeft niet bevolen...."

»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons geleide. Roep hem, en volg ons!"

Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na een halfuur met Phanes wederom bij 's konings gevolg.

Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken, omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen, en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen, had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was. Toen hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien. Men bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenen aan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij 's konings gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al deze eigenschappen hemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe, dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling, als hij niet iets nieuws voor u was."

Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste, daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde, dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger aanschrijft dan uwe eigene."