Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 31

Chapter 313,986 wordsPublic domain

De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te regeeren!" [328]

»Dit zijn altemaal vermoedens...."

»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht, moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden vroedmeester...." [329]

»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken, die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen."

»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld, alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk, door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan, te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?"

Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van, dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?"

»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis, werd door hem met alle mysteriën [330] bekend gemaakt, en wist deze dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op, ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesters ter oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde, en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos, die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf, te Babylon geleefd en onder Nebucadnezar, den toenmaligen koning van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis, die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters; maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen, laat hij u door mij groeten."

Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?"

»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik van noode heb."

»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist, die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet."

»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de vier hoeken..."

Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide: »Dat bevat niets dan eenige aanteekeningen van mijn vader."

»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de hoogste gunst bij Cambyzes te staan."

»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven."

»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout, niet waar?"

»Hoe weet gij dat?"

»Omdat ik,--let wel Nebenchari,--omdat ik u naar waarheid kan verzekeren,--ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het gebruik van den eed,--dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud, in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des konings verbrand is."

Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten; maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken."

»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen, voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter bedriegt gij u!--Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen."

Nebenchari's gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib, gehoor gevende aan 's meesters roepstem, het vertrek binnentrad.

»Nader!" luidde Nebenchari's barsch bevel. De knecht gehoorzaamde, de schouders ophalende.

»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid, ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!"

Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in de keel. Eindelijk, nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig, half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader, ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!"

Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete tranen te zwemmen.

De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk, als hij een obool van mij heeft aangenomen."

De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt: »Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig te maken over eene bloote vraag!"

»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke verdenking?"

»Neen, dat behoeft niet;--maar ik veroorloof u thans te verhalen, wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen."

»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw."

»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had."

»Ja, en hoe!--Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de spitsboeven slechts tot de dievenkaste [331] behoord, dan zouden wij ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar...."

»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!"

»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik hoop het niet te vergeten. Nu dan, 't was juist in de dagen, dat het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen, en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. 's Avonds, terwijl de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra [332], die een heerlijk dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten, de schoenen zijner moeder had weggestopt [333], en ik lach, dat de tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra, die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik, zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af, neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars en politie-agenten,--daar waren minstens vijftien man,--dringt het huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,--gij kent hem wel,--duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht, en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij, maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan, als iets mij ergert. En nu doet hij mij,--bij onzen god Toth, die de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,--nu doet die melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft, mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen schoft gehoorzamen, die niets minder eischte, dan dat ik hem dadelijk alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen, meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.--Wat doe ik dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat, naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen, onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt, en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me, en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien, smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!

»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen, om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan mijne Benra hebt geschonken. Drie dagen later kwam hij mij zeggen, dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter, gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in, maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging, dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong [334] te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken; ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben onttroggeld. Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch buitenland te trekken.--Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem bij het afscheid kuste, zeide hij: 'Blijf bij ons, grootvader! Als de vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.'--Benra laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon, de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen, reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de palmrijke rustplaats der Phoeniciërs [335] in de woestijn, en van daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde, daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste der Helleensche soldaten."

»En ik," viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij, met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben, die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene dreigt uit te krabben!"

»Schandelijk, schandelijk!" riep de oude, in verwenschingen uitbarstende.

De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten, en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige koorts aangegrepen.

Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan menschenkennis ontbrak 't hem niet, en hij wist dat een woord van spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf, had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes: »Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het overige is u bekend."

Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib met een wenk het vertrek te verlaten.

De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles, toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!"

»En waarom niet?"

»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn."

»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!" antwoordde de Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?"

»Ja! Onder éene voorwaarde!"

»Laat hooren!"

»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst onzer wraakoefening te zien."

»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het leger te volgen?"

»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij te wijten aan den armen, verbannen oogarts!"--O mijne geschriften, mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind, die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O, mijne geschriften, mijne geschriften!"--Bij deze woorden snikte de ongelukkige man, dat er 't hart van breken moest.

Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U, mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan heeft?--Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht; want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief, gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling, en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is, alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit denk!--Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En wat deden zij met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid, mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden; thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van blijde verrukking kloppen!"

Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand reikte: »Wij zijn bondgenooten!"

De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te verzekeren!"

»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!"

»Zoudt ge dat kunnen?"

»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande geschriften."

»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?"

»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen."

Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook ik kan mij verzekerd houden van 's konings gunst. De gezanten der Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is hun toegestaan, en...."

Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!"

De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan, en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.

TWEEDE HOOFDSTUK.