Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 3

Chapter 33,853 wordsPublic domain

»Het oppergerechtshof [58], tegen welks uitspraken zelfs de koning niets vermag, is uit priesters van Memphis, Heliopolis en Thebe samengesteld. Gij kunt u dus wel voorstellen, dat men zoowel dien armen Mus als mijn persoontje, een verachten Helleen, zonder omwegen ter dood veroordeelde; den slaaf wegens twee halsmisdaden: ten eerste wegens den moord aan heilige dieren gepleegd, ten andere wegens de twaalfvoudige verontreiniging van den heiligen stroom door het inwerpen van lijken; mij, omdat ik de oorzaak en de bewerker was dezer vier en twintigvoudige halsmisdaad [59], gelijk zij het geliefden te noemen. Aan Mus werd nog dienzelfden dag het vonnis voltrokken. Drukke de aarde hem zacht. In mijne herinnering zal hij niet als mijn slaaf, maar als mijn vriend en weldoener blijven voortleven. In tegenwoordigheid van zijn lijk werd ook mij het vonnis des doods voorgelezen, en reeds bereidde ik mij tot de lange reis naar de benedenwereld, als de koning bevelen liet de voltrekking mijner straf uit te stellen. Ik werd in de gevangenis teruggebracht. Een Arkadisch taxiarch [60], die zich onder mijne bewakers bevond, deelde mij mede, dat al de bevelhebbers der Grieksche lijfwacht en eene menigte krijgslieden, te zamen meer dan vierduizend man, gedreigd hadden hun ontslag te zullen nemen, wanneer men mij, hun overste, geen genade zou willen schenken. Zoodra het duister was geworden, werd ik voor den koning gevoerd, die mij zeer vriendelijk ontving. Hij zelf bevestigde de mededeeling van den taxiarch en verklaarde, dat het hem leed deed een overste te moeten verliezen, waaraan hij zoo gehecht was. Wat mij aangaat, ik belijd gaarne, dat ik jegens Amasis geen wrok voelde, dat ik zelfs medelijden had met den in schijn zoo machtigen koning. O, gij hadt er getuigen van moeten zijn, hoe hij zich beklaagde, nooit en nergens te kunnen handelen gelijk hij wilde, en zelfs in zijne persoonlijke aangelegenheden overal door de priesters en hun invloed tegengewerkt en beheerscht te worden. Hing het alleen van hem af, hij zou mij, den vreemdeling, het overtreden eener wet, die ik niet verstond en daarom, schoon ook ten onrechte, voor onzinnig bijgeloof moest houden, gaarne vergeven. Doch uit vrees voor de priesters durfde hij mij niet ongestraft laten. Verbanning uit Egypte was de zachtste boete die hij mij kon opleggen. Gij kunt niet begrijpen--met deze woorden eindigde hij zijn klacht,--in hoeveel zaken ik de priesters te wille heb moeten zijn, om genade voor u te erlangen. Want het opperste gerechtshof is zelfs van mij, den koning, onafhankelijk.

»Ik kreeg derhalve mijn ontslag, nadat ik met een duren eed gezworen had, nog dienzelfden dag Memphis en binnen drie weken Egypte te zullen verlaten.

»Aan de poort van het paleis ontmoette ik Psamtik, den kroonprins, die mij sinds lang geen goed hart toedraagt, ter zake van eene ergerlijke geschiedenis, die ik echter niet mag openbaren. Gij, Rhodopis, kent haar. Ik zeide hem vaarwel, hij echter keerde mij den rug toe, terwijl hij mij toesnauwde: »ook ditmaal Athener, zijt gij den dans ontsprongen, maar aan mijne wraak zijt gij daarom nog niet ontkomen. Waarheen gij u ook moogt begeven, ik zal u weten te vinden." Ik mag alzoo hopen u weder te zien! gaf ik hem tot bescheid. Spoedig was mijn boeltje in eene bark geladen, waarna ik mij naar Naucratis begaf, alwaar ik het geluk had mijn ouden vriend, Aristomachus van Sparta, te ontmoeten, die, als gewezen bevelhebber over de troepen van Cyprus [61] hoogstwaarschijnlijk tot mijn opvolger zal worden benoemd. Het zou mij verheugen mijne plaats door zulk een voortreffelijk man te zien vervullen, indien ik niet reden had om te vreezen, dat zijne uitstekende verdiensten de door mij bewezene diensten nog geringer zullen doen schijnen, dan zij in waarheid geweest zijn."

»Al lofs genoeg, vriend Phanes!" viel Aristomachus den Athener in de rede. »Spartaansche tongen zijn zoo buigzaam niet. Met daden zal ik u echter, zoodra gij mijne hulp behoeft, een antwoord geven, dat den spijker juist op den kop slaat."

Rhodopis zag beide mannen aan met een welgevallig lachje. Daarop reikte zij ieder van hen de hand, zeggende: »Uw verhaal, arme Phanes, heeft mij helaas tot de overtuiging gebracht, dat gij onmogelijk langer in dit land kunt blijven. Ik wil u om uw lichtzinnigheid niet berispen, maar gij hadt toch vooruit kunnen berekenen, dat gij u om eene weinig beteekenende zaak aan groote gevaren blootsteldet. Een wijs en waarlijk kloekmoedig man onderneemt slechts dan een waagstuk, wanneer het voordeel minstens gelijk staat met het nadeel, dat het hem kan opleveren. Roekeloosheid is even dwaas als lafheid, hoewel niet even verachtelijk; want beiden mogen schaden, alleen de laatste schandvlekt. Uwe onnadenkendheid heeft u ditmaal bijna het leven gekost, een leven, dat velen dierbaar is, en te hooge waarde heeft, dan dat gij het door een dwazen streek zoudt verspelen. Wij kunnen geene enkele poging wagen om u voor onzen vriendenkring te behouden, want het zou u toch niet baten en ons zelven slechts schaden. In uwe plaats zal voortaan deze edele Spartaan, als overste der Grieksche lijfwacht, onze natie bij het hof vertegenwoordigen, en zich steeds ten doel stellen, haar tegen alle listen der priesters te beschermen, en haar bij voortduring in de gunst des konings aanbevelen. Ik heb uwe hand gevat, Aristomachus, en laat haar niet los, zoolang gij mij niet belooft, voor zooveel in uw vermogen is, ook den geringsten onder de Grieken tegen den overmoed der Egyptenaren te beschermen, gelijk Phanes vóor u gedaan heeft, en eer uw post te zullen prijsgeven dan het minste onrecht een Helleen aangedaan, ongestraft te laten. Wij zijn weinige duizenden onder even zoovele millioenen vijandig gezinde menschen; maar wij zijn sterk door onzen moed, en moeten trachten door eendracht machtig te blijven. Tot op den huidigen dag hebben zich de Hellenen in Egypte als broeders gedragen. Eén offerde zich op voor allen, allen voor éen, en juist deze eenheid maakte onze kracht uit, en zal ook in de toekomst ons machtig doen zijn. Ach, ware het ons gegeven aan het moederland en zijne volkplantingen deze zelfde eendracht te schenken, en allen stammen hunne Dorische, Jonische of Aeolische afkomst te doen vergeten, zoodat zij geen anderen roem kenden dan die van Hellenen te zijn, en als kinderen van éen huis, als schapen van éene kudde te leven, waarlijk dan zou de geheele wereld niets tegen ons vermogen, dan zou Hellas eenmaal door alle volkeren als de koningin der aarde worden erkend."

Bij deze woorden schitterden de oogen der oude matrone van edel vuur. De Spartaan drukte hare hand met buitengewone heftigheid, stampte met zijn houten been op den grond en riep: »Bij Zeus, de opperste god der Lacedaemoniërs, ik zal niet dulden dat een Helleen, wie hij ook zijn moge, éen haar gekrenkt worde; gij echter, Rhodopis, verdiendet eene Spartaansche te zijn."

»En eene Atheensche!" riep Phanes.

»Eene Jonische!" de mannen van Milete.

»De dochter van een geomoor van Samos!" de beeldhouwer.

»Maar ik ben meer dan dat alles," riep de edele vrouw in geestdrift uit, »ik ben meer, veel meer; ik ben eene Helleensche!"

Al de gasten deelden in hare vervoering, zelfs de Syriër en de Jood werden medegesleept. Alleen de Sybariet liet zich niet uit zijne welbehagelijke rust opwekken, en zeide met vollen mond, zoodat men hem nauwelijks verstaan kon: »Gij zoudt ook waardig zijn eene Sybariete te heeten, want uw rundergebraad is beter, dan al wat ik sedert mijn vertrek uit Italië geproefd heb, en uw wijn van Anthylla [62] smaakt mij bijna even goed als die van den Vesuvius en van Chios!"

Allen schoten in den lach, met uitzondering van den Spartaan, die den smulpaap een blik vol toorn en verachting toewierp.

»Weest allen gegroet!" riep plotseling eene ons nog onbekende zware stem door het open venster.

»Wees gegroet!" antwoordde het geheele gezelschap als uit éen mond, vragende en gissende, wie toch deze late gast mocht zijn.

Doch de onbekende liet zich niet lang wachten, want eer nog de Sybariet tijd had gehad, eene nieuwe teug wijns nauwkeurig met de tong te proeven, stond een groot mager man, van over de zestig jaren, met een langwerpig fijnbesneden geestig gelaat, naast Rhodopis. Het was Kallias, de zoon van Phaenippus van Athene. Met de heldere, verstandige oogen zag de nieuw aangekomene,--een der rijkste bannelingen uit Athene, die tot tweemaal toe de goederen van Pisistratus van den staat had gekocht, en ze telkens bij diens terugkeer had moeten prijsgeven,--den kring zijner bekenden rond. Na met ieder hunner in het bijzonder een vriendelijken groet te hebben gewisseld, riep hij op vroolijken toon: »Zoo gijlieden mijn bezoek van heden niet hoog waardeert, dan houd ik het er voor, dat alle dankbaarheid uit de wereld verdwenen is."

»Wij hebben u sinds lang gewacht," antwoordde een der Milesiërs. »Gij zijt de eerste, die ons betreffende den uitslag van de Olympische spelen bericht kunt geven!"

»En wij zouden ons geen beteren verslaggever kunnen wenschen, dan den overwinnaar van weleer," liet Rhodopis er op volgen.

»Kom, neem plaats," riep Phanes ongeduldig, »en verhaal ons, kort en bondig, al wat gij weet, vriend Kallias!"

»Zoo aanstonds, mijn waarde landgenoot," hervatte deze. »Het is reeds tamelijk lang geleden, dat ik Olympia verliet, en te Kenchreae [63] op een Samisch vaartuig van vijftig roeiers, het beste dat ooit gebouwd werd, scheep ben gegaan. Het verwondert mij volstrekt niet, dat vóor mij nog geen Helleen te Naucratis is binnengeloopen. We hadden toch zware stormen door te staan en zouden er te nauwernood ons leven hebben afgebracht, als deze Samische zeekasteelen, met hunne stevige kielen, ibis-snavels en vischstaarten, niet zoo voortreffelijk getimmerd en bemand waren. Waarheen de anderen, die huiswaarts keerden, verwaaid zijn, weet ik niet. Wij konden ons echter nog in de haven van Samos bergen, vanwaar we, na een oponthoud van tien dagen, de reis weder aanvaardden.

»Toen wij eindelijk heden morgen vroeg den Nijl binnengestevend waren, wierp ik mij dadelijk in mijne bark, en werd door Boreas [64], die mij toch bij het einde der reis nog eens toonen wilde, dat hij zijn ouden Kallias nog liefhad, zoo snel voortgestuwd, dat ik reeds voor weinige oogenblikken de vriendelijkste aller woningen mocht wederzien. Ik zag de vaan in het avondkoeltje fladderen, ik zag de opene vensters verlicht, en was nog een oogenblik met mijzelven in strijd, of ik al dan niet zou binnengaan. Maar tevergeefs, Rhodopis, beproefde ik uwe tooverkracht te wederstaan, en buitendien zou ik zeker van al het nieuws, dat ik nog te vertellen heb, gebersten zijn, zoo ik niet ware uitgestapt, om u allen, onder een beker wijn en bij een stuk gebraad, dingen mede te deelen, waarvan gij niet hebt kunnen droomen."

Kallias strekte zich zeer gemakkelijk op eene matras uit, en overhandigde Rhodopis, alvorens een aanvang te maken met het uitkramen van zijne nieuwtjes, een prachtigen gouden armband in den vorm van een slang, dien hij te Samos, in de werkplaats van denzelfden Theodoros, die met hem aanlag, voor eene groote som gekocht had.

»Dit heb ik voor u medegebracht [65]," zeide hij, zich tot de oude vrouw wendende, die hoogst voldaan was over zijn geschenk.

»Voor u, vriend Phanes, heb ik evenwel nog iets beters. Raad eens wie in 't wagenmennen met het vierspan den prijs behaalde?"

»Een Athener?" vroeg Phanes met gloeiende wangen. Want schoon het geheele volk zich den roem van iedere overwinning in de Olympische spelen toeëigende, voor den burger, die ze behaalde, was toch de Olympische olijftak de hoogste eere en het grootste geluk, dat een Helleen, ja een geheelen Griekschen stam te beurt kon vallen.

»Juist geraden, Phanes!" antwoordde de vreugdebode; »een Athener heeft den eerste prijs gewonnen, en wat voor u nog meer zegt, uw neef Cimon, de zoon van Kypselus, de broeder van dien Miltiades, die ons voor negen Olympiaden dezelfde eer verwierf, was het, die dit jaar met dezelfde paarden, die bij het vorige feest den prijs voor hem wonnen, ten tweede male de zege behaalde [66]. Voorwaar, de Philaïden [67] verduisteren meer en meer den roem der Alkmaeoniden! Welnu, Phanes, voelt gij thans uwe borst niet zwellen, verblijdt gij u niet over den roem van uw geslacht?"

Buiten zich zelven van verrukking, was de aldus aangesprokene opgestaan, en zijne gestalte scheen plotseling wel een hoofd langer te zijn geworden. Met een onbeschrijfelijk gevoel van trots en eigenwaarde, reikte hij zijn landgenoot de hand. Deze omhelsde hem, en vervolgde daarop: »Ja, wij hebben alle reden om fier en gelukkig te zijn, Phanes. En gij vooral moogt u verblijden; want nadat de rechters eenstemmig aan Cimon den prijs hadden toegewezen, liet deze den tiran Pisistratus door de herauten als den bezitter van het heerlijk schoone vierspan, en dus ook als den overwinnaar uitroepen. Pisistratus liet daarop terstond afkondigen, dat uw geslacht naar Athene terug mocht keeren. Dus is ook voor u het uur niet verre meer, waarnaar gij zoo lang smachtend hebt uitgezien, dat gij uw geliefd Athene weder zult aanschouwen!"

Bij deze laatste woorden verdween de blos der vreugde van de wangen des oversten, en zijne oogen gloeiden niet meer van zelf bewusten trots, maar van toorn, toen hij uitriep: »Hoe, ik zou mij verheugen, dwaze Kallias? Ik kan van spijt mijne tranen nauwelijks bedwingen, als ik bedenk, dat een afstammeling van Ajax in staat is, zijn welverdienden roem zoo schandelijk aan de voeten van den overweldiger neêr te leggen.--Ik zou naar mijn vaderland wederkeeren? Neen! ik zweer bij Athene, bij vader Zeus en Apollo, dat ik liever in den vreemde zal verhongeren, dan een voet te zetten op den geliefden grond, zoo lang Pisistratus mijn vaderland in slavernij doet zuchten. Ik ben zoo vrij als een adelaar in de wolken, nu ik uit den dienst van Amasis ontslagen ben; maar liever werd ik in een vreemd land de slaaf van een boer, dan in het land mijner geboorte de eerste dienaar van Pisistratus. Ons, den adel, komt de heerschappij over Athene toe; Cimon echter heeft, door zijn krans aan de voeten van Pisistratus neer te leggen, de rechten van den tyran erkend, en zichzelf als slaaf gebrandmerkt. Ik, Phanes, en dat zal ik Cimon zelf doen weten, bekommer mij bitter weinig over de genade van den tyran; ja, ik wil balling blijven, totdat mijn vaderland weder vrij is geworden, en adel en volk wederom zichzelven regeeren, zichzelven wetten geven! Phanes huldigt den verdrukker niet, ook al kropen alle Philaïden en Alkmaeoniden, ja zelfs uw geslacht, Kallias, de rijke Daduchen [68], voor Pisistratus in het stof!"

Met vlammende blikken zag de Athener in het rond. Doch ook de oude Kallias monsterde, hoogmoedig en met zelfvoldoening, den kring der gasten, terwijl hij de aanwezigen één voor één scheen te willen toeroepen:

"Ziet, vrienden, op zulke mannen kan mijn roemrijk vaderland bogen!" Daarop vatte hij andermaal Phanes' hand en zeide: "Niet minder dan gij, mijn vriend, haat ik den dwingeland. Maar ik heb de overtuiging gekregen dat de macht der tyrannen, zoo lang Pisistratus in leven blijft, niet omvergeworpen kan worden. In Lygdamis van Naxos en Polycrates van Samos heeft hij bondgenooten, tegen wie wij bezwaarlijk iets zouden vermogen. Doch nog gevaarlijker voor onze vrijheid dan deze twee is de gematigdheid en wijsheid van Pisistratus zelve.

Gedurende mijn laatste oponthoud in Hellas heb ik met verbazing opgemerkt, dat de massa van het Atheensche volk den overheerscher als een vader liefheeft. Ofschoon hij zich oppermachtig gevoelt, houdt hij de wetgeving van Solon in eere. Hij versiert de stad met de prachtigste bouwwerken. De nieuwe tempel van Zeus, die door Kallaeschrus, Antistates en Porimus,--mannen die gij zeker wel kent, Theodorus,--uit het kostelijkste marmer wordt opgetrokken, moet alle tot nog toe in Hellas verrezene gebouwen verre overtreffen. Kunstenaars en dichters van groote verdienste weet hij naar Athene te lokken. De zangen van Homerus laat hij afschrijven, en de spreuken van Musaeus door Onomacritus opteekenen en verzamelen. Hij legt nieuwe wegen aan en voert nieuwe feesten in. De handel bloeit onder zijn bestuur, en het volk gevoelt zich, ondanks de belastingen die hij het oplegt, zeer gelukkig. Maar wat is het volk? Een gemeene hoop, die, even als de muggen, zich laat aantrekken door alles wat blinkt, en al zengt het ook de vleugels, toch om de kaars blijft fladderen, zoolang die slechts brandt. Laat het licht van Pisistratus maar eens worden uitgedoofd, Phanes, en ik zweer u, dat de wufte menigte den terugkeerenden adel, het nieuwe licht tegemoet zal snellen, gelijk het tot dusverre zich om den tiran verdrong.--Waardige zoon van Ajax, geef mij nog eenmaal de hand!--Maar ik ben u, mijne vrienden, nog menig nieuwtje schuldig.

»In het rennen met den wagen was alzoo Cimon overwinnaar, die aan Pisistratus zijn olijftak vereerde. Nooit zag ik vier schoonere paarden dan de zijne. Ook Argesilaus van Cyrene, Cleosthenes van Epidamnus [69], Aster van Sybaris, Hecataeus van Mylete, en vele anderen hadden kostbare vierspannen naar Olympia gezonden. Over het algemeen waren de spelen ditmaal buitengewoon schitterend. Geheel Hellas had afgezanten gezonden. Rhoda, de Ardeaten-stad in het ver verwijderde Iberië [70], het rijke Tartessus, Sinope in het verre Oosten, aan de kust van den Pontus Euxinus [71], kortom iedere stad die roem draagt op hare Helleensche afkomst, was op dit feest vorstelijk vertegenwoordigd. De Sybarieten hadden gezanten gezonden, die uitblonken door hunne kostbare kleeding, de Spartanen daarentegen eenvoudig gekleede mannen, maar schoon als Achilles en groot en sterk als Hercules. De Atheners onderscheidden zich door de buigzaamheid hunner leden, door hunne vlugheid en bevalligheid. Aan het hoofd der Krotoniaten stond Milon [72], de sterkste mensch die ooit geboren werd. De Samische en Milesische feestgenooten wedijverden in pracht en rijkdom met de Korinthiërs en Mytileners. De geheele keur der Helleensche jongelingen was te Olympia verzameld, en op de voor de toeschouwers bestemde plaatsen zaten, naast mannen van ouderen leeftijd, van iederen stand, uit ieder volk een aantal schoone jonkvrouwen, die uit Sparta waren overgekomen, om door hare toejuichingen de spelen der mannen op te luisteren [73]. Op den tegenoverliggenden oever van den Alphaeus was gelegenheid om handel te drijven. Daar kon men kooplieden zien uit alle oorden der wereld. Hellenen, Karchedoniërs [74], Lydiërs, Phrygiërs en schacherende Phoeniciërs uit Palaestina deden onderling groote zaken af, of stelden in kramen en onder tenten hunne waren te koop. Hoe zal ik u eene schildering geven van het gewoel en gejoel der tallooze menigte; van de koorzangen, die door de lucht weergalmden; van de rookende feesthekatomben [75]; van de bonte kleederdrachten; van de kostbare wagens en paarden; van het geklank van al die verschillende talen en tongvallen; van de blijde ontmoetingen van oude vrienden, die elkander hier, na eene scheiding van vele jaren, wederzagen; van den glans der feestgezanten; van het gewemel van toeschouwers en kooplieden; van de spanning over den uitslag der spelen; van het heerlijk schouwspel, dat de met toeschouwers opgepropte ruimte aanbood; van het eindelooze gejuich bij iedere nieuwe overwinning; van het plechtig overhandigen van den olijftak, die door een knaap uit Elis, wiens beide ouders nog in leven moesten zijn, met een gouden mes van den heiligen olijfboom in de Altis [76], door Hercules zelven voor eeuwen geplant, moest worden gesneden? Hoe zal ik u eindelijk eene beschrijving geven van het aanhoudend gejubel, dat als een rollende donder door het stadium [77] weêrklonk, toen Milon van Croton verscheen, en zijn door Dameas van brons gegoten standbeeld, zonder dat zijn knieën een oogenblik knikten, op de schouders door het stadium naar de Altis droeg? Een stier zou onder zulk een gewicht bezweken zijn; Milon evenwel droeg dit ontzaglijk gevaarte gelijk eene Lacedaemonische baker [78] een knaapje draagt.

»De schoonste kransen, na dien van Cimon, vielen aan een paar broeders uit Sparta ten deel, te weten: aan Lysander en Maron, zonen van eenen verbannen edelman, Aristomachus genaamd. Maron behaalde den prijs bij het wedloopen. Lysander trad onder de toejuichingen van alle aanwezigen tegen Milon, den nog onoverwonnen overwinnaar van Pisa [79], van de Pythische en de Isthmische spelen, in het worstelperk. Milon was grooter en sterker dan de Spartaan, wiens lichaamsbouw aan Apollo deed denken, en wiens jeugdig voorkomen overtuigend bewees, dat hij ternauwernood den paedanomos [80] ontgroeid was. Schoon in hunne naaktheid, glanzend van de gele zalfolie, stonden de jongeling en de man tegenover elkander, een panter en een leeuw gelijk, die zich tot den strijd toerusten. Alvorens op zijn tegenstander toe te springen, hief de jonge Lysander zijne handen omhoog, om de goden te bezweren, en riep: 'Voor mijn vader, mijne eer en den roem van Sparta!' De Crotoniaat meesmuilde, terwijl hij op den jongeling uit de hoogte neêrzag, evenals een lekkerbek lacht, alvorens hij zich neerzet om een kreeft te ontleden.

»De worsteling begon. Lang duurde het, eer het een van beiden gelukte den anderen beet te krijgen. Uit al zijn macht, ja met onweêrstaanbaar geweld, greep de Crotoniaat naar zijn tegenstander, die zich als eene slang loswond uit de geweldige grepen der athletische, zich als eene tang vastklemmende handen.--Lang hield na elken aanval de worsteling aan, waarvan de gansche vergadering zwijgend en ademloos getuige was. Men hoorde niets dan het steunen der worstelaars en het gezang der vogelen in het woud van de Altis. Eindelijk,--eindelijk was het den jongeling gelukt, zich door een meesterlijken greep, zooals ik nooit een gezien heb, aan zijn tegenstander vast te klemmen. Lang spande Milon vruchteloos al zijne krachten in, om zich uit de gespierde armen van den jongeling los te rukken. Het zand van het stadium werd rijkelijk gedrenkt door het zweet van zulk een reuzenarbeid.

»Naarmate de spanning der toeschouwers hooger en hooger klom, vermeerderde nog de stilte, werden de aanmoedigingskreten zeldzamer, en hoorde men luider het steunen der beide kampvechters. Ten laatste ontzonken den jongeling de krachten. Duizenden stemmen riepen hem moed toe. Nog eenmaal verzamelde hij, met schier bovenmenschelijke inspanning, al zijne krachten, nog eenmaal beproefde hij den Crotoniaat ter aarde te werpen. Doch deze had zijn voordeel gedaan met de oogenblikkelijke afmatting van zijn tegenstander, en hield hem nu met onweêrstaanbaar geweld, terwijl hij beide armen om hem sloeg, tegen zijn borst gedrukt. Daar golfde een zwarte, dikke bloedstraal over de schoone lippen van den jongeling, en levenloos ontzonk hij aan de vermoeide armen van den reus. Democedes [81], de beroemdste arts van onzen tijd, dien gij, Samiërs, aan het hof van Polycrates zeker wel hebt leeren kennen, snelde toe; doch de kunst vermocht dezen gelukkige niet meer te redden. Hij was dood.

»Milon moest afstand doen van den krans [82]. De roem van dien jongeling zal daarentegen door gansch Hellas worden bezongen. Ik zelf zou veel liever gestorven zijn als Lysander, de zoon van Aristomachus, dan leven als Kallias, die in den vreemde in werkeloosheid oud wordt en vergrijst, zonder iets te kunnen uitrichten. Geheel Griekenland, vertegenwoordigd door zijne edelste zonen, droeg den jongeling ten grave, en zijne eerezuil zal in de Altis nevens die van Milon, den Crotoniaat, en Praxidamas van Aegina [83] eene plaats erlangen. Eindelijk verkondigden de herauten de uitspraak der kampvechters: Sparta zal voor den gestorvene den krans der overwinning ontvangen; want niet Milon, maar de dood heeft den edelen Lysander doen bezwijken. Wie echter, na een strijd met den sterkste aller Grieken, die twee uren duurde, onoverwonnen blijft, hem voorwaar komt de olijftak wel toe."