Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 28
Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger, die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen de verklaring van den zweepdrager bevestigen. Ook in zijn hart werd de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen, voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager, dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang aan de deur van 's konings vertrek te wachten.
Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige, die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld, naar vergetelheid smachtend brein.
»Op de jacht!" brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde hovelingen toe.
De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen, die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch [316] bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los, ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde eens terdege opruimen!"
Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden vorst niet aanspreken. Om 's konings aandacht op zich te vestigen, ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede lichtstraal verdeelde.
Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijken blik op dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom knielt ge?"
»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade van zijn heer in te roepen!"
»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen zoon te hebben."
»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius...."
»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?"
»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak; maar...."
»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven kwaad ongedaan kunt maken."
»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden...."
»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen ondersteunen?"
»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan, die...."
»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen, die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!"
»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen, naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen."
De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom, voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed, dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil, laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet aankomt!"--Bij deze woorden fonkelde 's konings oog opnieuw van toorn; Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.
Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe, die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik, voor hem neder en kuste den grond.
Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon:
»Wie zijt gij?"
»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden."
»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus deed behalen?"
»Dezelfde."
»Wat voert u naar Perzië?"
»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen."
»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid, dan gij, Hellenen!"
»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van 's menschen karakter misvormt."
»Welnu, spreek dan!"
»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij echter veel tijd noodig hebben; heden echter..."
»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren. Vergezel mij op de jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere behoefte aan afleiding dan thans."
»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij...."
»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?"
»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood."
»Volg mij dan!"
Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uw broeder dan onschuldig sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!"
Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw eigen doodvonnis uitspreekt!"
Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan, en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt, dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor 't mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk, dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat, wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen."
»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het gebas der honden in het voorhof."
»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht, herkende ik dadelijk zijne trekken...."
»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?"
»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien de Alkmaeoniden voor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden, de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen had geprent."
»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft, zoo trouw weer te geven!"
»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijne kunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen een tweede beeltenis van uw broeder...."
»Ik begeer die niet. Ga voort!"
»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan, daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde...."
»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden gebruik te maken?"
»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne kleederen met de mijne te verwisselen."
»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër beiden," zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze geschiedenis.--Arme Cresus!" Bij deze woorden trok er wederom een wolk over Cambyzes' gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op zijn voorhoofd glad te strijken.
De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht, door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden...."
De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.
»Wij waren," ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden, aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit, en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren, om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig, geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om, bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp roepen. Mijn besluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten, de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei, dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen, en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm- en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren...."
»Zonderling!" kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen.
»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden," liet Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken."'
»Ik ben gewoon," antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later ook zou kunnen berouwen."
»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had, en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een giftige adder van de aarde zal worden verdelgd."
»Zult gij het mij niet euvel duiden," vroeg Phanes, die de sporen eener vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had, »als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?"
»Spreek!"
»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dus de goden u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig, maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts twee geneesmiddelen: hoop en geduld!"
Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord »geduld" vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid, en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.
»Wij droegen," vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg, mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges, den zoon van Cresus uitgeven.
»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen, voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs de waard van het posthuis zwoer, toen we 's jongelings gelaat van het bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek [317], zonder welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis te Babylon vervoerd te worden. Hij verzekerde ons echter met drift, dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar...."
»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig, dit te vernemen!" viel de koning den spreker in de rede.
»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden uitbracht."
»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?"
»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste, Mandane geheeten."
»Mandane!" prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis dien naam."
Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen, en riep hij: »Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning, want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende tuinen geweest is!"
De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding, waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws, en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de koning, ondanks Phanes' onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak, wiens leven of dood een speelbal zijner luimen was. Zoo machtig werkten de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch, die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben, en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was er nog iets anders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig, dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten."
Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe hofbeambten eenige vragen te richten?"
»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!"
Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan, dat alles in gereedheid was.
»Men wachte!" sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten, die tengevolge van den gemaakten spoed, om 's konings bevel ten uitvoer te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?"
Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden te ondervragen, met den genoemden persoon terug.
»Wat doen de gevangenen?" vroeg Cambyzes den voor hem op den grond liggenden hoofdman.
»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is zoet door uw wil te sterven."
»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?"
»Ja, mijn koning!"
»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?"
»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt, als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven, als gij hen hoordet spreken."
De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?"
De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen: »Hij is.... hij heeft.... wij dachten...."
»Wat dacht gij?" hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil de volle waarheid weten!"
De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder, en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade, genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen, van welke vijftien...."
»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!"
»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij...."