Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 27
Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen, op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest; want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning verliet, om zich naar Phaedime te begeven.
De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds was de mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen, zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet, hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle betrekking hadden op hare vijandin Nitetis.
»Bedaar, mijn duifje!" zeide Boges, zijne vleezige hand op haar schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.--Ja, deze liefkoozing heb ik wel verdiend!--Zoo, nu lig ik goed en kan beginnen.--Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn zaakgelastigde...."
»Altemaal dwaasheid!" riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik wil weten wat er heden is voorgevallen."
»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind [311]! Zoo gij mij nog eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt."
»Neen, neen," begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren, wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van slavinnen en eunuchen tot mij kwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij, wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren."
Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende: »Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb."
Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden, en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht, scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken, als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen [312]. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.
»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest [313] daar was, verzamelden zich alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij, juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen, om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den koning moest overbrengen, meende ik een geestverschijning te zien, zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden, en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten, spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op, dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje, dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde, naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af, zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou, indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon, als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.
»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er op aan de ijverzucht van den koning opnieuw te doen ontbranden, en de Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen, bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken bleef, dat zij als in het nest van den Simurg [314] leefde. Het overige weet gij!"
»Maar hoe ontkwam Gaumata?"
»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan, dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja 's avonds met zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen, zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!
'Nitetis, de overspelige dochter van den koning van Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel, en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode levend begraven worden.--Dit bevel wordt den overste der eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.
De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.'
»Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen, toen de moeder van den koning, door Atossa geleid, met gescheurde kleederen de zaal binnenvloog.--Aan huilen, schreien, verwijtingen, vloeken, beden en bezweringen geen gebrek! Maar de koning was onvermurwbaar, en ik geloof waarlijk, dat Cassandane en Atossa, Cresus en Bartja naar de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet de vrees voor de schim van zijn vader den zoon had weerhouden, de hand te slaan aan de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den mond.--Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn van hare schuld.--Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar Rhagae terugkeert, een koel bad in de golven van den Euphraat zullen doen nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha!"
Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach, overstelpte den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten, met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs harer dankbaarheid om den hals.
TIENDE HOOFDSTUK.
De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen, eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door, roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!" De vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten, vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden, terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen, wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten, raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen, die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik, om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot, dat de macht en het gezag der zweepdragers te kort schoten om de rust te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken, teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.
Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam, die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel door die woelige menschenmassa's verwacht werd.
Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen, toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa, die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter hulp. »Maak plaats!" schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!"
»Bedaar, mijn vriend!" antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is die voorname heer?"
»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu spoedig plaats!"
»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!"
»Dat gaat u niet aan! De vrijpas...."
»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten."
Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier.
Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn, als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van 's konings dischgenooten draagt."
Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend, zijden rolletje, waarop 's konings zegel en eenige schrijfteekens zichtbaar waren.
De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde," mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een bedrieger!"--te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.
Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon, naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij."
De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.
De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik er uit als een bedrieger?"
»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt, zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman."
»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen komen. Ik ben bereid mij zelven voor den koning te rechtvaardigen, en heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen, en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft, en wat deze verbazende volksoploop beduidt."
De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even, en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis' dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat; ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen, sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:
»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?"
»Onuitsprekelijk!"
»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten [315] zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden."
»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman...."
»Gij moet, gij moet."
»Ik kan niet!"
»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu, dat ge mij helpen moet?"
»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?"
»Vraag niet, maar handel!--Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de veroordeelden behoort?"
»Ja!"
»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is."
»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus."
»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden."
»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle zekerheid, dat ik..."
»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen bereiken."
Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja's onschuld te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt mij vrienden, en maakt ons plaats!"
Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem, ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen, die hem ruim baan maakten.
Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen, op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken.