Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 25
»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden, een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren geleider ons te gemoet kwam.
»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij, op geen vier schreden afstands van ons. zoodat wij gelegenheid hadden hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in haar slaapvertrek liggen."
Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?"
»Ja!"
»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?"
»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars."
»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning."
»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja, gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden."
»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?"
»Ja!"
»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?"
»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden."
Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide: »Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen, wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?"
»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen, dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben."
»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?" vroeg Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.
»Wij!" »Ik!" »Wij!" riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als uit éen mond.
»Verraders, schurken!" schreeuwde de koning. Als echter zijn oog den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht."
»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode," zeide Araspes; »maar wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat we van de jacht tehuis gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben."
»En," liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges, zijne vlucht moet hebben begunstigd."
Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.
Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog: »Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?"
»Spreek!"
»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden, en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief, en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en gij verzekerdet: 'Ik deed het niet,' ik, Bartja, geheel Perzië zou logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen."
Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten, mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt, dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap ten grave dalen!"
Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd, dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenste aller menschen te houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?"
»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken."
Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis' slaapvertrek gevonden.
Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen.
»Dit is uw dolk, ellendeling!" brulde hij, en vloog andermaal in woeste drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had, den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen, want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?"
»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij..."
»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u, meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen, en breng de Egyptische vóor mij.--Maar neen, ik wil de slang niet meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik.."
Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen.
In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen, en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen, en haar eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis, schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.
Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar het rustbed van haar zoon, den koning.
De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier lijfartsen [299], zacht fluisterend, over den toestand van den lijder.
Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken, hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid moest zijn.
»Gij hebt gelijk, moeder," antwoordde de koning, op smartelijken toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke broeder zal zijne boeleerster volgen."
Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.
Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten, en deze man was geen dief, maar de schoonste van alle Perzen, aan wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen."
»Kent gij den inhoud van dat schrijven?" waagde Cresus te vragen, terwijl hij het bed naderde.
»Neen, het is in 't Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte is te ontcijferen."
»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?"
Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen voorlezen."
Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen op de dichters, die de vrouwen beschimpen [300]. Alle, alle zijn valsch en trouwloos!--O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden, gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden, dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!"
En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem de volgende woorden las:
»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den grooten Cyrus.
»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen, en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet."
Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige, sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer, tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes niet tweemaal laten roepen, en zich door valsche eeden onteerd. Zijne vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster, dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans, ik moet alleen zijn."
Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.
Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven, onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn," riep Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen, zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk voor ons leven verwedden."
»Zopyrus heeft gelijk," voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig genoeg en wel voor altijd sluiten."
»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren," zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!"
»Hé, Bartja en Darius!" riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis [301], want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen leven."
»Vóor alle dingen," zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in den kring der drinkers, »moeten wij beproeven het voorgevallene te verklaren."
»Mij is het onverschillig," riep Zopyrus, »of ik met dan zonder deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldig ben, en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze laatste levensuren gebrek lijden."
»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong te moeten sterven, verbittert u den wijn," zeide Bartja.
»Zoo waar ik nog leef, neen!" riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt." Dit gezegd hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?"
»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een booze Diw Bartja's gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische is gegaan om ons in 't ongeluk te storten."
»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen."
»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?"
»Zeker!" riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?"
»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!" riepen de jongelingen. Een oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend, halfzingend:
"Als Kawoes koning was van 't Perzisch rijk, En er geen koning was aan hem gelijk. Als hij de wereld voor zich beven zag, Van pracht en rijkdom zich omgeven zag, Zijn troon met goud en paarlen zag getooid, Zijn kroon met diamanten overstrooid, Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed, Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.
Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat, En zich verzaadde aan fonklend druivennat Vertoonde een Diw zich aan de poort van 't hof, In zangerdos gehuld, en vroeg verlof Om tot den koning in 't paleis te gaan: 'Ik ben een zanger uit Masenderan [302],' Zóo klonk zijn taal; 'ontga mij 't voorrecht niet Des konings oor te streelen met mijn lied.' 't Gedwee verzoek vond bij den koning gunst. "Hij nader," sprak de vorst, "en toon zijn' kunst!" Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan, En zong dit loflied op Masenderan."
»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?"
»Zing steeds voort!"
"O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer; De zegen Gods dale op uw vlakten neer, Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit, Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit, Waar 't groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt, De lentelucht voor koû noch hitte wijkt, De nachtegaal in 't loof der wouden zingt, De hinde langs den rug der bergen springt, De lucht steeds klaar is en het leven zoet, Waar alles zwemt in geur en kleurengloed, Waar rozenwater stroomt door beek en vliet, En weelde en wellust in de zielen giet;-- Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen: [303] Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen, De zilvren vloed zich voort; daar is de jacht Nooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht. Daar schittert alles. Louter goud is daar Het hoofdsieraad der achtbre priesterschaar. De grooten spreiden er hun glans ten toon In gouden borstborduursels, rijk en schoon. Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet, Die kent het waar geluk des levens niet." [304]
»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan, alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd."
»Maar," viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf den blinde het gezicht weder, door hem het bloed der gedoode Diws in de oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen zullen bevrijd, Cambyzes en onzen met blindheid geslagen vaders zullen de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun, dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers."
»Ik heb het altijd wel gezegd," viel Araspes hem in de rede, »dat slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd."
»Gruwzaam mensch!" riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren, dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den hals in een strop?"
»Gij hebt volkomen gelijk!" antwoordde de oude; »ik heb menigeen zien sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze, ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden geweest, dan de tegenwoordige."
»Vertel ons iets uit die dagen!"
»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken."
»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal, kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!--Toen ik jong was, vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had, en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw, streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteen oprichten, die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze eenvoudige woorden zijn er op vermeld: 'Aan Panthea, aan Abradat, en aan de trouwsten van alle dienaren!'--Ziet, kinderen, wie eenmaal zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere denken." [305]
De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep: »O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken dood sterven?"
Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet, en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met geopende armen.
Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng; zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis vergiftigd."
Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter Cresus het woord »bedrogen" uitsprak, balde hij zijne vuisten, en stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!"
Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan, en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend, om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet bij uwe trouweloosheid."
Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne wangen werden doodsbleek.