Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 24
»Gij hebt gelijk, vadertje!" zeide Bartja. »Philomele, gelijk de Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons verliet, om naar Bulbul te luisteren?"
»Ik dacht niet aan meisjes," antwoordde de jongeling. »Gij weet, dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen."
»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was gedrongen!" hernam Araspes plagende.
»Genoeg!" riep Darius, dien deze scherts verdroot.
»Onvoorzichtige," fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij liever wat gij in de sterren gelezen hebt?"
Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!"
»Niets goeds," antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken, Bartja."
»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen voor elkaâr!"
»Toch...."
»Kom, spreek gerust!"
»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin."
Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius' schouder, en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren, vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide: »Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op, die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte, want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen."
»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?"
»Voorzeker! De sterren liegen nooit!"
»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan hetgeen zij ons voorspellen."
»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!"
»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen afscheid genomen."
»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresus op haar de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen."
»Zij zullen mij voor een lafaard houden."
»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot te ontvlieden, als men kan, is wijs."
»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?"
»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan de overmacht tracht te ontkomen."
»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.--Hoe zou ik een gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben."
»Gij kent er de grootte niet van."
»Vreest gij voor mijn leven?"
»Neen!"
»Laat mij hooren, wat gij ducht."
»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u toen reeds boven het hoofd hingen."
»Waarom mij dat verzwegen?"
»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u, daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert."
»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken."
»Ik begrijp dat gevoel..."
»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?--Gij zegt niet neen?"
»Ach, een droom zonder hoop!"
»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?"
»Versmaden?"
»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?"
»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen zou, Bartja?"
»Dat kunt ge!"
»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!"
»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine Amescha Çpenta [294]! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren, want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder, en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!"
»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk, waaraan de dieren bevestigd waren [295], brak van den dissel, en voor mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen, en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen, in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.
»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze Diws, bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.
»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals, Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last, behouden op den vasten bodem.
»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen, schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie, en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag, den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet vergeten heeft. Cassandane...."
»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen, daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden; hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn zoon tot vrouw verlangen!"
»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen."
»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarige knaap, naar de kroon zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus, nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven."
»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit zijn trots."
»Waar zou hij toch zoo lang blijven?"
»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem ophouden."
»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!" liet zich op eens de stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!"
»Wij komen, wij komen!" antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik Atossa's hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid, aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op eigene wieken zijn doel te bereiken."
Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven: »Arme Bartja!" Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij: »Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter zijde staan!" Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met ongeduld zaten te wachten.
Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die, als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.
»Wat is u overkomen, vader?" vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand van den grijsaard vatte.
»Niets, niets," stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige, zijt gij nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers, die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den dood zult bekoopen."
»Maar Cresus, ik heb...."
»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt...."
»Wat zegt gij?"
»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij, die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn uitdrukkelijk verbod te overtreden?"
»Ik begrijp er niets van! Ik...."
»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij de Egyptische...."
»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!"
»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik...."
»Maar ik zweer u...."
»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!"
»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed."
»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben...."
Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken, door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!"
»Ik zweer u, vader," riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren dezen tuin niet verlaten heeft!"
»Dat bezweren wij allen," verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius levendig, als uit éen mond.
»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?" hernam Cresus op klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij dan, dat ik blind of krankzinnig ben? Meent gij dan, dat uw getuigenis de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas, Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!"
»Angramainjus moge mij verderven," riep de oude Araspes, den angstigen grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren op de hangende tuinen is geweest."
»Noem mij uw zoon niet meer," liet Gyges volgen, »als ons getuigenis valsch is."
»Bij de eeuwige sterren!" wilde Darius uitroepen, als Bartja de door elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!"
»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling, want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt, weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!"
»Vlucht, Bartja!" riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in sterrenschrift heeft gegeven."
Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou overladen.--Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden vaarwel heb gezegd."
Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die buiten zichzelven is van razernij, heeft mij bevolen, u, en allen, die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen."
Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet."
»Ik dank u, vriend," hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog heden in het verhoor zal nemen."
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en instrumenten in de handen hielden, stonden. Cambyzes toch was eerst voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren, hem met vernieuwde woede aangegrepen [296].
Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van Phaedime, die ter wille van de Egyptische 's konings gunst verloren had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den achtergrond bevonden zich honderden waardigheidbekleeders en grooten.
Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem:
»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware leugens bevlekt!"
Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât [297]; want hij heeft de hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft, de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt, al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden [298]."
»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters, en verworgt hem! Voert hem weg!--Zwijg, ellendeling, ik wil uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!"
De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder, raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden, die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uw levensstroom niet meer verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn."
Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen.
De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan, in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene, had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij zich vermeten had den edelen Bartja een brief..."
»Zwijg," viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!"
»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem, in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen, en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon, en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman.