Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 23

Chapter 233,891 wordsPublic domain

De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide: »Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte Pers, denkt gij slechts op 't veld en in den strijd gelukkig te kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid, strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!--Laat ons geen onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen, die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven."

Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk, laten wij een vijand zoeken!"

De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen, Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons niet liefheeft is onze vijand!"

»Niets van dat alles!" riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot iederen prijs!"

»Ik stem voor Cresus!" riep Gobryas.

»Ik ook! riep de edele Artabazos.

»Wij zijn voor Hystaspes!" schreeuwden de held Araspes, de grijze Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus.

»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog tot elken prijs!" brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus, met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.

»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve gewroken is," zeide de opperpriester Oropastes.

»Strijd! Strijd!" schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.

Koel en rustig sloeg Cambyzes eenige oogenblikken de teugellooze geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op, en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!"

Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats den Massageten zoudt antwoorden.--Acht gij de ziel van mijn vader, van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam gewroken?"

Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar bezochte volk den vrede schenken?"--werd door alle aan wezenden met een levendig »Ja!" beantwoord.

»Dat is het, wat ik weten wilde" vervolgde Cambyzes. »Morgen, als wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen vogel Parôdar [290] aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan."

Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil zij den Koning!" deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van den boomkweeker op de hangende tuinen.

»Wat zoekt gij hier?" vroeg hij hem.

»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen."

»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?"

De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon half verbrand was.

»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?" vroeg Boges, die vermoedde dat hier iets achter stak.

»Ja, eene andere heeft mij gezonden."

»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in 't geheim iets weten!"

»Wie heeft u dit verraden?"

»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja aanstonds ter hand stellen."

»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven."

»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij."

»Ik mag niet."

»Gehoorzaam mij, of..."

Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle; daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.

»Wat gebeurt hier?" vroeg Cambyzes.

»Deze vermetele knaap," antwoordde de eunuch, »is het paleis binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis over te brengen."

Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het voorhoofd den grond aanrakende.

Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de Egyptische van mijn broeder?"

»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft."

Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans aan dezen een klein papyrus-rolletje over.

Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.

Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap, terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde:

»Wie heeft u dit gegeven?"

»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter van den magiër."

»Voor mijn broeder Bartja?"

»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen, en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje verklaren zou."

De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht."

»Dat hebt gij niet gedaan!" bulderde de, gelijk hij meende, schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten, grijpt den knaap!"

De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlings naar zijne vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis niet meer.

Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde, en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.

Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten, zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt gij uw leven verbeurd!"

»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?"

»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan zal beschouwen."

»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?"

»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen."

»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen...."

»Neen!--Verlaat mij!"

»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal toe het bewustzijn verloren.--Indien op zulk een oogenblik eens iemand...."

»Wie zou u dan kunnen vervangen?"

»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud, en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne gezondheid te herstellen. Wees genadig!"

»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.--Verlaat mij thans!"

»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan. Hystaspes, Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg dragen, dat zij de Egyptische niet naderen."

»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen openhouden.--Ga!"

Boges groette eerbiedig, en verliet 's konings vertrek. Den slaven, die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting, want het lot van Nitetis scheen hem zoo goed als beslist, en het leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg, hield hij in zijne handen.

Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen, Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden, zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.

Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit, om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen uitgestrekt was [291].

ZEVENDE HOOFDSTUK.

De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.

Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.

Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid; Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een wilden ezel te volgen.

Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge, wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte, te zien en te spreken.

Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemeniden in een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken bijeen.--Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn, dien de koningszoon met milde hand schonk.

»Gelukkige Bartja," riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik, arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel, zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel."

»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!" riep Zopyrus, den beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis."

Araspes glimlachte weemoedig.

»En wie belet u, nog heden te huwen?" riep Gyges. »Gij zijt wel zestig jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding, uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes, dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen."

»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur," duwde de oude vrijer den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!"

»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen."

»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen."

»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes."

»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gij meer vertrouwen, dan in de eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder, en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde orakel van uw geluk afhouden!"

»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne uitspraken verkeerd uitleggen?"

»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!"

»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!" sprak nu Darius. »Verklaar ons liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen, bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk schijnt te benijden?"

Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker, en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u die thans niet mededeelen."

»Laat hooren, laat hooren!"

»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!"

»Ik dank u!" antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de lippen zette.

»Gij meent het goed," prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den grond keek.

»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes," riep de oude krijger, toen hij zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas, na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is zij niet schoon?"

»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide," antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene vroolijker uitdrukking aannam.

»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?"

Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.

»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!" riep de oude.

»Wat zijt gijlieden toch dwaas," sprak Zopyrus, die zich nu in het gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet, daar eene godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben, en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!"

»Zopyrus heeft gelijk," zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een ondankbaar mensch!"

Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend werd doorgehaald. Hij zag 't hem aan, dat de woorden zijner makkers eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw vader verzoend zult hebben."

»Misschien," antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u, bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen."

»Dat geve Anahita," riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen."

»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben," antwoordde Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen, van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven, terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn, vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren."

»Bah!" hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels, dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen."

»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld worden," antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig, en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden echtgenoot [292] wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar huis platliepen."

»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!" zeide de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen."

»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!" zeide Araspes, terwijl hij hem lachend aanzag.

»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn, ze sloten onderling vrede."

»Hoe meent gij dat?"

»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring hebt op dit gebied!"

»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in."

»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens."

»Gij spotvogel!"

»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik ging naar het hof.--Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente, en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog den Orontes bedekte) kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard, geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen, vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!--Nauw heb ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden, of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever, dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen."

»Ongelukkige Zopyrus!" zeide Bartja lachend.

»Ongelukkige?" hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u, dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen te sterker doen uitkomen.--Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder verlicht is!"

»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!" riep Darius, die buiten het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.

»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd," viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde [293] getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!"