Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 20

Chapter 203,894 wordsPublic domain

»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van datgene, waarvan het verlies hem 't meest zou bedroeven, en wel op zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd, en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee [267]. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden, schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten, dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden, met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven aan u over Syrië gezonden worden.

»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichten uit het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.

»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep?

»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte, om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.

»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis [268] van u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.

»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden over ons huis hebben doen komen.

»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij, die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan; en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een bijkans woeste drift het vlas van den haspel. Maar een halfuur later lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond, zonder zich met iets of met iemand in te laten.

»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen, gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar leven te Bubastis [269] het geheele volk, dat zich aan de meest onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos, brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.

»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor, dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in eene andere wereld zien.--Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam doorliep ontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige krankheden, uit Thebe naar Saïs.

»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden, en trachtte de kwaal te bezweren [270]. De sterren en orakels werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.

»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot's sterren weinig hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van vreemde goden op de zwarte aarde [271] gebouwde tempels vernield, en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.

»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden, en hand noch voet verroeren kan.

»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen, hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is [272]. In plaats van zijne oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij, in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde der dierbare.

»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!--De oogziekte nam van dag tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis, die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen, berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.

»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost; want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij verleenen over de helft van ons leven.

»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep, de groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven, inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend, om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.

»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij zachtkens het minneliedje van Sappho:

'Wil niet treuren, lieve moeder! Wijl mijn taak niet is volbracht. Want de liefde bindt mijn handen. Wie weerstaat toch Cypris macht?'

»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: 'Hebt gij zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?'

'Neen,' antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent vijftig jaren."

'Vóór vijftig jaren,' herhaalde Tachot peinzende.

'De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,' viel de dichter haar in de rede; 'gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.'

»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje, als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit, en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak, en met den blik ten hemel geslagen: 'Ik weet dat ik niet sterven zal, voordat ik hem zal hebben wedergezien.'

»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen, viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen.

'Wat zeidet ge daar?' vroeg ze aan het meisje.

'Ik vertelde van mijne oudste zuster.'

'Mag ik het ook weten?' vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon: 'Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster [273] opging, klom hij eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.'

»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: 'Gij weet wel, lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft, dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd, dat ik hem zal wederzien!'

»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggen had, verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond, en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.--Daar zendt zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij heeft het met veel moeite geschreven.

»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode wacht er reeds lang op.

»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste, en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij, of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen hoon niet zwaar aangetrokken naar 't schijnt, althans zich voor groote sommen laten vinden om in Egypte te blijven.

»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende, hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën, hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men 't heeft met den nieuwen rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band, die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde, te verbreken.

»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdende vriendin en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand, en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden, dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten.

»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!"

VIJFDE HOOFDSTUK.

Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve gebeurtenissen.

Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde, verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis.

Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane, de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt," dacht het meisje; »een kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen, gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft."

Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband, in welks edelgesteente zich de stralen der middagzon spiegelden. Zij bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees gegroet, schoone Mandane!"

De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid, als een zwaan in de woestijn."

Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde, terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!"

»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is; en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken," antwoordde zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!"

»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de mannen, evenals de worm de visschen."

»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort."

»Waarachtig, ik geloof het gaarne!" hernam de eunuch al grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?"

»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin Cassandane, en niet aan u!"

»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?"

»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar....."

»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid niet verdient."

»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt."

»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër, en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg, en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de broeder van Oropastes, Gaumata [274]--nu, nu, gij behoeft niet zoo rood te worden, Gaumata is een mooie naam,--op uwe fijne koontjes verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten."

»Verschoon mij van uwe spotternijen!" riep het meisje, sterk blozende en stampvoetende.

»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes, die zijn jongeren broeder naar Rhagae [275] zond, en u een plaatsje aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten."

»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou..."