Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 2
In deze zaal stonden thans eenige mannen, zeer van elkander verschillende in gelaatstrekken en in kleeding. Een Phoeniciër uit Tyrus, in een lang karmozijnkleurig gewaad, was in eene zeer levendige woordenwisseling met een man, wiens scherpe trekken en zwart krullend haar den Israëliet deden kennen. Hij was uit zijn vaderland naar Egypte gekomen, om voor Serubabel, den koning van Juda, Egyptische paarden en wagens, die toen zeer beroemd waren, te koopen [35]. Naast dezen stonden drie Grieken uit Klein-Azië. Hunne kostbare kleederen, die in breede plooien neerhingen, lieten aanstonds vermoeden dat Mylete hun vaderland was. Zij voerden een ernstig gesprek met Phryxus, den eenvoudig gekleedden afgezant van de stad Delphi, die Egypte bezocht om gelden in te zamelen voor den Apollo-tempel. Het oude heiligdom der Pythia [36] was, tien jaren geleden, eene prooi der vlammen geworden, en men wenschte het thans schooner uit zijne asch te doen herrijzen. Twee der Myletiërs, leerlingen van Anaximander en Anaximes [37], bevonden zich aan de boorden van den Nijl, om te Heliopolis de sterrenkunde en de wijsbegeerte der Egyptenaren te beoefenen. De derde was een rijk koopman en scheepsreeder, Theopompus geheeten, die zich te Naucratis metterwoon had gevestigd.
Rhodopis zelve onderhield zich zeer belangstellend met twee Grieken van Samos, den alom beroemden bouwmeester, metaalgieter, beeldhouwer en goudsmid Theodorus en den jambendichter Ibycus van Rhegium [38], die voor eenige weken het hof van Polycrates verlaten hadden, ten einde Egypte te leeren kennen, en den koning geschenken van wege hun heer aan te bieden. Nabij den haard lag een gezet man, Philoinus van Sybaris [39], met sterk sprekende zinnelijke gelaatstrekken, zoo lang als hij was uitgestrekt op een met bont overtrokken voor twee personen bestemden stoel. Hij streek gedurig met zeker welbehagen door zijne welriekende met gouddraad doorvlochten lokken, of speelde met de gouden kettingen, die van zijn hals nederhingen op het saffraankleurig kleed, dat hem tot aan de voeten reikte.
Rhodopis had voor iederen gast een vriendelijk woord; doch op dit oogenblik richtte zij zich meer uitsluitend tot de beroemde Samiërs. Zij onderhield zich met hen over kunst en poëzie. De oogen der Thracische vrouw gloeiden nog van jeugdig vuur. Hare hooge gestalte was gevuld en nog niet door den ouderdom gebogen. Hoewel hare lokken vergrijsd waren, golfden zij nog altijd weelderig om het schoongevormde hoofd, en schenen zich slechts met weerzin van achteren door een net van gouddraad te laten bedwingen. Op het hooge voorhoofd prijkte een fonkelende diadeem. Dat edel Grieksch gelaat was bleek, maar schoon en, ofschoon zij reeds zeer bejaard was, door rimpel noch plooi ontsierd. Die kleine mond, die volle lippen, die witte tanden, die schitterende en toch zachte oogen, dat edele voorhoofd en die fijnbesneden neus hadden nog het sieraad eener maagd kunnen zijn. Men moest Rhodopis voor jonger houden, dan zij werkelijk was, en toch handelde of sprak zij nooit in strijd met hare hooge jaren. Uit elke harer bewegingen sprak de waardigheid eener matrone, en hare minzaamheid was niet die der jeugd, die zoekt te behagen, maar die des ouderdoms, die zich aangenaam wil maken, die achting heeft voor anderen en tegelijk achting vordert.
Thans verschenen ook de ons bekende mannen in de zaal. Aller oogen vestigden zich op hen, en als Phanes nader trad zijn vriend bij de hand leidende, werd hij op de hartelijkste wijze welkom geheeten.
»Ik dacht al," riep een der Mylesiërs, »er ontbreekt ons iets, hoewel ik niet wist wat! Nu is het mij volkomen duidelijk: zonder Phanes geene vroolijkheid!"
Philoinus de Sybariet verhief daarop zijne diepe zware stem, en riep, zonder zijne gemakkelijke houding ook maar in het minst te veranderen: »De vroolijkheid is een kostelijk ding, en zoo gij haar medebrengt zijt gij ook mij welkom, Athener!"
»Wat mij aangaat," sprak Rhodopis, terwijl zij hare nieuwe gasten tegemoet ging, »weest hartelijk gegroet, wanneer gij vroolijk zijt, maar niet minder welkom, als gij onder kommer of smart gebukt gaat: ik ken toch geen grooter genot, dan de rimpels op het voorhoofd van een vriend glad te strijken. Ook u, Spartaan, heet ik vriend, want zoo noem ik een ieder, die mijnen vrienden dierbaar is."
Aristomachus boog zich zwijgend; de Athener evenwel riep, zich half tot Rhodopis en half tot den Sybariet wendende: »Welnu dan, gij, Rhodopis, zult gelegenheid hebben, mij, uw vriend, te troosten, want maar al te spoedig zal ik u en uwe vriendelijke woning moeten verlaten. Doch gij, Sybariet, zult uw hart kunnen ophalen aan mijne vroolijkheid, want eindelijk zal ik mijn Hellas wederzien, en dit land, dat veel heeft van een vergulden muizenval, zij 't dan ook met weêrzin, verlaten!"
»Gij gaat heen? Hebt ge dan uw ontslag gekregen? Waarheen denkt gij u te begeven?" klonk het van alle zijden.
»Geduld! geduld! vrienden," riep Phanes; »ik moet u eene lange geschiedenis vertellen, die ik evenwel wil bewaren tot we aan tafel zijn. Maar, van den maaltijd gesproken, beste vriendin, mijn honger is op dit oogenblik bijna even groot, als mijn leedwezen dat ik u verlaten moet."
»Honger is een voortreffelijk ding," philosopheerde de Sybariet, »als men een goeden maaltijd in het vooruitzicht heeft."
»Stel u gerust, Philoinus," hernam Rhodopis, »ik heb den kok bevolen zijn uiterste best te doen, en hem gewaarschuwd, dat de fijnste lekkerbek uit de weelderigste stad der geheele wereld, dat een Sybariet, dat Philoinus een streng gericht zal houden over de werken zijner handen.--Ga, Knakias, en zeg dat men aanrichte!--Zijt ge thans tevreden, gij ongeduldige heeren? Ondeugende Phanes, mij hebt gij intusschen met uwe tijding alle eetlust benomen!"
De Athener maakte eene buiging. Intusschen zette de Sybariet zijne wijsgeerige overpeinzingen voort: »Tevredenheid is een kostelijk ding, als men de middelen heeft om al zijne wenschen te bevredigen. U, Rhodopis, dank ik, dat gij aan mijne onvergetelijke vaderstad recht hebt laten wedervaren. Gij weet wat Anakreon zegt?
'k Leef bij 't heden, niemand weet toch Wat de dag van morgen brengt. Proef, geniet dan 's levens vreugde, Wijl het noodlot zulks gehengt. Werp den teerling, offer Bacchus, Drink en smaak zijn kostbren wijn: Immers, als een ziekte u nadert, Moogt gij niet meer vroolijk zijn.
Zeg! Ibycus, heb ik uw vriend, die met u aan de tafel van Polycrates smult, niet zeer juist te berde gebracht? Maar ik zeg u, dat, al maakt Anakreon betere verzen dan ik, uw onderdanige dienaar desniettemin zoo goed als de beste bedreven is in de kunst om er heerlijk van te leven. In geen zijner liederen zingt hij den lof van het eten; en is toch het eten niet van meer belang, dan het spel en de liefde? Ofschoon deze beide uitspanningen, ik bedoel spel en liefde, ook mij zeer na aan 't hart liggen. Als ik niet te eten had, ging ik zeker dood, maar zonder spel en liefde kan ik het leven rekken, zij het dan ook een leven zonder kleur of geur."
De Sybariet barstte in een schaterend gelach uit over zijne eigene geestigheid, en terwijl de verzamelde gasten in dezer voege voortkeuvelden, wendde zich de Spartaan tot den Delphiër Phryxus, troonde hem naar een hoek van de zaal, en vroeg hem, zijne gewone bedaardheid geheel verloochenende, in groote opgewondenheid, of hij hem reeds het antwoord van het orakel had medegebracht? De ernstige tronie van den Delphiër nam eene meer vriendelijke uitdrukking aan. Hij tastte in de borstplooien van zijn chiton [40], en bracht een klein rolletje van perkamentachtig schaapsleder te voorschijn, waarop eenige regels geschreven stonden.
De handen van den reusachtig sterken, dapperen Spartaan sidderden, toen hij ze naar het rolletje uitstak. Hij tuurde op de letters, als wilde hij met zijne blikken het leder doorboren. Doch hij bezon zich, en zeide mistroostig het grijze hoofd schuddende: »Wij, Spartanen, leeren andere kunsten dan lezen en schrijven; zoo gij 't kunt, lees mij dan voor wat de Pythia zegt."
De Delphiër doorliep het geschrevene, en antwoordde: »Verheug u! Loxias [41] belooft u een gelukkigen terugkeer in uw vaderland. Hoor wat de priesteres u verkondigt:
Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt, Dan voert de ranke boot u, moê van 't ommedwalen, Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt. En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven.
Met gespannen aandacht luisterde de Spartaan naar deze woorden. Nog eenmaal liet hij zich de uitspraak van het orakel voorlezen; daarop herhaalde hij ze uit het hoofd, dankte Phryxus, en stak het rolletje bij zich.
De Delphiër mengde zich vervolgens in het algemeen gesprek. De Spartaan prevelde echter voortdurend bij zich zelven de geheimzinnige regels der orakelspreuk, om ze toch niet weer te vergeten en deed al zijn best om deze raadselachtige taal te verklaren.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De vleugeldeuren der eetzaal werden geopend. Aan weêrszijden van den ingang stond een schoone blonde knaap, met myrtenkransen in de hand. In het midden van de zaal zag men eene groote, lage, glad gepolijste tafel, omgeven door purperroode matrassen, die de gasten noodigden om zich neder te vlijen [42]. Op den disch prijkten heerlijke bouquetten. Groote stukken gebraad, glazen en schalen vol dadels, vijgen, granaatappelen, meloenen en druiven waren naast kleine zilveren bijenkorven met honig gerangschikt. Op gedreven koperen borden lag fijne zachte kaas van het eiland Trinakria [43]. In het midden der tafel verhief zich een zilveren plateau in den vorm van een altaar, dat geheel met myrten- en rozenkransen omwonden was, en waarop reukwerk brandde, dat de geheele zaal met de liefelijkste geuren vervulde. Aan het uiterste einde van den disch zag men het zilveren mengvat [44], dat blonk als een spiegel, een kostelijk Aeginetisch kunstwerk, welks omgebogen handvatten twee giganten voorstelden, die onder het gewicht der schaal, die zij torschten, schenen te bezwijken. Dit vat was, evenals het altaar in het midden, met bloemen omwonden. Evenzoo had men om iederen beker een rozen- of myrtenkrans gevlochten [45]. Over de geheele oppervlakte der zaal waren rozenbladeren gestrooid, terwijl langs de gladde, wit gepleisterde muren een tal van lampen hingen.
Nauw hadden zich de gasten op de matrassen nedergelegd, of de blonde knapen traden binnen, bekransten de hoofden en omwonden de schouders der aanliggenden met myrten- en klimopkransen, en wieschen hunne voeten in zilveren bekkens. Reeds had de voorsnijder de eerste stukken gebraad van de tafel genomen, om ze volgens den eisch te ontleden, en nog altijd was de Sybariet onder de handen van een der knapen, door wien hij zich, schoon zijne kleederen en lokken reeds doortrokken waren met de geuren van alle denkbare Arabische reukwerken, letterlijk geheel in rozen deed wikkelen. Toen evenwel het eerste gerecht, tonijnen met mostaardsaus, was rondgediend, vergat hij alle bijzaken en bepaalde zich uitsluitend bij het genot der voortreffelijk bereidde spijzen.
Rhodopis zat op een armstoel aan het hooger einde der tafel, naast het mengvat en hield niet slechts het toezicht over de dienende slaven, maar gaf ook den toon aan bij de verschillende gesprekken [46]. Met zekeren trots overzag zij hare opgeruimde gasten, en het was of zij zich met ieder in het bijzonder bezig hield. Nu eens vroeg zij den Delphiër naar den uitslag zijner inzameling ten behoeve van den Apollo-tempel; dan eens verlangde zij van den Sybariet te weten, hoe hem de gewrochten van haren kok bevielen, of wel zij luisterde naar Ibycus, die verhaalde, hoe Phrynichus van Athene de godsdienstige schouwspelen van Thespis van Icaria in het burgerlijke leven had ingevoerd, en met koren en sprekende personen geheele geschiedenissen uit den voortijd liet voorstellen [47].
Ook richtte zij het woord tot den Spartaan, zeggende, dat hij de eenige was, bij wien zij zich niet behoefde te verontschuldigen over den eenvoud, maar wel over de weelde van dezen maaltijd. Wanneer hij zijn bezoek eens hervatte, zou haar slaaf Knakias, een uitgeweken Spartaansch heloot [48], die zich beroemde eene voortreffelijke bloedsoep--bij dit woord rilde de Sybariet over zijn gansche lichaam--te kunnen koken, een echt Lacedaemonischen maaltijd bereiden.
Toen de gasten verzadigd waren, wieschen zij zich opnieuw de handen. Het tafelgereedschap werd nu weggeruimd, de vloer gereinigd, en eindelijk het mengvat met wijn en water gevuld [49]. Toen Rhodopis zich overtuigd had, dat alles in de beste orde was, richtte zij zich tot Phanes, die in een woordenstrijd met de Milesiërs gewikkeld was, en sprak:
»Edele vriend! wij hebben ons ongeduld reeds zoolang onderdrukt, dat thans voorzeker de verplichting op u rust ons mede te deelen, welk noodlottig voorval u uit Egypte en uit onze kring dreigt te verbannen. Gij kunt u met een luchtig gemoed, dat de goden u allen, Joniërs, bij de geboorte als een kostelijk geschenk plegen mede te geven, van ons en van dit land losmaken, wij zullen niettemin lang met droefheid u gedenken, want ik ken geen grooter verlies dan dat van een vriend, wiens trouw ons sinds jaren is gebleken. Sommigen onzer hebben ook te lang aan den Nijl vertoefd, om niet een weinig van het onveranderlijk en standvastig karakter der Egyptenaren te hebben overgenomen. Nu ja, gij lacht: toch weet ik dat het u, ofschoon gij reeds lang naar Hellas smacht, ook wel iets kosten zal van ons te scheiden. Niet waar, gij geeft mij dit toe. Nu, ik wist wel dat ik mij niet bedroog, maar laat ons thans vernemen, waarom gij Egypte moet of wilt verlaten, opdat wij mogen overleggen, of er mogelijkheid bestaat uwe verbanning van het hof te doen herroepen, en u alzoo in ons midden te houden."
Eene pijnlijke glimlach plooide Phanes' lippen. »Ik dank u, Rhodopis," antwoordde hij, »voor uwe vleiende woorden. Het doet mij goed te hooren, dat mijn vertrek u bedroeven zal, en gij gaarne al het mogelijke zoudt doen, om het te verhinderen. Maar honderd nieuwe aangezichten zullen u weldra het mijne doen vergeten; want, al woont gij ook lang aan de boorden van den Nijl, zoo zijt gij toch, en daarvoor moogt gij de goden danken, van top tot teen eene Helleensche gebleven. Ook ik heb de trouw lief, even vurig, als ik de dwaasheid der Egyptenaars haat; en is er onder u allen wel één, die het verstandig kan achten zich te kwellen over het noodlot? De Egyptische trouw is, mijns erachtens, geene deugd, maar een ijdele waan. Menschen, die hunne dooden van duizenden jaren her tot heden toe bewaren, die zich eerder het laatste brood, dan een stukje van het gebeente hunner voorvaderen zouden laten ontnemen [50], zijn niet trouw maar dwaas. Kan ik er behagen in scheppen, hen, die ik liefheb, treurig te zien? Voorzeker niet! Gij moet niet maanden lang, onder dagelijks herhaalde weeklachten, mijner gedenken, gelijk de Egyptenaren doen, als een vriend van hen gescheiden is. Neen! Wilt gij in waarheid den verwijderden of voor altijd van u gescheiden vriend,--want, zoo lang ik leef mag ik den bodem van Egypte nimmer meer betreden,--bij wijle gedachtig zijn, zoo doe het met een glimlach om de lippen, en roep niet uit: »Ach, waarom moest Phanes ons verlaten?" maar zeg: »Wij willen vroolijk zijn gelijk Phanes was, toen hij nog in onze kring verkeerde!" Zoo behoort gij u te gedragen. Dat leerdet gij reeds van Simonides, als hij zong:
Dwaasheid is het, tal van dagen Toe te wijden aan 't verdriet, Geven we aan de sarkophagen Eén dag rouw, en langer niet. Och de dood komt snel en vroeg; Zonder dat wij 't ons vergallen. Blijft het leven voor ons allen Bitter arm en kort genoeg.
En als men niet over zijne dooden mag treuren, dan voorzeker hebben wij nog veel minder het recht, ons aandoenlijk te maken over het gemis van verwijderde vrienden. Want genen zijn voor immer van ons heengegaan, dezen roepen wij echter bij den laatsten handdruk toe: »tot wederziens!"
Thans kon de Sybariet, die al lang op gloeiende kolen had gezeten, niet meer zwijgen, en met klagende stem riep hij: »Maar begin dan toch eindelijk met uw verhaal, afgunstig schepsel! Ik kan geen droppel drinken, zoo gij niet ophoudt van den dood te spreken. Het bloed stolt mij in de aderen, en ik gevoel mij geheel onwel, als ik over.... nu ja, als ik daarvan hoor gewagen, dat wij niet eeuwig leven!"
Het geheele gezelschap lachte, doch Phanes begon nu werkelijk te vertellen, wat er met hem gebeurd was.
»Gelijk gij weet, woon ik te Saïs in het nieuwe slot; te Memphis evenwel werd mij, in mijne hoedanigheid van overste der Grieksche lijfwacht, die den koning vergezellen moet, waar hij ook heentrekt, een gedeelte van den linkervleugel van het aloude paleis ten verblijve aangewezen [51]. Sedert de regeering van Psamtik I [52] houden zich de koningen te Saïs op, zoodat het inwendige van de andere paleizen wel eenigszins verwaarloosd is geworden. Mijne woning was zonder twijfel uitmuntend gelegen, zeer goed ingericht, en zou niets te wenschen hebben overgelaten, als ik niet, dadelijk nadat ik hier mijn intrek had genomen, eene vreeselijke plaag had ontdekt. Over dag, wanneer ik buitendien zelden te huis was, vond ik niets op mijne woning af te dingen, maar des nachts was er aan slapen niet te denken, daar duizenden ratten en muizen onder de vermolmde vloeren, rustbedden en oude tapijten aan de wanden allervreeselijkst te keer gingen. Ik wist geen raad tegen deze schrikkelijke bezoeking, tot eindelijk een Egyptisch soldaat mij twee mooie groote katten verkocht, die mij binnen eenige weken van het gezelschap mijner kwelgeesten verlosten.
»Het zal u allen wel bekend zijn, dat eene der beminnelijkste wetten van dit wonderlijke volk, welks beschaving en wijsheid gij, mijne Milesische vrienden, niet genoeg prijzen kunt, de katten heilig verklaart. Men bewijst aan deze viervoetige gelukskinderen, gelijk aan zoo menig ander dier, goddelijke eer, en het dooden van zoo'n exemplaar wordt even streng gestraft als het vermoorden van een mensch."
Rhodopis, die tot dusverre met een opgeruimd gelaat geluisterd had, scheen ernstiger te worden, toen zij vernam, hoe de verbanning van Phanes met zijne minachting van de heilige dieren in verband stond. Zij wist maar al te goed hoevele offers, ja hoevele menschenlevens dit bijgeloof der Egyptenaren reeds gekost had. Het was nog niet lang geleden, dat koning Amasis een ongelukkigen Samiër, die eene kat gedood had, niet tegen de wraak van het verwoede volk had kunnen beveiligen [53].
»Toen wij, twee jaren geleden Memphis verlieten," vervolgde de overste, »was alles nog goed. Ik had het kattenpaar aan de verzorging van een Egyptischen bediende toevertrouwd, wel begrijpende, dat deze gezworene muizenvijanden mijne woning, ook voor het vervolg, wel zuiver zouden houden. Ik begon zelfs voor deze vriendelijke schepseltjes, die zoo goed waren geweest mij van dat muizengebroed te bevrijden, eene zekere achting te koesteren. Het vorige jaar werd Amasis ziek, vóór dat het hof zich naar Memphis kon begeven, en wij bleven dus te Saïs. Eindelijk, omtrent zes weken geleden, begaven wij ons op weg naar de pyramidenstad. Ik betrok mijn vorig kwartier weder en zag er zelfs geen schaduw meer van een muizenstaart. In plaats van ratten, wemelde het er echter van eene andere diersoort, waarop ik evenmin gesteld was als op de verdrevene. Het kattenpaar was namelijk, gedurende de twee jaren van mijn afzijn, tot vier en twintig aangegroeid. Ik poogde het lastige katergebroed, van alle leeftijden en kleuren, te verdrijven; maar het gelukte mij niet, en alle nachten werd mijn slaap door de afgrijselijke koorgezangen dezer viervoeters, door het krijgsgeschreeuw en de minnezangen van katers en katten verstoord.
»Jaarlijks, ten tijde van het Bubastisfeest [54], heeft men verlof alle overtollige muizenvangers in den tempel van Pacht, de godin met den kattenkop, af te leveren, alwaar zij verpleegd, en, gelijk ik voor zeker houd, gedood worden in geval zij zich al te sterk vermenigvuldigen. De priesters van dezen tempel zijn rechte schelmen!
»Ongelukkig had de groote optocht naar genoemd heiligdom niet plaats gedurende ons verblijf bij de pyramiden. Ik kon het evenwel niet langer uithouden met dit heirleger van kwelgeesten, die het er allen op schenen toe te leggen mijn leven te verbitteren. Toen twee der moeders mij op nieuw een dozijn gezonde en wel geschapene kindertjes hadden vereerd, besloot ik deze althans uit den weg te ruimen. Mijn oude slaaf Mus [55], reeds naar zijn naam te oordeelen een geboren vijand van het kattengeslacht, ontving den last de jongen van kant te maken, ze in een zak te stoppen en vervolgens in den Nijl te werpen. Wij konden er niet buiten de diertjes eerst om hals te brengen, anders toch zou het miauwen den wachters van het paleis den inhoud van den zak verraden hebben. Toen het donker begon te worden, begaf zich de arme Mus met zijn gevaarlijken last door het Hathorbosch [56] naar den Nijl. Maar de Egyptische bediende, die mijne dieren gewoonlijk voederde en ieder katje bij name kende, had dadelijk ons geheele plan doorzien.
»Mijn slaaf ging met de grootste bedaardheid, als had hij niets buitengewoons te verrichten, door de groote sphinxenlaan, den tempel van Ptah [57] voorbij, terwijl hij het zakje onder zijn mantel had verborgen. In het heilige bosch bemerkte hij reeds, dat men hem volgde. Hij lette er echter niet verder op, en zette zijn weg voort, volkomen gerust dat alles goed ging, tot hij zag dat de lieden, die hem op de hielen zaten, bij den tempel van Ptah bleven staan, en zich met de priesters onderhielden. Eindelijk had hij den oever bereikt. Nu hoorde hij zich bij zijn naam roepen. Eenige lieden kwamen hem haastig achterop. Tegelijk snorde een slingersteen vlak langs zijn hoofd.
»Mus begreep volkomen welk gevaar hem dreigde. Al zijne krachten inspannende snelde hij nu op den Nijl toe, slingerde den zak een eind ver in den vloed en bleef nu met een kloppend hart op den oever staan, hoewel hij zich overtuigd hield, dat niemand zijne schuld bewijzen kon. Weinige oogenblikken later was hij door een honderdtal tempeldienaren omringd. De opperpriester van Ptah, Ptahotep, mijn oude vijand, had het niet beneden zich geacht, in persoon deze jacht op mijn dienaar bij te wonen.
»Eenige lieden, en onder hen ook die verraderlijke dienaar van het paleis, waren aanstonds te water gegaan en vonden tot ons ongeluk den zak met de twaalf lijken, onbeschadigd hangende te midden van het papyrusriet en de boonenranken aan den oever. In tegenwoordigheid van den opperpriester, eene schaar van tempeldienaren en minstens duizend toegestroomde inwoners van Memphis, werd de vreeselijke katoenen sarkophaag geopend. Nauw werd men zijn noodlottigen inhoud gewaar, of er ging zulk een geweldig gehuil, zulk een ontzettende wraakkreet op, dat ik het tot in het paleis hooren kon. De verbolgene menigte stortte zich, in wilde razernij, op mijn armen knecht, wierp hem ter aarde, trapte hem onder de voeten, en zou hem aan stukken hebben gescheurd, als de machtige opperpriester niet 'halt' geboden had--met het plan mij, in wien hij den eigenlijken bewerker der gepleegde misdaad onderstelde, mede in het verderf te slepen--en bevolen den gruwelijk mishandelden booswicht in de gevangenis te werpen.
»Een half uur later werd ook ik achter slot gezet.
»Mijne oude Mus nam alle schuld der misdaad op zich, tot de opperpriester hem door eene bastonade de bekentenis afdwong, dat ik hem geboden had de katten om hals te brengen, en hij, als een getrouw dienaar, mijn bevel had moeten opvolgen.