Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 19
De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen, tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat ik hun nog heden de gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne landslieden naar uwe poorte zijn gezonden."
De wolk op 's konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren, welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen."
Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad, door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning, volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.
»Wij weten," ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden, gevallen is."
»Mijn vader had reden te over om u te straffen," viel de koning den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet, hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong."
»Vertoorn u niet, o koning," antwoordde de Massageet; »maar weet, dat ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen, wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land hoopte machtig te worden."
Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan over den Araxes [262], onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze; daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.
»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koning van Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen, en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten, op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld, bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!"
»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar bloed kunnen lesschen!" De edele schaar, die gij de onsterfelijken noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard, dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken nu nog uw mannelijk gelaat siert!"
De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijand openbaart [263].--Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn."
De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood."
»Tomyris leeft niet meer!?" riep Cambyzes, den spreker in de rede vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe koningin overkomen? Spreek!"
»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen, dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de ziel uws vaders viel."
»Zij was eene groote vrouw," zeide Cambyzes zacht, als tot zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk, Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning, en allerminst tegen die van een Cyrus!"
»Bij ons te lande," antwoordde de gezant, »is in den dood alles gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik u nog al de rampen niet heb opgesomd, die sedert dien ongelukkigen krijg over ons land zijn uitgestort.--Na den dood van Tomyris werden de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte, dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen."
»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?" vroeg Cambyzes. »De sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is, kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom als nieuwe onderdanen van mijn rijk."
Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben, of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten, dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen satraap wetten en voorschriften te ontvangen.--Gij ziet mij toornig aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen."
»Gij hebt slechts te kiezen," antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap, als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid aanbied.--Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen; later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!"
»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen," hernam de krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.
»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden en raden. Wij Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken, en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden, in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid, u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren mocht worden bedreigd."
De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende: »Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen, en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb, een deel der gerechten van mijne eigene tafel."
VIERDE HOOFDSTUK.
Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur, onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal, en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te zien tot de godheid daarboven.
Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster, tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische slechts ijdele klanken waren.
Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen, vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht; zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig, gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in onze jeugd, als 't gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk, als vereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd was met de schoonste zangen van Hellas' dichters. Zij had zich nog niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon?
Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel, op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen, dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing, toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.
Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt, voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen, en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken--verzoeken, heeft de bode gezegd, niet bevelen,--u met deze schoone en koninklijke sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook woedend zal zijn! Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten, die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane, de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden, gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien, hoe het u staan zal."
Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders op af.--De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën, toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.
Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende, het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel staanden elpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van vreugdetranen: 't scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk, zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang ongelezen op den grond zou laten liggen!"
Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen; maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen, ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd, dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.
De brief bevatte het navolgende:
»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.
»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen, is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest noemen, genomen en in de haven van Astypalaia [264] opgebracht.
»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt, wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia [265] te schenken. Alle vaartuigen, onverschillig tot welke natie zij behooren, worden verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den gelukkigen Kolaeus [266] naar het westen volgden, en de roofschepen, die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.