Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 18

Chapter 183,763 wordsPublic domain

De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden, noemde hen »broeders" en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden, hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij iets buitengewoons zal vragen, daarom moet hij nog maar wat geduld hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch ook al mijne vrienden gelukkig te zien."

Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid, en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven, dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.

»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!" riep de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?--Hoe zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?"

»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje," hervatte Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd, als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis zal zijn."

»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald, en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes geene mannelijke nakomelingen mocht hebben."

»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb."

»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief, als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene zedige jonkvrouw herschapen!--Roep nu de meisjes, die beneden in den tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst eene nieuwe vriendin rijker zullen worden."

»Vergeef mij, moeder," hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming van den koning hebben verkregen."

»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!"

In den vroegen morgen van 's konings geboortedag brachten de Perzen aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden band omgeven, de Paiti-dhana [249], welks uiteinden den mond bedekten, en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het vleesch in stukken gesneden [250], met zout bestrooid en op een zacht tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda, de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.

Nu trad Oropastes, de opper-Destoer [251], voor het vuur, en wierp er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en stengels van het heilige haomakruid [252], kneusde deze, en goot het roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.

Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht, van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn, van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt, van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed: »Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!" [253]

Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen, om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te ontvangen.--Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit, en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het overschot mede naar huis te nemen. Want de Perzische goden versmaadden het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven met het vleesch der rijke koningsoffers.

Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden. Hun godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen, maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk uitstortten. Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als de verpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters stelden de pharao's als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden hunne vorsten slechts zonen der goden [254]. En toch heerschten dezen inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds zagen, de pharao's, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.

Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten, kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen, hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een afstand op een reusachtigen smeltoven gelijken.

Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver- en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,--overstemde de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs, de Syrische pauken en bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus, en de heldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.

Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels, zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra's, vreemde apen en vogelsoorten [255] opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van de onderworpene stammen.--Nadat zij aan den koning vertoond waren, werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht, en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen [256].

Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis, hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.

Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes treden, waarvan ieder twee gouden honden als schildwachten droeg, de vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven, de Feruers [257] des konings, torste. Achter den troon stonden dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel aanstonds de schaar der Onsterfelijken [258] in het oog, die altijd bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.

Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde, als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden, werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden, opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen zou.

Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie, met de aanzienlijksten van ieder gezantschap. Toen het laatste, dat der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan, een vriendelijk »halt" toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden, en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de heilige loten [259], dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten, waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.

»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar," riep de koning den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!"

Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn, en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden."

»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt," riep de koning. »Heb ik ongelijk, priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op de herbouwing van uw tempel?"

»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven," antwoordde de priester, diep buigende. »Uwe knechten te Jeruzalem verlangen zeer het aangezicht van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw, waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne toestemming verleende, voort te zetten."

De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans geene enkele bede afslaan. Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is, de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken."

»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden," hervatte de priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer...."

»Halt, priester, niet verder!" riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal, gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?"

»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien," antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner vaderen een huis te bouwen."

»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!" riep Cambyzes. »Men heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft, die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn, als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd houden overal door haar gehoord te zullen worden."

»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen," riep de hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken."

»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!" bad ook Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en dikwijls om raad gevraagd had.

»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor gaf?" vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen, en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend, bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden, de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en oneenigheid onder uw volk sticht."

»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons in een koninklijken brief heeft gedaan?" vroeg Beltsazar.

»Een brief?"

»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden van uw rijk [260]."

»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont," hervatte de koning, »wil ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel van de goden!"

»Is het mij dus toegestaan." vroeg Beltsazar, »het archief van Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers te laten doorzoeken?"

»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert, niet teleurstellen!--U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen, dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht."

»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!" sprak Beltsazar, terwijl hij diep ter aarde boog.

»Dezen wensch neem ik aan," riep de koning, »want ik acht uw grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voor geheel machteloos.--Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed, omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen, uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!--Vaarwel en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!"

De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van Ekbatana voorhanden moest zijn.

Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden, boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid, doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht, wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde, als de mannen die hem volgden [261].

De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende, die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van mij?--Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten, die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat, om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!"