Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers
Chapter 17
»Hij wenschte, dat Mimnermus van Colophon, die in een zijner gedichten gezegd had, dat een schoon leven met het zestigste jaar moest eindigen, zijn vers mocht verbeteren, en van de zestig tachtig maken."
»O neen," riep Cassandane, »zulk een lang leven zou mij, zelfs wanneer Mithra mij het gezicht mocht willen wedergeven, een last zijn. Sedert mijn Cyrus is gestorven, beschouw ik mijzelve als eene zwervelinge, die zonder doel en gids in de woestijn omdoolt."
»Vergeet gij dan geheel uwe kinderen en dit rijk, dat gij hebt zien ontstaan en groot worden?"
»O, neen! Maar de kinderen hebben mij niet meer van noode, en de beheerscher van dit rijk is te trotsch om acht te geven op den raad van eene oude vrouw."
Nu vatte Atossa de rechter-, Nitetis de linkerhand der blinde moeder, en de Egyptische riep: »Om den wil uwer dochters en van haar geluk, moet gij voor u zelve een lang leven wenschen. Wat werd er van ons zonder uwe bescherming en hulp?"
Cassandane lachte, en prevelde nauw hoorbaar: »Gij hebt gelijk, gij zult de moeder nog noodig hebben."
»Aan deze woorden herken ik de gade van Cyrus," riep Cresus, het kleed der blinde kussende. »Ik zeg u, Cassandane, dat men u noodig zal hebben; wie weet hoe spoedig! Cambyzes is gelijk aan het harde staal, dat vonken wekt waar het treft. Uw plicht is het te maken, dat deze vonken geen brand stichten binnen den kring van hen, die uw hart het dierbaarste zijn. Gij zijt de eenige, die de opwellingen van 's konings toorn met een woord van terechtwijzing durft bezweren. U alleen acht hij zijns gelijke. Het oordeel der menschen is hem onverschillig, maar een bestraffend woord van zijne moeder doet hem leed. Zoo is het dus uw plicht, als bemiddelaarster tusschen den koning, zijn volk en de uwen, op uw plaats te blijven en te verhoeden, dat de trots van uw zoon, in plaats van door uwe wenken en vermaningen, door de straf der goden vernederd worde."
»O, als ik eens zulk een invloed op hem had!" antwoordde de blinde, »doch hoe zelden luistert mijn trotsche zoon naar den raad van zijne moeder."
»Maar hij zal toch moeten aanhooren, wat gij hem voorhoudt," hervatte Cresus; »en daarmede is reeds veel gewonnen. Want al volgt hij ook uwe raadgevingen niet, deze zullen toch als stemmen der goden tot zijn geweten blijven spreken, en hem van veel kwaads terughouden. En ik wil u een bondgenoot blijven. Zijn stervende vader vermaande mij, hem met raad en daad bij te staan. Vandaar dat ik meermalen den moed heb, zijne uitbarstingen met een krachtig woord te trotseeren. Wij beiden zijn de eenige menschen aan dit hof, wier afkeuring hij vreest. Omgorden we ons met de noodige koenheid, om onze roeping als vermaners en raadgevers getrouw te vervullen; doe gij het uit liefde voor uw zoon en voor Perzië, ik zal het doen uit dankbaarheid jegens den grooten man, die mij het leven en de vrijheid schonk. Ik weet, dat het u leed doet, Cambyzes niet anders te hebben opgevoed; maar het berouw moet men vlieden als een doodend vergif. Herstelling, niet berouw, is het geneesmiddel voor de gebreken der wijzen; want berouw verteert het hart, herstelling daarentegen vervult het met edelen trots en doet het vrijer en ruimer kloppen."
»Bij ons in Egypte," zeide Nitetis, »rekent men het berouw zelfs onder de twee-en-veertig doodzonden. 'Gij moogt niet dulden, dat uw hart verteerd worde,' luidt een onzer eerste geboden [237]."
»Gij brengt mij met deze woorden te binnen," sprak de grijsaard, »dat ik op mij genomen heb uw tijd te verdeelen, tot het onderricht in de Perzische gebruiken, godsdienst en taal. Gaarne zou ik mij naar Barene, de stad door Cyrus mij afgestaan, hebben begeven, om daar, in het stilste en liefelijkste van alle dalen, uit te rusten van de vele vermoeienissen der laatste maanden. Om uwent en des konings wil blijf ik echter hier en zal ik voortgaan met u in de Perzische taal te onderwijzen. Cassandane zelve zal u inwijden in de zeden van de vrouwen aan dit hof. Oropastes, de opperpriester, zal u, overeenkomstig 's konings bevel, met de Iranische godenleer bekend maken. Hij zal uw geestelijke, ik uw wereldlijke voogd zijn [238]."
Nitetis, om wier lippen tot op dit oogenblik een opgeruimde glimlach had gespeeld, sloeg nu de oogen neder, en vroeg met doffe stem: »Moet ik den goden van mijn land, die ik tot hiertoe heb aangebeden, en die mijne smeekingen nooit onverhoord lieten, ontrouw worden? Kan ik, mag ik hen wel vergeten?"
»Gij kunt, moogt en moet," zeide Cassandane met nadruk, »want de vrouw zal geene andere vrienden hebben dan haar man. De goden zijn de machtigste, trouwste en eerste vrienden van den man, daarom is het uw plicht als vrouw hen te eerbiedigen; en gelijk gij eenmaal gehuwd zijnde voor alle minnaars de deur sluit, zoo moet ge ook uw hart voor de goden en het bijgeloof van uw vroeger vaderland sluiten."
»En dan," zeide Cresus, »is men ook niet van meening u de godheid te ontnemen; men stelt ze u slechts onder een anderen naam voor. Want evenals de waarheid zichzelve eeuwig gelijk blijft, of gij ze als de Egyptenaren 'Maa,' dan wel als de Hellenen 'Aletheia' noemt, zoo verandert ook het wezen der waarheid nooit en nergens.--Zie, mijne dochter, ik zelf heb, toen ik nog koning was, met ongeveinsden eerbied aan den Helleenschen Apollo geofferd, en begreep met deze godsdienstige hulde den Lydischen zonnegod Sandon niet te beleedigen. De Joniërs aanbidden met geheel hun hart de Aziatische Cybele [239]. En thans, nu ik een Pers ben geworden, hef ik mijne handen op tot Mithra, Aoeramazda en de schoone Anâhita [240]. Pythagoras, wiens leeringen ook u niet vreemd zijn, aanbidt slechts éene godheid. Hij noemt haar Apollo, daar zij, evenals de Helleensche zonnegod, de oorsprong is van het reine licht en van al wat schoon is en wel luidt. Xenophanes van Colophon [241] eindelijk spot met het veelgodendom van Homerus, en erkent ook slechts éene godheid, namelijk: de rusteloos voortbrengende natuurkracht, wier wezen de gedachte, het verstand en de eeuwigheid is. Uit haar is alles voortgekomen. Zij is de kracht, die zich zelve eeuwig gelijk blijft, terwijl de stoffelijke schepping onder bestendige afwisseling zich volmaakt en vernieuwt. Dat onweerstaanbaar en smachtend verlangen in onzen boezem naar een hooger wezen boven ons, dat ons steunen kan, wanneer onze eigene krachten ontoereikend blijken; dat onverklaarbare gedreven worden naar een stilzwijgenden vertrouwde, wien wij van het lijden en al de zaligheid van ons hart deelgenoot kunnen maken; de dankbaarheid, die wij ondervinden bij de aanschouwing dezer schoone wereld, en van al het goede dat ons deel is, noemen wij vroomheid.--Laat dat gevoel in u blijven leven, maar vergeet niet, dat niet de Egyptische, niet de Grieksche, niet de Perzische goden, allen op zichzelve staande, de wereld regeeren, maar dat zij allen éen zijn; dat eene ondeelbare godheid, hoe onderscheiden men haar ook moge noemen en voorstellen, het lot aller volkeren en menschen bestuurt."
De Perzische vrouwen hoorden den grijsaard met de hoogste verbazing aan. Haar weinig geoefend verstand vermocht den gedachtenloop van den grijsaard niet te volgen. Nitetis echter had hem begrepen en antwoordde: »Mijne moeder Ladice, ook eene leerlinge van Pythagoras, heeft mij hetzelfde geleerd. Maar de Egyptische priesters noemen zulke begrippen misdadig, en hen die ze aanhangen godenverzakers. Daarom heb ik altijd mijn best gedaan, om zulke gedachten uit mijn hart te verbannen. Maar van nu aan geef ik dien strijd op. Wat de goede, deugdzame en wijze Cresus gelooft, kan niet slecht, niet goddeloos zijn. Oropastes kan komen! Ik ben bereid zijn onderricht te ontvangen, en voor onzen Amon, den God van Thebe, Aoeramazda, voor Isis of Hathor, Anâhita in de plaats te stellen. Eerbiedig zal ik opzien tot de godheid, die de gansche wereld omvat, die ook hier alles laat groeien en bloeien, en die ook verkwikking en troost doet nederdalen in de harten der Perzen, die zich tot hem wenden."
Cresus glimlachte. Hij had zich voorgesteld, dat het vrij wat meer moeite zou kosten, Nitetis te bewegen afstand te doen van de goden van haar land, daar hij de halsstarrige ingenomenheid der Egyptenaren met hunne oude overleveringen en eenmaal opgevatte meeningen kende. Maar hij had niet bedacht, dat de moeder dezer jonkvrouw eene Helleensche, en de leer van Pythagoras aan de dochter van Amasis niet vreemd gebleven was. Bovendien wist hij ook niet, met welk eene vurige begeerte het hart dezer maagd vervuld was, om haar trotschen heer en gemaal welgevallig te zijn. Amasis zelf zou, hoe hoog hij den Samischen wijze ook achtte, hoezeer hij zich ook dikwijls door Griekschen invloed liet beheerschen, en met volle recht een vrijdenkend Egyptenaar mocht worden geheeten, liever zijn leven hebben afgelegd, dan zijn veelgodendom met het begrip van eene 'godheid' te verwisselen.
»Gij zijt eene zeer ontvankelijke leerling," zeide Cresus, terwijl hij de hand op het hoofd zijner beschermeling legde. »Tot belooning daarvoor zal u worden toegestaan, uwe ochtenden en namiddagen, tot aan het ondergaan der zon, bij Cassandane door te brengen, of op de hangende tuinen te slijten, in gezelschap van Atossa."
Deze blijde tijding werd door de Perzische maagd met een jubelkreet, door de Egyptische met een dankbaren blik beantwoord.
»Eindelijk," vervolgde Cresus, »heb ik u een bal- en ringspel uit Saïs medegebracht, opdat gij u zoudt kunnen vermaken, gelijk gij dat in Egypte placht te doen."
»Ballen?" vroeg Atossa verwonderd. »Wat zullen wij met die zware houten kogels [242] beginnen?"
»Maak u niet ongerust," zeide Cresus, lachende. »De ballen, waarvan hier sprake is, zijn zeer fijn en licht, en van eene opgeblazene vischhuid of van leder gemaakt. Een kind van twee jaar zou ze kunnen opwerpen, terwijl gij zulk een houten kogel, waarmede de Perzische knapen en jongelingen spelen, bezwaarlijk zoudt kunnen tillen. Zijt gij over mij tevreden, Nitetis?"
»Hoe zal ik u genoeg danken, mijn vader!"
»Laat mij u nu nog eens de verdeeling van uw dag herhalen: 's morgens bezoekt gij Cassandane, keuvelt ge met Atossa, of leent ge een luisterend oor aan het onderricht uwer verhevene moeder."
De blinde boog toestemmend het hoofd.
»Tegen den middag kom ik bij u, en onderwijs u in het Perzisch, terwijl ik daarbij niet verzuimen zal u over Egypte en de uwen te spreken. Als gij er ten minste niet tegen hebt."
Nitetis glimlachte.
»Om den anderen dag zal Oropastes bij u zijne opwachting maken, om u in den godsdienst der Perzen in te wijden."
»Ik zal mij alle moeite geven, om hem spoedig te verstaan."
»'s Namiddags zult gij, zoo lang gij verkiest, met Atossa samenzijn. Is het zoo goed?"
»O Cresus, mijn vader!" riep het meisje, terwijl zij de hand van den grijsaard kuste.
DERDE HOOFDSTUK.
Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen, en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen, dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene vroolijkheid.
Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter, die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.
Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf, te ontdooien. Uren achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens, toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger, anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!" Tegelijkertijd nam hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals, en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik, die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.
Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde, dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.
Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem, het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had, ondeugend voorzong:
"Men brandde 's meesters naam voorheen De heupen in van 't paard En aan den tulband kent elkeen Den Parther, trotsch van aard; Maar ik ontdek op 't eerst gezicht, Wie zich der min verpandt; Want ieder werd door 't minnewicht Een merk in 't hart geplant."
Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier gelukkig zijn!" werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamische lente [243], welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt, verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat de jonge Egyptische, Phaedime de dochter van Otanes, uit de gunst van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde, de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.
Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht, en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die, wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime, over de middelen die den ondergang der Egyptische zouden kunnen bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.
Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw, porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote, en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker in het verderf zal storten, als ik Boges heet."
Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen, en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel, dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht geduldig af wat de toekomst u brengt."
Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen, en vermeed allen omgang met de Perzen, onder wie zijn somber, in zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van Athothes [244] noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof van den koning en van Tritantaechmes, den satraap [245] van Babylon, eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.
De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde, hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij, met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds, voordat gij nog wist wat een uur is" [246].
Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?" gaf hij haar ten antwoord: »Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?"
Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken. Doch Nebenchari wees zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed, met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht, en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.
Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan de borst zijner moeder.
Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.
De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien, naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield, een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes, Aspatines, Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus [247], de vader van Zopyrus, de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom, de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan het hof van den koning.
Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag [248] van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad, om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst onthaald.
Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden, droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart, het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde, maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.