Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 15

Chapter 153,676 wordsPublic domain

Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van Thebe en Memphis overtroffen [216].

De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk aangezicht, in liggende houding, verhief [217]. Deze monsters waren eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op; met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.

Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich, overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest, door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren; uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels, vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden [218].

Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog [219]. Maar boven alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel, met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg [220].

Nu naderde de trein den burcht des konings [221], welks afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen, krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts, langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen [222], oostwaarts, op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht, met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.

De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil; voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.

Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd, in kostbare kleeding, wier volle blonde haren met rijke parelsnoeren waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan weer weenende aan Bartja's hals.

De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk dat gij, sedert gij de oorringen draagt [223], opgehouden hebt, een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij 't echter andermaal tot deze plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit, gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!--Gij wilt niet? Zijt ge boos? Wacht maar, stijfhoofd!"

Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn, boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.

Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn."

Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij zich hebben. Nitetis zeide mij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra [224] toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de rimpels van den ouderdom spare!"

»Wilt gij daarmede zeggen," vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit, die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?"

»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner woorden. Kom!"

»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers achtersta."

»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven."

»Cambyzes!"

»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie gij zijt!"

Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten, vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn jongeren broeder ontlastte.

Van Cambyzes' vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden, iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten, hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.

De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid, maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien; terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks," aanschouwde.

Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde, hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen, en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis, ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op dien dag niet gekend had.

Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning, die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw, wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste mate had gewekt,--had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt, om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.

Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren [225] zijn opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!"

»Ik dank u, mijn broeder," riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius, Gyges en Zopyrus mij vergezellen?"

»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten [226] zal optrekken."

»Morgen reeds vertrek ik!"

»Het ga u goed!"

»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer, wilt gij mij dan ééne bede toestaan?"

»Dat wil ik."

»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!"--'s Jongelings oogen fonkelden. Hij dacht aan Sappho.

»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is uwer waardig, wat hare afkomst betreft."

»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik..."

»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos."

»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij, maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van trouwen weten!"

»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten, ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft."

»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar aan Darius of Bessus, beiden verwanten van Hydarnes. Ik kan haar niet beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken..."

Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent, slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak gelden. Gij kent mij!"

»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid."

»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!--Hoe gelukkig ziet gij er uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone alle andere vrouwen veracht."

Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?"

Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon, riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij heeft thans anderen die haar bewaken."

Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal, waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers, raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit- en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen, oogen en ooren des konings [227] en boden van allerlei soort hem verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit, terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel- en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging, elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden, en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.

In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel, die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk, borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste beweging zijner dischgenooten waarnemen [228]. Tot het getal dezer dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen, aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden.

Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene eerbiedige buiging.

Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht, en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen, die later, als »Perzisch nagerecht," zelfs bij de Grieken groote vermaardheid verkregen [229]. Daarop verschenen slaven, die de tafel van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een tal van schenkers vulden op de sierlijkste wijze de gouden bekers en proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat [230].

Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed, dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van deze vrouw ontrooven," dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder, ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert."

Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden, waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te groot was, placht te begeven.

»Phaedime wacht u met ongeduld," zeide de eunuch.

»Laat haar wachten!" antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende tuinen."

»Morgen kan het betrokken worden."

»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?"

»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de gestorvene Amytis."

»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik u aan haar zal opdragen."

De eunuch boog zich zwijgend.

»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke, alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef."

»Cresus was hedenavond bij haar."

»Wat wilde hij van mijne gemalin?"

»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen. Haar gelaat stond droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij nog iets te bevelen had."

»Angramainjus doe uwe tong verlammen!" bromde de koning, Boges den rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die hem naar zijne vertrekken geleidden.

Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde, fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna."

»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?"

»Gyges en Eros zullen mij helpen!"

»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten, en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet vergeten."

»Voorzeker niet!"

»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader, jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid, aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders, als 't oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de overwinning zij met u!"

TWEEDE HOOFDSTUK.

Cambyzes bracht een slapeloozen nacht door. De jaloezij, die hij tot hiertoe niet in die mate gekend had, versterkte zijne begeerte naar het bezit der Egyptische. Vooralsnog mocht hij haar niet zijne gemalinne noemen, want de Perzische wet schreef voor, dat het den koning eerst dan geoorloofd was eene vreemdelinge tot zijne gade te nemen [231], wanneer zij zich met de Iranische gebruiken vertrouwd had gemaakt, en den godsdienst van Zoroaster [232] had aangenomen. Volgens die wet zou er een geheel jaar hebben moeten verloopen, eer Nitetis de vrouw van een Perzischen vorst mocht worden.