Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 14

Chapter 143,743 wordsPublic domain

De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden [200], die tweehonderd-, ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen, vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers, die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was, schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren, uit Griekenland en Klein-Azië afkomstig, van Thapsacus [201] naar Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.

Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek [202] was bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten, hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter, en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe, dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.--Wat ziet gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing, als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel, bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer weder met een blik verwaardigen.--Moed, mijne dochter, moed! Indien gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!"

Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden, en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus, mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!"

Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter geweest.

Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen [203], een der aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken, die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken van allerlei sterk riekende oliën.

De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld, zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht, de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden, wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in een Perzischen diamant veranderen."

Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid, de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.

Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters [204], losmaken, om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.

Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens; de koks begaven zich met den meesten spoed aan den arbeid, en allen hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden, de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks, schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers op wagens medegevoerd.

Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen, goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations, dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus, die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste ruiters ter wereld gehouden [205].

Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt »Ha!" ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid afgelegd, en met het van goud en edelgesteente flonkerende zijden gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener koningin aangetogen.

Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der eunuchen [206], en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte: »Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid."

De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen en onderworpenheid te winnen.

Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide: »U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.--Neem dezen ring," zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen, gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene zeven [207]. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord. Deze zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid, die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven, zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.--Gij, Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster, zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.--U, Zopyrus, bied ik deze gouden keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen [208].--U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in het metaal gegraveerd [209].--Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder, zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem deze amulet van blauw steen [210]. Mijne zuster Tachot hing ze mij om den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide: 'deze talisman verschaffe allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.' Zij weende, terwijl ze dat zeide, Bartja!--Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs."

Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren: »Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden staters [211] doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges," vervolgde zij, zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder de lieden te doen verdeelen.--Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!"

De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?"

»Ik zeg u, meisje," antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger te maken.--Wat zijt gij schoon!--Zit gij zóó goed, of verlangt gij hooger kussens?--Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed, mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!--Te paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!"

Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte, bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.

De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper, goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan den raafzwarten hengst dien hij bereed [212]. Telkens werd hij door het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen, dat hij juist de man was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter, wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit, bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk [213]. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt, waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken, het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel van groote kracht en mateloozen trots.

Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth [214], den vader van al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong, met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd.

Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werd steeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en, volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad hun vorst ontvingen.

Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden 's konings tapijtenleggers, snel als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid, opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten, terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen, en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen.

De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden wagen.

»Zij is schoon en mijn hart welgevallig," riep de Perzische vorst den Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische, de Assyrische en de Medische taal."

Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden, sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch: »Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd [215]."

Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt mij, dat ik zonder tolk met u kan spreken. Ga voort u toe te leggen op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn."

»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel," antwoordde de grijsaard, »want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen wenschen, dan de dochter van Amasis."

»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid," hervatte de koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan en in hare ziel opnemen zal."

Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde goden moeten dienen.

Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde: »Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad, Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen, want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de bestuurder is van het vrouwenverblijf."

»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf," antwoordde Nitetis, »zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig, waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt; dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe oogen zie lichten, mijn gebieder!--U, den grooten man, mijn gemaal en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen, dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij mij mocht willen voorschrijven."

De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde, bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht."

»Dank, duizendwerf dank!" riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning, die dezen schoonen berg liet opwerpen."

»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans, hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?"

»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte, die zich rondom hem verdrong."

Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene wolk over 's konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon.