Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers

Chapter 13

Chapter 133,891 wordsPublic domain

»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene gade van haar echtgenoot."

»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?"

»Zoo spoedig ik maar kan en mag."

»O, ik zal geduldig wachten."

»En zal ik ook tijding van u ontvangen?"

»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden draag ik mijn groet voor u op...."

»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte zal brengen."

»Waar vind ik dien?"

»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken."

»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb."

»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?"

»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!"

»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf, gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het laatste zal ontrukken."

»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene groote gunst toe!"

»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb."

»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne dierbaarste wenschen vervuld ziet."

»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!"

»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij, haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag, terwijl zij blij het tegenwoordige geniet."

»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn afgelegen vaderland wil volgen."

»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste, dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man, voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: 'O, hoe lief hebben wij den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen jongeling eens zien!'--dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!"

»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs, dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris [191], en ik kus mijne zuster als zij roept: 'O, Aphrodite, kon ik u eens zien!'"

»Hoor, wat was dat?--Daar klapt onze trouwe schildwacht in de handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!"

»Nog eene kus!"

»Vaarwel!"

Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde, dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje, dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij, dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.

»Nog niet te bed, Sappho?" luidde haar vraag. »Wat beduidt dit, mijn kind?"

Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder, en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.

Rhodopis verbleekte.

»Verlaat ons!" gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders, en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder, even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?"

Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kuste haar en zeide: »Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik [192] tot vrouw willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen hem opgericht. Het warme Aeolische [193] bloed in uwe aderen heeft liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker, dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs late wachten."

»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig trouw gezworen?"

»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig spreekwoord: 'Zeus hoort de eeden der minnenden niet.' Waarom zou de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt, vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te moeten doen van den persoon dien gij bemint."

»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden, als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ik met vol vertrouwen hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen."

»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart...."

»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!"

Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden, glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking aannam.

Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw, herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O, grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren."

»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen uitstrekken!" zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.--Morgen zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen, of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust, mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!"

Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende, dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon en het aanlichten van den dag.

Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus: »Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig schijnt, om de vrouw van den eersten aller koningen te zijn. Zij stamt af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten, de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers huwen dochters van pharao's, om hunne kinderen het erfrecht op den troon te verschaffen."

»Ik heb u zwijgend aangehoord," antwoordde Cresus, »en moet u bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen, of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben moet.--Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want de groote grondlegger der Perzische heerschappij mocht zich slechts in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel, even deugdzaam als beminnelijk.--Wel vergt men van de koningszonen, dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden genoeg op, dat zelfs slavinnen koningen ter wereld hebben gebracht [194]. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik, om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal, wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt, zijne toestemming niet onthouden."

»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd," riep Rhodopis zeer verheugd.

»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij groote zorg."

»Meent gij dan, dat Bartja..."

»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal."

»Maar..."

»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk te storten."

»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?"

»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat, en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal, ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag wenschen."

»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele zoon van den grooten koning."

Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, het vertrek binnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving, dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn hart met zoo groote zaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek bij Rhodopis te ondersteunen.

Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur."

»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!"

»Zij doet pijn!"

»Maar die pijn is zoet!"

»Zij verwart den geest!"

»Maar zij versterkt het hart!"

»O, die liefde!" riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield, niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter school gegaan?"

»En toch," hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift, vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij is zoet," en tegen beter weten in blijven beminnen!"

In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster, het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet, en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle Achaemeniden tegen ons samen!"

»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?" vroeg Rhodopis, met vreugdetranen in de oogen.

Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder, en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:

»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de schimmen uwer gestorven ouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen, als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt."

Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek, dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden, toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot, waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den schoonen en beminden koningszoon?

In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik, de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond, tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak, knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons zelfs en om Egypte's wil."

»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?"

»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes."

»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land."

»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang hebben."

»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte uitbreiden!"

Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht, en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid »Ailinos [195]!" Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden was [196]. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop beklom zij de triëre, die haar wachtte.

De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma [197] aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde de lucht van een duizendvoudig »Ailinos", ten afscheid. Op het dek van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste liefdesgroeten toe.--In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia, de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg, als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja, mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes, die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart getroffen."

TWEEDE BOEK.

EERSTE HOOFDSTUK.

Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg [198], die uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad, die reeds op verren afstand zichtbaar was.

Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier wielen, de zoogenaamde harmamaxa [199], die aan de vier zijden door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren, terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden, den trein opende.