Part 9
En al zoekende over het gladde mos, door de takken der lagere boompjes, kwam hij al nader bij het ruischen van 't water. Eindelijk bereikte hij den zoom van 't boschje; de grond was daar rotsig en bij het ijle licht van den hemel bespeurde hij een diepe kloof, waar het water vallend klaterde. Behoedzaam liep hij verder langs den rand, luisterend naar het gezang, dat nu bij tusschenpoozen slechts hoorbaar was, maar duidelijker klonk. En terwijl hij staarde en het nat voelde, dat opstuifde uit de diepte, zag hij in het donker de gedaante van een man, die op een steenblok zat met gebogen hoofd, de witte pluim van zijn muts hing voorover. Tamalone wist wie het was, hij herinnerde zich zonderling Mevena, die eenzaam heen was gegaan in den avond. Hij trad langzaam nader en de ander richtte zijn hoofd op.
"Wie is daar?" vroeg Rogier.
"Ik ben het."
En de monnik naderde nog meer. Maar de ander stond op, met de hand in zijn gordel. Toen, met een diep geluid, sprong Tamalone op hem toe, zij worstelden en vielen op den grond. Hij wist niet wat er gebeurde, maar een poosje later voelde hij, dat hij een slappen arm vastklemde, zijn andere hand was nat. Het water ruischte koel in de kloof beneden, het stroomde voortdurend, in de verte klonk hetzelfde gezang van daareven. En daarginds zag hij nog Mevena in donker loopen.
Tamalone stond op en ging voorzichtig terug vanwaar hij gekomen was. De koude hemel blonk nog steeds in den luister van vele starren, de duisternis trilde in het geboomte en achter zich hoorde hij 't ruischen van den waterval allengs verminderen. Hij liep nog een heel eind in 't boschje voor hij een goede plek vond op het mos waar hij zich neêrstrekte om te rusten. Hij wist dat hij nog nooit zoo moede was geweest; de stemmen in de verte waren nu stil geworden en hij sliep in.
In den ochtend ontwakend en door het gelend gebladert de lucht boven zich ziende waar fijne wolkjes snel voorbij dreven, herinnerde Tamalone zich den nacht en begreep, dat hij op zijn hoede moest zijn voor de soldaten. Maar angstiger werd hij bij de gedachte aan Mevena, die bij haar vader was teruggekeerd. Hij wilde dichter bij haar zijn; ongeduldig trok hij de struiken en de buigzame takken weg, die hem bezeerden terwijl hij liep, en aan den zoom van het bosch gekomen bleef hij staan, glurend door de bladeren over den weg naar rechts en naar links. Er was geen sterveling, maar steeds schuilend in de struiken ging hij verder de helling af, zich ergerend over het geruisch der doode blaêren aan zijn voeten.
Toen hij nogmaals stillekens over den weg keek, herkende hij de plaats waar hij haar den vorigen avond ontmoet had: er waren versche sporen van paardenhoeven op den grond. Hij kwam wat nader, daar lag een muts zooals de oosterlingen droegen in het kamp. En eensklaps snelde hij den steilen weg af, met wijd gesperde oogen ziende naar de sporen, die hij volgde waar zij in 't kreupelhout leidden; driftig sloeg hij de twijgen weg, hij kon de plaats niet vinden, waar hij de krijgslieden van Lugina gelegerd had gezien. En in zijn onstuimigen angst hoorde hij een vreemd klagend geluidje, hij sprong vooruit, zoodat de takken hem zwiepend sloegen in 't gelaat...
Tamalone bleef staan--daar was zij met het kind schreiend naast haar op den grond, een paar doode krijgslieden lagen nabij, in de verte klonk verward geschreeuw. De zon scheen zwakjes door de boomen. En zeer zacht naderde hij, knielde neder en nam haar hand in de zijne; er waren verscheidene wonden in haar hals en op haar borst lag de bloedsteen.
Zeer lang lag Tamalone geknield, aldoor starend naar haar gelaat; hij lag zoo lang tot het kind met betraande wangen in slaap was gevallen en hij eindelijk het brieschen hoorde van een paard; en omziende ontwaarde hij Walid met zijn gelen tulband, het hoofd achterover en een sabel in de hand. Zij zagen elkander een wijle aan. Dan steeg de oosterling af en zeide met goedhartige stem:
"Ik zal je helpen, broeder."
Te zamen, zwijgend, groeven zij wat aarde weg en legden daar de doode neer; Carolus en eenige soldaten, die terug waren gekomen, hijgend en met bloedige wapens, zagen toe. Toen zij den kuil toegemaakt en er de dorre bladeren weêr over hadden gespreid, nam de monnik het kind op, drukte Walid de hand en ging heen door de boomen, hij hoorde den brigadier nog achter zich, die iets zeide. Er was een kalmte in hem of het nu altoos herfst zou blijven.
En langzaam liep hij den weg af, het kind dat schreeuwde zuiend in zijn arm. En hij schudde zijn hoofd en sprak tot het kind.
Hij zeide, dat het wel vreemd was dat hij het droeg, die nog dien zelfden nacht een man had gedood en daardoor de wraak der soldaten over de arme moeder had doen komen--zijn liefde was het, de liefde van den deugniet, van den onverschilligen schooier, die zich om geen mensch ooit bekommerde, waardoor al het ongeluk was gebeurd.
Even zweeg hij, starend naar de loovers en de wolkjes, die hoog aan den hemel dreven; toen, wijl hij moeizaam ging onder het roerloos geboomte waar de zon maar flauwtjes scheen, zeide hij met nog zachter stem tot het kind, dat haar schoon gelaat hem nimmer zou verlaten, dat hij ten minste haar liefhad die ginder onder de bladeren lag,... en dat hij misschien, misschien gelukkiger was geweest dan de ander dien zij beminde.
Maar het kindje verstond hem niet, het schreeuwde gedurig en de monnik ging voort, langzaam, want zijn voeten deden zeer.
End of Project Gutenberg's Een Zwerver Verliefd, by Arthur van Schendel