Een Zwerver Verliefd

Part 7

Chapter 74,149 wordsPublic domain

Des avonds zat zij bij hem op het stroo, eerst zeer langen tijd stil in gedachten, maar ten leste sprak zij en vroeg hem in lief gefluister haar toch niet àl te lang alleen te laten in de stad bij Simon en Josse... morgen zou zij er henen keeren. Maar hij nam allebei haar handen, kuste ze vele malen en zeide, dat zij te zamen zouden gaan, dat hij den keizer zou groeten en 't krijgsvolk voorgoed verlaten, want sinds zij dien middag gezegd had, dat zij gelukkig zou wezen ook als zij niet aanzienlijk waren, was de roem dien hij gewonnen had hem heel niet waard, en hij had gezworen alles voor haar geluk slechts te doen. Zijne stem trilde; op het tentdoek danste vaag het schijnsel van het wachtvuur daarbuiten, waar de trouwe hoofdlieden zaten te praten, in de duisternis voelde hij een zacht gelaat dicht bij het zijne. Zijn gemoed was rijk aan innigheid, hij wist, dat hij alleen, alleen de vrouw in zijn arm behoorde. Het was een schoone nacht voor die twee die elkander beminden, een lange schoone nacht van vreugde uit al grootere liefde in hun harten ontbloeid met kus na kus van lieven lust, hun vreugde was zoo zoet als de geuren van den kerseboom in 't vroege jaar. Daarbuiten zat Carolus te praten, maar later was er geen gerucht meer.

Des morgens steeg Rogier te paard om naar het einde van het kamp te rijden waar de keizer en zijn grooten in een slot hun kwartier hadden. Mevena bleef achter met haar kind, wachtend onder een boom. De lucht was hoog en warm en de soldaten deden rustig hun werk.

De keizer zat voor het open venster te lezen in een zeer groot boek, zijn hoofd leunde in zijn handen gebogen voorover, zijn haren hingen langs zijn wangen en naast hem stond een schaal met fruit. Aan een andere tafel zat Theodoro de wijze te lezen. De een noch de ander verroerde zich. In de koele kamer werd slechts het ruischen der blaêren voor het venster gehoord en Rogier wachtte met de muts in de hand, de witte pluim hing naar beneden. Eindelijk richtte de keizer zijn hoofd op en keerde zich om, zijn baard was grijs en gekruld; hij hief zijn hand hoog op zooals een vriendelijk man doet wanneer hij vroolijk is en vroeg:

"Is de burcht verrast, messer?"

Rogier schudde zijn hoofd en zeide, dat hij gekomen was om oorlof te vragen en het leger te verlaten, immers daar hij gezworen had een lieve vrouw, die hij beminde, naar zijn kasteel van Siremonte te voeren. Maar terwijl hij sprak voelde hij, dat hij laf was en een onwaardig man om aldus voor een wensch van Mevena het recht van den keizer te verzaken. En hij schaamde zich. De vorst intusschen zat te luisteren met zijn hand aan zijn baard en Theodoro, de oude man, zag bij wijlen op van zijn boek, maar las dan ongestoord weêr verder.

Toen Rogier zweeg antwoordde de keizer knikkend, dat hij reeds wist hoe Lugina bedrogen was en dat diens dochter in het kamp was gekomen met een gauwdief. Maar Rogier kon immers met haar niet trouwen, tenzij hij in het verbond der pauselijke edelen ging en niet in Siremonte wilde wonen, in het gebied van den heer van Romano, die meer geducht was in 't land dan de keizer zelf. Rogier haalde zijn schouders op en wilde antwoorden, doch de vorst sprak verder, dat hij hem als stadhouder over Toscane wilde stellen wanneer de burcht was gevallen en ried hem, indien hij de vrouw zoo zeer beminde, te wachten tot de oorlog voorbij was en Lugina onderdanig werd. Dit zeide de keizer vertrouwelijk met zijn hand op Rogiers schouder; dan richtte hij zich tot zijn volle grootte op en voegde er bij:

"Vergeet niet, dat gij mij trouw hebt gezworen. En zoo ge ondanks mijn raad uw wil doet, zijt ge mijn vijand," en reikte zijn hand, die het zegel des rijks aan een vinger droeg--Rogier boog en kuste haar, terwijl de sterrewijze hem toeknikte over zijn boek.

De arts trad toen binnen door een knaap gevolgd, die een schaal droeg met gekruiden drank. En daar de keizer weder naar zijn tafel ging, groette messer Rogier en vertrok.

Hij reed door de groene laan waar zoeltjes de wind in het loover speelde naar het kamp terug en was verheugd, dat hij een aanzienlijk man zou worden wanneer de burcht genomen was. Maar hij hield zijn vreugde in want hij dacht aan Mevena.

De brigadier liep hem tegemoet om te zeggen, dat Tamalone niet te vinden was. Mevena, roerloos zittende in de schaduw van den boom, zag hem een breed gebaar maken en haar oogen waren groot open alsof zij vragen wilde wat nieuws hij bracht. Hij wees haar op te staan, hield de tent voor haar open en toen zij binnen waren zeide hij:

"Ik moet hier blijven, Mevena, de keizer wil mij niet laten gaan."

Zij zag naar den grond en antwoordde niet. En hij sprak weêr:

"Maar nog vóór de zomer voorbij is kom ik in Pisa, nog vóór Sint Michiel, nog vóór de winter komt, en dan zullen wij nooit meer scheiden, en gelukkig zijn."

Zij zweeg een pooze, maar dan sloeg zij haar oogen op en zeide:

"Beloof mij gauw te komen, ik kan niet zoo lang meer alleen zijn..."

En verteederd door het smeekend geluid harer stem sloeg hij zijn arm om haar schouder en kuste haar, maar zij week wat achteruit en vervolgde:

"Hoe lang zal die oorlog nog duren, liefste? O het zal een tijd voor me zijn te wachten daarginds. En hoe zal ik weten--"

Maar hij kuste haar weder op haar mond, sprak met luchtig goed vertrouwen en herhaalde, dat hij spoedig bij haar terug zou wezen. Dien ganschen dag zat zij in zich zelve gekeerd voor zich te staren en sloeg op haar kind maar zelden acht. Rogier liep buiten rond om bevelen te geven.

Des nachts toen hij wakker werd tastte hij, maar voelde Mevena niet naast zich; hij richtte zich op en ontwaarde tegen het doek der tent, waarachter flauw een wachtvuur scheen, haar donkere figuur in knielende houding gebogen en hij hoorde het gefluister van een gebed. Ongeduldig lei hij zich weêr neder, zeide dat zij bij hem moest komen, doch zij bad voort en wachtend dommelde hij weêr in.

Zij sliep dien ganschen nacht niet, want een gedurige onrust bedroefde haar gemoed, zoodat zij wel weenen wilde, maar haar oogen bleven droog; zij dacht er aldoor aan, dat zij weer heen zou gaan, zelfs zonder haar braven vriend Tamalone ditmaal; de vreeselijke gevaren van den oorlog zag zij haar geliefde steeds naderen en zij wist niet wat zij doen zou... Baldo had wel eens een lied gezongen van een vrouw, die als jonker aangedaan haar minnaar volgde--het was ook maar een lied geweest, want zij kon dat onmogelijk doen, er was voor haar en het kleine kind geen andere hulp dan te wachten tot hij terugkwam. Weemoediger dan ooit te voren voelde zij zich verlaten in de wereld, zij staarde gedurig in het duister en wist geen raad. En wanneer haar kindje schreide lei ze het gedachteloos aan haar borst, het wicht zoog in gretig welbehagen terwijl zijn moeders hoofd van droefheid gloeide.

En toen de grauwe dageraad begon stak Carolus zijn hoofd binnen om zijn heer te wekken. Rogier keerde zich om op het stroo, vroeg of de paarden gereed waren en sloot zijn oogen weder. En het was weêr zeer stil in de tent. Mevena voelde zich moede, het kind sliep in haar arm. Dan klonken er stemmen. Rogier stond op, gaf haar een kus en trad naar buiten. En terwijl zij zich oprichtte om hem te volgen deed een groote onrust haar hart zoo hevig aan, dat zij angstig werd en draalde.

In den neveligen ochtend stonden twee paarden, die door Carolus en Rogier werden opgetuigd; uit de tenten rondom klonk hier en daar het geluid van een snorkend slaper. Zij klommen zwijgend te paard en reden heen. Toen ontwaarde Mevena, terzijde kijkende, de gestalte van Walid die met zijn gele muts en gekruiste armen bij een wagen stond, even zag zij het wit zijner oogen naar haar gericht--zij schrikte en beefde.

Zoo lang zij in het kamp waren sprak haar minnaar niet, maar bij de laatste tenten, waar de boomen in dubbele rijen den dalenden weg verdonkerden, keek hij naar haar op en zag, dat zij bleek was en huiverde. Hij vroeg bezorgd wat haar scheelde, maar zij schudde het hoofd slechts en toen hij den schabrak van zijn paard om haar en het kind heensloeg, glimlachte in eenen haar heele gelaat van schoone liefheid, zoodat Rogier dichter bij haar rijdende zeide dat zij hem zéér dierbaar was en hij geen andere vrouw kon beminnen.

Toen reden zij nog een poos met zoete woorden voort, terwijl achter hen over den heuvel de jonge zon aan de lucht verscheen. Maar waar de weg smaller werd en zich in tweeën deelde hield Rogier zijn paard in en zweeg een oogenblik. De stille morgen blonk wazig aan den hemel en over de groene boomen. Hij wilde haar vaarwel zeggen, maar het griefde hem zoo dat hij haar bedroefd had gemaakt en dat hij haar onrecht deed door haar alleen te laten gaan, hij had haar al zooveel beloofd. Doch hij bezon zich, dat het teêrhartigheid was zoo te denken, immers wanneer hij over eenige maanden een hoogen rang had kon hij weêr bij haar komen en zij zou gelukkig zijn. Hij nam haar in zijn armen zeggend, dat hij snel terug moest keeren, dat hij nog vóór Sint Michiel bij haar zou wezen en kuste vele malen haar bleek gelaat. Hij draalde nog, zijn wangen gloeiden, want hij voelde hoezeer hij haar beminde, die hem aanzag met groote oogen, en hij kuste haar weder, haar lippen, haar aangezicht en haar handen het laatst. Dan wendde hij den teugel en met een zwaai van den arm reed hij heen, zijn hengst galoppeerde brieschend den weg weêr op onder de boomen. Een eind verder keek hij om, haar paard stond bij de scheiding van den weg met neêrgebogen kop om te grazen, haar gestalte, met het kind in de armen, was onbewegelijk naar hem gekeerd.

Enkele dagen later gaven de edelen, die het kasteel verdedigden zich over, zij waren tegen den honger niet bestand. En de keizer leidde zijn zoons en groote heeren naar de stad, waar zij in het paleis aan prachtige tafels zaten met Spaanschen wijn in de kannen en groote schalen vol gebraad en pasteien. Hij stelde Rogier tot stadhouder over het Toscaansche land en schonk hem den keten, de edelen klapten hun handen en de vedelaars maakten lustige muziek. Carolus liep met rood gelaat de zaal uit en dan weêr in, hij dronk vele bekers leêg en omhelsde Walid, zijn goeden vriend die dikwerf knikte, in groote blijdschap.

Langzamerhand, terwijl de oversten bespraken hoe zij den tocht zouden voortzetten en Rogier aan zijn ambt was gewend, herinnerde hij zich, dat Mevena op hem wachtte. En hij schreef een brief aan haar vader, waarin hij hem zijn vriendschap bood en hem verzocht ter liefde van haar toch tot den keizer te keeren.

Hij kreeg geen antwoord, maar weken later kwam er een boodschapper van den heer van Romano, zijn gevreesden verwant, die in een bondigen brief hem gebood de dochter van Lugina heen te zenden.

En de volgende dagen zat hij, wanneer er geen heeren waren die met hem praatten, alleen in de hooge zaal en dacht aan haar, die pas een jaar geleden hem het wonderlijkst geluk had gegeven, die hij meer had begeerd dan zijn leven toen hij met pijnen in de bergen lag, en hij peinsde of hij haar waarlijk voor goed kon verlaten. In den gloed van een oogenblik had hij soms wel geloofd, dat de roem van een groot man in het land te zijn hem niet bekoorde, maar hij wist dat het niet waar was, want hij had van zijn jongste jaren niets anders verlangd, tot hij op een zomeravond Mevena in schuchtere lieftalligheid voorbij had zien gaan. En hij verbeeldde zich hoe zijn leven geweest zou zijn indien hij niet bij den keizer was gekomen, maar haar naar zijn kasteel had gebracht: Siremonte was een zeer oud huis, waar het in de kamers altoos donker was, in den hof groeiden de struiken wild en ook op den wal over de graven der vroegere bewoners: de lieden die de akkers bouwden waren nooddruftig--hij had het slot verlaten toen hij een knaap was en zou er niet weêr kunnen leven nu hij een rijk stadhouder was.

Hij wist wel, dat hij niet anders doen kon dan den keizer en vooral messer Romano verzoeken, nederig verzoeken, dat hij haar tot vrouw mocht nemen. Maar Romano was een vreeselijk man, die nog kort geleden velen van hun eigen geslacht had veroordeeld wegens hun ongehoorzaamheid.

In zijn twijfel en beslommering nam hij den machtigen heer van Lancia in zijn vertrouwen. De markgraaf, die zeer bejaard was, lachte kalmpjes. Hij wist niet dat Rogier nog aan het meisje dacht, hij sprak over zijn eigen dochters, hij sprak langen tijd bedaard en overtuigend.

Als hij alleen was staarde Rogier dikwijls voor zich, in gevoelige oprechtheid denkend wat hem het meest waard was. Maar wanneer hij bedacht wat hij doen zou als hij het verlof niet kreeg, zuchtte hij en herinnerde zich Walid, die gezegd had, dat de bloedsteen hem leed zou brengen.

En des nachts werd hij somtijds wakker en zag in zijn verbeelding Mevena die schreide.

12

Over de zonnige wegen ging Tamalone, thans weêr in een pij gekleed, eenzaam als voorheen en gelijk voorheen ook, toen hij pas uit het klooster gevlucht was, vermeed hij de menschen, daar hun vragen wie hij was, van waar hij kwam en waarheen zijn tocht ging, hem ergerden en het langdurig zwijgen zijner eigen stem hem een genot was.

Onder den ruimen hemel en met het groene land rondom was de eenzaamheid hem vroeger een zachte rust geweest, een eenvoudige vreugde van te zwerven zoo 't hèm behaagde en te aanschouwen hoe de wisselvalligheden zich opdeden in hùnnen loop.

Nu echter, wanneer hij in de verte een gehucht zag onder wat boomen, stond hij stil en zette zich neder in het gewas aan den weg, schuw voor wat er mooglijk kon gebeuren als hij daarginder kwam, nieuwe gezichten zag en praten moest. Het teeder denken aan den winter, die voorbij was, was vol lieve figuren en liet hem geen rust; met zijn hoofd, al vermoeid van het voorover buigen dien heelen dag, in de beide handen geleund, zat hij daar uren lang tot de zon van den hemel ging, en trachtte aan Mevena alleen te denken. Hij meende dat zijn verblijf met haar een avontuur was geweest, een heerlijke tijd weliswaar, dien hij zich altoos met innigen ernst zou herinneren, doch in zijn diepste wezen niet meer dan nog een vervlogen illusie, zooals er hem sedert zijn jongensjaren zoovele hadden verlaten, die slechts wederkwamen in een zeldzamen zaligen droom. Het leek nu zoo vreemd alleen aan den weg te zitten; het pover landschap rondom waar slechts een paar koeien graasden, stil in 't brooze schemerlicht, en ginder wat boomen goedig in een groepje bij elkander stonden, kwam hem zoo bijzonder voor of hij 't al eerder had gezien; doch van ouds al kende hij dit onuitsprekelijk gevoel--een vermoeid wandelaar hoort zoo in den aanvang des avonds geluiden die niet bestaan, of ziet een lichtjen in de schaduw en weet dat hij zich vergist, maar in gepeinzen gaat hij verder, twijfelend over vele dingen.

Tamalone wist, dat wat hij had ondervonden en wat hij ooit in verbeelding doorleefd had, niet anders verschilde dan dat hij het eerste vreesde--duidelijk bewust thans vreesde--en het ander beminde; Mevena was slechts een naam die hem bekoorde, haar gelaat zou wel van lieverlede vager worden en uit zijn stille gedachten vergaan--was zelfs zijn jonge vroomheid in de dagen van het klooster niet eveneens verleden en voorbij? Geen van zijn liefste begeerten zou ooit waarlijk gebeuren, van al zijn droomen zou er geen ooit tastbaar geluk zijn, maar hij had er altijd zachtjes om gelachen en zich verwonderd wanneer hij van ongeluk hoorde. Wel school er in 't heimelijk van zijn hart een gevoelen, het heiligst dat hij had--het was een noodlottige zekerheid--, dat hij eenmaal nog een groote werkelijkheid zou ervaren, gelijk de ondervindingen zoo smartelijk van echtheid, dat hij door de stem van enkele lieden die hij er van had hooren verhalen een vreemde benauwing gevoeld had; de een was een man bedrogen door zijn vrouw, de ander een moeder wier kind was gestorven, een derde was blind geworden, doch onder die allen was er geen enkel zwerver, die zooals hij ter wereld niets bezat, niets dan een pij--en een pij die maar schijn was. De glanzende dagen echter, die hij in den winkel van Simon had doorgebracht, zouden in zijn herinnering blijven als een wandeling door prachtige bloemlanen, zwaar van geuren onder de zomerlucht, hij zou er geen traan om laten en zij waren niet de groote gebeurtenis welke hij van kindsbeen al vreesde en begeerde beide. En hij wilde wel weten of mogelijk die donkere zekerheid het voorgevoel was, dat nooit wordt bewaarheid.

De avond daalde over de heuvelen, de klank der bellekens die de koeien droegen werd kleiner in de verte en zoo hij een bed wilde hebben voor de boeren in 't gehucht te ruste waren, moest hij voort.

Vroeg in den dag verliet hij de dorpers weder en ging zwijgend den klaren weg langs, tevreden in 't kalm stralende zonlicht. En bij het eind van zijn dagreis zat hij weer onbeweeglijk op den grond, met inwendig geluid liefkoozend den naam te herhalen van een vrouw, die ver in den schemer waarde, en de stilte over het land verontrustte hem in hoogere mate dan den avond te voren. Zijn hoofd was vol van teedere heugenis en verdrietigheid, de donkere aarde zweeg, zelfs in den hemel, van licht verlaten, vloot de weemoed gelijk de glimlach van een kind dat geschreid heeft. Hij wist niet wat de kommernis die hem drukte beduidde, hij begreep niet hoe de menschen met bewonderend smachten verhalen konden doen van groote passie, van het leed dat zij aanbaden als de zuiverste deugd--en hij herinnerde zich, dat hij zelf al sinds jaren heimlijk dit ééne verlangd had, zijn allergrootste passie. Het klopte in zijn borst en in gejaagde haast vervolgde hij zijn reis in den avond.

Toen hij tot de kalmte was wedergekeerd, zag hij dat hij niet behoefde te vreezen, de vrouw aan wie hij dacht was immers een beeld maar en zou nimmer werkelijkheid worden, een beeld van zijn eigen ontroering; zijn lieve vrijheid zou hij behouden. De rust die deze gedachte hem gaf was als de stilte in het bosch wanneer de herfst al nadert.

Op een Zondag trad hij de poorten van Lucca binnen, waarheen de weg dien hij gevolgd had voerde. Daar hij honger had zocht hij de woning van een oudbekende, Marco genaamd, een bezadigd man die metalen mengde en studeerde. Toen de oude man de deur opende was hij even verrast; dan begroette hij Tamalone vriendelijk, leidde hem naar zijn werkplaats, gaf hem eten en drinken en hernam bedaard zijn bezigheid met het schoonmaken van gereedschappen. De monnik at in stilte en zag hem begaan, buiten in de lichte straat lachten de burgers van zondagspret; hij herinnerde zich zijn drukken leerlingstijd en wist dat Marco hem een luiaard vond.

Een poosje later hoorde de grijsaard een zucht; hij ging door met zijn kroezen en vroeg wat er scheelde.

"Ik ben moê," was het antwoord.

"Gij ziet er bleek uit, broeder; gij moest liever werken dan van 't eene klooster naar 't ander gaan en gedurig bidden."

Tamalone glimlachte. De woorden echter hielden hem dien nacht lang uit den slaap, hij twijfelde of het noodig zou wezen een middel te zoeken tegen de onrust, die al heviger roerde. Hij had toen een droom waarin hij overvloedig weende en verbaasde vreugde voelde om twee schoone oogen. De rest van den nacht, waarvan hij het einde wakend verbeidde, lag hij te mijmeren of hij ooit door een toeval Mevena weder zou zien.

Dagen lang kwam hij in de woning van Marco slapen, overdag was hij altijd uit. Er waren vele bekenden in de stad, die hem ontmoetten en medenamen naar huis; terwijl zij hem onthaalden moest hij dan van den oorlog vertellen, of zij verwachtten kwinkslagen van hem zooals zij gewoon waren. En Tamalone praatte in luchtigen scherts, maar hij had een weêrzin tegen hun vroolijke gezichten. Het deed hem vreemd aan den toonval van zijn stem zoo week te hooren. En in het drukke gezelschap voelde hij een gedurigen drang om ergens in een lommerrijk landschap op het gras te liggen en zich over te geven aan de bekoring van neêrslachtigheid.

Laat thuis komende eens vond hij in de werkplaats van zijn vriend den ouden Lugina, die in het rustig licht zat te wachten en Marco gadesloeg in zijn arbeid. Mevena's vader schudde hem de hand in vriendschappelijke opgetogenheid, hij had hem lang gezocht, zeide hij. Maar daar de monnik er zeer vermoeid uitzag zou hij hem nu verlaten en hem morgen vroeg verwachten; Lugina klopte hem vertrouwelijk op den schouder en ging heen.

Toen hij weg was zat Tamalone te staren met opgerimpeld voorhoofd, mijmerend over Mevena en of misschien haar vaders komst hem geluk zou brengen. Hij had den man bedrogen, zijn belofte om Rogier te vermoorden was hij nooit voornemens geweest te houden; hij moest dus morgen iets verzinnen. Marco was in zijn studie verdiept en stond aandachtig naar een vloeistof te kijken, dien hij in een fleschje ophield tegen het licht, terwijl achter hem in een armstoel de luie monnik voor het eerst sedert vele dagen weêr vroolijk werd en geluidloos zat te lachen bij de gedachte, hoe hij Lugina misleid had en zijn dochter ontvoerd. Doch weêr ernstig geworden besefte hij, dat Mevena zelve in gevaar zou verkeeren zoo haar vader haar vond. Hij moest hem op een dwaalspoor leiden en hij had weldra een sluw bedenksel gereed.

Des anderen daags vond hij Lugina reeds buiten de herberg op hem wachtend in de straat onder den hoogen dom. De edelman liep hem lachend tegemoet, de grillige zomerkoelte speelde in zijn paarsen mantel; hij nam den monnik bij den arm en vertrouwelijk naast elkander gaande wandelden zij de stadspoort uit. De een noch de ander sprak een woord, zij wachtten beiden of de ander zou beginnen en zagen omzichtig rond. De glanzende wolkjes lagen traag in den hemel van het ééne verre verschiet waar de heuvelen in vage tinteling verliepen, tot het ander; de klare akkerlanden waren rijp en in heete stoving, op sommige grasvelden, waar gemaaid was, rustten boeren in zwaren slaap. De weg liep door dunne boompjes met weinig schaduw.

Eindelijk sprak Lugina en vertelde hoe hij ook zijn dochter nog te wreken had. De monnik antwoordde, dat hij wist wat er gebeurd was, ook had hij Rogier wel gevonden, maar hij had zijn belofte nog niet kunnen volvoeren. Toen hoorde hij verbaasd, dat Lugina zelf met alle vier zijn zoons zijn vijand gevolgd had van kamp tot kamp, dat hij wist waar Rogier, die stadhouder was geworden, zich bevond met het meisje, en dat ook haar broeders daar waren op dit oogenblik... Tamalone bleef staan, zijn oogen waren wijd open en in zijn starre verbazing zag hij den ouden man, met fel gelaat, die plotseling een dolk in de hand hield en naar hem stiet, maar even plotseling bukte hij, greep zijn aanvaller bij de beenen en wierp hem op den grond. Even aarzelde hij of hij vechten zou, hij voelde den schrik nog van wat hij gehoord had; dan keerde hij zich om en liep snel heen, zonder een enkelen keer achter zich te zien, waar Lugina midden op den weg hem na stond te kijken met den dolk, die een blank lichtje schoot, in de geheven hand.

Het was een smalle weg door de korenlanden, de zon scheen overal en het felst op de boompjes, waarvan hij door een bocht soms de kruinen al in de verte zag schitteren. Tamalone voelde zich gejaagd. Hij wilde naar de stad waar Mevena was, maar hij vreesde zijn vijanden; zoo hij slechts Rogier kon waarschuwen over haar te waken--haar broeders waren nabij, misschien was er al een ongeluk gebeurd en wat kon hij zelf nu doen, die vervolgd werd door de hatelijke edelen in 't leger? Maar hij hoopte, dat hij een boodschap kon zenden. Hij liep met snelle stappen, het mulle stof steeg in wolkjes om zijn voeten op, zijn gelaat was gloeiend en bezweet.