Part 6
Op een dag, nadat zij hare verwondering reeds eenmaal verzwegen had, vroeg ze waarom hij zijn pij niet droeg en wanneer hij naar zijn klooster terug moest keeren. Een oogenblik zweeg hij, maar antwoordde met opklarend gezicht, dat hij bij haar blijven wilde zoolang zij alleen was en praatte vlug over andere dingen door, zoodat zij haar vraag vergat. En dit was de eenige keer, dat zij over zijn heengaan sprak, want wanneer zijn fraaie kleederen er haar aan herinnerden, dat hij eigenlijk een klerk was en haar nieuwsgierigheid wekten, zweeg zij--zij wilde niet gaarne meer buiten hem en vreesde hem te grieven. Tamalone echter wist wel waarom zij soms zonder spreken naar zijn roode kaproen keek en dan ontwaakten gedachten, die hem stil maakten in 't gemoed en met verdrietige onrustigheid wederkeerden wanneer hij alleen was 's nachts op zijn bed.
Mevena zat meestal beneden wanneer de mannen in de kamer waren; de eerbiedige behandeling van den eersten tijd liet zij zich schertsend gevallen en bedacht onderwijl allerlei om hen te behagen. Josse en Simon kwamen al glimlachend binnen wanneer zij daar was; zij bleven na het avondeten thuis en zaten in 't karig licht vergenoegd aan de tafel naar haar te kijken en te praten. De jonge Baldo, die wel met meiskes uitging, kwam dan jolig terug en speelde dartele wijzen op zijn viool; soms zongen de ouden om beurten mede, met glimmende oogen. Het tenger meisje bij het haardvuur gezeten luisterde met open lippen, zich gelukkig voelend in dit laag vertrekje vol uitbundigheid van mannengeluid.
De dagen gingen voorbij en werden kouder. Simon en Josse hielden veel van Mevena en dachten niet aan den tijd wanneer zij heen zou gaan; zij zelve sprak er nimmer over, noch over hem die in het leger was en Tamalone had geen andere gedachte dan voor haar te zorgen en haar te behagen. Hij kleedde zich hoe langer zoo fraaier en kwam dikwijls met nieuwe sieraden thuis. De gebroeders hadden er al samen over gesproken hoe zeer hij veranderd was: kleurige kleederen droeg hij, met glansen, hij schoor zijn kin en krulde zijn kneveltje gelijk een edelman. Zij wisten niet hoe hij aan 't geld kwam om zulke kostbaarheden te koopen, maar zij waren al jaren gewoon hem na poozen van groot gebrek eensklaps rijk te zien; ook hadden zij gehoord dat hij veel in de huizen van voorname lieden kwam, en zij vonden hem een wonderlijk man.
Op een avond, toen Mevena vroeg naar boven ging, was de monnik, die onder het gezang van Baldo stil voor zich had gekeken en uit was gegaan, nog niet terug. De broeders besloten te wachten tot hij kwam en zaten ter wederzijden van het vuur over Mevena te praten. De ruitjes klepperden grillig in 't raam door de vlagen van den wind; achter het huis sloeg de torenklok dreunend het uur van den nacht, die stiller werd naarmate de mannen langer wachtten.
Tamalone doolde in de stad rond, dicht in zijn mantel gehuld voor de koude. Hij had dien avond gezien, dat Mevena een kind moest krijgen, en hij had zich herinnerd hoe hij haar uit het huis van haar vader naar het kamp in de bergen gevoerd had, toen hij nog niet wist dat hij van haar hield. Een kranke ontroering was over hem gekropen toen hij gewaar werd dat hij de laatste weken in droomende wenschen geleefd had, hij die heel zijn zorgeloos leven zijn avonturen had laten komen zoo zij wilden, wel wetend dat er voor 't innig verlangen slechts wanhoop was--hij had zich in het huis van Simon een vreemdeling gevoeld in zijn zwierige kleederen. Den nacht van hun vlucht ook had hij zich duidelijk herinnerd en de gouden kronen, die haar vader hem had gegeven--toen had hij zich geërgerd aan die vrouw die hem nooit zou begrijpen en hij was zonder spreken de deur uitgegaan.
Het was overal donker, slechts de ruitjes der taveernen waren verlicht, in de huizen schenen de menschen te slapen en Tamalone liep met tintelende wangen geheel alleen in den nachtwind, die suizend woei door de verlaten straten. Hij hoorde zijn haastige voetstappen, waar hij zoo vaak naar geluisterd had op zijn eenzame tochten, de wind deed hem diep ademen en hij voelde zich opgewonden door begeerte om den ganschen nacht te loopen waar de wegen hem voeren mochten, om weder als van ouds te dolen door 't land van stad tot stad.
Op het domplein stonden in donker groepjes mannen te praten, een enkele dronkaard liep in zichzelf gekeerd te zingen op lijzigen toon. Tamalone ging een herberg binnen, dronk in eenen teug den beker ledig en liep onbezorgder verder in den nacht, zijn open mantel wapperde vrij van zijn rug. Blijdschap deed hem nu haastiger gaan, hij had de heerlijke doellooze vrijheid weder van te zwerven onder vreemde menschen. Morgen, morgen wanneer de poorten open waren zou hij de stad uit gaan, hij was er reeds lang geweest. In zijn verbeelding zag hij Mevena alleen, in het huis van Simon eerst, later terug bij den man in het leger; het waren slechts stille beelden welke hij zag, zij ontroerden hem niet.
Met een glimlach herinnerde hij zich hoe hij nog dien zelfden morgen, terwijl hij naar haar witte handen keek, met innerlijk schreien had gedacht waarom zij hèm niet beminde, die haar nooit verlaten zou hebben en met wien zij gelukkig zou wezen. Het was heerlijk een vrouw lief te hebben zooals hij haar liefhad, maar hij wist, dat zij weldra heen zou gaan, voor goed zou gaan, zoodat hij haar nooit meer weder zou zien. Hij hoefde niet langer te blijven in 't huisje aan de rivier, waar hij zich vervelen zou, nu de begeerte was teruggekomen naar het land en den open hemel, naar steden waar hij nooit was geweest en nieuwe menschengezichten. Hij kon haar gerust verlaten, zij was veilig bij Simon en Josse en zou niet naar hem vragen. En hij, zou hij niet gelukkiger zijn zoo hij slechts aan haar denken kon?
Met lustige schreden liep hij in onbekende buurten, langs wegen waar huizen in aanbouw waren; een eind verder op een open plek zag hij onduidelijk den omtrek van een galg tegen de lucht, hij lachte even, met een dwaas gebaar, en bleef staan om te zien of er iemand hing, maar het was te donker. Hij merkte nu, dat het koud was, stampte op den grond en blies in zijn handen.
Terwijl hij voortliep bedacht hij dat het dwaas zou zijn den ganschen nacht te dwalen, indien hij in den morgen op reis wilde gaan; hij besloot naar huis te keeren, en lang te slapen.
De deur stond aan en binnen vond hij Simon, die alleen nog op was, slapend met het hoofd in de armen op de tafel; nevens hem stond een ronde kruik met bier, de katten lagen voor het smeulend vuur te spinnen. Simon, met zijn vuisten in zijn oogen wrijvend, vroeg waar hij geweest was, doch Tamalone antwoordde niet, dronk uit de kruik en zette zich bij het vuur. Hij wist, dat de goede Simon al sedert hun kloosterjaren hem genegen was, dat hij de eenige was die om hem gaf; hij vroeg hem nu nog een oogenblik op te blijven terwijl hij zich warmde en zijn bier dronk. Zij zaten elkander zwijgend en vriendelijk aan te kijken, de torenklok sloeg met ernstigen klank. Eindelijk stond Simon op, zeide dat Tamalone toch een zonderling man was en blies de pit uit.
Op zijn bed in de deken gewikkeld, voelde Tamalone zijn voeten nog prikkelen van het loopen en voor hij zijn gedachten in behaaglijken slaap verloor, rees er onverwacht ééne nog in verschietende klaarheid: hij had haar lief zoo zéér, dat haar wederliefde hem niet gelukkig zou maken.--
Laat in den dag stond hij op. Mevena zat geduldig te wachten om met hem uit te gaan naar hun gewoonte. Hij was op het punt haar zijn besluit van gisteravond te zeggen, doch haar oogen waren zoo vroolijk, dat hij wel terug moest glimlachen en haar niet te leur wou stellen. Hij kon evengoed in den avond vertrekken.
Het was een blanke, frissche dag; de menschen in de straten zagen opgeruimd en bloosden van de koude. In het begin van hun wandeling luisterde Tamalone zonder antwoord naar wat zij zeide. Zij liepen langzaam en bleven dikwijls voor de winkels staan; aan den overkant van 't water gingen zij door groententuinen en hij werd van lieverlede spraakzaam. Dan vertelde hij haar zijn voornemen om heen te gaan, daar zij veilig was bij zijn vrienden. Een poosje gingen zij zonder spreken voort met gebogen hoofden; toen zij hem aankeek zag hij, dat zij groote tranen in de oogen had--hij schrok en wilde haar hand kussen... met teeder lieve stem zeide hij, dat hij bij haar zou blijven als zij wilde. Zij keek hem aan, verblijd, en knikte,--Tamalone ademde dieper van heerlijkheid, door het nat zijner opgeslagen oogen zag hij den hemel in prachtige klaarheid, hij dacht dat zij zijn hart nu wèl begreep. Opgewekt spraken zij toen over andere dingen en gingen in vertrouwelijkheid naast elkander, de heldere zon scheen over het groen aan hun voeten. Zij liepen nog hier en daar en Tamalone wees haar hoevele menschen er dien dag hun beste kleederen droegen.
Thuis dien avond bij het licht der koperen lampjes was er weder geluid van liederen; Baldo sprak over het onrecht waarmede de groote heeren regeerden en Tamalone deed een schoon verhaal van ridders en lieflijke vrouwen terwijl Mevena met groote oogen, haar gelaat in haar handen voorover geleund, en de brave mannen rustig ademend luisterden.--
De dagen vloden heen, de winter was gekomen. Des morgens vroeg zat Mevena nog steeds voor haar venstertje te wachten op Rogier, bij de mannen beneden noemde zij nimmer zijn naam. Tamalone wist wel waar zij altoos in stilte aan dacht, doch het maakte hem niet verdrietig, hij voelde in nederigheid, dat iedere dag al vreugde was en om wat komen zou haalde hij de schouders op.
Toen het reeds Kerstmis geweest was ging Josse op een Zondag na den kerkdienst met haar wandelen en vertelde haar, dat zijn broeder beloofd had een wieg voor haar te maken, omdat haar kind nu wel spoedig zou komen. Zij was er stil van den ganschen weg, zij had er nooit aan gedacht, dat ook de mannen zouden weten waar zij heimelijk verwonderd vaak over peinsde. Nu Josse gezegd had dat zij spoedig een kind zou krijgen, wilde zij wel aanstonds naar Rogier toe gaan, want de wereld was zoo veranderd en bij hem zou zij tevreden zijn. Doch de goede Josse klopte haar op den arm toen zij daar over sprak, en zeide dat hij een boodschap zou zenden, maar dat zij rustig bij hen moest blijven.
En dien middag, toen zij in haar kamertje was, zat Tamalone een brief te schrijven, terwijl de jonge Baldo aandachtig naar hem keek en de broeders tegenover elkander dommelden in de schouw.
Eenige dagen later kwam de bode terug; Rogier met het leger voor Capraia had hem een kort wederwoord gegeven en liet zeggen, dat de keizer hem niet vergunde om heen te gaan, later zou hij een brief schrijven. Doch de mannen verzwegen dit antwoord voor Mevena.
Eindelijk op een kouden nacht werd het kind geboren. Tamalone, die de vrouw was gaan roepen bleef buiten op de kade heen en weder loopen, de sneeuw viel gedurig in dichte vlokken, zoodat hij bij poozen moest stilstaan om zich de kleederen af te schudden. Het water murmelde in den stroom, één venstertje was er licht in de duisternis, waar hij aldoor naar keek. Verkleumd en bibberend ging hij ten leste binnen, de vrienden zaten daar met de vroedvrouw genoegelijk bij een mooi vuur te eten, boven hoorde hij een zwak stemgeluid. De vrouw wenschte hem geluk en Simon en Josse moesten daar hard om lachen, maar Tamalone zeide niets, spreidde zijn handen voor de vlammen uit en nam toen gretig een groote pastei.
Bij het grauwen van den komenden dag liep hij zachtkens naar boven en trad de kamer van Mevena binnen; zij lag met open oogen en glimlachte toen zij hem zag, aan haar voeten was een rood gezichtje. Hij boog er zich even voorover, knikte dan tot Mevena met goedhartigen blik.
Dien ochtend dwaalde hij alleen in de besneeuwde stad, denkend aan de winterdagen toen hij het huis van zijn vader verlaten had en voor 't eerst 's nachts buiten was geweest; de sneeuw lag toen even dik en de soldaten van de stadswacht hadden hem gevonden. Hij trachtte aan Mevena te denken, maar hij zag voortdurend beelden uit het verleden, die zijn hart neerslachtig maakten en er weemoed wekten, zijn leven had zoo anders kunnen zijn. Hij kon de dikke lucht en de klanklooze straten niet verdragen en trad een herberg binnen, waar hij in een hoek zat en veel wijn dronk. Eensklaps herinnerde hij zich, dat hij voor Mevena moest zorgen, daar Simon en Josse aan hun werk waren, hij keerde vlug naar huis. Een half uur later bracht hij een wasemende brei naar boven, dien hij zelf had gekookt.
Na een poos, toen het weder milder werd begon het Mevena te bevreemden waarom Rogier niet gekomen was. Zij sprak er over met haar vrienden en hoorde wat Rogier geantwoord had;--dan vroeg zij of de krijg nog lang zou duren en hoe ver Capraia was, maar Tamalone met zijn muts in de hand om naar buiten te gaan, antwoordde gemelijk dat hij 't niet wist. Met het schreeuwend kind in haar armen liep zij heen en weder in de kamer, zij begreep niet, hoe zij zoo langen tijd van haar geliefde gescheiden was geweest.
En haar gepeinzen werden veelvuldig en inniger met de dagen, de begeerte, die haar gedreven had op de reis naar de stad verontrustte haar weder in steeds heviger keerenden gloed, met droomend gemoed staarde zij soms, terwijl zij het kind aan haar boezem zuide, langdurig naar buiten, waar de vogel zonder einde kwinkeleerde in zijn kooi.
Des avonds beneden speelde Baldo zelden meer op zijn viool, de gebroeders praatten soezend over hetgeen er in de stad gebeurde, terwijl Mevena met neêrgeslagen oogen zat te naaien. Tamalone was meestal uit, hij dwaalde door de straten en de velden, zijn hoofd was immer gebogen.
Omtrent Paasch, op een morgen toen zij haar kind in de wieg had geleid, kwam zij bij Simon en Tamalone aan de voordeur staan.
"Simon," zeide ze, "ik ga morgen naar Capraia."
De twee vrienden zagen haar verbluft aan.
"Alleen met het kind? Het is wel anderhalven dag van hier."
"Als Tamalone mij niet brengen kan zal ik alleen gaan, maar ik zal rijden en er eerder zijn."
"Maar Tamalone gaat meê," antwoordde Simon beslist: "want wij kunnen zoolang niet van den winkel."
En de ander, met toegenepen mond en een lachje naar de verte kijkend, knikte en zweeg. Hij herinnerde zich, dat er in het leger van den keizer groote heeren waren, die zijn gezicht zeer goed kenden en lachen zouden als hij aan een boomtak hing. Maar 't was al eender, hij zou wel op zijn hoede zijn.
De gebroeders spraken onophoudelijk tot Mevena dien dag en volgden haar waar zij ging; zij gaven haar allerlei ernstigen raad toen zij alleen met haar waren aan het eten en vroegen haar herhaaldelijk toch bij hen terug te komen. Tamalone kwam laat thuis; hij droeg korte kleederen als een krijgsman, gespoorde laarzen, een nieuw zwaard aan zijn zij en een muts met een pluim. De broeders staarden hem aan en Josse kon niet nalaten te zeggen en telkens hoofdschuddend te herhalen, dat hij sprekend op een hertog geleek, dien hij eens had gezien.
Allen waren vroeg op den volgenden morgen. Baldo bleef thuis om te helpen, Josse kon het vuur van zijn oven niet aan krijgen. Simon had de kleedertjes van het kind in een zak gepakt, dien hij al jaren bezat en er het beste gebak van zijn broeder bij gedaan. Toen Tamalone de paarden voor de deur leidde liepen de schippers, kooplui en buren nieuwsgierig te zaâm, de vogel onder het raam hield bij zooveel stemmengerucht zijn tjuiken in. Met vochtige oogen zoende Josse het kind, zijn broeder klopte gemoedelijk de omstanders op hun schouders en Baldo stond met den zak op den rug te kijken. Het was een lieflijke voorjaarsmorgen.
Tamalone en Mevena reden weg, tot het einde der kade zagen zij voortdurend om en wuifden hun groeten terug.
11
Des nachts hielden zij aan een hoeve stil waar zij tot den ochtend wachten moesten, en zagen ver weg glorend het schijnsel der vuren van het keizerlijk kamp. De man, die voor hen opendeed was norsch eerst, maar Tamalone gaf hem geld en zoo werden zij binnen gelaten.
Toen zij ontwaakten was het een schoone dag, de warme zon scheen aan den hemel en in de witte meiboomen, die voor het landhuis stonden, kweelden vele vogelen. Mevena wachtte buiten reeds vroeg op haar vriend om naar het kamp te rijden, doch hij scheen verstrooid van zin, hij draalde zoo lang en antwoordde zelden. Eindelijk echter steeg hij in het zadel, zijn handen en zijn borst flonkerden van juweelen en goud, zóó dat zij even verbaasd tot hem opzag, maar dan reden zij op een drafje voort. In de verte rees hoog in den hemel de geweldige burcht, zij wezen elkander de vonkjes der blinkende helmen die op de wallen bewogen. Vóór hen, den heuvel op, stonden tenten rij aan rij waartusschen zeer vele mannen en paarden wemelden en hier en daar zich een hooge stormtoren hief.
Zij spraken geen van beide. Wel hield Tamalone zijn hoofd rechtop, want hij vertrouwde dat in den nood de fortuin hem redden zou, maar nu was het de dag, dat hij Mevena voor 't laatst zou zien, zoodat al meer en meer in zijn hart de donkere weemoed zwol. Maar hij zat bedaard in het zadel. Bij de eerste krijgslieden die zij naderden, hield hij stil en vroeg een hoofdman waar heer Rogier was. En toen zag hij eensklaps dat het met hem gedaan was, zijn rijke kleedij zou hem niet meer baten, want hij had een ruiter zien komen, Montefeltre, die een aanzienlijk edelman was en hem eens ter dood had veroordeeld--die zou hem zeker herkennen. De ruiter keek naar hem terwijl hij met den hoofdman praatte; rondom hem in dit kamp waren ontelbare wapenlieden, naast hem reed stillekens Mevena met haar zuigend kind, hij wist niet hoe hij ontkomen zou. Doch zonder omkijken, recht in het zadel, reed hij voort en vroeg nog tweemalen den weg naar Rogier. Dan ging Mevena vlug vooruit wijl zij Carolus herkende en zij stegen af waar de grauwe tenten in een kring rondom de baander lagen, terwijl de brigadier verbaasd hen aanstaarde. Rogier, die haar zag, kwam toeloopen en nam haar in zijn armen, zij snikte hardop--toen deed Tamalone zijn oogen even toe, want zijn hart was zoo hevig daar hij wist, dat de soldaten van Montefeltre dadelijk zouden komen om hem weg te voeren en hij haar nimmer meer zou zièn, hij voelde voor 't eerst van zijn leven de pijn van een diepe smart. Hij zag den ander met den arm om het lieve vrouwtje heengaan, glanzend van verliefde vreugde, rondom in 't zonnelicht keken verbaasde gezichten. En eensklaps trad hij op Walid toe, nam hem bij den arm en stapte met hem heen; Carolus riep hun nog na, dat zij de paarden vergaten, maar daar zij niet hoorden zond hij een soldaat er mede hen achterna en ging in de schaduw terug waar hij zijn harnas schuurde.
Het was maar weinig minuten later toen heer Montefeltre met zijn ruiters komende den brigadier toeriep of hij Tamalone had gezien; doch Walid, die juist naderde, antwoordde, dat de man bij den kapitein daarbinnen was.
Rogier kwam uit de tent en hoorde den edelman aan; hij begreep niet waarom Tamalone een verrader werd genoemd, den gemeensten schelm in 't land, en hij zeide op vriendelijken toon:
"Maar hier in de tent is hij niet," groette en ging weêr binnen.
Messer Montefeltre beval zijn soldaten door het gansche kamp te zoeken. Zij vonden zijn muts met de roode pluimen, maar den broeder zagen zij nergens. Carolus stond met de handen in de zijde in de heete zon te kijken, verwonderd wat er gaande was. Doch toen hij daarna, terwijl Walid zachtjes lachte, overal naar zijn helm zocht kwam het eensklaps in hem op, dat de monnik dien zeker in zijn vlucht had medegenomen in plaats van zijn eigen muts. Hij vloekte, maar Walid zeide:
"Die monnik is een slimme vogel."--
Rogier zat in het getemperd licht der tent dicht bij Mevena in dartele blijheid te praten en te vertellen, het kind sliep in een hoekje op het stroo en hoorde hen niet; met de armen om elkander zaten zij, hun oogen waren vol verwachting, zoet vloeiden hun woorden in warmen adem tot zij eindelijk in zwijgen enkel kusten. Mevena hoorde buiten 't gerucht van krijgsvolk, staalklank en bevelen, en te wijlen den luiden toon van een klaroen. En onder de kussen die hij haar gaf vroeg zij met behaagziek vleien of zij nu naar Siremonte zouden gaan. Doch Rogier glimlachte slechts en antwoordde, dat hij dien dag immers niet heen kon gaan en ook den volgenden niet, want de keizer had zijn zin op den burcht gezet, zij moesten wachten, misschien zelfs tot de oorlog gedaan was, want de keizer was ongeduldig geworden toen hij gevraagd had het kamp te mogen verlaten een poos geleden; zij zou moeten wachten, in Pisa weder bij die ambachtslui waar zij veilig was voor haar vader. En middelerwijl zou hij een boodschapper naar Lugina zenden om hem te vragen vrienden te worden. Hij zwoer haar dat hij nog voor den zomer voorbij was weêr bij haar zou zijn; hij zou een rijk loon krijgen voor wat hij in den oorlog had gedaan, Mevena zou dan gelukkiger zijn in een grooter slot dan Siremonte. Het kind begon te krijten, zij nam het op om het drinken te geven; en het in haar armen sussend en wiegend zeide zij zachtkens, bescheiden dat zij wel zeer gelukkig zou wezen bij hem in een klein huis. Haar oogen zagen zoo droevig terwijl zij 't zeide, dat Rogier ontroerde en naar den grond keek. Met een teeder sujah wiegde zij heen en weder; in de stilte die er was in de tent hoorden zij buiten de zware stem van den brigadier den naam van Tamalone noemen. Mevena bezon zich, dat de monnik heen zou gaan nu zij bij Rogier was; zij vroeg naar hem en toen zij hoorde, dat hij vervolgd werd door messer Montefeltre, schoon niemand wist waarom, en waarschijnlijk al gevangen was, toen schreeuwde ze en beefde op haar beenen. Zij smeekte Rogier dien goeden man te helpen, die hun beider beste vriend was, zij smeekte met aandrang, dat hij dadelijk moest gaan om te helpen, haar woorden waren snel van angst en het kindje schreide klagelijk meê, Rogier, verbluft eerst, antwoordde dat Montefeltre een groot man was en zekerlijk niet zonder reden den man een schelm had genoemd; maar haar aandrang was niet te wederstaan, haar weenen verteederde hem zóó dat hij de tent verliet.
De soldaten hadden Tamalone niet gezien en Montefeltre, naar wien hij daarna ging, vertelde hem dat hij den broeder eindelijk hoopte te hangen, die hem al twee keeren was ontsnapt toen hij hem voor diefstal naar de galg had gestuurd; hij was de slimste bedrieger van het gansche land, hoewel hij fraaie manieren had, die behaagden; er waren ook vele edelen, die konden getuigen, dat hij alle de misdaden van den duivel bedreven had,--maar hij zou ditmaal niet ontkomen. Rogier echter twijfelde of het waar was wat hij hoorde en vroeg den ridder te wachten en te onderzoeken of zijn vriend dezelfde Tamalone was. Doch Montefeltre draaide slechts zijn groote snorren op en zag hem zoo beleedigend aan, dat hij toornig werd en op den grond stampend zwoer het te zullen wreken zoo zijn vriend eenig letsel werd aangedaan. In het kamp terug gekomen gaf hij bevel soldaten rond te zenden om den broeder te beschermen waar zij hem zagen. En Mevena was zeer gerust toen zij hoorde wat hij gedaan had.