Part 5
De klank waarmede zij zijn naam sprak gaf hem onverwachte vreugde, hij wenschte dat zij dien nog eens noemde.
"De keizer is in Toscane," antwoordde hij; "bijna alle steden daar zijn gevaarlijk voor u. Maar ge hebt gelijk, het zou dwaas zijn een lange reis naar Siremonte te doen, het kasteel ligt misschien al in puin, want uw vader is daar natuurlijk het eerst gegaan om u te zoeken. Wij moeten naar een veilige stad, een goede stad waar men u niet kent. Pisa, wilt gij naar Pisa gaan?"
"Is dat dicht bij Rogier?"
"De troepen van den keizer en hun bondgenooten zijn daar in het land. Het is wel drie dagen van hier, maar wij zullen rusten onderweg."
"Neen, neen, drie dagen is niet lang, als we alleen 's nachts rusten zullen we er eerder zijn. En ik zal daar ten minste tijdingen hooren. O, wat zijt ge goed, heer broeder," zeide ze terwijl ze plots zijn hand vatte en die lichtkens kuste.
Hij trok zijn hand terug, boog met een tintelenden gloed op het gelaat over het hout en begon hard het smeulende vuur aan te blazen. In den rook, die toen opsteeg zag zij, dat hij tranen in de oogen kreeg en naast hem neder hurkend, met haar hand op zijn schouder, zeide zij lachend:
"Laat mij het aanmaken, gij doet zoo veel...."
"Dan zal ik water gaan halen en de paarden zadelen. We moeten vroeg gaan."
De lucht was nog koel toen zij vertrokken, rijdend in de sporen, die gisteravond Rogier en zijn ruiters hadden gemaakt. Uren lang daalden hun paarden met voorzichtige pooten over gesteenten stappend de bergen af en hield het moeilijk rijden hun aandacht. Toen zij eindelijk aan een smal wegje kwamen aan beide zijden met heesters begroeid, zagen zij de hoefsporen, waarnaar zij zich tot dusver hadden gericht, naar het zuiden gekeerd; doch de monnik achtte het raadzaam recht door te gaan, door een heuvelland welig van jong olijfgewas, dat in tallooze bladertjes het zonlicht dartelen deed.
Mevena, kruiselings in het zadel, reed een halve lengte vóór, zoodat Tamalone voortdurend naar haar kon kijken zonder haar oogen te ontmoeten. Onder haar pij zag hij een tenger been in groene kous tegen den flank van het paard, en onder haar schouders den kap die geregeld schokte op den smallen rug. Als hij zich oprichtte ontwaarde hij alom in zachtbewogen windgewarrel een eindelooze bladerenmenigte, die geen gezichteinder had dan de zonnig blauwe lucht. De eenzaamheid was hier grooter dan in de bergen. Hij voelde een neiging om niet verder te gaan, om stil te houden en in 't zwellend genot van 't oogenblik die lieve vrouw vóór hem aanbiddend te streelen. Maar hij lachte even, licht verbaasd hoe in de eenzaamheid menschen elkander vertrouwen konden, en klopte den hals van zijn paard.
Laat hielden zij stil bij eenige boomen, waar zij karresporen zagen. Zij besloten hier af te stijgen en onder de bloote lucht te overnachten. Voor hun eten gingen zij kastanjes zoeken, te zamen, want Mevena wilde haar deel hebben in de bezigheden. Ondanks hare vermoeidheid was zij zoo luidruchtig vroolijk, dat Tamalone zich telkens uit de bukkende houding oprichtte, wanneer haar milde stem in de schemering van het gebladerte hem schertsend iets toeriep. De lucht scheen hem zachter hier dan in de bergen, er was een onnoemelijke behagelijkheid in dit lichtloos uur van den dag, in den geur van molmend hout, in het geritsel der dorre blâren die Mevena met den voet wegschoof, en luchthartig antwoordde hij haar geroep, zoodat het oud geboomte weerklonk van lachend hoog en diep geluid om beurt.
Dan roosterden zij te zamen de kastanjes en Mevena, die lustig werd van het nieuwe leven onder den hemel, sprak gedurig met onverwachte guitigheid, lachte en vertelde van haar meisjesleven, zoodat ten leste Tamalone in zoete verrukking zweeg en luisterde, vergetend dat zij hem niet beminde.
Toen zij te slapen gegaan was zat hij kalm alleen; hij hoorde het geluid harer jonge stem nog, doch in zijn hart ontloken weemoedige gevoelens weder, het geruisch van de bladeren en de stille starren herinnerden hem, dat hij evenzoo waakte gelijk den nacht te voren. Hij lei zich neder bij het smeulende hout en wachtte op den slaap, zijn oogen bleven echter open en zagen de starren vermeerderen. De dauw begon over den grond te dampen, slechts het geruisch van de bladeren der populieren wilde de fluisterende eenzaamheid niet verlaten en de duisternis duurde langen, langen tijd.
Eindelijk verbleekte de lucht weêr, de planeten hadden hun reis volbracht. Tamalone, die roerloos gelegen had, stond op om zijn leden te bewegen en het vuur weder aan te blazen.
Dien dag was Mevena weêr blijgezind, zij zong zelfs liedjes nu en de monnik, naast haar rijdende, luisterde met bestendigen glimlach of zong, daar zij er om vroeg, op zijne beurt ouderwetsche melodijen, die hij van vroeger nog wist. Zij was verrast en lachte veel. Tamalone, die bespeurde, dat hij haar lang aan kon zien wanneer zij in vroolijkheid gemeenzaam was, praatte aanhoudend en bij zijn gemoedelijke verhalen begon zij te zien, dat hij veel beminnelijker was dan zij te voren dacht. De naam van Rogier werd dien dag niet genoemd.
Zij stegen zeer vermoeid bij een groen korenveld af, waar Mevena ging liggen in een paadje tusschen twee akkers. Ook de klerk sliep weldra. Doch toen hij wakker werd in den nacht was het een vale duisternis en hij kon het meisje niet zien. Hij hoorde niets ofschoon hij meende dicht bij ingeslapen te zijn. En nu hij ongerust werd sprong hij op, liep op den tast in de richting waar hij dacht dat zij was, tot hij eindelijk weêr haar lichten adem hoorde. Toen liep hij eenige passen terug en lei zich weêr neêr om te slapen.
Des morgens opende hij zijn oogen en ontwaarde schier naast hem Mevena in zittende houding, alsof ook zij juist was ontwaakt. Haar gelaat, dat zeer bleek was, glimlachte.
"Wij zijn laat," zeide ze.
Tamalone bloosde en stond bedremmeld op.
In blakende zonnewarmte reden zij zwijgend naast elkander den derden dag. Mevena dacht aan den minnaar en aan de naderende stad; de monnik keek haar dikwijls van ter zijde aan, verontrust over de bleekheid van haar gezicht. Hij vroeg met lieven aandrang soms of zij rusten wilde, doch zij antwoordde ongeduldig dat zij niet moede was, en beiden reden door, het snuiven en kleppen der goede paarden was het eenig geluid. Uren lang volgden zij den oever van een diep liggend riviertje den stroom afwaarts, er scheen aan den loop van het gerimpeld water geen einde te komen, en de dag was vermoeiend en lang. Bij wijlen zeide zij iets, een onverschillig woord om de stilte te breken, maar hare stem was buigingloos en Tamalone antwoordde even kort of met een knik. Slechts de verschijning van een enkel landman, die eerbiedig groetend langzaam voorbijging, bracht hun verdwaalde gedachten terug voor een oogenblik; zij wisselden dan eenige woorden en herhaalden hun afspraak wat zij uit voorzichtigheid doen zouden in de stad.
Eindelijk, toen zij aan hun rechterhand in de lucht de torens van een burcht zagen rijzen, begonnen hun paarden moeilijk te stijgen, zij kwamen in de Pisaansche bergen. Verderop bemerkten zij in de lage verte daken en torens en hier en daar kleine lichtjes. Mevena reed nu met opgericht lijf, de monnik zag haar oogen groot en strak geopend, zij had de lippen vastgeklemd; de avondbries, van regen en zeelucht vochtig, deed de wijde mouwen van haar pij zachtjes fladderen.
Toen zij de poort bereikten, waar bij een lantaarn twee wachters soezend zaten te mompelen, was de nacht drukkend van duisternis. Een der paarden hinnikte helder en luid, van een toren zeer nabij klonk een zware klok.
In de straten waren de luiken en deuren der huizen gesloten. Tamalone, die de beide paarden bij de teugels leidde, liep behoedzaam in den donker zoekend en had zijn aandacht op den hobbeligen weg gevestigd. Op eens hoorde hij een snik en een val, Mevena's paard stond stil. Met een kreet bukte hij neder tusschen de pooten, hij wilde schreeuwen, maar sloot dadelijk zijn lippen weder. Bevend zorgvuldig nam hij haar lichaam in zijn arm, aan den andere leidde hij de dieren voort. De duisternis was loom en stil, slechts een venstertje, dat geopend werd, knerste.
Aan de rivier voor een laag huisje bleef hij staan; hij klopte aan de deur en terwijl hij wachtte hoorde hij het stroomende water klotsen tegen den wal. Een man met een lamp deed open en zeide:
"Ohé!"
"Houd de paarden vast, ik heb hier een zieke. Geef mij de lamp, dan kan ik naar boven gaan, gauw."
Langs een nauwe trap droeg hij Mevena in een vertrekje, met houten wanden en een hellende zoldering; daar legde hij haar neder op wat stroo in den hoek en zette het licht op den vloer. Hij ging snel heen en kwam snel weêr terug met wijn en brood. Toen hij haar voorhoofd, waar een streepje bloed op lag, gewasschen had herkreeg zij haar bewustzijn en glimlachte en bij dien glimlach zuchtte hij diep.
In een kamer beneden werd gepraat. Zij trachtte zich op te richten, doch daar dit haar pijn deed lei zij haar hoofdje gelaten weêr neêr en nam Tamalones hand. Zich voorover buigend gaf hij haar te drinken uit een kroes--de een noch de ander had een enkel woord gesproken, maar bij 't rossig licht, terwijl zij dronk, zag hij in haar oogen die tot hem opgericht waren een glans van verwonderde innigheid en hij had een meewarig gevoel, dat dit meisje even eenzaam was op de wereld als hij zelf en geen ander verzorger had dan hem.
Na een wijle liet hij haar in donker alleen. Beneden werd de deur eener kamer voor hem geopend, waar bij een walmende pit drie mannen aan een tafel zaten te spelen, landgenooten, die hem met nieuwsgierige blikken begroetten. Hij lachte gemoedelijk, zette zich bij hen aan de tafel, ledigde een grooten beker bier en, terwijl hij de kaarten opnam die hem toegedeeld waren, begon hij zijn wederwaardigheden te vertellen, echter zonder van zijn geheime gedachten te spreken.
9
Het kasteel was op een rots gebouwd, aan den voet door een groot woud omringd. Onder het geboomte en aan den oever der smalle rivier oostwaarts lagen de troepen in vier kampen verdeeld, en ofschoon de herfst al naderde wachtten zij de overgave der belegerden af, want in het slot werd reeds gebrek geleden.
De afdeeling van Rogier had zich op de helling naar het water gelegerd, achter een bosschage voor het schiettuig der vijandelijke wallen beschut.
Het werd al weken, dat iederen ochtend de mannen onder de boomen hun blikken naar den wachttoren richtten van 't slot, of er een teeken was dat de edelen daarbinnen het opgaven; koude winden begonnen buiig door het woud te gieren, wijl wolken haastig aan den hemel dreven. De soldaten werden ongeduldig en de aanvoerders verveelden zich.
Rogier liep soms uren doelloos om, langs het stroompje naar het gehucht, of aan den anderen oever waar een holle weg door dichte bosschen steeg. Het was altoos halfdonker in dien weg, de boomen aan de banken groeiden hoog naar boven waar hun takken samen warden en hun stammen waren beneden verborgen in duisteren groei van struiken. Hier wandelde hij dikwijls heen en dacht aan Mevena en aan zijn goeden vriend den monnik.
Eens toen hij dien weg besteeg bemerkte hij, dat het zeer donker werd, doch zich omkeerende zag hij beneden in de opening van het loof nog het daglicht. Hij stond een wijle stil. Door het kletterend geruisch hoog boven hem begreep hij, dat er een zware regen viel. Terwijl hij gedachteloos luisterde werd zijn aandacht getrokken door een gerucht van hijgen, een vrouw kwam haastig den weg afdalen. Dicht bij hem stond zij eensklaps stil. Hij boog zich naar voren om haar gelaat te zien, zij schrok, week achteruit en ijlde gillend in het schemerduister naar beneden. Rogier liep haar na en waar de boomen niet meer waren kon hij haar duidelijk voor zich zien; met beide handen hield zij den rok op, haar bloote beenen bewogen zeer snel en zij keek telkens om. Toen zij in den regen kwam zwenkte ze naar rechts, waar ze in 't lage hout verdween.
Rogier zocht in het struikgewas, het water dat op zijn warm gelaat viel verbaasde hem, en hij liep langzaam terug onder de boomen. En gedurende het eentonig ruischen herinnerde hij zich, op eens licht bevreemd, hoe hij ook in den regen had gestaan op een nacht met Mevena.
De herinnering werd levendig van ontroering, wier gloei hem streelend verontrustte en hem Mevena's aanwezigheid duidelijk warm nu voelen deed. Vaak had hij naar haar verlangd en wat hij thans ervoer was weder de onweêrstaanbaar wassende zekerheid, dat hij haar beminde, dat zij alleen het was wat hij begeerde. Het was dwaasheid de natte dagen wachtend door te brengen in dit verlaten oord, terwijl daarginder op zijn slot de liefste vrouw met groote oogen uitkeek of hij komen zou. Hij wilde dadelijk heengaan, dien zelfden dag nog.
Hij veegde zich het voorhoofd, de regen, die door de bladeren kletterde had hem doornat gemaakt, de witte pluim van zijn muts hing druipend neêr.
Hij bedacht, dat hij zich geen vijanden kon maken onder de bondgenooten van den keizer, Romano zou de eerste zijn dien hij te duchten zou hebben. En toen deze overweging hem duidelijk werd was het ongeduld naar Mevena gevlucht, zijn verbeelding was koel en verbleekt, slechts een flauwe ontevredenheid bleef in zijn gemoed.
Hij luisterde naar het gestadig suizen in het gebladert, zag dan naar de lucht en den regen en dacht aan de deerne van daarstraks.
De dag was opgeklaard toen hij terug kwam in 't kamp. Rondom de groote rookende vuren verdrongen zich de soldaten met hun kleederen dampend in de uitgestrekte handen; zij waren naakt, duwden elkander en lachten luidkeels. Carolus stond voor de tent met droog buis en hozen voor den kapitein, die lachte van voldoening.
De soldaten kleedden zich weêr en dronken uit hun ketels, er roesde in het nuchter licht een jolig gedruisch onder het nat glimmend groen.
De vuren in de andere kampen gaven de lucht een wijden onzekeren gloed, toen een man in steedsche dracht aankwam. Hij bracht een brief van Tamalone. De monnik schreef, dat Mevena naar Pisa was gegaan door groot verlangen gedreven en niet naar het slot, en dat hij haar ziek in die stad had gedragen daar zij van haar paard was gevallen; doch dat zij thans weêr beter was. Zij liet vragen of zij in het kamp mocht komen, voor een kort oogenblik slechts, zij zou weêr aanstonds vertrekken.
Rogier, met een warm gelaat en driftig aan zijn knevel morrelend, gaf bevelen en ging heen. Carolus zag hem met groote stappen zich verwijderen, de witte pluim danste snel in den schemer langs de boomen. Het was zeer stil, bij den verwaaiden rook daarginds in 't kwartier bromden de soldaten in slaperigen deun. Terwijl hij langzaam liep hoorde hij sluipende passen achter zich en zich omkeerende herkende hij Walid aan zijn baard en gelen hoofddoek; hij liep schielijk verder.
In de tent van den koning werd Rogier luidruchtig begroet, er was licht van drie lampjes. De koning, met blonde krullen en lachend blauwe oogen, bij een tafeltje gezeten met de edelen, hief zijn hand hoog op en riep Rogier naast zich. Dan speelden zij door.
Rogier dronk bij kleine teugjes, nam aarzelend de steenen in zijn hand, maar begon toen te spreken, zeggend dat hij nog dien avond het kamp moest verlaten. De koning antwoordde schertsend, deed de steenen rollen en schoof de gewonnen munten naar zich toe, doch toen Rogier ernstig doorging te praten, zeide hij bedaard, dat zij hem niet konden laten gaan wijl de vreemde soldaten vooral op hem vertrouwden. Op de vraag wat hem tot zijn onverwacht besluit had gebracht kwam geen antwoord; de koning werd toen boos en allen zwegen.
De bekers werden zwijgend volgeschonken, de dobbelsteenen buitelden weêr over de tafel, de avond verging als de vorige.
Toen Rogier, door wijn bedwelmd, laat aan zijn tent kwam vond hij den brigadier daar, die met een mantel over zijn hoofd gehurkt zat te dutten--hij stond op, verbaasd dat het nog donker was. Hij had het bevel om een paard in gereedheid te houden niet gehoorzaamd en zeide:
"Ik heb de paarden niet gezadeld."
"Vroeg wakker. Er wordt gevochten, maar zeg er niets van." En zijn meester ging binnen.
Carolus stond nog een tijd te staren, tot hij rilde van koû, toen zocht hij zijn slaapplaats bij Walid op. Doch hij was weêr vroeg op en vond Rogier overeind met den brief van den monnik in de hand. En zij maakten een plan om het slot te verrassen voor de andere kampen het merkten, ook Walid was er bij.
Het was een koele zonnige dag met doorschijnige wolken. De schildwachten op de torens zagen in de omringende kampen de vuren gestookt en de soldaten in hun dagelijksch werk. In den middag terwijl hun blikken gericht waren op de tenten aan de rivier, waar de vijanden lui onder boomen lagen, schrokken zij hevig en bliezen alarm: beneden hen, aan de poort, stonden wel honderd man met felle wapens vlak tegen den muur. Op de kanteelen toeterden hoorns, hoorns toeterden binnen, er ging verward geroep en uit de spiegaten werd al geschoten op de oosterlingen, die in de schaduw tusschen de torens kalm een stapel bouwden...
En toen de rook wegdreef voorbij de blauwe lucht waren de hoorns en 't geroep weêr stil, er lagen dooden verspreid op de mossige keitjes van den hof, waar de zon rustig scheen, Carolus waakte met zijn soldaten bij de verslagen vijanden in een groep.
Een poosje later kwam op zijn glimmend ros de koning lachend binnen rijden en Rogier ziende, wiens gelaat en kleederen rood waren van bloed, steeg hij af, drukte hem de hand en zeide toornig, dat minstens vijf edelen het boeten zouden.
Des avonds zaten de aanvoerders in de hal van 't slot aan een maal met talrijke lichten. De koning dronk ter eere van Rogier en zeide beminnelijk, dat hij hem ook thans niet kon laten gaan, doch dat hij hem den volgenden dag reeds naar den keizer wilde voeren, die alleen in staat was hem de eer te geven welke hij verdiende. De bekers klonken, de aanvoerders riepen luid, Rogier had een blos en glanzende oogen.
Met open mond stond Carolus te luisteren, Walid knikte zijn hoofd verscheiden keeren.
10
Mevena was langzaam beter geworden, maar de monnik vergunde haar nog niet het klein kamertje onder het dak te verlaten. Hij had een peluw voor haar gekocht en een tafel geplaatst voor het raampje, dat uitzag op de kade.
Daar zat zij den heelen dag met lieve gedachten door de ruitjes kijkend--links verdween de rivier in scherpe bocht juist onder de koepelkerk, met stellingen en ladders; vóór haar en rechts voeren scheepjes in den zonnig gerimpelden stroom, op de kade wemelden mannen en vrouwen die druk met koopwaar sjouwden, sommigen leunden pratend over den wal; ginds, voorbij de brug, blonk de zuiderlucht ijler boven spichtige masten en half-gereefde zeiltjes en in de verte schitterde een vergulde torenspits. Het marktgewoel was een nieuw gezicht voor haar, aandachtig zag zij naar al wat gebeurde. De liederen, die beneden een man van den vroegen morgen zong en het tierelieren van een vogel in een kooi onder 't venster, klonken aanhoudend door het geroezemoes van buiten en maakten de wereld vol zoet rumoer.
Vóór zij van het bed mocht opstaan had zij in haar koortsen aan niets anders gedacht dan naar het kamp te gaan. De bode was teruggekeerd met een langen brief van lieve woorden, waarin Rogier beloofde, dat hij over twee, drie maanden zou komen. Tamalone bracht haar dien brief terwijl zij voor het venstertje zat en toen hij hem voorlas voelde zij een ongekende rust over zich komen, die duurde nadat de lezende stem weer zweeg.
Sinds dien morgen was zij altoos vroeg opgestaan om de eerste menschen op de kade te zien komen en bij het prille daglicht weêr verheugd aan den geliefde te denken. Zij verwonderde zich wel hoe vreemd het was, dat het verlangen van kort geleden haar verlaten had, nadat zij beter was geworden; hoe vreemd, dat zij niet meer begeerde naar hem toe te gaan, maar liever hier in de veilige zorg van Tamalone op hem wachtte; zij mijmerde vaak daarover in stil gemoed, starend naar de rozige lucht en de weêrkaatsing in de rivier, tot het geroep van vroege schippers of de uitbundigheid van den vogel aan den muur haar gedachten weêr stoorden. Toch wist zij zoo zeker, dat zij meer van hem hield, en met een glimlach keek zij naar de lieden, die kwamen en die zij begon te herkennen aan hun dracht of gestalte.
In het eerst liet Tamalone, die nu fraaie hozen en een buis van groen fluweel droeg, haar veel alleen, doch zij hoorde dikwerf zijn stem beneden. Eindelijk, na weken toen de menschen op straat zich met wol en bont begonnen te kleeden, kwam hij zeggen, dat zij haar kamertje uit mocht; zij was in een arm huis maar, zeide hij, doch zij zouden allen goed voor haar zijn, dat zij zich tevreden gevoelde.
De kamer, die zij binnentrad was laag, met een vierkant raam, waar dorrende wingerd voor hing, en buiten was een plaats met vaten en kisten. Drie mannen stonden naast elkander tegen het licht. De broeder zeide, dat het zijn vrienden waren en noemde hun namen: Simon, Josse, en Baldo die nog zeer jong was. Zij keken haar zwijgend aan. Bij den haard lagen twee katten en een langharige hond met zijn tong uit den bek. Mevena zette zich bij de dieren neder om hen te aaien, en toen liepen de mannen de kamer weêr uit.
Simon had thans een winkel in scheepsproviand, zijn broeder Josse en diens zoon waren pasteibakkers. Zij hadden hun land verlaten wegens de ketterijen, in den tijd toen ook Tamalone Frankrijk verliet. Dat was al tien jaar geleden, maar nog altoos spraken zij 't liefst over oude vrienden thuis en benijdden zij Tamalone, wanneer hij somwijlen op zijn reizen was terug geweest in 't vaderland en hun van welbekende dingen vertelde.
Bij het maal werd weinig gesproken, alleen de monnik zei nu en dan iets, Mevena gaf den dieren stukjes uit haar bord; soms moest een der mannen opstaan als er een klant aan de voordeur riep.
Toen de borden van de tafel waren en de drie mannen de kamer weêr hadden verlaten, lei Mevena haar hand op Tamalones schouder en vroeg vertrouwelijk lachend of zij nu ook naar buiten mocht gaan. Hij had reeds een blauwen mantel voor haar gekocht, met een kap, zooals de koopvrouwen droegen; toen hij dien ophield schaterde zij plotseling luid uit zoodat de hond kwispelend opsprong en Tamalone meê lachen moest. Zij trok hem aan, hij zette een nieuwe kaproen met roode banden op, en beiden gingen de straatdeur uit, met den hond die blaffend in de menigte wegliep; bij een stapel gebak waar jongens stonden te kijken, zat Simon voor zijn winkel te zingen en te naaien en knikte lachend.
Zij liepen door 't gewemel langs de kade en sloegen links de nauwe straat in, waar de torens hoog boven de huizen rezen; daar was het nog drukker, de uitstallingen der winkels vulden de geheele straat met verscheidenheid van waren; er liepen ook vele voorname vrouwen met juweelen aan de handen, die heur slepen ophielden en met de kooplieden praatten. Zonnige wolken gingen hoog boven de daken, de wind deed de kleederen der menschen wapperen. Mevena had nog nooit zoo'n drukke straat gezien en zoovele dingen welke zij niet kende, zij was blijde daar te loopen en hield herhaaldelijk Tamalone staande, die haar van alles vertellen moest.
Zij had een blos op de wangen toen zij vermoeid thuis kwam en zuchtend op een bankje in den winkel ging zitten tusschen manden, kisten en kruiken. Josse kwam daar met een blad versch dampende koeken binnen en bood er haar met een buiging van aan.
Na dien eersten keer ging zij dagelijks met Tamalone wandelen, somtijds buiten de muren, doch meestal in de stad door de drukke buurten of de smalle groene straatjes, terwijl zij met lachende gezichten elkaêr vertelden of een liedje voorzongen. Het waren telkens nieuwe morgens met nieuwe vroolijkheid. Tamalone dacht dikwijls hoe gelukkig hij met haar was, haar oogen zagen hem altijd zoo vrij en glinsterend aan.