Een Zwerver Verliefd

Part 4

Chapter 44,071 wordsPublic domain

Een paar mijlen verder bereikten zij eindelijk het kamp. Uit de tenten verschenen soldaten, meest oosterlingen, die hen omringden met dreigende taal en gezichten; zij grepen de teugels, spraken en vloekten met veel gebaren en riepen om Walid. Maar Carolus naderde, die hen beval heen te gaan, Tamalone hartelijk de hand drukte en hem haastig meêvoerde naar de tent. Mevena, op wie hij geen acht had geslagen, volgde, door de verwonderde soldaten nagestaard. Vóór de tent stond Walid in een scharlaken mantel gehuld, met de armen gekruist. Hij verroerde zich niet, tot de beide monniken vlak voor hem stonden; toen gleed zijn mantel van zijn schouders, hij breidde de armen uit en zeide kalm:

"Die vrouw mag niet naar binnen."

De roode Duitscher keerde zich naar Mevena om en keek zwijgend op haar neder. Er was een oogenblik van gevaarvolle afwachting: voor het grijze doek der tent de hooge gestalten der twee krijgslieden, kleurig gekleed, tegenover hen de twee monniken, hand in hand--slechts de oogen dier vier bewogen in donkere glansen. Er klonk gekreun daarbinnen, Mevena uitte een zachten kreet en toen, met rood gezwollen gelaat, sprong Tamalone plotseling naar den oosterling, greep hem bij de keel en wierp hem op den grond. Fluks trok hij Mevena naar binnen, onder de verbaasde blikken van den brigadier.

7

Gedurende Tamalone's afwezigheid was de kapitein weder bewusteloos en ziek geworden, en aangezien zijne wonden reeds waren geheeld zagen de krijgslieden in zijn kwaal den invloed van geheime machten, immers Walid, die uit boeken geleerd had, verklaarde, dat de betoovering eener vrouw er de schuld van was, en dat wellicht de lijder bevrijd zou worden indien de oorzaak werd uitgeroeid.

Doch de brigadier vertrouwde, dat de meester wel zijn jonge kracht zou herwinnen wanneer Tamalone de arts terugkeerde en dat de aanwezigheid eener vrouw hem vroolijk zou maken. Hij had een onverschillige minachting voor vrouwen, maar nu het zijn geliefden vriend gold voelde hij zich reeds welwillend jegens Mevena door het vooruitzicht, dat zij hem zou behagen. En Carolus had het gezag.

Reeds vroeg in den ochtend na haar komst liep Rogier met zijn arm om haar schouders het kamp uit, maar zijn verliefde blikken zagen de uitdrukking der oogen van Tamalone en van de soldaten niet, die hem nakeken. Na de verbazing over de verschijning der vrouw in het kamp, gaven zij luidruchtig den monnik alle eer voor dit wonderlijk herstel, Carolus zelfs kuste hem en drukte hem herhaaldelijk de hand. Er gonsde nu een luchtige blijheid in 't kamp, de stemmen klonken vrijer en luider.

Twee mannen waren er, die zwegen en ernstig keken. Tamalone stond naar den heuveltop te staren waar het paar was verdwenen, toen Walid op hem toetrad en zeide:

"Gij zijt wijzer dan ik. Het lot moet zijn loop hebben en het is een dwaas, die het wil weren. Wij kunnen alleen toezien, tot het einde van de gebeurtenissen."

De monnik was plots bleek geworden en staarde Walid strak in de donker glimmende oogen; toen antwoordde hij met luchtig gebaar:

"Het lot heeft altijd zijn loop, man. Laat het maar gaan en denk aan wat anders. Als zij niet toevallig van hem hield--, maar we moeten het niet anders willen, al wenschen wij het nog zoo gaarne."

"Dat is waar."

Van dit oogenblik bestond er tusschen deze twee mannen onuitgesproken genegenheid.

Door struiken en over bergsteenen, verre van het kamp en steeds stijgend liepen dien klaren morgen Rogier en zijn geliefde, dicht aan elkaêr; er was een weeke glans in zijn oogen, zijn lippen stonden in gedurigen glimlach en hij praatte veel, nu vertellend of vragend, dan zacht en innig een woord van verteedering zeggend. En Mevena, naast hem in zijn omarming, hield zijn hand en staarde voortdurend hem aan met groote oogen, donker van ernstig onnoozelen gloed. Zij luisterde naar alles wat hij zeide met bewegelijke aandacht hem gansch toegewijd, en een milde tinteling van zomerwarmte op haar gelaat deed haar gewaar worden, dat de jonge dag waar zij in gingen vol was van weelde en komend geluk.

Toen zij eenige uren waren gegaan zetten zij zich neder aan den voet van een ruwen heuvel. Hij sprak nog een wijle van hun geluk, dat eeuwig zou duren, en van hun leven op zijn kasteel waar hij haar heen zou voeren. Dan zwegen zij beiden en terwijl zij elkander aanzagen van zeer nabij kleurden zachtkens hunne wangen van ontbloeiend genot, dat hen kussen deed, en streelen en kozen in verwarring, tot zij moede waren en zich nederleiden in het stovende zonlicht hoog in den hemel schijnend.

Rogier voelde zich slaperig en dommelde in met zijn hoofd in Mevena's schoot. En eerst toen hij rustig ademde kon zij hare oogen van hem wenden en naar het verschiet der bergen staren, zich zachtkens verbazend hoe zij daar in de zonnige eenzaamheid vol dwalende geuren bij den geliefde zat die haar zoo vreemd was, dat zijn gelaat, nu zij er naar zag, haar gansch nieuw was en anders dan zij gedacht had--, terwijl haar vader en broeders, in haar verbeelding lief en welbekend in hun dagelijkschen gang bewegend, zoo verre waren of zij hen nimmer meer zou zien. Even voelde zij verdriet in zich rijzen, doch even slechts, want het zware hoofd in haar schoot was zoo lieflijk onschuldig, dat zij zeker geloofde aan een spoedige verzoening tusschen haar verwanten en hem met wien haar leven nu verder zou gaan.

En zij bedacht dat hij gesproken had van rustige dagen op het slot, ongestoord door oorlogsangsten, wanneer hij den heidenkeizer niet meer dienen zoude. Vluchtige beelden van toekomst verschenen en gleden weêr heen, zij zag zich zelve en Rogier in blijde houding en kleurige kleedij in een ruim kasteel. In een zacht verlangen naar dit liefelijk leven vouwde zij de handen boven zijn hoofd en fluisterde de Moedermaagd aan, dat zij den geliefde zegenen mocht en behoeden. Dan na innerlijke stilte, herinnerde zij zich wat zij verlaten had en bad voor haar vader, broeders en zusters; zij voelde zich wonderlijk blijde in het vertrouwen, dat de goede Maagd haar verhooren zoude. Zij merkte de gestalte van den monnik niet, die uit zijn schuilplaats over de heuvelglooiing omzichtig wegsloop, met blozend, neêrgebogen gelaat.

De oogen weêr neêrslaande zag Mevena twee witte vlinders rondom haar dwarrelen, waarvan er één zich lichtkens op haar mouw zette en langzaam hare hand opkroop. Rogier opende toen de oogen en zag het kleine gelaat over hem gebogen in aanvalligen glans van vreugde.

Hij richtte zich op en vroeg of zij gelukkig was; de vlindertjes fladderden verder, en terwijl zij hen nazag in den prachtigen dag vertelde zij waaraan zij gedacht had. Rogier hield zich in, luisterend in bekoring. Maar plotseling klemde hij haar sterk aan zijn borst en zwoer in diepgesproken woorden, met de zekerheid van een beraden man, dat hij alles doen zou wat zij verlangde: hij zou het leger verlaten en op het slot blijven wonen, naar niets anders strevend voortaan dan dien schoonen glimlach op haar gelaat te bewaren. En hij kuste en kuste haar betraande oogen en lachenden mond, kuste haar tot ze plotseling zijn handen vouwde en de hare daarover, en hardop begon te bidden.

In haar knielende houding, met de oogen naar boven gericht, was zij hem eensklaps zeer vreemd, en rustig maar met een onbekend gevoel van berouw beschouwde hij haar en zweeg. Toen zij geëindigd had waren haar oogen vol verwonderde vragen, zij durfde nochtans niet spreken en wendde haar blikken naar de kim der bergen. Het was of iemand hen was komen storen en zwijgen deed over de lentsche blijdschap van daarstraks. Rogier sprak het eerst en zeide kalm, dat het geloof der kerken hem reeds lang had verlaten, maar inniger dan het hoogste geloof was de liefde welke hij haar toedroeg, en hij wilde zich gansch aan haar wijden, die hem liever was dan alle de heiligen--, hij sprak nog meer over de kerk en den keizer en het recht der edelen, dingen die zij niet begreep, maar het geluid zijner stem was zoo ernstig, zoo diep en roerend, dat zij zijn woorden niet hoorde, en die blijdschap van daareven herkreeg, echter een vollere thans, die haar gemoed deed zwellen van rustigheid, en met een glimlach genoot zij de geurigheid der frissche lucht en den klank zijner woorden. Tegen zijn schouder geleund, luisterend, liep zij met kleine pasjes naast hem of sprong den afstand tusschen twee steenen, dien hij in eenen stap deed, en zijn stem, het eenig geluid in dit wijde land van licht en bergen, klonk haar onwezenlijk of zij een verhaal hoorde dat zij van buiten kende.

Zij keerden terug in het kamp, en tegenover elkander zittend voor de tent aten zij samen, met zachte woorden, uit éénen disch.

Ook de soldaten, verspreid op den grond, aten onder vroolijk gepraat, maar hun uitroepen waren getemperd; zij waren vriendelijk met elkander, en schoon geen hunner over hen sprak, richtten aller gedachten en soms de oogen steelsgewijze zich naar het minlustige lachende paar.

In den middag, terwijl Mevena in zijne tent lag om voor de zon te schuilen, ging Rogier bij zijn soldaten staan en sprak over het vooruitzicht het kamp op te breken en naar Padua te gaan. Dit nieuws bracht beweging, want de langdurige werkeloosheid had reeds bij menigeen de gedachte gewekt om den dienst te ontvluchten. De mannen liepen nu druk door elkander, pratend en roepend. Slechts de groote brigadier stond rustig te kijken naar zijn meester, die achterover lag, het matte gelaat in de hand geleund, en hij voelde zich goedig verteederd door de vermoeide oogen en de ijlheid der trekken van den man, die pijn had geleden. Wat zijn verstand niet had kunnen begrijpen werd Carolus nu eensklaps klaar door het inzicht van zijn liefde voor Rogier, een liefde die hij steeds als blijdschap van 't oogenblik ondergaan had, doch welke nimmer eenig nadenken had verwekt. Het zwakkere uiterlijk van den jongen man, nog kort geleden bruin en hard gespierd, die geen andere lust had dan vechten, dan de woede van oorlog en vernieling, deed hem nu zeker weten, dat het niet slechts de krankheid dier enkele dagen kon wezen waar Rogier door kwijnde. Nu vreesde Carolus, dat er iets anders in het hart van zijn vriend was gekomen, een liefde waarvan hij wel als een vreemd ding had hooren verhalen, dat zij de mannen redeloos maakt zoo zij onvoldaan blijft. Hij had er nooit zoo over gedacht, maar wenschte, dat hij het eerder had geweten, opdat hij aanstonds de vrouw had kunnen halen. Doch tegelijkertijd ook zag hij, dat Rogier niet meer de zelfde krijgsman was, nu zijn hart van smachten week was. En dit bedroefde hem.

Carolus had zich over veel te verwonderen dien dag nu zijn gepeinzen hem steeds nieuws openbaarden, en hij zonderde zich van de anderen af. Tegen den avond naderde hij bescheiden Rogier en Mevena, die ver van de soldaten in de schemering fluisterden. Eerst kon hij geen woorden vinden toen hem gevraagd werd wat hij te zeggen had, maar dan sprak hij:

"Wat gaan wij doen wanneer wij in Padua zijn? gij blijft toch voor den keizer?"

Rogier maakte een gebaar van ongeduld, maar antwoordde niet. Dan sprak de brigadier weder met iets smeekends in zijn stem:

"Ach man, er wacht u zooveel geluk. De keizer kan geen beter aanvoerder vinden wanneer gij ouder zijt en zal u zeker hertog maken. En dan, gij zoudt immers nooit vrede hebben in dit land van verraders...."

"Wij zullen morgen wel praten, laat ons nu alleen."

"Maar gij moogt morgen nog niet weg, gij zijt nog niet sterk genoeg. Hij moet nog minstens een week rusten," zeide hij tot Mevena.

Hij wilde nog spreken, doch het gebaar dat hij altoos gehoorzaamde deed hem omkeeren en zich verwijderen. Rogier had hem niet geantwoord, maar hij had het wel gezien, dat hij onder die bekoring was, die dwaasheden doet begaan. Het was een treurige dag voor den brigadier, zijn liefste verwachtingen vloden heen.

Weemoedig liep hij ver in den stillen schemeravond en beklom met moeizamen gang een hoogen berg. Wolkdampen stegen uit de diepte beneden en dreven boven het dal, er was een zwijgende droefheid over de bergen rondom, die in den schemer rezen waardig van berusting.

Voor den roem en het geluk van Rogier had hij jaren gevochten, hij had gehoopt door zijn trouw en zijn dienst de hoogste glorie voor hem te behalen. Dit was zijn eenige eerzucht, zijn eenige begeerte, het eenige waar hij ooit aan dacht. Jaren lang reeds had Carolus den buit, dien hij met wapenen nam, goud en kostbaarheden, naar Venetië ter bewaring gezonden, om later Rogier in staat te stellen tot hertog verheven te worden en in een prachtig hof te leven zooals de grooten van Lombardije. Die glorie, door zijn hulp verkregen, zou gansch de zijne zijn. En terwijl hij gestadig de rijkdommen zamelde bleef hij steeds in de nabijheid van zijn vriend, om hem te bewaken voor de gehate paapschen en met hem te strijden voor het doel.

Nu was er een vrouw gekomen, een nietige vrouw, die alles verwoestte... Carolus stond stil, zag naar de diepte beneden waar een vuurtje brandde, en loosde een zucht, een vaarwel aan de hoop zooveel jaren geliefkoosd, er waren tranen in zijn oogen. En door de warmte der tranen zag hij heel goed, hoewel 't hem een raadsel was waarom 't zóó wezen moest: dat het eenige dat de eenvoudigheid van zijn hart ooit vervuld had hem thans verlaten ging. Hij voelde, dat hij niet jong meer was en dat voor een man van zijn leeftijd de komende jaren korter zijn dan die van 't verleden...

Dichtbij zich hoorde hij gedempt stemmengerucht en toen hij zocht zag hij Walid en den broeder, die op een steen zaten met de oogen naar den hemel gericht. Hij ging naar hen toe, zette zich bij hen neder, doch zij zwegen nu beiden. Eindelijk klonk in de stilte de diepe, langzame stem van Walid:

"Is de meester in zijn tent nu met de vrouw?"

"Ja," antwoordde de brigadier, en zij zwegen weder.

Een flauwe zwoelte waarde in den donker, slechts de ademhaling dier drie was hoorbaar. Tamalone zag plotseling hoe vreemd het was, dat drie mannen uit verschillende streken der wereld hier op den hoogen berg te zamen zaten, peinzend waar hun het lot zou leiden en wat één zelfde teedere vrouw in hun leven beduiden mocht. Hij keek naar zijn gezellen en zeide met een kort lachje, dat op een snik geleek:

"Waarom zouden wij zoo stil zijn nu wij aan Rogier denken?"

"Hij is gelukkig," antwoordde Carolus in zwaar geluid.

De monnik haalde de schouders op en Walid bleef naar de koele starren zien.

En terwijl deze mannen in den nacht zwijgend op den kouden steen zaten en ieder in zijn eigen gedachten twijfelde aan het geluk, dat een jong meisje in het kamp had gebracht, waren Rogier en Mevena in elkanders armen gelukkig en de duisternis der tent, omringd door vele andere vol slapende mannen, was hun heerlijkheid van nieuwgewonnen weelde.

Zij waren gelukkig en op hun wandelingen door de luchtige bergen, bij hun kozen in den vertrouwelijken avond vergaten zij de dagen, die kwamen en gingen, en vergaten het slot waar zij heen zouden gaan.

Toen zij op een middag vermoeid terug keerden vonden zij het kamp in wanorde. Eenige soldaten hadden een bode van den keizer ontmoet, die brieven had voor de edelen in 't noorden... Het leger was overwinnend, de Florentijnen hadden zich met den vorst verbonden, de steden vielen de een na de ander. Doch de vijand vergaderde een talrijk heir, er dwaalden sluipmoordenaars door 't gansche land. De keizer, verbitterd door de verraderlijkheid zijns tegenstanders, had besloten een grooten veldtocht te gaan en ontbood al zijn aanvoerders; Romano, Dovera en Pelavicino vochten zich met geweld reeds een doortocht in 't noorden.

Rogier, met een blos van verrassing, bleef lang verdiept in den uitvoerigen brief, terwijl de anderen, en op eenigen afstand de jonge vrouw, aandachtig hem gadesloegen. Eindelijk zag hij op met een klaren gloed in de oogen en zeide:

"Carlo, pak de tenten. Wij gaan heen."

De brigadier, eerst verrast, stapte haastig naar de soldaten, die weldra druk in de weer waren.

Intusschen leidde Rogier het meisje aan de eene en den monnik aan zijn andere zijde met zich buiten de drukte. Toen hij stil stond sprak hij zeer lang, met zijn gelaat naar Tamalone gewend terwijl hij op 't meisje geen acht sloeg, om te verklaren hoe hij zich eerst had voorgenomen om nimmer meer in den oorlog te gaan en haar naar Siremonte te brengen, zijn slot: doch dat hij thans den keizer niet verlaten mocht nu er een groote tocht op handen was--hij voelde, dat hij niet kón, het genot van den oorlog danste al in zijn oogen. Dan nam hij Mevena in zijn armen, troostte en kuste haar, en beloofde reeds over twee maanden terug te zijn op 't kasteel. Zij liet zich zwijgend kussen met gebogen hoofd en de groote oogleden gesloten. En terwijl hij haar liefkoosde vroeg hij Tamalone, die toezag, of hij haar wilde beschermen en naar Siremonte voeren.

"Ik?..." riep de monnik luid, met een plotseling gebaar en wijde oogen.

Rogier had op hem vertrouwd als zijn besten vriend en smeekte hem zijn schat te bewaren. Een wijle later glimlachte Tamalone weder en staarde hem na, die in verliefden afscheidsweemoed het meisje naar de tent geleidde. Toen zij daar binnen verdwenen waren kruiste hij de armen en liep bedaard naar waar de soldaten zingend en jolend hun toebereidselen maakten. De brigadier zeide opgewonden:

"Nu zullen wij onzen keizer weêr zien."

"Neen, ik niet; ik blijf achter bij Mevena. De kapitein neemt haar niet meê."

"Wat, blijft zij hier?... Maar dan zijn we gered, man!"

Carolus vloekte en liep snel door het gewoel om Walid de goede tijding te brengen.

Toen de hemel zwak begon te worden waren alle tenten gepakt en stonden de krijgslieden gereed, wachtend op hun aanvoerder, die met den monnik liep te praten, terwijl Mevena, zwijgend en naar den grond ziende, in zijn arm leunde. Carolus sloeg het afscheid aandachtig gade; hij zag zijn meester, die schreide, telkens en telkens weêr de vrouw kussen en aan zijn borst drukken, dan eensklaps den monnik omarmen, die naar achter week, toen omkeeren en fluks naderen. Het was of plotseling alle soldaten tegelijk spraken, de klaroen schetterde haastig in 't late uur, de paarden trappelden.

De hoofdlieden reden achteraan en beiden keken voortdurend naar de twee figuren om, die dicht bij elkander stonden in 't bleeke namiddaglicht. Mevena, rechtop, hield haar eene hand op den schouder van Tamalone, die met de armen gekruist stond. Hun verwonderlijk lange schaduwen, kronkelend over den heuvelgrond, liepen aan het einde inéén in het duister van een struikgewas.

8

De ruiters waren reeds verdwenen en het laatste trompetgeluid verging in de verte toen Mevena rondom zich naar de verlatenheid der bergen zag en nederig, zachtjes zeide:

"Ik heb gezondigd tegen mijn vader, messer; gelooft gij dat de heilige Moeder mij vergeven zal?"

Tamalone, uit zijn mijmering opziende, knikte goedhartig zijn hoofd.

"Zou ik verhoord worden als ik bid voor Rogier? en wilt gij ook voor hem bidden?"

Hij spreidde zijn armen wijd in de hoogte--Mevena kon zijn oogen niet onderscheiden, maar zij voelde de aanwezigheid van een zwaarkloppend hart.

"Ja, laten wij samen bidden."

En beiden knielden op de heuvelhelling, vouwden de handen en smeekten om bescherming voor Rogier in den oorlog; de monnik, terwijl hij de woorden uitsprak, verbaasd over wat hij deed: terwille eener lieve vrouw den hemel aanroepen voor een tegen wien hij zijn woede slechts een korte wijl te voren bedwongen had. Het bedrog ergerde hem, een oogenblik slechts, want toen hij opstond, had hij die verheven onverschilligheid weder, die slechts weinigen kennen en die beminnelijk glimlachen doet om eigen zonde.

"We moeten morgen vroeg op weg," zeide hij: "ik zal u de pij weêr geven en ga dan slapen. Dáár is het zacht, onder dien boom."

Bedaard en zorgvuldig spreidde hij de twee wollen zadels op den grond, die glad was van dennenaalden, en wachtte tot zij nederlag en zich in de pij had gewikkeld. Dan drentelde hij heen, zachtjes een deuntje sissend, en leide zich eveneens te ruste.

In den nacht ontwaakte hij met schrik uit loomen slaap en zag den hemel rijk met klare starren versierd--er waren er zóóvele als hij nog nooit had gezien, de duisternis over de bergen had er een mistige schittering van, gelijk van bedroefde oogen. Tamalone begreep niet wat hem had wakker gemaakt in een stemming van genot en ontzag en wat hem op dit oogenblik denken deed aan zijn jongelingsjaren--hij zag zeer helder een winteravond met sneeuw geruchtloos warrelend tusschen de gesloten huizen, toen hij zijn ouders verlaten had, die bij de schouw zaten waar het vuur hoog in vlamde. En hij hoorde koraalgezang in zijn gemoed.

Herinnering vloot door zijn ziel nu, gelijk een oud wijsje van stil teêrhartig snarenspel, bescheiden, doch met een doordringende bekoring waar hij zich geheel aan overgaf. Over alle herdenken echter steeg telkenmale een verheugde verwondering waarom de nacht zóó schoon was, nu hij als eenzaam vreemdeling zat bij de vrouw, die hem zeer lief was. De wereld rondom deed zich op als een uitgestrekt duister land vol drukke mannen en vrouwen, in de stille bergen waar de starren schenen, waakte een zwerver bescheiden aandachtig bij een lieve slaapster. De luisterrijke nacht was wonderlijk bezield, hij rilde van koude en wist, dat het oogenblik vergankelijk was.

De hemel van flonkrend gesprankel was zeer laag gedaald, in de brooze stilte hoorde hij het bonzen van zijn hart. Menigmaal reeds had hij op oogenblikken wanneer de wereld voor hem vol was van groote gebeurlijkheden met diepe vroomheid berust in wat de tijd hem geven zoude en ook thans weêr genoot hij in die berusting. Wel slopen bedriegelijk gedachten, uit sluwe ondervinding gesproten, dat hij, die zich tot wanhoop veroordeeld weet en die niets te verliezen heeft dan het licht der zon, de macht heeft vele menschen te dwingen ten eigen baat, immers wie sterven wil kan beschikken over het leven van den koning; dat hij zich zelven niet begrijpende ook zijn lot niet kennen kon,--en dat er velen gelukkig werden die sterk genoeg waren om waarlijk te lijden en met daden te streven naar wat zij begeerden. Doch zijn hart bleef koel in de onwrikbare zekerheid, dat slechts het onverwachte schoon is en het ontvangen waard. De slapende vrouw daarginder beminde hem niet; hij had genoeg beleefd van vrouwen, die hij met opzet tot liefde behaagd had. Hij verkoos zijn hart onuitgesproken te laten met de dwalende hoop, dat het toeval, het heerlijk toeval, dat hij aanbad, Mevena's gelaat met lieven glans tot hem mocht keeren.

Bij den dageraad nog lag hij, het hoofd in de hand geleund, in grillig gemijmer over zijn verleden. In zachtzinnig berouw en zedigheid dacht hij aan vervlogen mogelijkheden, aan vrouwen, die hem bemind hadden, of zij zich hem nog herinnerden.

Het hoofd naar den denneboom keerend zag hij in den schemer daar beneden iets licht bewegen. Toen bezon hij zich, dat zij vroeg op reis zouden en stond op. De verschoten hemel was wijkend alom met zijn bloei van kwijnende starren; hier en daar dreven trage dampen over de bergtoppen, waarvan er sommige reeds in dauwig morgenlicht schenen.

Tamalone zette zich aan het werk om vuur te maken en terwijl hij op zijn knieën over een stapeltje hout boog ontwaarde hij Mevena, die geruischloos bij hem stond. Zij glimlachte toen hij haar aankeek, en knikte. Achter haar zag hij door de wiegelende kruinen der boomen en over de glooiingen der bergen den gloed van den ochtend, en hij kreeg plotseling een gevoel, dat zijn leven een keer ging nemen.

Mevena kwam dichter bij, haar zachte stem was het eerste geluid van den dag.

"Ik ga niet naar Siremonte. Ik zou nooit kunnen slapen door de gedachte, dat hij in 't gevecht is--ik moet dichtbij hem zijn. Waar is hij heengegaan? Wilt ge mij naar hem toe brengen of als dat niet kan naar een stad niet ver van het leger? De reis zal mij niet vermoeien. Ik zal u niets meer vragen, maar breng mij dicht bij Rogier... o ge weet niet hoe blij ik zal zijn."

Even zweeg ze, maar hernam met smeekende liefheid:

"Wilt ge dat doen, messer Tamalone?"