Een Zwerver Verliefd

Part 3

Chapter 34,116 wordsPublic domain

Doch eensklaps schoot hem het bloed door het lijf en hij snelde naar binnen om Mevena te zoeken en meê te voeren; Carolus en enkele Saraceenen liepen hem na. Zij gingen in hijgende haast van kamer tot kamer, zij stegen tot boven in 't huis en vonden slechts meubelen en koele verlatenheid. Rogier riep Mevena's naam, Carolus riep op zijn luidst, de oosterlingen wachtten met opmerkzame blikken en luisterden. Maar het huis was eenzaam en stom. Heengaande zagen zij op den vloer eener kamer het lijk van den jongen Lugina, het bloed lag er omheen.

En Rogier, in het daglicht gekomen, in den reuk van brandend hout, beval den brigadier met een afdeeling vooruit te rukken en de stedelingen neêr te houwen zooveel hij er zag. Hij vloekte tegen de hooge vlammen waar de stem van den monnik uit klaagde, steeg te paard, en de kreten der soldaten krioelden door het rookende plein, ontzaglijk als een zwarte roofvogelzwerm.

De straten waren leêg, maar Carolus voorop was op zijn hoede. Zij vonden de poort met kettingen en balken versperd. En terwijl er plaats werd gemaakt voor den ram en velen der soldaten uit de rijen traden, kwamen er alzijds, om de hoeken der straatjes, uit de huizen achter hen, stedelingen met schilden, bijlen en messen gewapend. De ruiters sloten zich dicht in gelid, de boogschutters achter hen spanden de pezen, en terwijl de poort met langzaam geweld gerammeid werd, wachtten zij het naderend misbaar. Maar de voorsten der burgers weifelden, zij zagen de paarden en de mannen met glinsterende wapens zoo kalm en gevaarlijk, en kwamen niet nader.

Met krakend geraas braken de deuren der poort, de wagens rolden naar buiten en Rogier, omringd door zijn mannen, reed uit het rumoer en de hitte der stad en daalde den weg af, in het koele lommer der kastanjeboomen.

Naast hem reden de boden; de een was uit Toscane, van den keizer, de ander kwam van het noorden--beiden hadden gelijke bevelen gebracht dat de bende onmiddellijk de stad moest verlaten.

5

Weinige dagen later werd het kamp in den schemer van een bewolkten ochtend door de talrijke troepen van Bologna, die zegevierend door het land trokken, steden en kasteelen winnend voor de Kerk, verrast en verslagen. Met slechts een zeventig ruiters werd Rogier, die aan 't hoofd was gewond, door den brigadier vluchtend naar de bergen gevoerd.

Daar, aan een kronkelend schielijk vlietje tusschen steile glooiingen, waar schaars maar groen voor de paarden groeide, deed Carolus de tenten opslaan om te rusten tot zijn bevelhebber weder hersteld zou zijn.

Hij bekommerde zich om de bevelen van den keizer niet, zijn gansche aandacht en zorg waren den zieke gewijd. En die dagen, toen zijn meester, wien hij reeds met genegenheid had gediend sinds hij hem als jongen in het leger had zien komen, zwak en van koortsen verhit in de tent lag, zat Carolus daarbuiten met de kin op de knie naar het snelle ademen te luisteren en naar het stroomend water nabij, en zijn hart was week van treurigheid. Er gingen slechts weinig gedachten in dat zware hoofd, doch hij voelde zich zoo innig vol, dat hij somwijlen wanneer een soldaat naderkwam zich uitspreken en herhalen moest, of wel den grijzen Walid deed roepen om hem te raadplegen en te spreken over het gevecht waar Rogier voor het eerst van zijn leven gewond was. De oosterling herhaalde dan, dat die jonge vrouw, waar de meester van maalde, het ongeluk had gebracht. Want niet slechts hij zelf, maar ook Teodoro, de wijze des keizers, had het gesternte van den meester waargenomen en gezien, dat er in het beeld van den Stier twee planeten te zamen waren gekomen, maar dat ze door Saturnus werden beheerscht. Hetgeen beduidde, dat hij roemrijk en gelukkig zou mogen wezen tot in eeuwigheid, zoo niet een vrouw hem in bloedige ellende bracht.

"Nu is die vrouw gekomen!" zeide Walid fluisterend, met groote oogen en berustend gebaar van beide armen.

Maar Carolus, zwijgend en met gerimpeld voorhoofd naar de bergen starend, geloofde hem niet, want zijn meester was veilig nu in zijne bescherming.

Zoo, op een middag, zaten deze twee bij tusschenpoozen te praten over wat zij doorgemaakt hadden met Rogier en de glorie, die zij voor hem verwachtten, wanneer de keizer de steden en den Paus had, gedwongen. En toen zij aan hem dachten hoe hij lijdend lag in de tent, sprak Walid weder zijn voorspelling uit en vervloekte de vrouwen, doch Carolus was stil en peinsde hoe er genezing gevonden kon worden. Zij zwegen toen een wijle en het was rustig in het kamp, want de soldaten, die hier en daar lagen, hielden zich zeer bedaard.

Maar op eens was er beweging, zij hoorden paardengetrappel en geschreeuw van een man. Eenige ruiters, op marode geweest keerden terug met Tamalone den broeder, dien zij slapend in een boschje hadden gevonden. Hij maakte een groot misbaar van vroolijkheid, zoodat de brigadier plotseling in woede opsprong en in eenen zijn keel stevig vastgreep.

De monnik, hijgend om van den smorenden greep te bekomen en naar de vuist kijkend, die de brigadier nog geheven hield, hoorde achter het doek der tent een zwak stemgeluid. Zijn oogen glinsterden, hij leî den vinger op den mond om te toonen, dat hij begreep en fluisterde:

"Is hij ziek?"

"Waar komt gij vandaan?"

"Is hij ziek? Messer Rogier? Nu, dan moogt ge wel van geluk spreken, dat ik gekomen ben, want er is in heel dit ellendig land geen bekwamer arts--"

"Zijt gij een arts?" riepen velen zeer luid en kwamen nader.

"Natuurlijk, natuurlijk!"

Toen vreesde hij niet meer; hij nam den brigadier terzijde en vertelde, dat hij eigenlijk geen monnik was, maar de pij slechts droeg om de vijanden des keizers te bespieden--en toen werd Carolus zeer vriendelijk jegens hem. Tamalone zeide dat hij blijde was in het kamp te zijn, zijn mager gelaat bloosde van opwinding; met een luchtig gebaar stelde hij de krijgslieden gerust, dat hij een voortreffelijk medicijn wist om den kranke te genezen. En tot laat was hij met Carolus bezig om het vuur.

Bij toortslicht en terwijl bijna alle soldaten wachtten buiten de tent, werd den kapitein het drankje toegediend. Inderdaad was er spoedig beterschap, zoozeer, dat Rogier, schoon mat en krachteloos ontwakend, den volgenden middag zijn bewustzijn terughad. Hij zag Tamalone aan en vroeg:

"Wat moet die monnik hier?"

"Ik ben geen monnik, messer. Kent gij mij niet? Ik ben Tamalone; aan mij hebt ge uw leven te danken, nietwaar Carlo? En ge zult zeker nog dankbaarder zijn voor het nieuws, dat ik breng--ik heb een boodschap."

Op den dag toen Rogier strijdend de stad verliet, verhaalde hij bedaard, lag hij in de kathedraal te bidden, en daar was ook Mevena Lugina, bij het graf van haar broeder; zij vroeg wat het geraas beduidde en toen zij hoorde dat de troepen op hun uittocht waren aangevallen, sprong zij op van haar knieling in hevige ontroering. En haar naar huis geleidende had hij haar gerustgesteld, daar hij wel begreep waarom zij zoo geschrokken was. Later was hij dikwijls in het huis van Lugina geweest, dien hij al jaren kende. Op een dag had Mevena haar vader en broeders hooren zweren, dat zij zich zouden wreken; zij had toen schreiend den monnik nageloopen in de straat en hem gesmeekt een boodschap te brengen.

Rogier stond nu rechtop in de tent, Tamalone, die beneden hem gehurkt zat, met groote oogen aanziende.

Zij zond haar liefste wenschen voor een spoedig wederzien, maar haar vader zou haar in enkele dagen naar Bologna voeren waar Rogier niet komen kon. Zij was ongelukkig en weende veel terwijl zij met Tamalone sprak, zij moest voortdurend denken aan de vreeselijke woorden van haar vader en wist niet hoe zij helpen kon.

"Weet zij dan niet van haar broeder?..."

"Zij zegt, dat gij hem niet vermoord hebt, Messer, zij heeft u lief zooals ik zou willen, dat mij een vrouw liefhad... Ik zal u de waarheid zeggen: alleen ter wille van haar heb ik deze boodschap gebracht op gevaar van mijn leven. Maar voor zoo'n meisje had ik wel meer gedaan. En ik ben eerlijk geweest, hoewel ik maar een arm man ben."

Hij frommelde onder zijn pij en bracht een koordje te voorschijn waar een ring aan bengelde.

"Zij gaf mij dezen ring voor u. De steen, die er in is heeft op 't oog maar weinig waarde, maar ze kuste hem toen ze hem overgaf en zei, dat hij u geluk zou brengen."

Rogier hield den ring in de palm zijner hand, dicht onder zijn oogen.

"Ziet gij die roode vlekjes? Het is een zeldzame bloedsteen, want er zijn adertjes dooréén gevlochten, kijk. Menig geleerde zou er veel voor geven, want ge weet, dit is de steen waarvan zij zeggen, dat hij den drager onzichtbaar kan maken, en een eeuwigheid te doen leven in een enkele minuut. Ik weet niet of 't waar is maar wel, dat een steen als deze, door zoo'n lieve hand gegeven, mij zelf veel waard zou zijn."

"Gooi weg, heer, gooi in het water!" riep Walid, die binnenkwam en het zag, "de bloedsteen is nog gevaarlijker dan de duivelsteen dien wij in de nesten van adelaars vinden. Neem hem weg, Carolus, en gooi hem in 't water."

"Zwijg, man. Al was het de duivel zelf, die er in is, ik zal hem nu dragen tot mijn dood."

De Saraceen zag hem aan en zei bedaard:

"Tot uw dood."

"Ach, dwaasheid!" sprak de brigadier, "ringen brengen nooit geluk, ten minste niet die van de paapschen komen. Ik heb mijn robijn al drie jaar nu. Maar ongelukkig zijn ze dikwijls, en Walid zegt--"

"Hij vergist zich, Carolus. Hij meent den valschen steen van Palmyra, die werkelijk kwaad is. Maar dit is de ware heliotroop van Afrika, zooals ge zoudt kunnen zien als ge steenkundige waart."

En Tamalone glimlachte overtuigend.

Tot laat in den nacht zat Rogier, in mantels gehuld, dicht bij de klare vlammen met den monnik te praten. Hij vroeg telkenmale bijzonderheden omtrent Lugina en staarde dan een poos in het vuur, terwijl de ander met zachten, dartelen klank aldoor sprak en aanmoedigenden raad gaf: er was een wonderlijk vloeiende maat in zijn woorden van liefde en vrouwen en de geheimenissen van het hart, een maat die telkens wederkeerde en Rogiers gedachten van zoete levendigheid bewoog. En onverwachts vroeg hij den broeder of hij Mevena wilde gaan halen, zijn stem beefde van ernst....

Reeds lang waren de soldaten in hun tenten gekropen en klonk in den rustigen nacht slechts het gedurig spoelen van 't water in den vliet en de luchtige stem van den monnik. De wacht was al met slaperig gezicht teruggekomen en door een ander vervangen, en nog zaten deze twee bij elkander, de een met vage ontroering om een verre vrouw en in zachten gloei van vermoeienis en verlangen, luisterend naar de steeds glijdende stem waarmede de ander ervaringen uit zijn leven verhaalde en vele dingen zeide met een diep gevoel.

Hij was uit zijn klooster gevlucht en wijl hij geen heer had willen dienen en de lust hem dreef om vreemde dingen te zien, had hij in vele landen gezworven, levend naar wat de dag hem gaf. Luchtigjes vertelde hij van dwaasheden en van daden waarvoor hij aan den paal had gestaan--zijn vader had al gezegd, dat hij nooit een goed christen zou worden, maar die wist niet van de onrust, welke hem als knaap nachten en nachten al uit den slaap hield. Nadat hij uit het klooster was gegaan was hij altoos gelukkig geweest, zeide hij; hij had zich nooit om de menschen bekommerd en nooit verdriet gehad. In onbedachte openhartigheid sprak hij door van avonturen en van menschen die hij gezien had, zijn stem was teeder soms van zuiver vertrouwen en zorgeloosheid en van plots geziene wijsheid; er vloot een bekoring in, die in Rogiers hart een donkeren gloed van innigheid wekte en hem tot tranen bewoog toen de broeder over Mevena sprak, zeggende dat alleen een matelooze liefde en een ernstige vrouw in deze wereld te bewonderen waren en de menschen gelukkig maakten--Mevena dáár mocht zekerlijk niet alleen blijven treuren, want twee die elkander zóó beminden moesten te zamen zijn...

En, zittende bij de roode vlammen, hun groote bewegelijke schaduwen achter hen zich verliezend in den nacht, hadden beiden, onuitgesproken, een eender gevoelen van toekomst, donker en onafwendbaar--en diep begeerd.

Plotseling, met een gebroken snik, sloeg Rogier zijn armen om den monnik, drukte hem aan zijn borst en kuste hartstochtelijk zijn gelaat. Tamalone maakte zich uit de omarming los, hield zijn handen en keek hem recht in de oogen.

Beiden richtten te zamen hun hoofden op en zagen Walid met een glinsterenden dolk in de hand. De broeder glimlachte en zeide:

"Ik moet morgen een paard hebben om naar Bologna te gaan."

6

In een klooster buiten den stadsmuur vond hij een gastvrij onthaal, dat hij vergoedde met oolijke verhalen. Ook in het huis van Lugina werd hij als een bijzonder vriend ontvangen, want ondanks de booze geruchten was hij vooral door edelen geëerd, en menig hunner vond in de bekoorlijkheid zijner manieren een welkome reden voor de vriendschap ontstaan door diensten, die hij in 't geheim had bewezen. In de steden ontbrak het Tamalone zelden aan goede maaltijden.

Den dag na zijne aankomst trad hij de groote koele domkerk binnen en knielde neder naast een pilaar, zoo laag, dat in het wijde gebouw geen der weinige vromen hem zou hebben gezien. Aan de andere zijde van een pilaar lag gansch in het paarsch gekleed Mevena gebogen. De broeder keerde behoedzaam zijn gelaat naar haar toe en voelde zich lichtkens bewogen door de schoonheid van haar figuur in devotie; haar hoofd lag in de handen. Tamalone aarzelde even.

"Heer Rogier laat u groeten," fluisterde hij en keek haar een poosje zwijgend aan, van den steen waar het kleed in plooien uitlag tot het donker haar onder het kapje. De sluier over haar borst bewoog op en neêr.

"Ik heb uw boodschap gebracht en hij heeft mij hier gezonden om u te vragen bij hem te komen. Hij kon zelf niet komen, want uw vader en de heele stad zijn hem vijandig, ofschoon gij weet dat hij niet anders misdaan heeft dan gestreden tegen den Paus. Maar uw hart is wijzer dan dit heele land vol dwazen. Ga naar hem toe en wees gelukkig. Hij is gewond, hij is ziek en kan niet buiten u. Bedaar, bedaar en blijf gebogen."

Mevena ademde snel en diep en hield zich aan haar bankje vast.

"Bedaar, bedaar... Van avond leg ik een pij achter het rozenbosch in den tuin, trek dien aan, doe den kap goed neêr en wacht op mij. Ik zal u naar hem toebrengen."

Hij sloeg een kruis, stond op en trad zijn snoer biddend langzaam door de zonnige portiek naar buiten. Toen richtte hij zijn hoofd op en schreed lichtkens dwars het wijde klare plein over naar het stadspaleis waar hij zich in de schaduw der galerij voegde bij een groepje jongelieden, fransche studenten, die hem met luidruchtigheid ontvingen. Een poosje stond hij temidden van hen te praten en zijn woorden, met glimmende, opmerkzame gelaten aangehoord, werden herhaaldelijk door luid proesten onderbroken. Toen hij na een zotheid verteld te hebben snel verder wilde gaan, trokken zij aan zijn mouwen en hielden hem vast om nog één geschiedenis te hooren. En een goedig student ging met de muts zijn kameraden rond, die er allen een kleine munt in wierpen.

Tamalone bedankte, stak de duiten weg en deed onder gedurig giegelen zijn verhaal. Aan het eind klonk er onbedaarlijk schateren, dat in het groepje ruimte deed ontstaan, waar de monnik gebruik van maakte om, lachend en knikkend, schielijk heen te gaan in het felle licht buiten de galerij.

Hij liep naar het huis van Lugina, die in zijn gestreepten mantel voor de deur stond te wachten en hem omarmde toen hij hem zag. Zij bleven geruimen tijd binnen alleen waar geen dienaar hen hoorde; bij 't afscheid nemen spraken zij weinig woorden, doch drukten elkander langdurig de hand.

De zon was in wolken ondergegaan en in den avond, dof als floers, waarde er gestadig mistige regen. De straten waren stil, er gingen maar weinig flambouwen, toen Tamalone gearmd met een kleinen monnik en met de andere hand zijn pij ophoudende wegens het slik, haastig langs de huizen schreed. Aan de poort hield de wachter die naar buiten kwam een lantaarn bij zijn gelaat; hij klopte den man op den schouder, maakte luide en met vele woorden een grap, zoodat de wachter lachen moest om dien schelm van het klooster daarbuiten, en met een gemoedelijken wensch het deurtje achter hen dichtsloeg en grendelde.

Zij liepen zwijgend in den vochtigen nacht.

"Hier is het klooster al," zeide Tamalone toen zij een paar rossige ramen voorbij kwamen. De weg werd moeilijk, zij stegen een steile helling op en ademden zwaar van inspanning. Het was drukkend warm, de regen werd dichter en ritselde in de bladeren van boomen nabij. De monnik bleef staan en riep iets in het fransch, waarop in de duisternis aanstonds antwoord klonk.

"Dank u wel, vriend, ik wist wel dat ik op u rekenen kon."

"Ik ben doornat en weet niet hoe ik weer binnen kom. Hier hebt ge ze bij dien boom. Goeden avond."

"Goeden avond!"

Mevena kon den ander niet zien, maar hoorde dat zijne schreden zich verwijderden. Haar gezel trok haar voort aan den arm.

"Nu moet ge op dit paard, ik zal u helpen. Het zal wel moeilijk rijden zijn in donker, maar ik zal den teugel houden, ik ken den weg."

Het meisje besteeg tastend het paard, dat uit zijn rust gestoord trappelde en aan de teugels trok. Zij hoorde den monnik het dier op den hals kloppen en toespreken, en dan met moeite een tweede bestijgen. Toen ging zij vooruit en op hetzelfde oogenblik, onverwachts, klonk zeer nabij het kraaien van een haan. Het paard sprong zijdelings op en snel vooruit, natte bladeren sloegen Mevena in het gelaat.

Nu reden zij vlug een heuvel af in duister en regen, terwijl achter hen, in de verte verkleind en vervaagd, nogmaals het kukeluren van een haan klonk, en op grooteren afstand het dieper antwoord van een anderen.

Bij den dageraad hield de broeder stil om de beesten te verzorgen en Mevena eten te geven. Zwijgend ging hij zijn gang, haar voortdurend van terzijde aanziende; zij was bleek in het licht van den jongen, doorschijnenden hemel, een geringe gestalte in haar wijde pij. Voor zij weder in het zadel stegen deed zij hem allerlei vragen, maar hij antwoordde kort en stug, met blikken afgewend.

In gestadigen draf reden zij dien ganschen helderen dag, bergen op en glooiingen af door valleien waar geen sterveling ging, zij met geopenden mond en hooge kleur, schokkend op het zadel, hij met gebogen hoofd en peinzende oogen bij wijlen ter sluiks naar haar gericht. Nu en dan keek hij in eenen op en verbaasde zich over zijn onbespraaktheid; dan klopte hij even het goedige, lijdzame paard op den hals en van lieverlede boog zich zijn hoofd weêr.

Toen het licht schaars werd steeg Tamalone af en tuurde in alle richtingen om een rustplaats te vinden voor den nacht. Zij waren aan den voet van een ruigen berg, met kleine sparreboompjes begroeid en hier en daar, in open plekken, geel van gebloemte. Hij vroeg Mevena af te stappen en leidde de paarden over steil gesteente in de heesters; na hen verzorgd te hebben hielp hij het meisje den berg bestijgen naar een plek onder wat boomen. Zij was zeer moede toen zij het bereikten en leunde hijgend in zijn arm. Beneden, wijd uitgestrekt, lag het land in eenzame wanorde van glooiingen en heuvels met enkele fijne boompjes; de grootere monnik, met zijn arm om het middel van den kleinere, keek over het landschap heen, de innige avondzon schuin in de verte scheen op de grauwe pijen en het rustig gewas.

Zonder woorden wees hij haar neder te zitten en gaf haar te eten en te drinken. Daarna liet hij haar alleen. Zij legde zich neêr, loom van vermoeienis, en sliep aanstonds.

Tamalone was niet heel ver gegaan, maar zat dichtbij achter een spar door welks takken hij haar gadesloeg. Toen hij haar eindelijk te slapen meende strekte hij zich lang uit op den rug, met de armen onder het hoofd en sloot de oogen. Doch telkens opende hij ze weder, wanneer een zuchtje door de boomen voer, of wanneer hij gansch in de verte een vogel hoorde; en hij staarde dan met strakke oogen naar de lucht waar reeds enkele starren trilden. Dan, in den allengs beeldrijker wakenden droom die hem vervulde, sloten langzaam zijn oogen tot zij plots door een onrustige gedachte weder wijd zich openden. De hooge hemelruimte boven hem gaf hem een innig behagen, een bescheiden verlangen sproot in zijn hart, waar de vreugde nu waarde der schoonheid van 't bergland, dat grooter was in de groote avondstilte. En eensklaps voelde hij, in zwellenden gloed, dat hij in deze hooge schemerende eenzaamheid gansch alleen was met een lief wezen, een kleine vrouw wier oogen, goedhartig en stil, hem heel dien zonnigen dag sprakeloos en vol onbevredigde gedachten hadden doen gaan. Hij leunde op den linkerarm, duwde de takjes open, en zag naar de plaats waar zij in duister gewaad te midden der struiken lag; en hij keek zoo oplettend, dat hij de ademhaling zag in haar borst. Zij sliep in aandoenlijke verlatenheid. Een nieuw gevoel ontroerde hem, hij zat rechtop en keek voor zich waar het laatste licht draalde aan de golvende kim. Zijn bloed klopte en hij ademde snel; een zachte wind woei van boom tot boom, glijdend langs hem heen. Langen tijd staarde hij in de verte; gedachten, oude herinneringen en jonge gevoelens, in zonderlinge wildheid, kwamen en verschoten, hij was vol wakker leven. Om haar te behagen had hij zich in dit gevaarlijk avontuur gewaagd, voor haar die zoo liefelijk was, dat hij daareven een verlangen had om haar te beminnen--hij had haar voor een ander ontvoerd. Doch hij wist, dat het dwaasheid zou wezen, zijn waarachtige aard was van een schooier om rond te loopen en om niets te geven, niets dan de verzinsels en schimmen van zijn verbeelding.

En het waren eindelijk herinneringen alleen, die het langste talmden en weemoedige gezichten wekten van verleden dingen, van vroeger leven en eentonig lot. Met een zucht liet hij zich plots achterover vallen en zag uit natte oogen naar den hemel, waar het licht van een wassend maantje vloeide, het licht dat hem hinderde nu hij zichzelven begrijpen wilde. Hij wendde zijn hoofd naar den boomstam, sloot zijn oogen en lag uren op de helling van dien berg in droefheid luisterend naar de zwevende stilte, luisterend in onnoozele verwondering hoe de hemel en de aarde zielloos waren. Van lieverlede vergat hij waar hij verdriet om had en in zijn gemoed gleed een lieflijke kalmte. Eindelijk richtte hij zijn hoofd weder op en zat met de armen gekruist; in de lucht dreven langzaam lichte wolkjes, in de duisternis der aarde beneden en in de gedaanten der boomen was een heimelijk levende gloed.

Hij stond op, trad met voorzichtige schreden door de struiken, het boschje voorbij, telkens stilstaande, en naderde de plek waar Mevena lag. Toen hij vaag haar lichaam aan zijn voeten onderscheidde bukte hij behoedzaam neder en kuste haar zeer zachtjes.

Hij stond weêr op--zijn hart klopte snel en hard, en hij keerde zich om heen te gaan. Maar na twee schreden wendde hij zich weder om en een zacht geluidje ontsnapte zijn lippen. Even wachtte hij of zij ontwaken zou--in die pooze genoot hij de schoonheid van 't oogenblik: een lieftallig vrouwtje, onbewust en ongevoelig, dat sliep in nachtelijke eenzaamheid, bij haar een man die een wensch bedwong, daarboven in 't licht van 't maantje de hemel die de toekomst wist... en hij herinnerde zich hoe zij gisterenavond te paard waren gestegen, en hoe hij geschrokken was door het voorteeken, het kraaien van een haan in den nacht... Toen keerde hij terug naar zijn rustplaats achter den boom, en dommelde weldra lichtkens in.

Bij 't licht van den ochtend zuchtte hij, dat de nacht weêr voorbij moest wezen, hij stond op en wekte zijn gezellin. Zij was opgeruimd door het vooruitzicht dien dag het kamp te bereiken, haar lachen klonk helder terwijl zij voortdraafden door het groene land.

Waar de grond moeilijker werd te bestijgen werden zij onverhoeds door eenige ruiters aangehouden, Saraceenen, die den eenen monnik herkenden, maar den andere barsch bejegenden. Na de eerste verbazing over hun vijandige woorden wist Tamalone hen echter te bedaren, en ze vervolgden hun weg.