Een Zwerver Verliefd

Part 2

Chapter 23,928 wordsPublic domain

Nu was er wanorde van haastige toebereidselen in het kamp, tenten, gereedschappen en oorlogstuig werden op wagens geladen met armen waar de aderen dik op stonden. Het onverwacht vooruitzicht van losbandigheid ginds in de stad maakte de mannen lustig rumoerig. En weldra stonden zij in velerlei sierige kleedij en bewapening in rangen aangetreden, een troepje ruiters naast hun paarden in voor- en achterhoede; en toen eerst, in het onbewegelijk wachten, kwelde hen weder de stralende zomerlucht en verlangden zij om voort te kunnen. Rogier gaf een wenk--met schel gejoel, als van jachthonden, ging de tocht vooruit.

Aan het hoofd, statig in staal gehuld waar slechts zijn roode baard uitstak, reed Carolus de brigadier op een hoog, gepantserd paard, geflankeerd door twee oosterlingen met spitse mutsen van wit bont over hun helmen, en trommen voor zich op 't zadel: dan kwamen de Duitschers met bandelieren van verschillende kleuren, sommigen met goud en zilver gesierd. Een kleine afdeeling voetvolk volgde, temidden waarvan Rogier reed met blinkenden helm en borstplaat van voortreffelijk maaksel; ten laatste de oostersche ruiters, allen in roode en groene buizen en met korte zwaarden omhoog.

En achteraan, heel alleen, liep Tamalone de minderbroeder met zijn handen op zijn rug en een deuntje zingend.

Zij bestegen den rotsigen weg naar den muur der stad en toen zij de opene poort zagen zwegen zij. Een zwierige menigte wachtte in den zonneschijn aan de binnenzijde der opening, reikhalzend en stil.

De brigadier in de schaduw der poort gekomen deed zijn hengst steigeren en tegelijk roerden de tamboers hevig hun trommen, zoodat de verschrikte mannen, vrouwen en kinderen schreeuwend en dringend ruimte maakten; zij hadden ontzag voor den geweldigen krijgsman voorop en voor de trommen, zij hadden nooit andere troepen dan gewapende poorters gezien. Er rees een geruisch van bewondering voor den regelmatigen tred der voetsoldaten en toen Rogier voorbij reed, werden in de menigte, schitterend in een glans van stof, de gebaren bezield, de uitroepen zwollen tot juichend gedruisch in de nauwe klare straatjes. De rustingen die glinsterden, de orde en het stilzwijgen vooral van de vreemden, werden druk besproken en er was blijdschap, dat het vechten nu gedaan was, temeer daar de verstandigen onder de toeschouwers, die luid spraken en met gezag, verklaarden dat de schade alleen de rijkere ambachts trof, immers daar de kleinere slechts weinig in de schatting bij konden dragen; maar ook vrij van eigenbelang werd er welgezindheid jegens den keizer geuit, die belasterd werd door priesters van geringe geboorte.

Op het marktplein, waar de aanzienlijken wachtten, hielden de troepen stil; eensklaps rees het stemmengerucht aangroeiend tot verrassend gejubel, de tallooze gezichten bewogen opgewonden in den zonneschijn. Een bandelooze woeling van jonge mannen en vrouwen, door Tamalone geleid, trok zingend en met doeken wuivend rondom de lichtende figuur van Carolus saâm, de monnik reide die het dichtst bij waren in den franschen danskring rond; buigend en de beenen hoog heffend warrelden zij om den brigadier heen, wijl half spottend half gemoedelijk hem de grilligste namen werden toegeroepen, die het plein, blakerend tusschen de witte huizen, daveren deden van gelach. Onverschillig voor het geraas keek Carolus van zijn paard op het gepeupel neêr.

Doch de gemoederen der soldaten namen de warmte dier plotseling bruisende feeststemming aan. Zwijgend waren zij de stad binnengekomen, maar door de schaterende drukte klaarden hun gezichten thans op, zij werden vroolijk in de uitbundigheid ten koste van den brigadier en bewegelijk van lust om meê te dringen in het gedrang. Nadat zij hun bevelen hadden gekregen, verspreidden zij zich onder het volk, dat hun wijn te drinken gaf; in de steile straatjes sprongen de Duitschers in rijen arm in arm met de ambachtslui en de joelende vrouwen. Tamalone,--hij was toen omtrent dertig jaren, een luimig man bij feesten en volle kannen--, de monnik, die de eerste vroolijkheid had doen opgaan, liep lachend en knikkend door de drukte, er werd gejuicht waar hij ging, en bekers werden geheven. En dien ganschen dag was de klare zomerlucht van zangerige stemmen vervuld.

Toen het later werd en in het gewemel tusschen de lage schemerige huisjes slechts de witte en gele kleederen en de mutsen der vrouwen nog het lichtste waren, trad Rogier met zijn brigadier en een burger, door de twee tamboers gevolgd, uit het stadspaleis om naar de soldaten te zien. Waar hij kwam, hield het dansen en springen op, de juichkreten klonken zonderling fel in de duisternis.

Doch rustiger was het in de straten waar de breede rijkere huizen stonden met hun deuren, donker en klein, hecht gesloten: hier gingen geen menschen en druischte het rumoer verzacht slechts uit de verte. Er stond daar een kathedraal, onvoltooid en zonder torens; de vijf mannen door een open deurtje kijkende zagen in den schijn der kaarsen enkele bidsters geknield. Twee zeer jonge vrouwen traden naar buiten en toen Rogier een van haar aanzag wijl zij passeerde, zweefde een luwe aandoening hem voorbij, of 't herinnering was die al te gauw vervluchtte. En de geluidloos wijkende figuren nakijkende, vroeg hij den burger wie zij waren.

"Dat zijn de dochters van heer Lugina," antwoordde die met een lachje. "Door uw onverwachte komst kon hij niet meer naar Bologna gaan en daarom vluchtte hij hierheen."

Zij keerden in duister zwijgend en voorzichtig terug. Nog zag Rogier dat jonge nieuwe gezicht en hield hij zijn oogen toe of hij zich iets herinneren kon.

Voor het paleis bleef hij staan en zag over het plein, waar in den zwoelen nacht gestalten gingen en hier en daar een toorts bewoog. Nu klaarde het voor zijn bewustzijn, dat hij reeds in den ochtend, in het rijke zonlicht, bijwijlen vaag en vervlietend een nieuwe teederheid had gevoeld, en zijn vragende verwondering over het meisje van daareven was hem welkom en behagelijk.

Aan den overkant, bij den glans van twee stil brandende toortsen, zag hij Tamalone met een edelman langzaam gaan en een huis binnentreden. Toen was het plein verlaten. Het gedruisch werd al schaarscher in de duistere straatjes, slechts nu en dan klonk in de verte een vermoeid referein of luid het kloppen op deuren.

3

In de koelte van de kathedraal, waar hij haar den eersten avond van zijn binnenkomst ontmoet had, zag hij de dochters van Lugina weder, en weder roerde de onvolwassen gestalte van het jongste meisje hem tot innerlijke aandacht en onderging hij de vreemd kille ontroering van eindelooze zoetheid, van louter genot dat komende was.

En Carolus, den getrouwe, trof het weldra, dat er sedert de inneming der stad over zijn meester een frissche bloei was gekomen, een vreugde die zich uitte in sierlijke wijde gebaren en die hem hoofsch deed bewegen als een prins. Hij had hem in de kathedraal met vrouwen gezien, hij had hem het huis zien binnengaan waar Lugina vertoefde, de oude vijand van Rogiers geslacht--en hij besloot hem heimelijk te bewaken.

Buiten de noorderpoort stonden aan den wijden weg den heuvel af kastanjeboomen uit zeer ouden tijd, wier takken zwaar van loof nederbogen tot den grond. In den avond liep Rogier daar geruchtloos en langzaam met een ruiker van rozen, en toen hij aanstonds dicht langs de duistere stammen een kleine vrouw haastig zag naderen, liep hij haar met gestrekte armen tegemoet, boog en gaf haar zwijgend de bloemen.

Met haar kleine koele hand in de zijne daalden zij den weg af, zij in vluggen gang om zijn schreden bij te houden en nu en dan omkijkende in de donkerte van het gebladert. Aan den voet van den heuvel kwamen zij aan opene velden, waar 't bleeke koren stond, en steeds zwijgend keerden zij rechts een voetpad in met jonge populiertjes ter weerszijden.

De grond was hier vlak en zij liepen langzaam. Haar hand vaster drukkend, in een neiging om dichter die donzige nabijheid aan te raken, fluisterde hij in korte woordjes, dat het zoo lief van haar was dat zij gekomen was, en dat hij voortdurend aan haar gedacht had. Onbewegelijk en koel voelde hij haar hand in de zijne, maar over zijn lichaam poperde gestadige ontroering. Het voetpad werd bochtig en rees weder en daalde over heuveltjes van dicht wingerdloof, naar een boschje waar zij schimmig de stammen der boomen bespeurden in de tinteling van duisternis.

Mevena wendde haar hoofd weêr om, zij stonden stil en zagen aan de schemerwolkige lucht den top des heuvels waar de stad was. Plotseling, tot een zoete verbazing der wandelaars, vloot een glad geluidje door het loover, het streelend kwinkeleeren van een vogel vulde den nacht.

Dan werd het plots weêr stil en het meisje, angstig in het duister, kwam dichter bij den jonkman staan. Hij zag haar groote oogen, boog zich en kuste haar; diep ademend omvatte hij heel haar slank lijfje en kuste haar die nog niet kussen kon tot haar lippen bewogen, en drukte haar aan zich, en fluisterde kleine lieve woordjes. En zij, met een borst van gloeiende stilte, haar gelaat naar zijn mond, wachtte de kussen, luisterend naar den zwellenden nacht die zwoel van teederheid was.

Toen zij langs het paadje het donkerder bosch in gingen ritselden er wat bladeren, maar Mevena hoorde, dat er sinds zij stonden ook ander gerucht nog dwaalde en haar oogen zochten naar alle zijden of zij de witte danseressen zagen. Hij bemerkte haar onrust, vroeg wat er was, en beiden luisterden, hand aan hand. Heel in de verte hoorden zij een gedempt rollen van onweêr, een fijne koelte voer door de boomen. Hij kuste haar lippen weder en in weelderig zuchten vergaten zij den komenden nachtstorm, die bij tusschenpoozen rommelde met zwaarder geluid. De bladeren boven hen ruischten steeds koeler en wuivender, somwijlen zagen zij elkanders gelaat in snellen schijn, over de bergen kwam de donder geweldig nader bolderen--en steeds kusten zij elkander inniger en ongeduldiger, zij kusten slechts want zij konden niet spreken. Onverwachts brak een helle klaterslag door den nacht, de takken waaierden in den lauwen wind en groote waterdroppels ruischten door de bladeren.

Nauw had hij haar hand gevat om haastig voort te loopen, toen zij een gerucht hoorden en dan duidelijk een val--Rogier zeide, dat het een getroffen boomtak moest wezen en voerde haar dicht aan zich mede, tastend in het natte loof tot zij buiten het geboomte waren. Hij wist, dat niet ver af een landmanshut stond, verlaten gedurende de belegering der stad, en daar het water nu dichter en sneller viel en de schichten des bliksemlichts met vreeselijk geraas de duisternis in oproer brachten, nam hij haar op en snelde er heen. Een nachtvogel fladderde langs hen naar buiten toen hij het deurtje openduwde. Zij deed haar doornatten kap en sluier af, drong zich zachtkens tegen hem, en hij in een rijke genieting van den rozengeur, die in het warme duister waarde, streelde haar, streelde de schouders en de haren en het vochtig kleed.

En terwijl zij gansch sprakeloos en zonder gedachten de weelde genoten hunner jonge vervoering, ruischte in den nacht gestadig de koele regen en schoten de lichtschijnsels, fel onverwacht, gevolgd door het verwijderend schoon geluid van den hemel.

Enkele dikke droppels tipten op de bladeren nog, maar de regen was gedaan en de lucht verbleekte, toen Mevena aan de deuropening vermoeid in de armen van haar minnaar steunende, weder ergens iets hoorde. Hij stelde haar gerust, zeggend dat er geen mensch op dit uur zou gaan, dat zij de feeën niet vreezen hoefde, en om haar angst te verdrijven riep hij met ver klinkende stem wie daar was. De eerste morgenwind verspreidde vaag het geluid, een vogeltje tjuikte in de takken.

Zij bedachten, dat het laat was en dat zij naar de stad moesten keeren. Op de terugwandeling door het natte gras sprak Rogier luchtig en zwierig over toekomstige vreugde en zij, in dartelen tred naast hem gaande, antwoordde en beäamde met een hooge stem.

"Hier begon het onweêr zoo straks," zeide ze toen zij in het boschje kwamen, waar de boomstammen nu duidelijk uit de heesters stegen.

"Zullen wij den tak zoeken, die vlak bij ons neêrviel?"

Zij keek met groote oogen rond, maar antwoordde niet. En hij kuste haar en zeide:

"Lief... Maar het is laat, de lucht wordt zoo licht."

"Als ik maar binnen kan komen..."

Vlug gingen zij verder. Toen zij den lommerrijken weg naar de stad bestegen, zagen zij verbaasd bij hun nadering de poort opengaan. Walid, de hoofdman der Oostersche soldaten, die buiten stond, groette eerbiedig.

Boven hen trilde teeder de bleeke dageraad; in de kilgrauwe straatjes liepen al gretige kippen en ganzen. De minnaars haastten zich voort, zij vreesden door vroeg ontwaakte lieden gezien te worden. Op het plein tegenover het paleis klopte Mevena aan het zijdeurtje van een aanzienlijk huis met twee torentjes; er werd onmiddellijk geopend door haar zuster, die haar angstig aanzag, en even knikkend ging zij voorzichtig binnen.

Alleen voor het gesloten deurtje staande maakte Rogier een groot omvangend gebaar, zette zijn vuisten in de heupen en stapte langzaam dwars het wazige plein over. Carolus stond in zijn stalen harnas al in de galerij aan den ingang.

"Goeden morgen, Carlo. Ziet gij dat groote huis met die torens en vier ramen?"

"Dat dáár?" vroeg Carolus, en terwijl hij wees ving de groote robijn in den bisschopsring aan zijn voorvinger een gloeiende flonkering.

"Ja, daar woont messer Lugina; zorg dat daar vooral de mannen geen kwaad doen."

En hij ging naar binnen.

Twee uren nadat de minnaars in de stad waren teruggekeerd, in den klaren morgen, droegen eenige landlieden ter noorderpoort het lijk van een jonkman in, dat zij met doorgesneden hals hadden gevonden in een boschje tusschen het natte struikgewas.

"Ach!" zeide Tamalone, die bij het groepje bukte om te zien wat er was; "het is de jongste zoon van heer Gian Lugina, die uit Bologna komt."

Omringd door vele meewarig pratende lieden werd de doode naar het marktplein gedragen, naar het huis met vier ramen.

Vroeg reeds vertelden zij elkander het gebeurde en velerlei onverwachte geruchten deden wonderlijk door de stad een gevoel gaan, dat de dag vreemd was en gespannen van naderend nieuws.

4

Rogier, nauw ontwaakt, zat door de ruitjes in den zonnigen bloemenhof te staren toen de brigadier kwam zeggen dat Lugina wachtte en verlangde toegelaten te worden.

"Maar," zeide hij, "wij kennen den man al zoo lang. Ik zal de wacht binnenhalen."

Drie soldaten plaatste hij aan de deur en geleidde later Lugina de zaal in, een groot man in het paarsch gekleed, met spitsen baard en gefronste wenkbrauwen.

Rogier groette vriendelijk. En de ander kwam voor hem staan, knikte even ten wedergroet; met booze, rappe woorden vertelde hij, dat zijn zoon met doorgesneden hals was thuisgedragen, en zwoer dat ook dit gewroken zou worden met al het vroeger onrecht hem aangedaan. Hij kon zijn toornige stem niet bedwingen en zeide wat hij gehoord had, dat ook Rogier dien nacht buiten was geweest.

Rogier haalde de schouders op en zweeg. Eindelijk antwoordde hij, dat hij weldra zou bewijzen, hoe hij er onschuldig aan was, en immers had hij den jongeling slechts één keer gezien. Hij beloofde oprecht, dat hij den moordenaar zou doen vinden en vreeselijk straffen. Toen vroeg hij Lugina zich te bezinnen of hij zich de laatste dagen niet een vriend had betoond, en zeide dat hij in den lijkstoet zou gaan. De oude man zag hem verbaasd aan, boog en antwoordde, dat hij die eer niet verlangde. En hij keerde zich om heen te gaan, maar de ander hield hem staande en sprak:

"Dan zal ik morgen vroeg bij u komen, want ik wil in vertrouwen met u spreken."

"Morgenochtend zal ik u wachten, messer; ik hoop dat de moordenaar dan gestraft is."

Hij verliet de zaal met de oostersche soldaten.

"Wees voorzichtig," zeide Carolus, "wees voorzichtig. Die vervloekte kerels! Ze zouden u vermoorden. Gij kent ze niet, het verdoemde volk. Gij wilt toch dat meisje niet trouwen?"

"Ja, morgen ga ik hem zijn dochter vragen. Ga nu heen."

De brigadier, zeer verbaasd, keerde zich met zwaar schouderophalen om.

En Rogier zat weêr alleen in de vensterbank met gebogen hoofd. In de gaarde stonden rustig de rozelaars en vergaderden de zomerzon om hun rood gebloemte; verder op glansden in blanke menigte de jasmijnen, hun stillere weligheid was als van smachtende minnaars, die hun liefde niet uitspreken kunnen; en achteraan stond eenzaam in de blauwe lucht een beukeboom met zijn uitgestrekte takken vol glimmend loof in roerloozen praal, de monnik Tamalone lag er onder op het gras te slapen. Rogier staarde in de verre schaduw, terwijl hij in herinnering het frissche ruischen van den regen hoorde en bij vleugjes de genietingen van den nacht weêr over zich glijden voelde. Onbegrijpelijk waarde rondom hem de weeke innigheid van het meisjeshart, dat zich had open gedaan, de wonderlijke geur harer kussen. Hij dacht aan Lugina met een glimlach en tevreden hoofdknik... hij zou zeker weêr vriendschap sluiten met den ouden man en haar weldra trouwen.

De doodsklokken begonnen te slaan, het misklokje klepelde met zedig eentonigen klank, Rogier liep naar buiten in de schaduw der galerij, waar de soldaten stonden te kijken.

Aan den overkant wachtten slechts weinige vrienden en geburen voor het huis van Lugina, maar in wijderen kring veel nieuwsgierig volk met de ruggen naar het paleis gekeerd. Er ontstond een dringen en reikhalzen, toen traden eerst knapen met een banier en wierookvaten, een priester en acht monniken met flambouwen het huis uit; dan droegen Lugina en zijn zoons het lijk naar de baar.

De optocht werd gevormd en aan beide zijden bewoog de menigte mede langs de huizen, naar het paleis en voorbij. Rogier staarde met halfgeloken oogen in het licht; hij hoorde de klokken wel klinken hoog in de lucht, en de zangerige stemmen der klerken; en hij zag Lugina in zijn paarschen mantel te midden der flambouwen, waarvan de walm met den wierookgeur in de warmte boven de menschen dreef; en hij zag de zonderling donkere blikken op hem gericht; maar turend over de beweging naar het witte huis met de torens aan den overkant, dacht hij aldoor aan den diepen ernstigen glans van vrouwenoogen.

Doffer werden in de verte de eentonige gebeden, één klok slechts luidde met dreunend gebeier, en nog stond hij tusschen de pratende krijgslieden in mijmering, toen uit de schaduw eener straat het gonzen van veel volk te zwellen begon.

En weldra deinde het marktplein in een kleurige warreling van menschen, de tallooze gelaten, ernstig en nieuwsgierig, waren naar het paleis geheven.

Er waren boden gekomen, hun paarden stonden aan de deur. De menschen wachtten met wijde oogen het nieuws, zij vertelden elkander reeds, dat een groot leger in aantocht was. De brigadier verscheen weêr in de galerij met den man dien zij de poort hadden zien binnenrijden, er werd gedrongen en gevraagd wat er was. Vooraan pakten twee mannen woedend elkaâr om den nek, er werd geschreeuwd, lansen en helmen schoten licht boven de roode, groene, blauwe kaproenen, die rezen en daalden in het gedrang.

Aan de overzijde van het plein reed eensklaps een monnik te paard onder de menigte, in de eene hand hield hij een kruis, de andere wees naar het paleis met boos gebaar. Er voer door het gewoel een beweging van onzekerheid waar men luisteren zou en kijken.

De doodsklok luidde in den klaren hemel, rustig en ongeroerd, terwijl het nieuws van den monnik in de stoffige drukte zich spreidde: een vreeselijke slag gewonnen en die van Bologna met een machtig leger onder hun overheer en den kardinaal geen twintig mijlen van de stad...

Uit de straten kwamen de krijgslieden, de trommen roffelden en voor het paleis groeiden de rustige rijen van mannen te paard, terwijl uit de drommen der stedelingen het stemmengeraas aanzwol tot hartstochtelijk geluid. Reeds riepen zij van ketters, heidenen, moordenaars, en klonk er gejuich voor Lugina en den Paus. De hoofden wendden zich van den monnik naar het paleis weder, waar vlak voor de lachende ruiters twee mannen worstelden op den grond.

Dan, uit de straat ter linker, blonk een gouden baander boven de wemeling; er stegen kreten, gezwollen fel rumoer, dat de paarden opschrikken deed. Een ruiter tuimelde op den grond. Nu was het onstuimigheid van armen dreigend boven de hoofden geheven, van klievende zwaarden en heet geschreeuw.

En toen Rogier inderijl naar buiten kwam zag hij in den stoffigen dag tusschen de huizen een ontzettende menigte in bruisende beroering, te midden waarvan de ruiters op steigerende paarden snel de wapenen hieven en nedersloegen. Hij beefde van genot bij het gedaver van woede en strijd; hij gelastte een soldaat af te stijgen, sprong in het zadel en rende vooruit, over de lijven die vielen, met prachtige hartstochtelijke zwaaien van arm en zwaard. Nu schreeuwden de Duitschers en joelden de oosterlingen, een golving voer over het volk, dat wendde en vluchtte.

Maar uit de straten kwamen ruiters, Lugina en velen meer, met kreten van "slaat dood! slaat de heidenen dood!" En het volk keerde weêr en hield weifelend stand.

Voort drongen de soldaten en sloegen de weerloozen bloedend neêr. Midden in de drommen, in het dikke stof, reed Carolus, zijn geweldige arm in kalme beweging; doch eensklaps rukte hij zijn hengst overeind en deed hem wild haar voren springen, naar de edelen der stad. Een machtige houw kwam op Lugina's paard neêr, dat viel; een andere velde een monnik--naast hem beukte Rogier een jong ruiter uit het zadel, een tweeden zoon van Lugina, en de gillende Saraceenen hakten en sloegen in het gewemel onder hun paarden.

Toen zwenkten de edelen en stortten de straat in, het volk in wilden angst hen achterna. Zwaar gloeide de lucht van geschreeuw.

Het plein was leeg aanstonds, slechts aan de schaduwige openingen der straten rustten krijgslieden. Op den grond lagen vele burgers in de stovende zon, en wanneer te wijlen er één trachtte op te staan, hieuw een Saraceen hem neder.

De soldaten brachten hun wagens en laadden er pakken op, anderen droegen aldoor groote bossen stroo aan waarmede zij de open gebroken deuren der huizen binnen gingen. Voor de woning van Lugina stond de gepantserde brigadier geleund, zich met zijn blauwe doekje bewuivend, en wen daar kerels met stroo aankwamen, wees hij hun verder te gaan.

In het midden des pleins werd om een paal een stapel gebouwd en de monnik die het eerst het volk had aangezet, werd er in gebonden, slechts zijn afschuwelijk hoofd waar de oogen uitgestoken waren, en zijn kruis staken uit boven hout en stroo.

Rogier had met eenige mannen het lijk gevonden van Lugina's zoon, die gesneuveld was, en volgde het naar het huis in rouwig bewustzijn, dat er haat van menschen zijn liefste in duister verbergen zoude en voor hem wijken deed. Bij de geopende deur rees er verlangen in hem op om binnen te gaan, maar hij zag het doode lichaam en zwaarder woog het verdriet, dat zij, de nieuw beminde, voor hem verloren zou zijn.... Hij begreep, dat alles tegen zou wezen, dat zelfs Mevena's jonge gedachten zich van hem keeren zouden nu hij den haat had gezien van haar vader.

Aan alle zijden uit de huizen kronkelde rook naar buiten, de vlammen sloegen uit het paleis. Rondom hun wagens stonden de ruiters en voetsoldaten in gelederen gereed. De dag werd groezelig door den rook die snel naar boven warrelde. De brigadier knielde bij den brandstapel neêr en ook daarom vlogen eensklaps de vlammen op en omringden het hoofd van den monnik, die luid zijn gebeden uitgalmde.

Nog stond Rogier aarzelend voor de deur; hij had in het onvermijdelijke heengaan berust, meenende dat hij te eeniger tijd nog de vriendschap van Lugina zou winnen en keerde zich reeds, om zich naar zijn soldaten te begeven.