Een vriendelijke morgenstond; De ganzenkoopman van Neurenberg

Part 4

Chapter 43,685 wordsPublic domain

"Houd mij niet voor ondankbaar," antwoordde Marianne, "dat ik uw aanbod niet terstond aanneem, maar er eerst rijpelijk over wil nadenken. Het zou zeer lichtzinnig van mij zijn en gij zoudt mij terecht voor onbezonnen houden als ik uw voorstel terstond aannam."

"Dat antwoord had ik van u verwacht," zeide Balzer, "uw besluit doet mij veel genoegen. Het blijft dus bij onze afspraak. Tot wederziens."

Marianne besteedde de drie dagen, die zij had om te bedenken, met overal naar den handel, wandel en huiselijken toestand van Balzer te onderzoeken. Overal zwaaide men Ganzenvriend de grootste lof toe; bij ieder stond hij bekend als een eerlijk en vlijtig koopman en als een rechtschapen jongmensch.

Toen Balzer op den bestemden dag terugkwam, verklaarde Marianne zich bereid om de aangeboden betrekking te aanvaarden, en daar zij geen vaste verbindtenis met het huis Siebold aangegaan had, kon zij vertrekken zoo spoedig als zij wilde; iets, dat Balzer zeer aangenaam was.

Eenige dagen later kwam Balzer met zijn wagen, bespannen met twee paarden, voor de deur, waarop de bezittingen van Marianne geladen werden.

De jonge Siebold vond het allerprettigst dat Marianne dienstmeid werd bij Ganzenvriend. Hij kon het dan ook niet nalaten haar bij het vertrek hartelijk te bespotten.

Hij ging in zijn pakhuis en keerde met een gevulden grof linnen zak terug, die hij bij den inboedel van Marianne wierp. "Daar," riep hij, tot een van zijn pakhuisknechten, "daar, gooi dien zak bij den boedel van Marianne, dan kan zij haar pleegkinderen, de ganzen, daarmede voeden. Als zij die noten opeten, zullen zij dorst krijgen, en zich vet drinken. Marianne, als gij dezen zak ziet, denk dan aan mij; gij ziet, ik wil geen kwaad met kwaad vergelden."

Marianne antwoordde geen woord op deze reden. Zij liet het zonder iets te zeggen toe, dat de knecht den zak op den wagen wierp. Het zou werkelijk een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen als het muskaatnoten waren; zij rekende daarop echter niet, want zij verbeelde zich, dat de zak, onder het op den wagen gooien, een zonderling geluid gaf.

Marianne ging naar haar tante, nam hartelijk afscheid, dankte voor alles wat zij bij haar genoten had, waarna de beide vrouwen als vriendinnen van elkander gingen.

"Zij schijnt niet nieuwsgierig te zijn," dacht Balzer onder het huiswaarts rijden, "want zij onderzoekt niet eens wat er zich in den zak bevindt; als het muskaatnoten zijn, kan er wel vijf en twintig pond in zitten."

Toen zij Dortingen binnen gereden waren, hield de wagen voor een eenzaam huisje stil, dat er uitzag als een dorpshuisje, met stroodak overdekt, en slechts één verdieping hoog.

Balzer en Marianne stegen af en begonnen de pakken en kisten in huis te dragen. Een vrouw, die uit den winkel te voorschijn kwam, liep de nieuwe juffrouw tegemoet, en, na haar van boven tot onder waargenomen te hebben, bood zij haar hulp bij het werk aan. Balzer wees deze dienst van de hand, waarna zij zich weder in den winkel begaf.

Nadat de goederen op de slaapkamer van Marianne gebracht waren, leidde Balzer de nieuwe huishoudster het geheele huis door. Het gevolg hiervan was, dat Marianne een geheel ander en hooger denkbeeld van haar nieuwen heer en meester kreeg. Eerst kwam zij in een vertrek, dat rondom met kasten betimmerd was, waarin de bossen pennen, allen in verschillende soorten, geborgen waren. Daarna in een vertrek, waar de zakken veeren hemelhoog opgestapeld lagen; een derde vertrek werd gebruikt om alles, wat er verder van de gans bruikbaar gemaakt werd, te bewaren. In een vierde vertrek zag Marianne eenige vrouwen en meisjes, die zich bezig hielden met het zuiveren van dons en bereiden der pennen; overal heerschte bedrijvigheid, en men kon hieruit opmaken, dat in deze woning uitgebreide zaken gedreven werden. Het woonvertrek was eenvoudig, maar goed ingericht. Marianne merkte op, dat overal een onverbeterlijke orde heerschte, ofschoon men aan alles kon zien, dat er in de huishouding een goede vrouwenhand ontbrak, die, zonder zich weelde te veroorloven, alles tot een aangenaam geheel kon maken. Zij zag al spoedig, dat er met een weinig smaak veel, dat niet mooi was, opgeknapt kon worden; andere kleine snuisterijen opgepoetst of verwijderd moesten worden, in één woord, zij gevoelde dat zij in dat huis een dankbare rol spelen kon.

Balzer liet de oudste huishoudster niet vertrekken, vóór zij Marianne geheel op de hoogte van alles gebracht had, iets dat met een week afgeloopen was. Het was voor Marianne alsof haar een zwaar pak van het hart genomen werd, toen haar voorgangster vertrokken was, want zij was gedurende deze dagen niet lief voor Marianne geweest, en had duidelijk laten blijken dat zij haar de betrekking niet gunde. Nu eerst begon Marianne haar nieuwe taak. Het allereerst nam zij den winkel tot taak; het koperwerk werd geschuurd, de laden en kasten schoon gemaakt, de toonbank gewreven, in één woord, de winkel was in een paar dagen zoo veranderd, dat ieder die er in kwam verbaasd stond te kijken, en nu nog veel meer dan vroeger kwamen om het een of ander te koopen.

Nu was de keuken aan de beurt om opgeknapt te worden. Het hout-, koper- en ijzerwerk werd van de wanden afgenomen, en toen het er weder tegen aan gehangen werd, glom alles als een spiegel. Daarna de woon- en slaapkamer, en zoo eindelijk alle vertrekken. Balzer gevoelde zich nu in huis nog gelukkiger dan vroeger. Ongemerkt werd hij bij alles wat hij deed nog ordelijker en zindelijker, en zorgde wel dat er geen vlekje op het heldere witte tafelkleed kwam, en liep niet meer op klompen het woonvertrek in, en nooit zag men hem van nu af meer buiten zijn werkplaats met een broek vol vlekken en modderspatten. Het was alsof hem het eten lekkerder smaakte, nu het door Marianne in zindelijke schotels op tafel gebracht werd, en ook de messen, lepels en vorken glommen helderder dan vroeger. Hij genoot in stilte en sprak tegen Marianne nergens over; zij kon echter aan zijn gedrag zeer goed bemerken dat hetgeen zij deed niet onopgemerkt bleef.

Hij was, zooals Balzer gezegd had toen hij Marianne gehuurd had, dikwijls van huis; zijn uitgebreide zaken vorderden, dat hij veel reizen moest. Al spoedig bekorte hij zijn tochten en kwam vroeger te huis dan gewoonlijk. Eindelijk scheen hij minder lust in reizen te krijgen, en dikwerf liet hij zich woorden ontglippen, waaruit men kon opmaken, dat hij liever te huis bleef.

Balzer droeg Marianne de grootste achting toe, erkende het goede dat zij hem bewees, en ofschoon dit maakte, dat hij haar als zijn zuster behandelde, wist hij toch dien ernst te paren aan wat de afstand tusschen heer en dienstbode niet beletten.

Balzer bezat, buiten zijn woonhuis, nog een schoone boerderij, die door een zetbaas met zijn vrouw onder zijn beheer gedreven werd. Toen Balzer Marianne deze bezitting liet zien, zeide hij met eenigzins bevende stem: "Toen ik nog een arme ganzenjongen was, en niets bezat dan twee jonge ganzen, die ik van de molenaarsvrouw present gekregen had, toen wilde de eigenaar van deze boerderij mij mijne bezitting ontstelen, iets, dat hem echter niet gelukt is. Later werd hij door eigen schuld arm, doordat hij zich in luiheid, dobbelen en drinken te buiten ging. Mijn pogingen om vooruit te komen, werden gezegend, zoodat ik, toen deze bezitting aan den meest biedende verkocht werd, eigenaar ben geworden van een landgoed, waaraan voor mij zulke merkwaardige herinneringen verbonden waren."

Toen de drie eerste maanden verstreken waren, waarin Marianne de post van huishoudster vervuld had, betaalde Balzer haar, in plaats van vijf, tien gulden loon. Toen het meisje hierover zeer verwonderd was, zeide hij: "Neem dit geld, Marianne, gij hebt in deze drie maanden door uw vlijt en zindelijkheid meer dan het dubbele uitgewonnen, en mij het leven aangenaam gemaakt."

Dit was de eerste keer dat Balzer zijn tevredenheid openlijk kenbaar maakte. Deze betuiging deed Marianne meer genoegen dan het verdubbelde loon. Toen het tweede kwartaal verstreken was en Balzer haar weder het loon gaf, zeide hij met bevende stem: "Marianne, ik moet u iets gewichtigs mededeelen, ik ben namelijk tot de overtuiging gekomen, dat ik een huisvrouw noodig heb."

Toen Marianne dit vernam, werd zij bleek van schrik en keek Balzer met verbaasde oogen aan. Toen Balzer verder geen woord sprak, antwoordde het meisje op vragenden toon:

"Zijt gij dan niet meer met mijn werk tevreden?"

"Dat zeg ik niet," antwoordde Balzer, "integendeel, ik heb alle reden om over uw werk meer dan tevreden te zijn. Maar laat mij openhartig zijn. Zooals gij weet, Marianne, mijn inboedel, voorraadschuren en huisraad zijn goed voorzien, en toch ontbreekt mij iets. Voor wie werk ik? Ik heb op de wereld geen sterveling, die deel in mijn geluk of ongeluk neemt, die mij in mijn ziekte zou willen oppassen, of bij sterven de oogen zou willen sluiten. Tot nu toe hebben de aardsche zorgen mij geen tijd gelaten hierover na te denken. Maar nadat het huiselijke leven zooveel aangenamer geworden is, gevoel ik inniger behoefte een deelgenoote in mijn geluk te hebben. Marianne, gij hebt een half jaar mij kunnen gadeslaan, zeg mij openhartig: zou een vrouw met mij gelukkig kunnen zijn? Gij weet, ik heb, evenals alle menschen, mijn gebreken."

"Wel, baas," antwoordde Marianne, "gij schat u zelve te gering, welke vrouw zou met u niet gelukkig kunnen zijn?"

"O," antwoordde Balzer, "het zou mijn levensgeluk volmaken als ik een degelijke, vlijtige, deugdzame levensgezellin bezat. Marianne, zoudt _gij_ met mij lief en leed willen deelen?"

Deze laatste woorden maakten een diepen indruk op het meisje. Balzer, die nooit een overhaast besluit nam, wilde dit ook niet van Marianne; hij gaf haar daarom tijd om over zijn voorstel na te denken.

* * * * *

Marianne werd de vrouw van Balzer. Beiden deden wat in hun vermogen was om elkander het leven gelukkig te maken. Het huis Balthasar Tippel nam in welvaart toe, terwijl het huis Siebold in Hamburg jaarlijks achteruit ging. De jonge Siebold was door eigen schuld arm geworden; zijn moeder was van verdriet overleden; de zaak was te niet gegaan, en het huis stond ledig. Eerstdaags zouden de laatste goederen publiek verkocht worden.

In dezen tijd--het was jaarmarkt te Neurenberg--reed Balzer met zijn vrouw en drie gezonde kinderen in een net wagentje, met twee flinke paarden bespannen, naar de stad. Juist in dezelfde straat, waarin hij eenmaal met zijn ganzen geloopen, en de striemen over het gezicht gekregen had van den jongen Siebold, kwam hem een man in gebogen houding met versleten kleederen en ingevallen oogen tegen. Het was Siebold, die vroeger door zijn baldadigheid en geschreeuw diezelfde straat zooveel keeren in beweging gebracht had. Marianne herkende hem terstond en Siebold dook in elkander, toen hij zijn vroegere dienstbode gewaar werd. Sluw als een dief ontweek hij haar aanblik; Marianne weende bij dit gezicht en deelde haar man deze ontmoeting mede.

"Lieve hemel," zeide zij, "wie had dat ooit gedacht, toen hij mij de baal galnoten, die hij voor muskaatnoten hield, toewierp. Nog maak ik van deze noten de prachtige zwarte schrijfinkt, waarmede gij schrijft, en die wij nu nog aan de eerste kantoren verkoopen."

"Die ongelukkige," antwoordde Balzer op deelnemenden toon. "Zonder zijn toedoen is hij ons geluk bevorderlijk geweest, want had het voorval met de zweep niet plaats gehad, dan had ik u nimmer leeren kennen. Daarom zullen wij ons over hem ontfermen en zien of wij hem uit zijn ellendigen toestand redden kunnen. Willen wij het huis koopen en in de stad gaan wonen?" vroeg Balzer aan zijn vrouw, toen zij met het rijtuig voor het koopmanshuis stonden.

"Neen, o neen," viel Marianne hem in de reden. "Waar zouden wij ons gelukkiger kunnen gevoelen dan in ons lief Dortingen. Neen, neen, en bovendien, het huis van Siebold heeft voor mij geen aangename herinneringen."

"Ik meende het ook niet," antwoordde Balzer op lachenden toon, "ofschoon Neurenberg voor mij altijd iets aantrekkelijks heeft."

Terwijl Marianne met haar kinderen de markt overliepen en verschillende inkoopen in de stad deden, vervoegde Balzer zich bij een beroemd steenhouwer, Pankras Labenwolf genaamd, een leerling van den alombekenden Peter Besiler. Hij vond hem in gepeins verzonken in een leunstoel zitten, terwijl er een voltooide grafzerk, met zinnebeelden van den koophandel versierd, voor hem stond.

"Meester Labenwolf," zoo begon Balzer, na eerst vriendelijk gegroet te hebben. "Ik kom bij u een monumentaal stuk bestellen."

"Hebt gij geld?" vroeg de kunstenaar op niet zeer vriendelijken toon.

"Kent gij mij niet?" vroeg Balzer. "Ik ben Ganzenvriend."

"Al waart gij onze burgemeester in eigen persoon," schreeuwde de kunstenaar, "dan deed ik nog niets voor u zonder eerst geld te zien. Hebt gij den rijken koopman Siebold gekend? Die bestelde mij, eenige jaren geleden, dit gedenkteeken; het moest dienen om op het graf van zijn vader te prijken. Toen het stuk gereed en goed uitgevoerd was, was de rijke Siebold bankroet, en daar staat nu de gedenkzuil renteloos. Als gij wilt kunt gij haar voor den halven prijs koopen."

"Ik dank u," antwoordde Balzer hoofdschuddend. "Ik geloof gaarne, dat het een kunststuk is, maar ik moet geen gedenkstuk hebben voor een begraafplaats, ik wil iets hebben dat vrij en frank op de markt van Neurenberg prijken kan. Het moet tot nut zijn voor menschen en dieren. Maakt uw berekening en ik zal u vooruit betalen."

De beide mannen spraken geruimen tijd met elkander, en nadat zij het over den koop eens geworden waren, voegde Balzer zich weder bij de zijnen, dien hij echter niets van zijn plan mededeelde.

Er verliepen twee jaren. In dien tijd had Balzer gezorgd, dat de jonge Siebold als klerk op een der eerste kantoren te Neurenberg geplaatst was.

Het was weder jaarmarkt en Balzer ging met vrouw en kinderen naar Neurenberg. Hij stalde in de eerste herberg binnen de poort en ging met de zijnen te voet de stad in. Spoedig waren zij op de markt bij de Lieve Vrouwenkerk. Hier stonden een menigte menschen belangstellend te kijken en met elkander te praten. Wat was het, dat daar boven al die hoofden zoo prachtig blonk? Balzer en de zijnen naderden den volksdrom.

"Dat heeft Ganzenvriend laten maken. Ja, het is Ganzenvriend," hoorde men hier en daar roepen.

Met moeite drong Balzer met de zijnen door de menigte. Toen men hem echter herkende, gingen eenige lieden ter zijde om hem vrijen doortocht te verleenen. Marianne en de kinderen begrepen niets van alles wat zij rondom zich zagen. Eindelijk stonden zij voor het meesterstuk.

"Hoe vindt gij dit, Marianne?" vroeg Balzer, terwijl hij haar wees naar een prachtige fontein, die heldere waterstralen om zich heen wierp. Het was een meesterstuk van beeldhouwwerk; boven de fontein stond een jongen met twee ganzen onder de armen. Zoo kwam het, dat iedereen begreep dat Ganzenvriend de gever zijn moest van dit kunststuk.

Diep geroerd sprak Ganzenvriend tot zijn, vrouw en kinderen: "Hier op deze plaats stond ik eens met twee ganzen onder de armen, het was alles wat ik bezat; hier op deze plaats leerde ik vrouw Wimner kennen, die met Gods hulp den grondsteen gelegd heeft, waarop mijn geluk werd voortgebouwd. Uit erkentelijkheid voor al het goede, dat mij in deze stad is te beurt gevallen, heb ik haar dit blijvend gedenkteeken willen stichten. God zij gedankt voor zijn rijke weldaden."

"Leve Ganzenvriend!" klonk het uit duizend monden.

Sedert zijn er driehonderd jaren verloopen. De tijd heeft alle daar aanwezenden naar het graf gevoerd. Hunne graven zijn reeds vervallen, met slijk en modder overdekt en onkenbaar geworden. Maar nog staat de fontein met den ganzenjongen op haar oude plaats; onvermoeid draagt hij zijne ganzen onder de armen, en stralen de heldere waterstroomen, die menschen en dieren verkwikken, over de markt. Er zijn op het gedenkstuk geen lofspreuken of zelfverheffende woorden gebeiteld; dat heeft Balthasar nimmer willen hebben.

De levensgeschiedenis van Ganzenvriend gaat over van geslacht tot geslacht, en nog wordt hij door de ouders den kinderen voorgespiegeld als een toonbeeld van vlijt en spaarzaamheid.

DE HERSTELDE ZIEKE.

Rijke menschen hebben dikwerf, niettegenstaande zij veel geld bezitten, met vele kwalen te doen, waarvan de arme menschen geen begrip hebben. Want het zijn kwalen, die niet in de lucht zitten, maar in de vette schotels en gevulde glazen, in de zachte bedden en in de gemakkelijke stoelen. Zeker Amsterdammer wist daar alles van; den ganschen voormiddag zat hij gemakkelijk in zijn leuningstoel en rookte zijn pijp, als hij er niet te lui toe was, of zat door de glazen naar buiten te staren; des middags at hij zooveel als twee gewone menschen. Den geheelen namiddag besteedde hij met eten; nu koude, dan warme spijzen, niet omdat hij honger had, maar alleen uit tijdverdrijf. Dit hield hij vol tot des avonds, zoodat men eigenlijk niet bepalen kon wanneer zijn middagmaal afgeloopen of zijn avondmaal begonnen was. Als het laatste eindelijk afgeloopen was, vleidde hij zich ter ruste en was zoo vermoeid, alsof hij geheele dagen steenen gestapeld of hout gedragen had. Door deze levenswijze kreeg hij zoo'n dik lichaam, dat hij zich niet bewegen kon. Eindelijk had hij geen lust meer in eten en kon niet slapen; hij gevoelde zich niet goed en was wel niet ziek, maar ook niet gezond. Als men hem sprak, dan had hij 365 kwalen; iederen dag had hij iets anders dat hem kwelde. Hij riep den raad in van alle doktoren, die in Amsterdam waren. Hij slikte alle drankjes, poeders en pillen, waardoor hij den bijnaam kreeg van de wandelende apotheek. Het baatte hem echter niets, want hij volgde den raad niet op, die de geneesheeren hem gaven.

"Wat baat mij al mijn rijkdom," klaagde hij, "als ik een leven slijten moet als een hond; de geneesheeren willen mij voor geld niet beter maken."

Eindelijk hoorde hij, dat er, honderd uren van Amsterdam verwijderd, een geneesheer woonde, die dusdanige kranken volmaakt genezen kon. In dezen man stelde hij vertrouwen en beschreef hem zijn toestand. De geneesheer begreep terstond aan welke kwaal hij lijdende was, en dat geen geneesmiddelen, maar matigheid en beweging hem herstellen moesten. Hij schreef hem daarom een brief van den volgenden inhoud:

_Beste vriend!_

Gij verkeert in een gevaarlijken toestand, maar als gij mijn raad wilt opvolgen, zult gij herstellen. Gij hebt in uw ingewanden een gevaarlijk dier, een lintworm met zeven bekken; dit beest moet ik zelf in bedwang brengen en daarom moet gij bij mij komen.

Maar in de eerste plaats moet ik uw melden: gij moogt niet rijden of varen, maar moet loopende hier heen komen, want anders zou het dier met zijn zeven bekken, even zoo vele darmen beschadigen.

Ten tweede moet gij niet meer eten dan tweemaal daags een bordje groenten, des middags met een stukje vleesch en des avonds met een ei; verder, als gij opstaat, moogt ge een kop bouillon drinken. Eet gij meer, dan wordt de lintworm dagelijks grooter en drukt u de lever in.

Ziehier mijn raad, en als gij dien niet opvolgt, zult gij het volgende jaar de koekoek niet meer hooren. Doet nu wat gij wilt.

Toen de zieke dit vonnis gelezen had, liet hij den volgenden morgen zijn schoenen poetsen en begaf zich volgens het voorschrift van den dokter op weg.

Den eersten dag kroop hij zoo langzaam over den weg, dat een slak hem wel had kunnen bijhouden. Hij was niet in staat de voorbijgangers te groeten of voor een worm te wijken.

Den tweeden en derden dag kwam het hem voor dat de vogels liefelijker zongen dan vroeger, de dauw vond hij zoo aangenaam, de koornbloemen zoo prachtig rood, de menschen, die hem tegen kwamen, waren vroolijker en zelf gevoelde hij zich opgewekter.

Iederen morgen, als hij zijn logement verliet, vond hij de natuur schooner, en ging het wandelen gemakkelijker. En toen hij den achttienden dag ontwaakte in de stad waar de geneesheer woonde, was hij zoo volmaakt gezond, dat hij tegen zich zelve zeide: "Nu had ik toch nooit op ongelegener tijd zoo gezond kunnen zijn, als op het oogenblik dat ik bij den geneesheer zal komen. Als er nu maar iets was dat niet goed was; had ik nu maar pijn in het lijf of in het hoofd, maar ik ben volmaakt gezond."

Toen hij bij den geneesheer kwam, nam deze hem bij de hand en zeide: "Vertel mij nu eens breedvoerig wat u scheelt."

De zieke antwoordde: "Mijnheer de dokter, mij mankeert niets; als gij zoo gezond zijt als ik dan hebt gij redenen om tevreden te zijn."

De geneesheer antwoordde: "Gij hebt wijs gehandeld met mijn raad op te volgen. De lintworm bestaat niet meer, maar zij heeft haar eieren nog achtergelaten; daarom moet gij weder te voet naar huis gaan, en dagelijks een uur lang hout zagen, zonder dat iemand het ziet en niet meer eten dan hoog noodig is, want anders ontwikkelen de eieren zich. Als gij op die manier leeft, kunt gij oud worden."

De rijke vreemdeling antwoordde: "Ik begrijp u, dokter, gij hebt mij een goede les gegeven."

Hij volgde den raad en stierf op 87jarigen leeftijd.

LEVE DE KONINGIN.

Een Engelschman zat reeds een half uur in een hoek van een koffiehuis in een Duitsch dorpje op een tandmeester te wachten; hij beet zich de tanden op elkander van ongeduld, want een dezer veroorzaakte hem geweldige pijn. Eensklaps trad er een pruikenmaker binnen en zette zich bij hem aan tafel neder. Het duurde niet lang of deze wilde een aardigheid hebben. Hij verbeeldde zich, dat de Engelschman niet heel vernuftig en daarbij een vreemdeling in het land was. Hij begon met hem een lang gesprek, waarop de Engelschman niet veel antwoord gaf. Hij hemelde Frankrijk hoog op, vertelde, dat het een buitengewoon rijk land was, en dat men een best paard hebben moest, wilde men het in drie en een half jaar doorrijden. Hij prees den koning en de koningin en riep: "Op hun gezondheid wil ik met u drinken!" Toen zij met elkander geklonken hadden, verscheurde de pruikenmaker de manchetten van zijn overhemd en zeide: "Leve de koningin! Gentleman, gij moet ook uw manchetten verscheuren op het welzijn van de koningin; ik heb ze ook verscheurd."

"Loop heen," riep de Engelschman, "gij hebt zeker een papieren overhemd. Het mijne is nieuw en komt pas van de naaister."