Een vriendelijke morgenstond; De ganzenkoopman van Neurenberg
Part 3
Het ging echter in het armenhuis, waar Balzer verpleegd werd, juist zooals het overal gaat: men duldde niet dat iemand, die door de gemeente onderhouden werd, iets voor zijn liefhebberij er op nahield, en zoo werd het Balzer ook verboden twee ganzen te onderhouden. De goede jongen kon echter niet scheiden van de beesten, die hij innig lief gekregen had.
Door het dorp, waar onze Balzer woonde, stroomde een tamelijk breed water, dat in de naaste rivier uitliep. Het was dus natuurlijk, dat de bewoners van Dortingen, zoo heette het dorp, daarin hunne ganzen lieten zwemmen; het kweeken van deze vogels verschafte aan menigeen een groot deel van hun bestaan.
Nu wilde het toeval dat de persoon, die door het dorpsbestuur aangesteld was om toezicht over de ganzen te houden, een betere betrekking kon krijgen, en alzoo voor den post van ganzenbewaker bedankte.
De molenaarsvrouw, die de edelmoedige daad van Balzer nog niet vergeten was, sprak met de invloedrijke personen van het dorp en maakte dat Balzer benoemd werd tot waker over de ganzen.
Hierdoor raakte het gemeentebestuur uit het armenhuis een wees kwijt, want nu kon Balzer zijn eigen brood verdienen. Het gemeentebestuur ondersteunde gaarne deze zaak, daar het in zijn voordeel was, en tevens maakte het Balzer meer dan gelukkig.
Nu was er niemand die hem beletten kon, om zijn twee ganzen tegelijk met de anderen, zoowel in het water als op de weide te verzorgen.
Hij bond, om alle verwarring te voorkomen, om de nekken en linker pooten van zijn ganzen een rood bandje. Deze voorzorgsmaatregel, door Balzer genomen, was zeer verstandig en bleek spoedig niet overbodig te zijn geweest.
Nu had de knaap gelegenheid en tijd om de natuur, de levenswijs, den aard, de ziekten en kwalen der ganzen te leeren kennen, alsook om te bestudeeren welk voedsel goed of schadelijk voor hen was. Hij was geen luie, gedachtelooze ganzenhoeder; den geheelen dag hield hij zich met de vogels, die aan zijn zorg toevertrouwd waren, bezig, en zeer terecht verwierf hij spoedig algemeen den bijnaam van Ganzenvriend. De vogels betoonden zich dankbaar voor de liefderijke zorg en verpleging, die dagelijks aan hen besteed werd; zij volgden Balzer waar hij ging en bleven altijd in zijn onmiddelijke nabijheid.
Toen de ganzen van Balzer volwassen waren en er gezond en prachtig uitzagen, trachtte een boosaardige dorpsjongen hem zijn eigendom afhandig te maken. Met dit doel had hij de roode bandjes van de halzen losgemaakt en deze om de halzen gebonden van twee magere ganzen, die hem toebehoorden en die hij aldus wilde laten doorgaan voor ganzen van Balzer.
Deze, die door zijn dagelijkschen omgang met de vogels, allen aan hun vederen kende, bemerkte spoedig het bedrog; hij riep de ganzen die hem toebehoorden; deze naderden hem en hadden de lintjes nog om de pooten; hierop had de dief niet gelet en daardoor kwam het bedrog spoedig uit.
Een wreed gevaar bedreigde op nieuw de ganzen van Balzer, en ditmaal was het veel erger.
Onzen ganzenhoeder had dit gemeen met alle jongens van zijn jaren, dat hij des nachts zeer vast sliep, en dat zelfs het gebulder van een kanonschot niet in staat was hem wakker te maken.
Maar, even als een zorgvuldige moeder terstond ontwaakt als haar jeugdige lieveling schreeuwt of als het iets overkomt, zoo ook was het met Balzer; er kon des nachts niets met de ganzen gebeuren of hij ontwaakte; het minste vreemde geluid of de minste onrust onder hen deden hem terstond ontwaken en in de duisternis van zijn legerstede opstaan. Spoedig begaf hij zich dan bij de vogels, verzorgde hen en wist menigmaal door spoedige hulp groote ongelukken te voorkomen.
Op zekeren nacht vernam hij, nadat hij eenigen tijd geslapen had, een onrustige beweging onder zijn kudde; het bed uit te springen was voor hem het werk van een seconde; hij greep in het duister rond, en kwam spoedig tot de ervaring dat er een dief in den stal was; het gelukte hem een vrouw bij de kleeren te pakken, en, wat hij eenmaal vast had, liet hij niet gemakkelijk los. Er ontstond tusschen hem en de diefegge een vreeselijke worsteling; de vrouw sprak geen woord, maar deed alle mogelijke moeite om zich uit de handen van Balzer te bevrijden. Eindelijk gelukte het haar; de rok, waaraan Balzer haar vast hield, scheurde; zij ontvluchtte en de ganzenhoeder bleef met een lap in de handen staan.
Balzer, die gedurende de worsteling om hulp geroepen had, werd spoedig door de buren bijgestaan; zelfs de nachtwacht kwam op het hulpgeschreeuw toeloopen, en had het geluk de diefegge te grijpen, juist op het oogenblik dat zij den stal wilde ontvluchten; de vrouw werd in arrest gebracht en met veertien dagen gevangenis gestraft.
Het werd herfst, de lucht werd dagelijks bewolkt, het gras op de weide groeide niet meer, en alzoo moest er een einde gemaakt worden aan het ganzenhoeden.
De volwassen en vette ganzen gingen den weg op van het vleesch, dat wil zeggen: zij werden gedeeltelijk levend, gedeeltelijk dood verkocht, terwijl slechts een klein gedeelte voor de fokkerij behouden bleef. Balzer moest ook van het geliefd tweetal scheiden; vooreerst omdat hij in de eerste maanden buiten betrekking gesteld werd, en ten tweede omdat er nu geen groen voedsel meer te vinden was.
Op een guren dag in de maand November toog Balzer met zijn twee ganzen naar de stad Neurenberg, die twee uren van het dorp verwijderd lag. In zijn zakken had hij een paar stukken roggebrood en de ganzen droeg hij onder zijn armen. Al wat hij bezat droeg hij bij zich.
Terwijl de ganzen, die volstrekt geen begrip hadden van het treurige lot dat hen te wachten stond, vroolijk heen en weder keken, was het hart van hem die hen droeg, o zoo gedrukt. Hij moest van datgene wat hem het liefst was voor altijd scheiden, en eenzaam den langen somberen winter doorleven. Eerst liep hij langs den weg te weenen, doch eindelijk bemoeide hij zich meer met zijn vogels en sprak hen op troostenden toon toe; hij scheen behoefte te gevoelen hen nogmaals vriendelijk toe te spreken, ofschoon hij zeer goed wist dat zij hem toch niet begrepen.
"Och," zuchtte hij eindelijk, "sterven moeten wij allen--allen zonder onderscheid. Eerst heb ik mijn beste vader en vier weken daarna mijn onvergetelijke moeder zien sterven! Oude menschen _moeten_ sterven, doch somwijlen sterven jonge menschen ook. Niemand wil een oude gans koopen, dus het lot van die arme beesten is, om jong te sterven, daarom moet ik van u scheiden, want nu is uw vleesch nog jong en zacht. Het verdriet om u te zien sterven, zal mij bespaard worden, en als ik veel geld voor u weet te krijgen, dan zal ik in 't voorjaar in staat zijn weder eenige jonge ganzen te koopen."
Zoo denkende en pratende, naderde Balzer eindelijk den Vrouwentoren te Neurenberg. Hij liep de brug, die over de stadsgracht voerde, over, en naderde de hoog gewelfde poort, die hij spoedig achter den rug had. Eensklaps hoorde hij achter zich geweldig luid roepen: "Hé, knaap! Wilt gij eensklaps uw ganzen zien verbeurd verklaard, of wilt gij eerst marktgeld betalen?"
"Marktgeld!" antwoordde Balzer, die niets van deze woorden begreep en den stadsportier, die tevens het ambt van commies vervulde, verwonderlijk aanstaarde.
"Ja, marktgeld," antwoordde de commies, terwijl hij de open hand naar hem uitstrekte. "Een kreutzer voor iedere gans."
"Ik heb geen geld," antwoordde Balzer met bevende stem.
"Maak dan maar spoedig dat gij weêr buiten de stad komt," hernam de commies, "en gaat van waar gij gekomen zijt."
"Niet zoo driftig, mijnheer," antwoordde Balzer op smeekenden toon. "Ik ben een arme wees, en bezit niets dan deze twee ganzen, die ik gaarne in de stad zou willen verkoopen."
"Dat gaat mij allemaal niet aan," grauwde de man hem toe. "Al waart gij de eigen zoon van den keizer, dan zoudt gij toch moeten betalen. Daarvoor is Neurenberg een vrije rijksstad en stelt zich tevreden met een onnoozelen kreutzer van iederen gulden die het landvolk hier in de stad draagt."
"Ik wil u die twee kreutzers gaarne betalen," antwoordde Balzer, "als ik weder de stad verlaat en mijn ganzen verkocht heb."
"Ja, dan moest ik wel een ezel zijn," hernam de commies op lachenden toon, "als ik mij met zulke praatjes liet afschepen. Dus komaan, betaal wat gij schuldig zijt, of..."
"Ik heb ze niet," antwoordde Balzer, "maar zijt gij tevreden als ik u mijn buis als pand achterlaat?"
"Dat buis?" antwoordde de man, terwijl hij het kleedingstuk met een verachtelijken blik aanzag. "Wel, het ziet er kakelbont genoeg uit; allerlei lappen, het heeft wel iets van de landkaart van het Duitsche rijk. Ik zal het wel laten om dat oude ding in mijn handen te nemen. Voort, jongen, maak dat je weg komt."
Balzer stond bitter te weenen. Een fruithandelaar, die oor- en ooggetuige geweest was van hetgeen er tusschen Balzer en den commies had plaats gehad, riep den knaap bij zich in den winkel. "Hier hebt gij twee kreutzer," zeide hij op deelnemenden toon tot den knaap. "Maar gij moet mij uw buis tot pand achterlaten; er wordt tegenwoordig zooveel bedrog gepleegd, dat men niemand meer kan vertrouwen, en ik kan de twee kreutzer ook niet missen."
Balzer zette de twee ganzen op den grond, trok zijn buis uit en overhandigde het onder dankbetuiging aan den fruithandelaar. Hij betaalde de twee kreutzer aan den commies, die, zonder verder een woord te spreken, weder op zijn stoeltje in de poort ging zitten. Daarna nam Balzer de ganzen onder den arm en ging met een beklemd hart naar de markt.
Veel nieuws was hier voor onzen jeugdigen koopman te zien. Niet ver van een prachtige kerk verwijderd, zag hij een sierlijk bewerkte pomp, die haar heldere waterstralen uit gebeeldhouwde koppen te voorschijn bracht.
Onze voorvaderen rekenden onder de heerlijkste voortbrengselen der natuur het water als een reine stof, en bouwden daarom rijk versierde gedenkzuilen, waaruit zij het volk van water voorzagen. Dit is de reden dat men nog in vele oude steden zulke prachtige fonteinen en pompen op de markten ziet.
Ofschoon Balzer geen kunstkenner was, voelde hij zich toch bizonder aangetrokken tot dat gedenkstuk. Eerst liet hij zijn ganzen drinken, laafde toen zich zelf en deelde daarna zijn brood met zijn twee lievelingen. Toen zocht hij een plaats dicht bij de pomp op en bleef daar staan met onder iederen arm een gans; zijn aandacht was onverdeeld gevestigd op de heldere waterstralen der pomp en op de steeds aangroeiende menigte op de markt.
Geruimen tijd stond Balzer op zijn plaats, steeds te wachten of er een kooper voor zijn ganzen zou komen opdagen. Het scheen alsof niemand eenige attentie had voor den ongeoefenden koopman, die zijn ganzen al vaster en vaster tegen zich aandrukte om ze te verwarmen. Eindelijk liep een welgekleede burgervrouw met een mand aan den arm op hem toe.
"Wat kost zoo'n gans?" vroeg zij, terwijl zij de vogels bevoelde.
"Vijf en twintig kreutzer!" antwoordde Balzer, terwijl hij alle moeite deed om zijn waar aan te prijzen. De vrouw antwoordde niet, nam dan de eene en dan de andere gans in de hand, woog en bevoelde ze, en zeide eindelijk: "Ik houd niet van loven, dus kort en goed, ik geef u een blanken gulden."
Zij haalde het groote geldstuk uit haar beugeltas en hield dat den knaap voor de oogen.
"Doe er nog twee kreutzer bij," antwoordde hij met bevende stem, "die zijn voor het marktgeld dat ik heb moeten betalen."
De vrouw keek met doordringende blikken den knaap aan en haalde nog twee kreutzer uit haar tas. "Ziedaar," antwoordde zij, "maar dan moet gij de ganzen te huis brengen, ik woon hier niet ver van daan."
"Dat wil ik gaarne doen," antwoordde Balzer.
Onder het loopen vroeg de vrouw, waarom hij in November zoo ligt gekleed was. De knaap vertelde haar zijn wedervaren en tevens eenige van zijn verdere lotgevallen. De vrouw had medelijden met den armen knaap en gaf hem, toen zij te huis gekomen was, een buis, dat er veel beter uitzag dan dat hetwelk hij verpand had. Daarna zette zij hem een kom warme soep voor, die hem zoo lekker smaakte als hij ooit iets geproefd had. Eindelijk kwam de heer des huizes uit zijn winkel, waar hij verschillende koopwaren verkocht, in de kamer.
"Gij hebt ganzen gekocht, Barbaratje," zeide hij, "gij weet toch, dat er zijn die slechte schachten in de vleugelen hebben." Dit zeggende, trok hij een paar veeren uit de vleugelen en vergeleek deze met de veeren pen, welke hij achter het oor had. "Ziet gij," vervolgde hij, terwijl hij minachtend de schachten op den grond wierp, "zij zijn veel te zwak en te week, ik heb veel liever bereide Hamburger pennen."
"Bereide?" vroeg Balzer verwonderd, "kan men ganzenpennen bereiden? Hoe gaat dat?"
"Alles wordt bereid wil het goed bruikbaar worden," antwoordde de koopman, "leder, hout, ja, mensch en dier, tot zelfs de geweren voor de soldaten." Daarna vertelde hij den knaap, op welke wijze versche ganzenvederen tot bruikbare schrijfpennen gemaakt worden. Toen hij van Balzer vernam, dat deze het geld, dat hij voor de ganzen ontvangen had, tot het voorjaar wilde bewaren om er dan weder jonge voor te koopen, vond hij dit voornemen zeer goed. "Maar," zeide hij, "als ik in uw plaats was, zou ik dat geld niet zoolang doelloos laten liggen, maar ik kocht daarvoor eenige kleine koopwaren, voorwerpen, die het boerenvolk altijd gebruiken kunnen en die zij altijd uit de stad moeten halen; bijvoorbeeld: garen, band, naai- en breinaalden, leien en griffels, vragenboeken en dergelijke zaken. Ik handel in die artikelen en wil ze u voor billijken prijs verkoopen. Gij moet met een kleine winst tevreden zijn, dan hebt gij kans, dat gij uw gulden, vóór den winter verstreken is, tot drie of vier gulden vermeerderd ziet."
Dit voorstel stond Balzer Tippel bijzonder goed aan en hij nam het voorstel gretig aan. Beladen met zijn nieuwe koopwaren, nam hij den terugtocht aan; eerst loste hij zijn buis, dat hij verpand had, weder in, en had de zelfvoldoening door den koopman een eerlijken jongen genoemd te worden. In plaats van nu den geheelen dag in ledigheid door te brengen, (scholen bestonden er toen op de dorpen nog niet, ons voorval heeft plaats gehad in het jaar 1548) liep Balzer met zijn koopwaar van het eene dorp naar het andere. Daar zijn waar uit benoodigdheden bestond en niet te hoog in prijs waren, was hij spoedig uitverkocht en moest hij op nieuw naar den koopman Wormser, in Neurenberg, om nieuwe voorraad op te doen.
Balzer leefde zoo zuinig mogelijk, en daar hij in de wintermaanden nog eenige ondersteuning uit de gemeentekas ontving, had hij bijna niets van zijn verdiensten uit te geven. In dien tijd bestond er nog wat meer gastvrijheid dan tegenwoordig, zoodat het menigmaal gebeurde, dat Balzer bij een boer ten eten gevraagd werd of een nachtverblijf bekwam, zonder dat hij er iets voor behoefde te betalen. Toen het voorjaar aangebroken was, nam hij weder het ambt van ganzenhoeder bij de hand, en toen het weder herfst was voerde Balzer vier paar vette ganzen, die onbezwaard en zijn eigendom waren, naar de markt te Neurenberg. Zoo verliepen er eenige jaren, waarin Balzer door vlijt, spaarzaamheid en overleg, zijn inkomen zag vergrooten.
Eindelijk had hij zijn post van ganzenhoeder neergelegd en een onbewoonde hut met den daaraan grenzenden tuin gehuurd, waarin hij woonde en zijn koopwaar borg. Hij was nu niet meer de arme ganzenhoeder, die bij de vogels in den stal sliep, maar een knappe, flinke jongeling, die door rijken en armen gaarne werd ontmoet.
Op zekeren dag in de maand Augustus dreef Balzer Tippel een kudde vette ganzen voor zich op den landweg, die naar Neurenberg leidde, uit. Onder luid gesnater dreef hij een honderdtal vogels voort, terwijl zij, die aan den buitenkant liepen, zich te goed deden aan het gras dat langs den weg groeide.
Vier jonge heeren uit den deftigen stand reden op prachtige paarden de poort van Neurenberg uit den troep tegemoet. Toen de voorste den troep ganzen gewaar werd, gaf hij zijn paard de sporen, zoodat dit begon te steigeren, waarna het in wilden draf door de ganzen heen reed.
Dit heldenstuk kostte aan drie ganzen het leven en aan eenige anderen gebroken pooten of vleugels, terwijl zij, die ongedeerd bleven, angstig heen en weder vlogen.
Toornig over deze behandeling, liep Balzer naar hem toe, die aanleiding gegeven had tot dit ongeval, om hem zijn misdrijf onder het oog te brengen en schadevergoeding te vragen.
In plaats van antwoord ontving hij een slag met de zweep over zijn aangezicht, terwijl de ruiter hem toeriep: "Uit den weg, ganzenlummel!"
Terwijl Balzer bedremmeld en weenende van pijn daar stond, vervolgden de ruiters, voldaan over hunnen wreedaard, in vliegenden galop hun weg.
Eindelijk verzamelde Balzer de doode en gewonde vogels, terwijl hij de verstrooide weder tot rust trachtte te brengen; gelukkig voor hem ondervond hij hierbij de hulp van een paar jongens, die ooggetuigen geweest waren van het wreede schouwspel. Daarna ging hij naar een fontein en verkoelde zijn aangezicht, dat brandend heet was van de bekomen slagen.
Hierna begaf hij zich naar een stalhouder, waar hij zijn vogels in verzekerde bewaring gaf en liep toen de stad in, om te weten te komen waar de wreede ruiters te huis behoorden en hoe hunne namen waren. Om hierin te slagen liep hij naar den fruithandelaar, die hem de twee kreutzers geleend had en met wien hij na dien tijd altijd kennis gehouden had.
"Vrouw Mertens," vroeg Balzer, nadat hij de vrouw vriendelijk goeden morgen gewenscht had, "hebt gij hier ook vier ruiters voorbij zien rijden?"
"Ja zeker," antwoordde zij, "het waren allen vier zonen van groothandelaars uit de stad, jongens, die alles verzwelgen wat hunne vaders verdiend hebben. De ergste van allen is de jonge Siebold, die nu vier weken geleden zijn vader heeft helpen begraven. In plaats van de voetsporen van zijn vader te volgen, mishandelt hij zijn onderhoorigen en leidt een verkeerd leven; zijn moeder, die alle mogelijke zorg aan zijn opvoeding heeft besteed, heeft niets over hem te zeggen en moet zich naar zijn grillen schikken. Nu, het gevolg is dat hij niets doet dan geld verteeren en uitgaan."
Nadat Balzer uitgelegd had hoe de wreedaard er uitzag en gekleed was, moest dat Siebold geweest zijn. Balzer begaf zich naar diens woning.
Hier moest hij over balen en kisten springen om aan den ingang te komen, die hem toegang tot een trap gaf, welke hem den weg naar de keuken deed vinden, waarin zich twee meiden en een net gekleede jongejuffrouw bevonden. Balzer was in bijna alle groote huizen bekend als de ganzenhoeder; het was dus niets vreemds, dat de jongejuffrouw, die een arme verre bloedverwant van het huis Siebold was, naar hem toeliep met de woorden: "wij hebben heden niets noodig, want, zooals gij ziet, wij zijn reeds voorzien."
Dit zeggende, wees de jongejuffrouw met haar vingers op een blank geschuurden schotel, waarop vier prachtige vette ganzen gereed lagen om te worden gebraden.
Voor een oogenblik vergat Balzer zijn leed; als een echte liefhebber en met het oog van een kenner liep hij naar de ganzen; hij onderzocht den ouderdom, de hoeveelheid vet, de dikte der lever, en kwam tot het besluit, dat de laatste vogel het beste was. Nog zelden had hij zulke mooie en prachtig schoongemaakte ganzen gezien.
"Hebt gij deze ganzen zelf gefokt en geslacht?" vroeg hij op vriendelijken toon aan de jongejuffrouw.
"Wel zeker," antwoordde zij.
"Geslacht ook?" herhaalde Balzer.
"Ja," antwoordde het meisje, "het is geen prachtig werk om een gans den hals om te draaien, maar ik doe het liever zelf, dan het aan anderen over te laten, die de arme dieren somwijlen noodeloos martelen."
Eindelijk vertelde Balzer zijn wedervaren en toonde, als bewijs van de waarheid, de striemen op zijn gezicht. Het meisje had hem met belangstelling aangehoord; zuchtend antwoordde zij: "dat is een slechte streek." Daarna keerde zij zich om en kwam spoedig terug met een potje zalf. "Daar," zeide zij, "smeer uw wonden met deze zalf in, in dien tijd zal ik naar mijn tante gaan, haar het gebeurde vertellen en schadevergoeding voor u vragen."
Toen zij weg was, wilde Balzer weten wie deze jongejuffer was. De beide dienstmeiden prezen haar zeer en verafschuwden den jongenheer.
"Mijn tante," luidde het antwoord van de jongejuffer, toen deze weder in de keuken verscheen, "kan het verhaal, zooals gij het vertelt, nog niet geheel gelooven; zij wil er eerst met den jongenheer over spreken, en vraagt of gij na den middag zoudt willen terugkomen?"
Toen Balzer eenige uren later weder in de keuken verscheen, zag hij het jonge meisje met de handen onder het hoofd aan een tafel zitten. Het meisje schrikte geweldig, toen zij eenige oogenblikken later het hoofd ophief en Balzer zag staan wachten. Met tranen in de oogen zag zij hem aan en zeide: "Ganzenvriend, (onder een anderen naam was Balzer in Neurenberg niet bekend) gij komt in vele huizen en bij vele familien, weet gij niet een dienst voor mij? Ik zie niet tegen werken op, maar nooit wil ik weer in een dienst zijn, waar een jongenheer in huis is. Loon heb ik niet noodig."
"Op het oogenblik weet ik geen betrekking voor u," antwoordde Balzer, "maar ik wil wel eens voor u uitkijken, misschien weet ik binnen eenige dagen wel iets voor u."
"Hier is," vervolgde Marianne, terwijl zij den ganzenkoopman een zakje met geld ter hand stelde, "het geld voor de ganzen, die gedood en beschadigd zijn."
Na zich eenigen tijd bedacht te hebben, nam Balzer het geld aan. "Het was mij," zeide hij, "minder om het geld te doen, dan wel, dat ik wilde dat de jongeheer voor zijn baldadigheid gestraft werd. Mijn plan was, hem voor het gerecht te laten komen, maar om u geen verder verdriet te doen, zal ik het er nu bij laten."
Een week later verscheen Balzer weder in de keuken van mevrouw Siebold. "Ik heb," zeide hij, na Marianne vriendelijk gegroet te hebben, "een dienst voor u, maar zij is op het platteland, twee uren van hier."
"Dat is mij onverschillig," viel Marianne hem in de rede.
"Men biedt u twintig gulden loon per jaar, benevens kost en inwoning," vervolgde hij.
"Te veel, dat is veel te veel," riep het meisje. "Ik heb om geen loon gevraagd. Waar woont die milde heerschap?"
"Het is geen heerschap," antwoordde Balzer, "maar slechts een landman. En dat moet ik er u bijzeggen: er moet flink gewerkt worden; voor twintig gulden loon kan men ook iets vorderen."
"Ik werk gaarne," antwoordde Marianne, "deze beide dienstmeiden en zelfs mijn tante Siebold zullen moeten erkennen dat ik nooit met de handen in mijn boezelaar gezeten heb."
"Dat hoor ik gaarne," zeide Balzer, "want ik zou gaarne met mijn aanbeveling eer in leggen."
"Welnu, zeg mij dan," vervolgde Marianne, "waar het is en hoe de naam van den boer is, opdat ik een en ander aan tante vertellen kan."
"Het dorp heet Dortingen," antwoordde Balzer kalm, "en de naam van hem, die u huren wil, is Balthasar Tippel, hier in Neurenberg bekend onder den naam van Ganzenvriend."
"Lieve Hemel! Gij?" riep Marianne, door deze inlichting getroffen. "Spot gij nu met een arme wees?"
"Volstrekt niet," antwoordde Balzer op ernstigen toon, "het is zooals ik u gezegd heb."
"Maar gij zijt," vervolgde het meisje, terwijl een roode kleur haar wangen verfden, "nog een jongmensch, en ik heb u toch vooruit mijne bedenkingen gemaakt."
"Ik ben dertig jaren oud," vervolgde Balzer lachende, "daarbij ben ik geen jongenheer en ook weinig te huis. Bovendien, ik schenk u niet weinig vertrouwen, iets dat ik hoop dat door u gewaardeerd zal worden. Ik oefen in Dortingen een winkel uit in kramerijen, die door u gedreven moet worden. Zijt gij oneerlijk--iets dat ik niet geloof--dan kunt gij mij langen tijd benadeelen zonder dat ik er iets van bemerk. Denk over mijn voorstel na, totdat ik over drie dagen terugkom. In dien tijd kunt gij naar mij onderzoeken; verneemt gij iets in mijn nadeel, dan moet gij het mij openhartig zeggen, en kan ik het niet met grond tegenspreken, welnu, dan hebt gij verder niets met mij te maken."