Een vriendelijke morgenstond; De ganzenkoopman van Neurenberg
Part 2
"De geheimraad Hänel laat dikwerf naar uw toestand vragen," zeide op zekeren dag Gotthelff.
"Hij zal den geneesheer betalen," vervolgde Liesbet.
"De vrouw van den geheimraad," liet Gotthelff er op volgen, "zal, zoodra de geneesheer het toestaat, voor u versterkende middelen gereed maken."
"De geheimraad heeft het goed met u voor," zeide Liesbet lachende.
"De lastige steenen paal is nu voor de deur weggenomen," hernam Gotthelff.
"Waarlijk?" riep Liebel op opgeruimden toon. "Daarin ziet gij al weêr, dat uit het kwade iets goeds geboren wordt. Nu kan er niemand meer op die plaats struikelen of het moet glad op straat zijn."
Drie weken later was Liebel zoover hersteld, dat hij, ofschoon te bed liggende, de drie kinderen kon onderwijzen, kleine geschiedenissen vertellen of met hen spelen. Weder drie weken later kon hij het bed verlaten en, met behulp van een stok, zijn kamertje op en neder loopen. Tot zijn groote vreugde kwam hij tot de ontdekking, dat zijn been niet verzwakt of te kort geworden was, zoodat hij volstrekt niet mank liep.
Met ongeduld verwachtte hij de dagelijksche komst der drie kinderen, om hen voor den eersten keer loopende tegemoet te komen en hen deelgenoot te zien van zijn vreugde. Er kwam echter niemand. Er was iets voorgevallen dat, zoo het zich eerst liet aanzien, noodlottig voor vele menschen zou afloopen. De bankier Meier had zich naar de tuinmanswoning begeven, omdat daar in de nabijheid een voorraad brandhout lag, die door den aanhoudenden winter zeer verminderd was; nu wilde hij zijn voorraad eens overzien. Terwijl hij hiermede bezig was, vernam hij in zijn onmiddelijke nabijheid het lachen en tieren van eenige kinderstemmen, die achter het gebouw speelden. Op het geluid af loopende, zag Meier twee jongens en een meisje, die zich bezig hielden met sneeuwballen gooien, en in het vuur van hun spel de komst van den gevreesden huisheer niet bemerkten. Hij zag spoedig, dat een der knapen en het meisje kinderen waren van den huisbewaarder; de tweede knaap met roode wangen, die lustig bezig was zich tegen de twee andere kinderen te verdedigen, herkende hij niet.
Meier had zijn pleegkind slechts zelden en dan nog altijd in de benauwde kamer gezien, waar hij wezenloos en stil op een stoel zat; daarom dacht hij in den beginne een vreemd kind voor zich te zien.
Toen de kinderen eindelijk de tegenwoordigheid van den gevreesden huisheer bemerkten, staakten zij eensklaps hun spel.
Verschrikt lieten zij de sneeuwballen uit de handen vallen en stonden onbewegelijk als zoutpilaren. Theodoor liet het hoofd op de borst zinken; het rood van zijn wangen verdween en werd vervangen door doodelijk wit, angstig keek hij naar den grond.
"Is het mogelijk!" riep Meier verrast uit, "gij, Theodoor, hier?"
Men kon het den bankier aanzien, dat hij verrast was over de verandering, die er met den knaap had plaats gehad. Eerst straalde hem de vreugde uit de oogen, doch op hetzelfde oogenblik beheerschte hem zijn kwade luim. Hij herinnerde zich de bevelen die hij vroeger gegeven had, en op den hem eigen onaangenamen toon vervolgde hij: "Gij hier op dezen natten grond, met kleeren die nat van de sneeuw zijn; wie heeft u toestemming gegeven om de kamer te verlaten, en zonder mijne toestemming hier te spelen? Spreek, jongen."
"Ik ben uit eigen beweging hier heen gegaan," sprak Theodoor op vrijmoedigen toon.
"En waar is vrouw Wimner?" vervolgde Meier.
"Toen zij even de kamer verlaten had, ben ik haar gevolgd."
"Het is niet waar," viel Gotthelff in de rede; "wij hebben Theodoor afgehaald om hier te turnen, en daarop is dit spelletje gevolgd."
"Te turnen," riep Meier op spottenden toon. "Allerliefst! wat weten zulke domme kinderen van turnen!"
"Heel veel," antwoordde Liesbet op beslisten toon, "meester Liebel heeft..."
"Stil!" riep Gotthelff gebiedend.
"Wat is er met den ouden schoolmeester?" vroeg Meier.
"Hij kan ons geen les geven, omdat hij met een gebroken been te bed ligt," zeide Liesbet, "en daarom..."
"Hebben wij vrije tijd," vervolgde Gotthelff, "en daarom hebben wij met elkander geturnd."
"Ik zal die zaak ernstig onderzoeken," sprak Meier, "maar wee degeen, die van dit alles de schuld heeft."
"Wij alleen hebben schuld," riep Gotthelff.
"Dat zullen wij zien,"--hernam Meier. "Marsch, jongen, vooruit naar je kamer, en wee u, als gij buiten mijn toestemming er weêr uitkomt."
Theodoor gehoorzaamde zonder een woord tegen te spreken. Gotthelff en Liesbet daarentegen vertelden alles wat er voorgevallen was aan hunne ouders.
Liebel wachtte nog altijd op de kinderen. Eindelijk ging hij weder liggen en verdiepte zich in gissingen over het onverwachte wegblijven. Eindelijk kwam Golberg, die er buitengewoon ernstig uitzag.
"Waarom zijn de kinderen niet gekomen?" vroeg Liebel.
"Ik weet niet of ik u de oorzaak zeggen wil," antwoordde Golberg, "er is iets onaangenaams voorgevallen, en ik vrees, dat als ik u het vertel, deze geschiedenis nadeelig op uw herstel zal werken."
"Vooruit er mede," zeide Liebel, "de onzekerheid pijnigt meer dan de wetenschap."
Golberg vertelde alles wat er voorgevallen was. "De bankier heeft alle knechts en meiden streng ondervraagd, en de uitslag hiervan is geweest, dat wij drieën, gij, vrouw Wimner en ik, de hoofdoorzaak van alles zijn. Vrouw Wimner moet terstond het huis uit; ik met het einde der maand, en wat mijnheer Meier met u doen zal weet ik niet."
Liebel schrikte geweldig. "Wij hebben," zeide hij, "eerder een belooning dan straf verdiend, maar we hebben niet gedacht aan het booze humeur van een tiran. Ik ben de oorzaak van het leed, dat vrouw Wimner en u aangedaan wordt. Wat nu te doen, om dat kwaad goed te maken?"
"Heb voor mij en de mijnen geen zorg, meester," vervolgde Golberg. "Reeds lang heb ik plan gehad om iets anders te zoeken en dan voor de betrekking van huisbewaarder te bedanken. Mijn vrouw en ik zijn voornemens een kruidenierswinkel op te richten; het noodige geld daarvoor ontbreekt ons echter. Ik heb al eenige keeren moeite gedaan om geld te krijgen, maar er is niemand te vinden, die zonder een goed onderpand geld geven wil. Maar nu de zaken zoo staan, zal er mogelijk wel een menschenvriend zijn die ons helpen wil. Vrouw Wimner beklaag ik volstrekt niet; zij mag blijde zijn uit een dienst ontslagen te worden, die waarlijk niet veel beter dan een gevangenis is. Alleen beklaag ik Theodoor; op dien kan de wreede bankier zich wreken."
Toen Golberg vertrokken was, raadpleegde Liebel met zichzelven. "Golberg," zeide hij, "heeft zich als een echte Samaritaan voor mij gedragen, bij mijn ziekbed gewaakt en mij trouw verpleegd. Het is door mijn toedoen dat zij hunne betrekking verliezen. Evenzoo vrouw Wimner. Het is dus niet meer dan plicht dat ik zooveel mogelijk hulp verleen. Ach, als ik nu maar kon of durfde uit gaan!"
Zes dagen later gaf de heelmeester hiertoe zijn toestemming. Liebel strompelde het huis uit, nadat hij uit een gesloten lade een klein voorwerp, dat in papier gewikkeld was, had gehaald en in zijn jaszak gestoken.
Het werd avond, maar de meester kwam niet te huis. Daarentegen liep door de stad het praatje, dat de oude meester Liebel door de politie gearresteerd was, omdat hij bij een der juweliers een gouden snuifdoos, met brillanten omzet, had te koop aangeboden, en dat dit voorwerp reeds lang als gestolen bij de politie was aangegeven. Het gerucht was waarheid. Liebel zat tusschen vier muren, in een somber hok, dat slechts enkele stralen daglicht toeliet en waarin zich niets dan een stroozak, om op te leggen, bevond. Hij trok zich zijn lot echter niet aan; integendeel, hij was vroolijk en tevreden. "Er hebben," prevelde hij, "vóór mij meer menschen onschuldig gezeten." Hij ging in gedachten na, hoeveel personen uit de geschiedenis onschuldig gevangen waren geweest, en eindigde zijn overdenking met het bekende lied:
Wees trouw en eerelijk tot aan uw laatsten dag,
en toen hij aan den volzin kwam:
Dat zingt gij bij de waterkruik, alsof het nektar was,
staakte hij zijn gezang, terwijl hij lachend uitriep: "Daar staat werkelijk een waterkruik. Kom, ik wil eens proeven of de inhoud naar wijn smaakt. Ik hoop maar dat men mij tegen den avond wat eten brengt."
Toen Golberg het vreeselijke nieuws vernomen had, vloog hij naar den geheimraad Hänel, en vroeg of deze de voorspraak zijn wilde voor den meester. De heer Hänel was hiertoe terstond bereid.
Toen Liebel den volgenden morgen in 't verhoor genomen werd, verklaarde hij, dat hij, nu ruim vijf-en-twintig jaar geleden, den tegenwoordigen vorst les gegeven had in de latijnsche en de grieksche taal, en dat hij toen, tot belooning daarvoor, de gouden doos met brillanten omzet, waarop het jaartal gegraveerd was, van den vorst ontvangen had. Hij had de doos nooit gebruikt, omdat hij niet snoof, en haar bewaard, totdat hij de geldswaarde noodig had, en daar zich dit geval nu voordeed, had hij besloten de doos te verkoopen.
Toen Liebel dat verhaal gedaan had, werd het verslag daarover den geheimraad Hänel ter hand gesteld. Deze was een vertrouwde van den vorst, en deelde hem het gebeurde mede.
"O ja," zeide de vorst, "ik herinner mij nog zeer goed mijn leermeester in de doode talen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik de lessen van hem kreeg, die mij toegang tot de universiteit gaven. Het was een best mensch, die meester Liebel; en dat ik hem, bij de vele staatszorgen, geheel vergeten heb, is zijn eigen schuld, daar hij nooit weder iets van zich heeft laten hooren. Ik herinner mij ook zeer goed, dat mijn overleden vader hem een gouden doos ten geschenke gegeven heeft. De hofjuwelier Schrödel zal daarover wel nadere inlichtingen kunnen geven, want bij hem werden alle dergelijke geschenken gekocht."
Toen de doos den juwelier werd voorgelegd, bekeek hij haar nauwkeurig, want hij had de gewoonte om ieder stuk, dat bij hem vervaardigd was, een geheim teeken te geven--dit vond hij ook op deze doos. Daarna sloeg hij zijn boek op, waarin vermeld stond den tijd van aflevering, den naam aan wien zij gezonden was, als ook den prijs wat zij gekost had. Alles sloot met hetgeen door den meester gezegd was.
"Ik heb," zeide de juwelier, "veel dusdanige doozen aan ons hof geleverd; dus, als al de eigenaars als dieven worden opgepakt, dan kan de gevangenis spoedig goed bevolkt zijn."
Liebel was weder naar zijn cel gebracht, doch spoedig vernam hij eenige naderende voetstappen. De grendels werden van de deur weggeschoven, en, gelijk met den gevangenbewaarder, stormde de huisbewaarder Golberg met vrouw en kinderen binnen. Allen drukten en kusten de handen van den meester.
Golberg riep: "beste mijnheer Liebel, uw onschuld is erkend, de geheimraad, die mij deze heuchelijke tijding heeft medegedeeld, zal op het oogenblik hier zijn, om u met eer uit dit ellendige hol te voeren."
"Hoe is het mogelijk," vroeg vrouw Golberg, "dat men u voor een dief heeft kunnen houden? Het is verschrikkelijk!"
"Och," antwoordde Liebel op zachten toon, "deze nieuwe beproeving zal ook alweer noodig geweest zijn. Van heden af zal ik ten minste de vrijheid nog meer waardeeren dan vroeger. Drie zaken heb ik zeer ontbeerd: de vriendelijke zonnestralen, mijn boeken en uw lekkere koffie, vrouw Golberg. Dezen morgen werd ik onthaald op een watersoepje. Die wilde er niet best in; wel zong ik met heldere stem: "Dan zingt gij bij de waterkruik alsof het nektar was,"--maar ik meende het toch niet. Dat water heeft mijn maag bedorven."
"Als gij bij ons komt," zeide vrouw Golberg, "dan zal ik u een kop koffie gereed maken, zooals gij nog nooit gedronken hebt. Een lood koffie voor twee kopjes en daarbij een lekker broodje uit de koninklijke bakkerij. Wat zou Theodoor gaarne met ons hier heen gegaan zijn, maar de arme jongen zit insgelijks gevangen."
"Dat arme kind," zuchtte Liebel, "God zegene hem."
Het binnenkomen van den geheimraad brak het gesprek af.
"Zwaar beproefde man," zoo ving deze aan, "verlaat met mij deze verschrikkelijke plaats. De vorst wacht u; hij is bereid u een schitterende voldoening te geven."
"Wie?... ik? ik zou met deze slechte kleêren, die nog naar de gevangenis ruiken, voor den vorst verschijnen? Neen, dat gaat niet."
"Kom, volg mij," riep de geheimraad, terwijl hij den tegenstrevenden meester met zich trok, "het rijtuig staat op u te wachten."
Het was een rijk vergulde hof koets, waaromheen zich een nieuwsgierige volksmenigte geschaard had. Toen de meester, door twee hoflakeien gevolgd, het rijtuig instapte, zag hij niets dan vroolijke en opgeruimde gezichten. Toen de vurige paarden het rijtuig in beweging brachten, hoorde hij achter zich het volk aanheffen: "hoera, hoera! leve meester Liebel--hoera!"
"Droom of waak ik?" vroeg Liebel, terwijl hij zich op het zachte kussen heen en weder liet schommelen, "ben ik eensklaps zoo'n belangrijk persoon geworden?"
De vorst ontving lachende zijn vroegeren leermeester. "Beste Liebel," zoo sprak deze hem aan, "ik moet beginnen met u te beknorren, omdat gij nooit weer zijt komen omkijken naar uw ouden leerling. Waarom zijt gij nooit bij mij geweest? Waarom hebt gij niet gedongen naar den titel van professor? Mijn invloed zou u ten dienste gestaan hebben."
"Genadige vorst," antwoordde Liebel, "ik weet dat uwe doorluchtigheid dagelijks met verzoekschriften overstelpt wordt, en aangezien ik door het geven van lessen in mijn onderhoud heb kunnen voorzien, zoo vond ik geen vrijheid het aantal verzoekschriften met nog een te vermeerderen."
"Als alle menschen zoo bescheiden waren," antwoordde de vorst. "Maar nu, wat wilt gij? Een hoogere betrekking bij het onderwijs, of de betrekking van bibliothecaris aan de hoogeschool? Of wilt gij liever in de residentie blijven? In dat geval heb ik ook nog wel een betrekking voor u. De custos van onze bibliotheek heeft zijn ontslag aangevraagd en deze post is nog niet begeven. Er is aan verbonden een jaarwedde van 500 thaler en geeft u bovendien nog veel vrije tijd. Wat wilt gij?"
"Ach, uwe doorluchtigheid, welk onverwacht geluk! Ja, de boeken, de boeken, dat is mijn element. Hoe gelukkig zal ik mij gevoelen als..."
"Goed," zeide de vorst, "bij deze benoem ik u tot mijn hofbibliothecaris, en tevens ontvangt gij hier ten tweede maal uit mijn hand de snuifdoos. Gebruik haar minstens nog een vijfentwintigtal jaren."
De vorst vermaakte zich met den hoogst gelukkigen Liebel. Eindelijk trad de geheimraad naar hem toe, en voerde hem weder naar het rijtuig, dat hem naar zijn woning bracht.
"Wat heb ik gehoord," zeide de geheimraad, "snuift gij niet? Ik daarentegen ben een hartstochtelijk snuiver, wees zoo goed en laat mij het eerste snuifje uit de koninklijke doos hebben."
Liebel haalde de doos uit den zak, die veel zwaarder was dan vroeger. Toen hij het deksel oplichtte, glinsterden hem, tot den rand der doos toe, nieuwe dukaten tegen.
"Dat is sterke snuif," riep de geheimraad op lachenden toon. "Zult gij die ook zonder te gebruiken laten beschimmelen, zooals gij vroeger de doos gedaan hebt?"
"Neen," antwoordde Liebel, terwijl tranen van aandoening over zijn wangen biggelden, "met dat geld zal ik een goede zaak tot stand brengen en veel nut stichten. Dat geld zal het geluk bevorderen van mijn vrienden, die mij in den nood trouw ter zijde gestaan hebben. Om hen te redden had ik deze doos willen verkoopen, die ik van nu af als een kostbaar kleinood in eere houden zal. Hoe wonderbaar zijn de wegen des Heeren, die dikwerf uit het slechte het goede doet geboren worden."
Het gebeurde zooals Liebel gezegd had. De kruidenierswinkel van Golberg was spoedig gereed. Dat Liebel vrouw Wimner tot zijn huishoudster benoemde, zoodra hij zijn dakkamertje verwisseld had voor eene nette woning, was een zaak, die, zoo hij zeide, van zelve sprak.
Door deze handelwijze waren alle verdrukte en slecht behandelde personen gered. Eén echter verkeerde nog in een ongelukkigen toestand. De arme Theodoor zat nog eenzaam in zijn sombere achterkamer. Dit hinderde den hofbibliothecaris, en hij rustte niet vóór hij een middel gevonden had, waardoor ook deze ongelukkige een beter lot deelachtig werd.
Op zekeren dag kwam het Liebel ter ooren, dat de zaken van den bankier niet in orde waren. De onaangename man had zich in speculatiën gestoken die verkeerd afgeloopen waren, en het was vrij algemeen bekend, dat hij daarmede zijn vermogen verspeeld had. Nauwelijks was Liebel met deze zaak bekend of hij vervoegde zich bij den bankier.
De ontvangst was niet vriendelijk; trouwens, Liebel had zich daarop voorbereid; hij had nog nooit een vriendelijk woord van mijnheer Meier ontvangen.
Eerlijk en openhartig kwam Liebel voor zijn zaak uit. Hij verbloemde niets wat hij van den toestand van den bankier vernomen had en eindigde met de vraag: "En nu, mijnheer Meier, kom ik met een vriendelijk verzoek tot u: sta mij den verlaten wees af, ik zal, zoo lang ik leef, voor hem zorgen, en tevens maken dat hij, indien ik kom te sterven, niet zonder hulp achterblijft."
Men kon zien, dat de trotsche bankier een inwendigen strijd voerde. Het aanbod was echter te verleidelijk, en hij wilde ook wel van Theodoor ontslagen zijn. Op den hem eigen stroeven toon gaf hij zijn toestemming en deed afstand van den knaap.
Liebel was overgelukkig. Geen minuut wilde hij zijn leerling meer in de achterkamer laten. Hij verzocht en kreeg toestemming om den knaap terstond uit zijn gevangenis te bevrijden en met zich te nemen.
Nog nooit had Liebel zoo gelukkig langs de straat geloopen, dan deze keer, nu hij Theodoor naar zijn woning bracht. Met medelijden zag hij den knaap aan. "Ach," dacht hij, "wat heeft dat kind veel ontbeerd. Het zal voortaan mijn levensdoel zijn hem te vergoeden al wat hij tot nu toe te kort gekomen is."
Veertien jaren waren vervlogen. De bankier was overleden zonder eenig fortuin na te laten. Theodoor was een jonge krachtige man van drie-en-twintig jaren geworden. Na den dood van zijn oom werd het huis, waarin hij eenige jaren in ellendigen toestand geleefd had, door aankoop zijn eigendom.
Op een schoonen zomermiddag zat in de schaduw der tuinmanswoning, de plek, waar het spel met de sneeuwballen had plaats gehad, de eerwaarde leermeester Liebel op de eereplaats aan den maaltijd. Zijn hoofd was bedekt met een zwart fluweelen mutsje, waaronder zilverwitte haren te voorschijn kwamen; diepe rimpels lagen hem op het voorhoofd. Vóór hem op de tafel stonden twee potten met bloemen, de eene was een donkere Basilicum, de andere een vuurroode Balsamine, geschenken van Gotthelff en Liesbet. Liebel vierde heden zijn vier-en-zeventigste verjaardag. De kinderen zaten naast hunne ouders, daarnevens Theodoor Meier en vrouw Wimner, die af en aan liep om de verschillende gerechten op te brengen.
Bovendien zat er nog aan tafel de echtgenoot van Liesbet, een welvarend drogist, die, als deelgenoot, met Gotthelff flinke zaken deed. De welbereide spijzen en de edele wijn werden met gretigheid genuttigd, terwijl er menige heildronk op het welzijn van den grijsaard, aller vriend, werd uitgebracht.
Deze wierp een blik op zijn dakvenstertje en zeide met bevende stem: "Het is heden juist veertien jaren geleden, dat ik daar voor dat geopende dakvenster stond en zong:
Reeds zestig jaren zijt gij oud, en hebt veel storm beleefd.
Er hebben na dien tijd nog heel wat stormen over mijn hoofd gewaaid, doch allen zijn door Gods goedheid opgevolgd geworden door zonneschijn en kalm weder. Hem daarvoor de dank, Hem alleen de eer!"
DE GANZENKOOPMAN VAN NEURENBERG.
"O, ganzendief! ganzendief!" werd in het dorp geroepen. "Ganzendief! ganzendief!" weerklonk het in de verte. Waar men liep of stond, ieder oogenblik hoorde men de jeugd die leelijke woorden herhalen. Het gold een kleinen, armen knaap, die er niet ouder uitzag dan tien of elf jaren, maar die reeds dertien jaren achter den rug had.
Het is een bizondere liefhebberij, hoofdzakelijk voor de jeugd op het platte land, om haar gelijken, en voornamelijk het arme deel der gemeente, te bespotten en bijnamen te geven, te meer, wanneer eenig lichaamsgebrek hiertoe aanleiding geeft.
Men deed echter een groot onrecht met Balthasar Teppel, want dien gold het scheldwoord, "ganzendief" te noemen. Men had hem liever den naam van ganzenvriend moeten geven.
Ieder mensch moet op aarde iets hebben waarmede hij ingenomen is, en Balthasar bezat op aarde niets dan twee kleine jonge ganzen, die nog niet eens vederen, maar goudgeele haren bezaten. Hij had noch vader noch moeder, noch broeders, noch zusters, zelfs geen naaste bloedverwant--hij was een verlaten wees. Hij bezat niets dan het vertrouwen op God en de twee jonge ganzen, die hij van den watermolenaar gekregen had. Balthasar wist niet dat ganzen eenmaal het Kapitool van Rome gered hadden, evenmin wist hij hoe lekker een boterham, met ganzenlever besmeerd, smaakte. Niettegenstaande dat, hield hij veel van de ganzen en benijdde hen dikwerf, omdat zij volstrekt geen last van de bittere kou hadden, en zelfs, al liepen zij in den regen, niet nat werden, daar zij het water van hun vederen afschudden. Ook van koud noch van warm weder hadden zij eenige last. Hij hoorde veel liever het geschater van een gans dan het kakelen van een haan of het koeren van een duif, of het blaffen van een hond. Zoo heeft ieder zijn smaak.
Op zekeren dag had een dozijn jonge ganzen, die eenige dagen geleden uit den dop gekropen waren, zich van de moederlijke zorg onttrokken en in de nabij zijnde molenvliet begeven, waar zij, door den stroom voortgedreven, hunne zwakke zwemvliezen nauwelijks behoefden te gebruiken. Zoo naderden zij, dicht aaneengesloten, het snel ronddraaiende rad van den watermolen, dat, als het hun in zijn vaart medesleurde, allen in één oogwenk uit het water zoude opbeuren en tusschen de kamraderen vermorselen. Nog één oogenblik en het zou met het leven der jeugdige waaghalzen gedaan zijn, doch juist op dit oogenblik naderde hun redder de plaats des onheils. Balthasar, die het ongeluk zag aankomen, snelde, zonder aan eigen levensgevaar te denken, te hulp. De moedige knaap sprong op een balk, die dwars in het water over een beek lag, plaatste zich daarop in liggende houding en zwaaide met handen en voeten. De ganzen, hierdoor verschrikt, vlogen links en rechts en trachtten hun verschrikker te ontvlieden.
De molenaar en zijn vrouw kwamen op het geschreeuw van Balthasar buiten, en, het gevaar ziende, brachten zij eerst hunne ganzen in veiligheid, en hielpen daarna Balthasar uit zijn benauwden toestand, aan wie twee der geredde gansjes als loon voor zijn edelmoedigheid ten geschenke gegeven werd.
Er is voor hem, die niet veel gewoon is, weinig noodig om zich gelukkig te gevoelen. Menig vorst is niet zoo gelukkig met het overwinnen van twee koningrijken als onze Balthasar was met zijn twee ganzen. Hij vergat zijn toestand en voelde niet eens dat zijn armen en beenen nat waren, veel minder hinderde hem de koude, ofschoon hij liep te sidderen. Hij hield de ganzen in beide handen en drukte ze tegen zijn borst. Opgeruimd van vreugde vervolgde hij zijn weg en zocht de eenzaamheid op, om daar zijn schatten goed te kunnen bekijken en de jeugdige vogeltjes in het gras te laten loopen. Even als een goede huismoeder, die alle zorgen aan haar lievelingen besteed, zoo ook was Balthasar, of liever Balzer, want zoo werd hij algemeen genoemd, vol zorg voor zijn lievelingen, en voorzag ze van goed voedsel en drinken.
Balzer woonde, even als andere arme weezen, in het dorpsarmhuis; hij had op den zolder een klein kamertje, dat hij zijn eigendom kon noemen; dat vertrek had de eigenschap van in den winter verschrikkelijk koud en in den zomer brandend heet te zijn; dit hinderde hem echter volstrekt niet. Van jongs af aan ontbeeringen gewend, was hij niet beter gewoon. Balzer maakte in een hoek van het dakkamertje een stal voor zijn lievelingen.
Des morgens werd hij door hun gesnater gewekt, en dan was zijn eerste bezigheid hen te voederen. Hij deelde met hen zijn grof roggebrood, ofschoon de portie, die hij dagelijks van het armenhuis kreeg, niet groot was.