Een Vluchtige Blik op het oude en hedendaagsche Vianen
Part 4
Begeert gij voedsel voor uwen geest? Wilt gij lezen? Treedt dan in den welvoorzienen boekwinkel van den gedienstigen en in zijn vak niet onbedrevenen Diepenbroek; hij zal u geven, wat gij begeert, ingeval gij het boek wilt koopen, en is hetzelve al niet bij hem voorhanden, want toch alle boeken kan men in den boekwinkel van een klein stadje niet verlangen, hij zal het voor u uit het naburig Utrecht, of van elders ontbieden. Zijne Leesbibliotheek geeft u daarenboven eene ruime keus en houdt u au courant van de literatuur van den dag. Bij al deze gelegenheden, om nuttig uwen tijd te besteden, en u verpozing van andere werkzaamheden te verschaffen, voegen zich mede ten voorschreven einde, twee leesgezelschappen, onder het bestier van den Predikant Van Duijll en den Notaris Broekman; hunne welberadene keus voor alles, wat de moderne letterkunde betreft, waarborgt de medeleden een aangenaam en nuttig tijdverdrijf.
HET POSTKANTOOR.
De correspondentie van en op Vianen is tamelijk belangrijk; de dagelijksche consumtie, in al wat tot levens onderhoud vereischt wordt, geeft tot veel nering aanleiding; winkelwaren van allerlei aard toch moeten van elders ontboden worden. Voeg hierbij menige tak van nijverheid, die hier gedreven wordt, meer dan eene fabrijk, die hier en in den omtrek gevestigd is, terwijl inzonderheid de Regering en de Hoofd-ambtenaren, die hier hunne functien uitoefenen bijna postdagelijks met de residentie en andere steden in ons Vaderland corresponderen. Vandaar dan ook, dat de directie van het Postkantoor te Vianen gedurende een gedeelte van den dag ijverig werkzaam is, om het publiek te bedienen; zulks geschiedt met eene bijzondere accuratesse, en wanneer de post is aangekomen, zal geen inwoner van Vianen een half uur naar zijnen brief of brieven behoeven te wachten. Het beheer van het Postkantoor is opgedragen aan den hoogstbeleefden en welwillenden Directeur den heer Mr. H. M. van Eck, daarin geadsisteerd door zijnen geagreëerden den heer Heijman, en hetgeen boven van de promptitude op dat Postkantoor staat opgeteekend, zal dan ook de lofvermelding van voornoemde heeren uitmaken.
FABRIEKEN.
Oliën- en Smeerfabriek van J. P. Jannette Walen en Comp.
In de maand December 1848, werd in Vianen door J. P. Jannette Walen, onder de firma Van Walen en Comp., opgerigt eene fabriek van Oliën en Smeren. Aan deze fabriek is naderhand bij brevet van Zijne Majesteit, Koning Willem III toegekend den titel van Koninklijk Nederlandsche en de vergunning geschonken, het Koninklijk Nederlandsch wapen te voeren. De genoemde oliën en smeren zijn bestemd ten gebruike van stoomwerktuigen, spinnerijen, ijzergieterijen en alle soorten van vervoermiddelen, voorts worden in dezelve vervaardigd harts-oliën, gezuiverde hartsen, zoo mede fijnere oliën voor Horologiemakers, enz. enz.
Dat het debiet van deze artikelen en de verzending van dezelve, zoowel naar vele oorden in ons Vaderland, als buiten hetzelve aanzienlijk is, spreekt van zelve; de fabriek vereischt veler handen arbeid en verschaft aan menigen handwerksman den kost, zoodat men dezelve als eene belangrijke bron van welvaart voor de stad Vianen mag beschouwen.
Hoepmakerij of fabriek van Hoepels van den heer Johan Cambier.
Even buiten de stad Vianen is door den heer Johan Cambier, sedert een aantal jaren, eene fabriek van hoepels opgerigt. Deze fabriek heeft bijzonder veel vertier. Het fabrikaat wordt, even als dat uit de bovenvermelde, zoowel binnen- als buitenlands verzonden, zoodat ook deze fabriek onder de nijvere volksklasse, veel welvaart verspreidt.
De Vrouwen-Vereeniging Arbeid en Liefde, bestierd door de Jonkvrouwen Fabricius en Wincler.
Ziet gij daar, in dat huishoudelijk vertrek die jeugdige echtgenoote, te midden van zoo vele edele maagden, rondom den gezelligen arbeidsdisch gezeten, en zich vlijtig onledig houdende met het vervaardigen van kleedingstukken voor behoeftige vrouwen en kinderen.
Thans tot dit weldadig doel bij één vergaderd zijn het nu niet meer de bevallige dochteren van Terpsichorè, die zoo onlangs nog in de danszaal op ligte brozen door rappe jongelingen ten reie werden geleid; het zijn de deugdzame en van menschenliefde doordrongene kinderen van Tabittha Dorkas, die waardige discipelinne der apostelen, die in de heilige schrift staat aangeteekend, als vol zijnde van goede werken en aalmoesen, die zij uitdeelde.
Hoe verheven is niet het oogmerk, hetwelk zij trachten te bereiken; arbeid en liefde zijn hare leuze; zij arbeiden vlijtig voort, ten einde te kunnen geraken tot die uitoefening van liefde, die het verlangen is van hare harten; de zegen des Heeren rust op haar! De schamele weduwe, het naakte weesje worden door haar gekleed, en in de hutten der armen weergalmt het lied der dankbaarheid en der vreugde, ter harer eere gezongen.
Op welk een eerbiedwaardig standpunt staat niet de vrouw, wanneer zij zich harer bestemming waardig gedraagt, voorzeker aan haar, die zoodanig eene bestemming bereikt heeft, mag Engelenwaarde worden toegeschreven.
Op zulke vrouwen mag worden toegepast hetgeen Schiller zingt:
«Ehret die Frauen, sie flechten und weben Himmlische Rosen in 's irdische Leben.»
Verre van ons die wufte dochteren Eva's, die alleen met ervaring weten te spreken van het jongste blijspel, hetwelk zij hebben bijgewoond, die aan eene dubbelzinnige charade eene juiste uitlegging weten te geven, en, vervuld met den roman van den dag, van niets dan van ijdele begoochelingen droomen kunnen, terwijl zij de wezenlijke pligten verzuimen, die aan het meisje, zoo als het zijn moet, zijn opgelegd.
Maar zulke dochteren worden in Vianen niet aangetroffen; eenvoudigheid van zeden en reine deugd kenmerken dezelve, en de jeugdige schoone, die in den gezelligen kring, in beschaafdheid van manieren en goeden toon uitmunt, kan men niet zelden in hare woning aantreffen, eene verstandige bezorging van het huishoudelijke pligtmatig ter harte nemende, en, wanneer het pas geeft, zich werkzaamheden getroostende, over welke eene hoovaardige salet-juffer zich schamen zoude. Moge nimmer eenige verbastering van zeden eene treurige ommezijde van dit Tafereel zien geboren worden, maar daarvoor waarborgt ons de goede genius, die hier ter stede over de opvoeding der jeugd steeds wakende is.
VRIJMETSELAARS-LOGE.
Lust het u, wanneer gij tot de ingewijden behoort, in statigen ommetogt in uwen mystieken pelgrimsmantel gewikkeld, niet ongelijk aan eenen bedevaartganger naar het heilige graf, of een Maltheser Ridder, met uwe medebroeders den verloren acaciatak te helpen opzoeken, of eene wijle tijds tusschen de kolommen J. en B. te vertoeven; welaan begeef u dan, wanneer het feest is, en de altaren voor deugd en menschenliefde rooken, naar het tot een verheven doel wel ingerigt gebouw op den Kortendijk en klop daar, met uw diploma in de hand, drie maal drie malen aan de deur van den gewijden tempel; gij zult welkom zijn; men zal uw verlangen aan den Grootmeester der Orde te kennen geven, men zal u begeleiden tot aan de voeten van den throon, op welken hij met gepaste waardigheid zetelt, en gij wordt, nadat men zich van uwe identiteit als broeder zal vergewist hebben, met hartelijke welwillendheid tot de werkzaamheden toegelaten, terwijl u handschoenen en schootsvel, blank en rein, als het symbool van zuiverheid der bedoelingen, benevens winkelhaak en truweel zullen worden aangeboden. Gij ontmoet dan, als deelgenoot aan de geheimen, die weleer die van Isis en Osiris waren, in den heiligen broederkring, menigen inwoner van het stadje, dien gij vroeger onopgemerkt, in deszelfs straten zijt voorbijgegaan, of hier of elders hebt ontmoet, hij drukt u hartelijk de hand, terwijl gij straks met hem en de overige gasten aan den feestdisch het «in diesen heiligen Hallen kennt man die Rache nicht» of het «par trois fois trois mes frères» zult aanheffen.
Broederliefde! verheven woord! woord van gewigtige beteekenis! Zijt gijl. mijne broeders! allen daarvan wel diep doordrongen?! Zorg, ik bezweer het u, dat dit woord voor uw lieden geen ijdele klank zij, zorg, dat gij niet vreezen moet, dat schietlood en compas u beschuldigend in de handen zullen beven, en het alziend oog, dat in den gevel des tempels prijkt, en uwe werken gadeslaat, zich van u zal afwenden en de hamerslagen, die anders welluidend weergalmen, dof zullen klinken, en dof zullen weerkaatst worden.
Broederliefde! woord des vredes! moge uwe stem, in deszelfs verhevene en eigendommelijke beteekenis steeds gehoord worden, daar, waar de star in het oosten flonkert, moge geen eenig broeder zich zijner roeping onwaardig gedragen! Moge aan niemand hunner verwijtend worden toegefluisterd «procul hinc, procul ite profani!» moge een ieder hunner het heilig woord steeds onbevangen durven uitspreken en de arbeiders aan den tempel van dien koning, uit de gewijde geschiedenis, die door zijne wijsheid de geheele wereld met verbazing vervulde, zich, door zuivere en onvervalschte broedermin, de goedkeuring van den opperbouwmeester van het heelal waardig maken!
LOGEMENTEN.
Wanneer de reiziger, die soms te Vianen deszelfs nachtverblijf zoude willen houden, in de stoomboot of op de diligence, met Frontin mogt hebben gezongen:
«Qu'on est heureux de trouver en voyage, Un bon souper et surtout un bon lit.»
zal hij, wanneer hij, in de Roos, het Zwijnshoofd, het Hof van Brederode, of het Roode Hert, zijnen intrek mogt hebben genomen, aan zijnen wensch voldoening erlangen, en, hoezeer hij in die logementen wel niet die comforts zal aantreffen, welke te Baden-Baden zum Zähringer Hof, te Londen in het Hôtel Mivart, te 's Gravenhage in den Ouden Doelen, of te Antwerpen au Grand Laboureur gevonden worden, niettemin, wanneer hij eenen smakelijken avondmaaltijd heeft gehouden, of op een goed bed uitgerust, van de billijke prijs der gemaakte vertering zeer tevreden zijn en zijne reis vrolijk en opgeruimd vervolgen.
IV.
OUDE OÏRCONDEN.
Ik zoude hier bepaaldelijk mijne beschouwingen omtrent het voormalig en hedendaagsch Vianen hebben geëindigd, ware het niet, dat aan mij op het onverwacht, en nadat ik mijne brochure reeds ter perse had gegeven, van eene zeer geachte hand het navolgend uittreksel was gezonden, hetwelk een belangrijk licht verspreidt over het doorluchtig geslacht der Graven Van Brederode.
Ik heb verkozen, eenigzins tegen den vorm te zondigen, die men bij de uitgave van eenig boekwerk pleegt in acht te nemen, en er alzoo niet toe kunnen besluiten, dit uittreksel achterwege te laten. Hetzelve zal niet weinig de waarde mijner brochure verhoogen. De zoodanige mijner lezers, die zich gaarne verdiepen in de aloude geschiedenis van hun Vaderland, en die den roem hunner voorvaderen op hoogen prijs stellen, zullen er mij en den geachten inzender dank voor weten; het werk toch van Professor Paulus Voet is niet in aller handen; en menig inwoner van Vianen (ik bedoel de zoodanige, die weetgierigheid aan gevoel en smaak paren) zal, wanneer hij dit uittreksel zal gelezen hebben, voortaan met heiligen eerbied den gewijden grond betreden, op welke voor eeuwen het slot Batenstein gesticht was en de omstreken zijner stad bewandelen, die vroeger het tooneel waren van zooveel krijgsbedrijven, van zooveel heldendaden. Hel genoemde uittreksel worde dus als bijlage aan mijn geschrift toegevoegd en vulle aan het gebrekkige, het onvolledige, hetwelk in hetzelve mogt opgemerkt worden.
UITTREKSEL UIT ZEKER TRACTAAT, GEINTITULEERD:
OORSPRONK, VOORTGANK EN DAADEN DER DOORLUGTIGE HEEREN VAN BREDERODE,
BIJEENGESTELD DOOR PAULUS VOET,
der rechten Proffessor in de accad. tot Utrecht, en Raadspersoon in de kamer van Justitie 's lands Vianen.
'T UTRECHT
bij Johannes van Waesberge, Boekverkooper over 't Stadhuis, Ao. 1656.
Pag. 145.
Vianen is een plaisante stede, liggende op een vierkante forme met sterke hooge muuren, en poorten voorzien. Welke muuren met ronde torenen, hier en daar bezet, gelijk men in oude tijden placht te doen, niet oncierlijk gesterkt zijn Is omcingeld met eene breede graft, en heeft buiten dezelve rontom eene fraaije wandelinge met boomen bezet. Sulks dat men op de meeste plaatsen onder de schaduwe van het looff schuilende, van der sonnenhitten des somers bevrijd werd. T' heeft eene bekwaame geleegendheid aan de linkerzijde van de riviere de Lek, tegen over Vreeswijk, anders de Vaart genaamd. En word ten Noorden van dezelve Rivier bezet, die door eenen ingang de haven maakt, zo dat de schepen, zoo wanneer het water tamelijk hoog is, tot in 't midden van de voorstede aanleggen. Ten Oosten, Westen, en Zuiden, werd het becingeld met vruchtbare koornvelden, weiden en boomgaarden. Een plaatse daar de lijfftocht, in overvloed is, en voortst alles wat tot onderhoud noodig is, bekwamelijk van alle plaatsen toegevoerd, ook voor redelijken prijs werd bekomen. En die het vermakelijk leven zoekt, zoo door de gelegenheid der omliggende Landerijen, als het op en afvaren der voorbij zeilende schepen, 't doortrekken der rijzigers kan het nergens bekwamer vinden. Brengt mede geen gering vermaak aan den mensch het wel beplante bosch, alwaar de boomen op rijen met menigte wederzijdsch tegen den anderen overgezet, een aangenaam perspectief den gezichte vertoonen; Daar bij komt het Rijgersbosch, 't gezang van allerhande klein gevogeltje, de ooren met een aangenaamheid vermakende. En dat te verwonderen is, evenals of 't was 't middelpunt van de vereenigde Provincien, men kan daar van daan in het gezichte krijgen, zoo wanneer den Hemel klaar is, omtrent de een en twintig steden, met poorten, muuren en grachten, voorzien. En geen plaats bekwamer, waar van daan zoo te water als te Lande, de principaalste steden des Lands kennen bereisd worden. Die zig daar aan liet gelegen zijn, zoude op een Zomersche dag, daar van daan konnen bezoeken omtrend twaalff zoo steden, als stedekens, en 's avonds tot Vianen maaltijd houden.
Deze plaats heeft onder zich verscheidene dorpen en gehuchten, als Lexmond, eertijds Laxmond geheeten, Heijkop, Boekoop, Lakerveld, Tienhoven, en Marekerk, door zijne Paardemarkt, 't gansche Land door vermaard. Is daarenboven voorzien, met een sterk slot, Batestein genoemd, 't welk van verre door de grootheid van 't gebouw zig opdoed.
Omtrent den oorsprong van dezen naam ben ik curieus geweest, en meinde daarom dit slot Batestein te zijn genoemd, om dat het tot nut en dienste der stede was gebouwd, zijnde als de sterkte deszelfs, 'T welk even zoo veel te zeggen is, als ter baate. Gelijk sommige alzoo den oorsprong des woords Batavieren verklaren, omdat ze aan de rivier t' naarder bate, eene bekwaame woonplaats uitgevonden hadden. En dan zoude het bijvoegsel stein, den nederlanders beteekende stevigheid, daarbij gesteld zijn, om te kennen te geven, dat het uit steen, of stein opgebouwd is, tot een sterkte off Burcht.
Doch uit verhaal van eenige anderen onderricht zijnde, hebbe deeze mijne gissinge aan een zijde gesteld. Men verteld dat Gijsbert van Vianen, ten wijve hadde Beatrix, op het nederlandsch in 't kort gezegd Baate, dewelke een dochter was van Johan, de negentiende Heere van Egmond, deeze hadde eene Suster die jonger was dan zij, getrouwd aan Geraerd Heere van Culenborch, van dewelke zij als van een opper vrouwe te Leen ontvong het Slot van Vianen, doen ter tijd buiten de stads muuren in den Boomgaard gelegen. Ende niet konnende lijden, dat zij die een oude suster was, van haare jongere, het slot te leen zoude ontvangen, beweegt haren Man, om het oude slot af te breeken, en binnen de muuren van Vianen, een nieuw op te maken. 'T welk ook is geschied, en omdat zulks ter baate en bede van Baate was gedaan, wierd het nieuwe slot, Batenstein genoemd, door bijvoeging van het woordeke stein, 't welk men gewoon is aan sloten en adelijke Huizen te voegen.
[4]Dit slot is te heerlijker door eene bijgevoegde Toren, van een zeer groot vierkant en dikte en hoogten hebbende in het 't Nederlands de benaminge van Simpols toren; Is doen opmaken bij Gijsbert van Vianen, Ridder omtrent den jare Duizend drie honderd en twee en zeventig, en dat tot kosten des graven van St. Pauwels in Artois. Deze wierd in een slach in het land van Gulick bij Gijsbert van Vianen, overwonnen en gevangen tot Vianen gevoerd, en moestte tot zijn rantsoen, zoo veel geven, dat deze Toren konde gebouwd worde; En nadien in de Nederduitsche spraak St. Pauwels, in 't kort gezegd word Sintpol off Simpol, ook in Artois eene stede genaamd word Simpol, en de Grave Simpol, zoo gebeurden 't dat de Toren met des Graffs losgeld gemetseld, Simpols toren genaamd wierd.
Niet verre van Vianen, omtrent duizend schreden, is een stedeken, indien men zijne privilegien inziet, Ameiden genoemd, op een scheutweegs nabij de Rivier de Lek; al van ouds bij de schrijvers van den jare dertien honderd twee en tachtig, ten aanzien van het slot Termeiden bekend. Voor dezen wierd het genoemd Hazelaer, omdat de Heeren, Van Hazelaar hetzelve van Guido Bisschop van Utrecht te leen ontvangen hadden. 'T zelve genoeg door de situatie, en alzoo door de natuur gesterkt, is bij liste des Bisschop van Utrecht op den jaare vijftien honderd zeven en twintig ingenomen. De oorzaak en maniere daarvan zal ik in 't kort verhalen. Hendrik van Brederode, hadde eenige vluchtelingen van Utrecht tot Vianen, komende, vrijgelijde gegeven, en vergunt, en onder zijne bescherming genomen. En als die van Utrecht, door brieven, ook den Bisschop door afgesanten, niet en vorderden, beraatslagen om het kasteel Termeiden in te nemen. En dewijle dat niet zonder bloedstortinge geschieden konde, indien men zulks met geweld deden, besluiten het met lagen te krijgen.
[5]Alsdan den opziender des Kasteels, met zijn volk daar af was gegaan, in de naaste plaatse, ten dienste, zoo komen daar twee, in Cellebroers gewaad, om niet bekend te werden, en geklopt hebbende aan de poorte, worden door de Meijdt, die dezen handel onbekend was, ingelaten. Bezetten straks den ingang, tot dat de anderen, die daar omtrent haar versteken hadden, te voorschijn kwamen; Stooten alzoo de Meijdt, met eenige wijnige die tot bewaringe des Kasteels gebleven waren, daar uit. Soo haast en kwam dit geruchte niet tot Vianen, off Brederode, een kloekmoedig heer, zendt gezanten aan den Bisschop, met dewelke hij tot noch toe vrede en vriendschap hadde onderhouden. [6]De gezanten nadat ze vele woorden met den Bisschop hadden gewisselt, tot krakeelens toe, en haar over het aangedaan ongelijk beklaagd; doenden deze woorden bij: «dat het niet genoeg voor hem (te weten den Bisschop) en scheen, gesmoord te hebben dat twistvier, 't welk hij onder de zijnen gehad hadden, ten zij hij ook de naastgelegene heeren door een schijn van regt tergde en tot den oorlog als uitdaagden. Zeiden vorder bereid te zijn, indien het kasteel niet weder geleverdt wierdt, dit ongelijk te verdragen, nadien het haar niet gelegen kwam de zaake met de wapenen te bepleiten.» Waarop den Bisschop tot antwoord gaff, dat hij niet eer zijn volk van den kasteele zoude lichten, voor dat Brederode de vluchtelingen geboden hadde, uit zijn land te moeten overtrekken. Evenwel zoo heeft den Bisschop, vreezende dat Brederode, zoo van zijne vrienden, als van den grave van Holland hulpe mogte verzoeken, en alzo met Krijgsluiden 't Sticht invallen, zijn volk van het slot doen afgaan, en is met Brederode bevredigd.
Deze Landstreke van Vianen etc. nu beschreven met hare onderhoorige plaatsen, hoewel gelegen in het begrip van de vereenigde provincien, is nochtans ten aanzien van het recht van Jurisdictie, en Leene, tot op dezen huidigen dage geen Provincie onderworpen; Ook met de Provincie van Holland, alhoewel het aan de eene zijde die palen van Holland raakt.
Nadien het land van Arkel voor dezen niet onder Holland, maar eene bijzondere Heerschappije geweest is. Sulks dat ook van oude tijden aff, niet blijken zal, onder de Hollandsche afdeilinge 't Land van Vianen ooit te zijn vervat geweest.
[7]Hierom gebeurden 't dat wanneer de graven van Hollandt tegens die van Utrecht, offte anderen ten oorloch trekkende, de Heeren van Vianen, niet onder hare Leenmannen, maar onder de meede hulpers gesteld hebben. Zoo steld Willem Grave van Holland in den jare dertienhonderd ses en vijftig den Heer van Vianen met die van Montfoort en IJsselstein, onder zijne hulperen, en vrienden, waarom ook, zoo wanneer den oorlog ontstond tusschen de Stichtsche en Hollanders, die van Vianen voor neutrale luiden gehouden wierden. Mede de Hollanders tot Vianen zomtijds, als in een neutrale plaatse, met hare vijanden, om den vreede te treffen gehandeld hebben.
En dit is de reden waarom dat boven de Memorie van menschen, die van Vianen, eene hooge kamer offte Hoff van Justitie gehad hebben, en noch hebben, zonder dat van dezelven ooit voor dezen aan den Hoogen Raad tot Mechelen off aan den Hove van Holland, te appeleren, toegelaten is. Alleen heeft men daar overig het middel van suppliceren, off revisie verzoeken, aan den Opperheer dier plaatsen, dat noch meer is, zijnde die van Vianen verscheide malen, van wegen 't Hoff van Holland, bij edicte gedagvaard, hebben ook anders geen dagvaardigen willen aannemen. En indien eenige Bode zich verstoutede die van Vianen off van wege den Hoogenraad tot Mechelen, off van wege den Hove van Holland te roepen, off iets te plegen, 't gene mocht naa indracht harer Opperheerschappij smaken, hebben dat nooit geleden. In zoodaniger voege, dat ten tijde van Philippus de tweeden, Hendrik van Brederode, den deurwaarder van den hoogen rade, van Mechelen gezonden, om iets tot Vianen ter executie te stellen, in de gevangenisse geworpen heeft. En heeft deze zijne daad als strekkende tot bewaringe zijnes rechtst kloekmoedelijk voor den Koning gedefendeerd. Die indien voor den Fiscaal eenige actie waren geboren geweest, tegen Brederode, dezelve veel ligt zoude hebben doen intenteren. Dat ik daar niet bij en doe het exempel van den voorleden jaare dat den Drossaard der stede, dede apprehenderen, den Deurwaarder van den hove, van Holland, omdat hij tot Vianen zijne Commissie wilde voltrekken, en is ten laatste noch uit de gevangenisse geraakt en ontkomen, door de onvoorzigtigheid der bewaarders. Dat ik nu niet en verhaale alle acten van Souverainiteit bij de Heeren van Vianen van tijd tot tijd gepleegt, zonder iemands verhindering, als op haar eigen authoriteid de naburige Princen en Heeren den oorloch aan te zeggen; wederom te zoenen, en verbonden te maken. Munte te slaan met de wapenen van Vianen en de beeltenissen derzelver Heeren. Brieven van pardon, gratie, Remissie, Beneficien van Inventaris, Cessie, letteren van Respijt, en attirminatie te verleenen; Wellen en Constitutien omtrent de munte, Pauselijke exercitien, sterke bedelarijen, de jacht, verbondene goederen erfenissen, en besterffenissen, verschillende van de wetten der naburige provincien uit te geven. En volgens dezelve constitutien, sententien in de hooge kamere aldaar te wijzen, dewelke in Holland zouden tegenspreken bij requisitoiren zijn ter executie gesteld. Waarom die van Vianen nooit gevolgt hebben, omtrent de Successien ab intestato, offte het Hollandsche Aardoms off Schependomsrecht, offte de Polijticque ordonnantien van den jare vijftien honderd, en tachtig off negen en 't negentig. Waarom ook de graven van Holland ende hare Stedehouderen de Heeren van den Lande Vianen, altoos voor vrije Heeren zoo expresselijk als stilzwijgende erkend hebben.