Een Vluchtige Blik op het oude en hedendaagsche Vianen
Part 3
De drie mannen in de geschiedenis der Nederlanden met eerbied genoemd, de nooit volprezen Gijsbert Karel, benevens de Graven Van der Duin en Van Stirum vergezelden Oranje naar de voorvaderlijke stranden; de geliefde Prins aanvaardde als Souverein Vorst het roer van Staat, en aanvankelijk met deze waardigheid bekleed werd hij kort daarna als Neêrlands eerste Koning uitgeroepen.
Uit alle oorden des lands toog men op naar 's Gravenhage, en verdrong zich telken reize met toenemende geestdrift in de gehoorzaal, om aan Willem den Eerste gepaste hulde toe te brengen.
Maurits Cornelis van Hall bleef mede niet achter; de roem zijner verdiensten was hem vooruitgegaan en toen hij aan den Vorst werd voorgesteld, was het dezen reeds bekend, wie Van Hall was.
Minzaam was de ontvangst, en niets vuriger verlangende dan aan hem eenig blijk van onderscheiding te geven, benoemde de Vorst hem, bij de instelling der Orde van den Nederlandschen Leeuw, tot Ridder dier Orde, en bood den verdienstelijken man daarna het lidmaatschap in de tweede Kamer der Staten Generaal aan, voor welk eereblijk Van Hall moest bedanken, om dat dringende beletselen daarvoor in den weg waren.
Intusschen nam Van Hall meer en meer in gunst bij den Koning toe. In 1831 werd hij Staatsraad en President van de Arrondissements Regtbank te Amsterdam, en het is tot op den huidigen dag, dat hij, inmiddels tot Commandeur der Leeuwen-Orde verheven, het voorzitterschap, hem opgedragen, met gepaste waardigheid bekleedt.
Zoo mogt ik dan Van Hall malen, ik mogt vermelden, wie hij was, van zijne jeugd af, tot in zijnen grijzen ouderdom, ik mogt het voor de nakomelingschap in de geschiedrol van ons vaderland doen bewaard blijven, dat Vianen ook aan dezen grooten man het eerste levenslicht heeft doen aanschouwen.
Maar hoe wuft zoude mijne eerbetooning zijn aan Van Hall, als Regtsgeleerden, als Staatsman, als Geschiedschrijver en als Dichter, wanneer ik bij dezelve niet voegen mogt, Van Hall, heeft zich gedurende de tijdvakken van zijn leven, steeds betoond een geloovig Christen te zijn.
Eindigen wij deze onze vermelding van waardige en verdienstelijke mannen, die in vroegere eeuwen, en ook nog in de laatst afgeloopene, als zoo vele paarlen aan de kroon van Vianens stedemaagd schitterden, met gewag te maken van den voortreffelijken Regtsgeleerden, Mr. Johannes op den Hooff.
Ook deze strekte, na volbragten akademischen leeftijd, al rasch der Amsterdamsche pleitzaal ten sieraad en gaf gedurende dat tijdvak vroeg reeds blijken van die krachtige ontwikkeling, die hem meer en meer kenmerkte en van hem verwachten deed, dat eene nog meer verhevene loopbaan hem verbeidde; hem werd dan ook al spoedig eene plaats aangewezen in de Tweede Kamer der Staten Generaal. 's Mans diepe ervaring in de zaken van het regt deed het van hem te gemoet zien, dat hij nog in hoogeren kring aan zijn vaderland nuttig konde zijn. Meermalen als verdediger der wet opgetreden, werd weldra de eervolle taak hem opgelegd, de handhaver derzelve te worden. De Koning benoemde hem tot vice-President van den Hoogen Raad der Nederlanden, voorwaar eene bijzondere onderscheiding, alzoo de overige Raadslieden in die aanzienlijke vergadering alleen uit leden van Geregtshoven, of Regtbanken werden gekozen. Hoe Op den Hooff de waardigheid van zijn ambt weet te handhaven, en hoe eervol hij den tabbaard draagt, zal hem wel door niemand worden betwist; de edele zelfsvoldoening van naauwgezette pligtsbetrachting doet zijne borst nog hooger kloppen, dan het ridderlint hetwelk die borst versiert.
Gaan wij nu van het oude tot het hedendaagsche Vianen over; wij zullen, boven eenige andere rubrieken, die welligt tot teregtwijzing kunnen verstrekken den gepasten voorrang geven aan de godsdienstige gezindheden, en wel in de eerste plaats aan de Godsdienst der Hervormden, welke door den waardigen Predikant Van Duijll verkondigd wordt.
HET HEDENDAAGSCHE VIANEN.
GODSDIENSTIGE GEZINDHEDEN.
HERVORMDE GODSDIENST.
De predikant van Duijll.
Toen in het jaar 1807 de diepgeleerde Cornelis Swaving, de man, die meer dan één hem aangeboden Hoogleeraarsambt met nederigheid en als met zijne eigene verdiensten onbekend, had van de hand gewezen, de man, van wien de jaarboeken van Teijlers Godgeleerd Genootschap zouden kunnen getuigen, hoe menigmaal hij voor zijne voortreffelijke beantwoording van uitgeloofde prijsvragen met den gouden eerpenning en daar aan verbonden roem is bekroond geworden, als Predikant te Naarden stierf, gaf weinig tijds daarna de niet minder geleerde Hendrik Herman Donker Curtius, in leven Predikant te Arnhem eene levensbeschrijving van hem in het licht, welke hij met deze woorden deed eindigen, «en deze man stierf te Naarden!» wanneer ook eenmaal, dat spade zijn moge! de assche van den waardigen Van Duijll tot die zijner vaderen zal zijn vergaderd, dan voorzeker ook zal de lofrede, die op hem zal worden gehouden met de woorden mogen eindigen, «en deze man stierf te Vianen.»
Gerrit van Duijll werd als Student tot Evangelie-dienaar gevormd door het onderwijs van mannen, als Rhunkenius, Van de Wijnpersse, Lusac, Rau, Broes en Van der Palm, Hoogleeraren aan 's lands Hoogeschool te Leiden.
Na volbragte studien werd hij in het jaar 1799 beroepen tot Predikant te Beusichem, daarna in het jaar 1808, als zoodanig te Hoogeveen in Drenthe en eindelijk in het jaar 1815, als Herder en Leeraar te Vianen, in Zuid-Holland, terwijl hij in den loop van zijne vijftigjarige Evangeliedienst, beroepings-brieven ontving uit Wasperveen, in Drenthe en Schoonhoven in Zuid-Holland en hem de Koninklijke collatie van Assen werd aangeboden.
Gedurende ruim vijf en dertig jaren al zoo vervulde Van Duijll het Prediktambt met ijver en naauwgezetheid, leerende en stichtende, volgens de zuivere leer van het Christendom en verkondigende in welsprekende en overtuigende kanseltaal Jezus en dien gekruist; dat hij in die voortreffelijke hoedanigheden vele, die afgedwaald waren tot den herdersstal heeft terug gebragt, spreekt van zelve; hoe hoog moet hem het hart niet kloppen, wanneer hij, aan den avond van zijn leven op zijne tot op heden volbragte loopbaan terug ziet.
Men kan en mag Van Duijll onder de geleerden tellen. Hij is de latijnsche taal volkomen magtig en heeft de voornaamste schrijvers in dezelve gelezen; hij vereenigt diep gevoel met kiesschen smaak; in het gezellig verkeer is hij onwaardeerbaar, vrolijke scherts, voor zoo verre die in zijne betrekking pas geeft, is hem eigen, en, als humorist zoude men hem bij Swift, of Laurence Sterne kunnen vergelijken.
Dat Van Duijll beoefenaar der dichtkunst is, moge blijken uit de voortbrengselen zijner muse, die ik hier zal aanhalen.
Toen hij nog Predikant te Hoogeveen zijnde, gedurende eenigen tijd op zijne eerste standplaats Beusichem vertoefde, werden aldaar bij den noodlottigen watersnood in het jaar 1809, achttien lijken, droevige slachtoffers van dien vreeslijken ramp in één en hetzelfde graf begraven. Eene gedenkzuil werd op hetzelve opgerigt. Van Duijll, diep getroffen over den treurigen dood, die de ongelukkigen in den vloed gevonden hadden, en die gedeeltelijk tot zijne vroegere gemeente hadden behoord, boezemde zijn leedgevoel uit in de volgende dichtregelen, die op den kolom uitgehouwen aan de nakomelingsschap het treffende van den ramp, maar niet minder het dichterlijk genie van den waardigen Geestelijke verkondigden.
Hier rust in 't somber graf een achttien tal van lijken, De prooi des watersvloeds, het kenmerk van den nood, Diens onvergeetbren nachts, die dijk en dam deed wijken, Toen het ijs, door storm gevoerd, verwoesting spreidde en dood.
Toen huis, en berg en schuur, daar dreven op de golven, Toen koe en paard en mensch daar zonken in dien plas, Toen zelfs de laatste hoop scheen in dien vloed bedolven, Zoo God met Vorst en Volk ons niet ten redder was.
Toef hier een wijle tijds, aanschouw deez' vruchtbre oorden, En zeg «'t geen is en was, 't is alles ijdelheid» Neen, stort een dankbre traan, zoo ze ooit uw oog bekoorden, Daar 't al in zaal'ger oord, den vriend der deugd verbeidt.
Toen hij in den jare 1810 te Hoogeveen het leeraarsambt vervulde en Lodewijk Napoleon, die te dier tijd over het Koninkrijk Holland den vredelievenden scepter zwaaide, het Landschap Drenthe bezocht, en ook Hoogeveen met deszelfs tegenwoordigheid vereerde, maakte mede Van Duijll, als Predikant zijne opwachting bij den Vorst, die te regt een vader zijner onderdanen mogt genaamd worden, die overal hulp toebragt, waar het pas gaf, en overal, waar hij kwam, sporen zijner weldadigheid achter liet. Van Duijll, gevraagd, of hij ook iets in het belang zijner gemeente begeerde, gaf de behoefte derzelve aan een werkhuis te kennen, in hetwelk behoeftige gehuisvest en verpleegd mogten worden, die met de handen den kost konden verdienen.
Lodewijk gaf gehoor aan de doeltreffende voordragt van den waardigen Leeraar en schonk twintig duizend guldens tot dat edel doel; Van Duijll stichtte het gebouw, en ten einde den roem van den weldadigen Vorst te vereeuwigen, vervaardigde hij het navolgend dichtstuk, hetwelk hij in den voorgevel van hetzelve op eenen daartoe ingevoegden marmersteen deed uithouwen.
Door 't liefderijk geschenk van Hollands eersten Koning, Vindt hier de schaamle wees en zwakke grijs een woning, Terwijl de nijverheid uit dankbaarheid en pligt Den vaderlijken Vorst de schoonste eerzuil sticht.
Voorts treft men van Van Duijll meer dan een voortreffelijk dichtstuk in onderscheidene maandwerken van vroegere dagen aan.
Op den 29 December 1849 verjaarde Van Duijlls vijftigjarige Predikdienst, die op den 4 Maart 1850 door de ringbroeders en meer andere gasten van rang en aanzien in zijne woning plegtig gevierd werd.
De gemeente bood aan den grijzen Christen-Leeraar, onder meer andere geschenken eenen in zilver gemonteerden prachtbijbel aan, versierd met symboolen, op de Godsdienst toepasselijk.
Een in de kalligraphie begaafd jongeling Jonkheer Rom Kraijenhof vervaardigde ter eere van den nestor der Evangeliedienaars een voortreffelijk penneschrift op het halve eeuwfeest van 's mans Predikambts vervulling toepasselijk, in hetwelk het genie en de smaak van den kunstenaar doorstralen.
Ten slotte moet hier worden aangeteekend, dat Vianen aan den Predikant Van Duijll het leggen van de Schipbrug over de rivier de Lek te danken heeft, die de stad met het daar tegen over liggend grondgebied der Provincie Utrecht verbindt.
Toen Van Duijll bij de grondlegging van de Wilhelmina's Sluis te Vianen, zich mede onder de door den nu wijlen den Inspecteur Generaal van den Waterstaat, den Heer Jan Blanken Jansz. tot het bijwonen dier plegtigheid genoodigden bevondt, had hij de eer, aldaar mede den Gouverneur der Provincie Utrecht, Baron Van Tuijll van Serooskerken, onder de genoodigden te ontmoeten. Deze zich beklagende over de moeijelijkheid en langwijligheid der overvaart over de rivier de Lek vóór de stad Vianen, merkte Van Duijll aan, dat het dan nu welligt het oogenblik zoude zijn, om dit bezwaar door het leggen eener Schipbrug uit den weg te ruimen, daar al de autoriteiten tegenwoordig waren, die deswege een voorstel aan Z. M. den Koning, Willem I konden doen.
Zulks gaf aanleiding tot een mondgesprek tusschen den Heer Gouverneur van Zuid-Holland, Graaf Van der Duijn van Benthorn en Maasdam, nu mede ten grave, en welgemelden Inspecteur Generaal, bij hetwelk mede het advies der daar bij tegenwoordige Heeren Mr. Maurits Cornelis van Hall, President der Arrondissements-Regtbank te Amsterdam en Mr. Willem Boudewijn Donker Curtius van Tienhoven, destijds Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal, en President van het Hoog-Geregtshof, nu van den Hoogen Raad der Nederlanden, werd ingeroepen.
Het voorstel werd met algemeene stemmen goedgekeurd, de voordragt werd met spoed en aandrang aan den Koning gezonden en in Maart 1840 rolden reeds de rijtuigen en gingen de voetgangers over den nu gelegden Schipbrug; aan Van Duijll intusschen mag men de mérite van het à propos dank weten, welke hem door niemand betwist kan worden.
SECTE DER AFGESCHEIDENEN.
Er bestaat te Vianen, zoo als op zoo vele andere plaatsen in ons vaderland, eene gemeente van Christelijke Afgescheidenen; zonder zich in Godsdienstige geschillen in te laten, behoort men eenen ieder in zijne gevoelens te eerbiedigen, wij vermelden hier alzoo ook deze gemeente, aan welks hoofd de brave C. Glinderman staat, die des zondags avonds in vromen zin zijne medebroeders te leeren en te stichten tracht.
GODSDIENST DER ROOMSCH KATHOLIJKEN.
De leer van het Christendom schrijft liefde en verdraagzaamheid voor; men leze Joh. 13, vs. 34 en 35, 1 Cor. 13 en zoo vele andere toepasselijke bijbelteksten; van dit grondbeginsel uitgaande en den braven en godsdienstigen Roomsch Katholijken even hoogschattende, als den Hervormden, die de leer van Jezus volgt en in beoefening brengt, wordt bij deze door mij ook aangeteekend, dat de Roomsch Katholijke Pastoor, de eerwaarde Heer A. G. van Dam zijne gemeente leert en sticht, dat hij het heilig altaar bedient, zoo als het den Leeraar en Priester voegt, en den weg der zaligheid verkondigt aan allen, die in den Verlosser gelooven en zich aan de voeten van het kruis nederleggen.
GODSDIENST DER ISRAËLIETEN.
Ook de Godsdienstoefening der Israëlieten verdient vermeld te worden; er bevinden zich in Vianen acht Joodsche huisgezinnen, die op hunnen Sabbath in eene daartoe wel ingerigte Synagoge, nog onlangs vernieuwd, uitgebreid en verbeterd, bijéénkomen: aan het hoofd dier Synagoge staat de Voorzanger Olman, die bij zijne geloofsgenooten niet alleen, maar ook bij alle Christenen geëerd en geacht is.
OPVOEDING EN ONDERWIJS DER JEUGD.
De onderwijzer Stuart.
De opvoeding en het onderwijs zijn verre van in het stadje Vianen verwaarloosd te worden; dezelve zijn toevertrouwd aan mannen van verstand en begaafdheid, die voorzeker niet behoeven achter te staan voor leermeesters, die men in grootere steden aantreft. De Kostschool, aan welks hoofd de kundige Stuart staat, behoort in de eerste plaats genaamd te worden; de Nederduitsche, Fransche, Engelsche en Hoogduitsche talen worden op dezelve grondig onderwezen, terwijl de Wiskunde, die voortreffelijke wetenschap, die de voedstermoeder van zoo vele andere nuttige kundigheden is, op vaste en onwrikbare gronden steunt, en alzoo te regt door de Franschen met den naam van les sciences exactes bestempeld wordt, inzonderheid het lievelings vak is van den Hoofdonderwijzer, die de bijzondere begaafdheid bezit, dezelve mede te deelen aan de zoodanige, wier verstand en bevatting daarvoor rijp zijn geworden, want het zegt weinig, in eenige wetenschap ervaren te zijn, wanneer men die ervarenheid niet op zijne leerlingen weet over te brengen, zoodanig dat dezelve er diep van doordrongen zijn, te regt zegt daarom een Latijnsch schrijver «Scire tuum nihil est, nisi quod tu scis, etiam sciat alter,» een spreekwoord, in het welk wel veel waarheid, maar weinig zuivere latiniteit doorstraalt, en waarvan de beteekenis is, dat het niets afdoet, of de meester het al weet, maar dat deze moet zorgen, dat ook de discipel er mede bekend worde. Trouwens niet vele worden er onder de jongelingschap, al is dezelve op andere punten niet onbedreven, gevonden, die voor de school van Euclides kunnen worden opgeleid. Gepaste hulde alzoo aan hem, die de gronden der mathesis en algebra stelselmatig te onderwijzen weet, en alzoo dat gedeelte der nederlandsche jeugd, hetwelk voor het elders gegeven wordend hooger onderwijs, in al dat geen, waardoor men den krijgsman en den zeeheld vormt, bestemd is, daartoe opleidt: hoe menig dapper veldheer en manhaftig vlootvoogd, zal het, na verloop van eene halve eeuw, wanneer grijsheid en lauweren zijnen schedel sieren, niet aan Stuart te danken hebben, dat hij de gronden tot de vervulling van zulk eene gewigtige bestemming bij hem gelegd heeft, en welligt treft men zelfs onder de schooljeugd, die ten huidigen dage te Vianen de lessen van den begaafden Stuart hoort, reeds menig bevattelijk knaapje aan, dat nog, na verloop van eeuwen, van zich als van eenen De Ruijter of Turenne zal doen gewagen. Voorwaar het wordt niet genoegzaam opgemerkt, wat de maatschappij verschuldigd is aan hen, die de jeugd vormen en tot hooger doel opleiden.
De onderwijzer van Weigerden.
Niet minder hulde behoort te worden toegebragt aan den begaafden Van Weigerden, die aan het jongere, aankomende geslacht onderwijs geeft in de nederduitsche taal, de schrijf- en cijferkunst: het moge gezegd zijn, dat de wezenlijke waarde van den man van verdiensten niet moet worden afgemeten naar den rang, dien hij in de maatschappij bekleedt. De geringste dorps-schoolmeester kan soms beter voor zijn vak berekend zijn, dan de geleerdste Professor voor het zijne; alles hangt af van de methodus docendi en van de begaafdheid, om zijn talent aan anderen te kunnen mede deelen, en dit talent bezit Van Weigerden in den hoogsten graad. Voeg hierbij de maat van beschaving, tot welke de beoefening der fraaije letteren hem heeft opgevoerd en welke niet weinig toebrengt tot de zedelijke opvoeding zijner scholieren; men behoeft slechts eene wijle tijds in 's mans school vertoefd te hebben, om niet te hebben opgemerkt, welke orde in dezelve heerscht en hoe de onderwijzer de geschiktheid bezit, om met minzaamheid, maar tevens onder den invloed van waardig gezag de kinderen bevattelijk te leeren lezen, schrijven en rekenen; wat zoude een scholarch van hoogeren rang met kweekelingen kunnen aanvangen, wier eerste gronden niet doelmatig gelegd waren, trouwens de heer Van Weigerden op den Weesdijk te Vianen, is aan het hoofd van de stads-school niet op zijne plaats en gewis verbeidt hem eene waardigere bestemming; het bewijs ook, dat zulks eenmaal het geval moet worden, is daarin gelegen, dat ouders uit den hoogstbeschaafden stand aanvankelijk reeds aan hem de opvoeding en het onderwijs hunner kinderen hebben toevertrouwd, die zulks in zijne woning, die daartoe bijzonder goed is ingerigt, als kost-jongelieden genieten; het spreekt alzoo wel van zelve, dat de instructie zich hier niet tot het leeren lezen, schrijven en rekenen bepaalt, maar zich mede uitstrekt tot het onderwijs in het Fransch, Engelsch en Hoogduitsch, de Aardrijkskunde en de Geschiedenis, terwijl eene godsdienstige en zedelijke opvoeding mede niet verzuimd worden. De heer Van Weigerden heeft eene bijzondere begaafdheid, om in het publiek te spreken; zijne redevoeringen in de afdeeling der maatschappij tot Nut van het Algemeen getuigen hiervan, en nog onlangs gaf hij, als afgevaardigde ter vergadering der Commissie voor het lager onderwijs te Arnhem bij een gekomen, aan den maaltijd te dier gelegenheid gehouden, het bewijs, dat de taal voor de vuist hem mede niet vreemd is, want een toast door hem op het welzijn van Gelderlands hoofdstad ingesteld trok zoodanig de aandacht der aanwezende gasten, dat de archivarius van Gelderland mogt vragen, «wie was die spreker?» waarop de eenvoudige en nederige man antwoordde: «een schoolmeester uit Vianen.»
De kostschoolhouderessen Bullot en la Cave.
Het voortreffelijk Instituut voor het onderwijs van Jonge Jufvrouwen in talen, huishoudkunde en vrouwelijke handwerken, gepaard aan eene godsdienstige en zedelijke opvoeding, door de Jonkvrouwen Bullot en La Cave gehouden, biedt aan ouders, ook elders woonachtig, eene geschikte gelegenheid aan, om derzelver dochteren tot nuttige leden der maatschappij op te leiden, en wanneer zulks derzelver bestemming mogt zijn, brave echtgenooten en zorgvuldige moeders te doen worden.
KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.
Concert de Harmonie.
De Toonkunst wordt te Vianen met eenen bijzonderen goeden uitslag beoefend; de kundige en smaakvolle Pianist Dietz, die tevens onderwijs in het fluit- en vioolspelen geeft, heeft sedert verscheidene jaren begaafde discipelen en discipelinnen gevormd, uit welke sommige door eigene oefening het inderdaad tot eenen zekeren trap van volmaaktheid gebragt hebben, zoodanig, dat aan hen de naam van Virtuozen niet mag ontzegd worden; dat daardoor het orkest op het wekelijksch winter-concert, in de fraaije zaal, die het logement de Roos ten sieraad strekt, gehouden wordende, bijzonder wel bezet is, spreekt van zelve; het personeel, door hetwelk dit orkest gevormd wordt, versterkt zich van tijd tot tijd door dilettanten, die zich van elders te Vianen zijn komen neerzetten, zoodat het doorgaans aan geen genoegzaam getal deelnemende ontbreekt, om eene Symphonie van Beethoven of eene Cavatine van Mendels-Sohn Bartholdy met den besten uitslag uit te voeren, terwijl ook de vokale muzijk, doorgaans het lievelings-talent van het schoone geslacht, een genoegzaam getal zangeressen oplevert, om de koren te vervullen.
Dat aan zulk een geheel de naam van Harmonie met regt kan gegeven worden, spreekt van zelve, en het is dan ook daarom, dat Vianen het Concert de Harmonie onder deszelfs. lievelings-uitspanningen mag tellen.
De afdeeling der maatschappij tot Nut van het Algemeen.
In dezelfde zaal, van welke wij boven gewaagden, en die wij voor de beoefening der Toonkunst, als aan Euterpe toegewijd, mogen beschouwen, vergaderen maandelijks de Leden, uitmakende de afdeeling van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, voorwaar eene meer deftige bijeenkomst, alwaar de taal der wijsheid, door meer bedaagden uitgesproken, gehoord wordt; daar worden verhandelingen gedaan en bijdragen geleverd, niet minder belangrijk, dan die, welke men elders in geleerde genootschappen hoort, daar beklimt nu en dan een begaafd dichter, die ter zijner tijd in de raadzaal den evenaar der geregtigheid weet te houden, het spreekgestoelte en doet ons aan Tollens, Van den Bergh of Ten Kate denken, en niet zelden ook herinneren ons de natuurkundige proeven, door luchtpomp of electriciteit en de kunst, om ligchamen uit de onderscheidene rijken der natuur beurtelings af te scheiden, of te zaam te verbinden, te weeg gebragt, dat er ook mannen in Vianen worden gevonden, die met regt den naam van Physici dragen mogen.
Ten bewijze, dat ook het onderwijs in de teekenkunst te Vianen in goede handen is, moge strekken het fraaije litographische plaatje, van hetwelk de teekening is vervaardigd door den heer Van Lom, die dezelve welwillend aan schrijver dezer heeft afgestaan. Gebruik makende van 's mans heuschheid heeft men dan ook geen' oogenblik geaarseld, die teekening in steendruk te doen brengen en tegenover den titel als een belangrijk sieraad te plaatsen.
Geneesheeren, Heel- en Vroedmeester en Artsenijmengers.
De genezing van ziekten, benevens de hulp door de Heel- en Vroedkunde aan lijders en bijstand behoevende vrouwen toe te brengen, is in Vianen meer dan genoegzaam gewaarborgd; het stadje telt twee kundige artsen, de heeren Wincler, vader en zoon; de eerste in de praktijk grijs geworden, de laatste met den besten uitslag zijns vaders voetstappen drukkende, beiden waardige zonen van Hippocrates, die zachtzinnigheid, aan kloekheid in de behandeling der aan hunne zorg toevertrouwde zieken weten te paren.
Als Heel- en Vroedmeester, zoo voor de stad, als voor het platte land in den omtrek, mag de heer C. A. G. van Effen genoemd worden; als Priester van Lucina verstaat hij grondig zijnen Baudelocque, als wondheeler zijnen Strohmeijer; in deze laatste betrekking deed hij veel ondervinding op in de militaire hospitalen, gedurende den tiendaagschen veldtogt.
De heer Van Effen is tevens Apotheker, als zoodanige sluiten zich aan hem aan de heeren Brouwer, Vos van Zalingen en Meijlinck, alle hun vak volkomen meester en met Apollo kunnende zeggen, «herbarum subjecta potentia nobis».
Letterkunde, Boekhandel, Leesbibliotheek, en Leesgezelschappen.