Een Vluchtige Blik op het oude en hedendaagsche Vianen

Part 2

Chapter 23,659 wordsPublic domain

«Werwaerts men sich keert, daar vertoonen haer verscheijden perspectiven van op in rijen gezette boomen die 't gesichte ten boswaert ingeleijt door de duijstere schaduwe stuijten. En was dit Speelhuijs, daer van ick gewach hebbe gemaeckt, ten tijden dat Hendrick leefde seer aerdich gemetselt, en soude apparent den hof mede deze vorverhaalde aerdicheden gehad hebben, indien de geruste besittinghe aen Hendrik sulx toegelaeten hadde. Als die alles trachtede te doen tot vermaeck van zijne vrouwe Aemilia, terwijle dat Godt en de gelegentheijt zulks hun beide gunde.

De geleerde Van 't Sant, Kostschoolhouder te Gorinchem meldt in zijne Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf-Heeren Landen, omtrent Amalienstein het navolgende.

«Een kwartier uurs ten westen van Vianen in het Vianensche bosch, had de beroemde Heer Hendrik van Brederode, welke in 1568 stierf, voor zijne gemalin Amalia van Nieuwenaar een adellijk huis doen bouwen, hetwelk hij naar haren naam Amalienstein deed noemen. Het was een fraai gebouw, rondom in Vijvers gelegen; welks ridderzaal, ter vergaderplaats diende, om over het bekende smeekschrift der Edelen te handelen, dat der Hertogin van Parma moest aangeboden worden; doch de verwoestende hand des tijds niet kunnende ontgaan, werd het mede in de vorige eeuw gesloopt, zoodat van hetzelve niet meer aanwezig is.

Tot dus verre Amalienstein. Ik had intusschen ook nog aan mijnen vriend, al terug wandelende beloofd, hem al dat geen te zullen mededeelen, hetwelk belangrijk zoude kunnen worden geacht voor de zoodanigen, die met waardige personen en nuttige inrigtingen in Vianen gaarne bekend werden en gaf hem, alzoo ten dien einde de navolgende beschouwingen in afdeeling III vervat, mede, bij welke ik voorts als eene toegift voegde eene beschrijving van de begraafplaats Sparrendreef, in vroegere dagen door mij opgemaakt, de tijd toch had ons bij onzen uitstap ontbroken, die begraafplaats in oogenschouw te nemen, en dezelve was te belangrijk, dan dat men er de vermelding van zoude hebben mogen achter wege laten.

II.

DE BEGRAAFPLAATS.

Den Gottesacker will ich mir Zum liebsten Ort erwählen.

Toen ik onlangs in diepe mijmering verzonken, ronddwaalde in de omstreken der stad, bragt mij mijne wandeling onverwacht in de nabijheid der Begraafplaats.

Ik trad de laan binnen, die tot dezelve leidt: met heiligen eerbied naderde ik, en als van zelve kwamen mij de woorden van een der Evangelische gezangen in de gedachten:

Stille rustplaats van Gods dooden 'k Denk aan u met zoete vreugd, Eindpaal van verdriet en nooden Rustplaats na den strijd der deugd. Zouden wij voor 't sterven beven, Sidd'ren voor den jongsten nood? Jezus liet voor ons het leven-- Jezus overwon den dood.

Ik dacht aan de dagen mijner jeugd, toen ik in het bevallig gelegen Oostfriesche stadje Aurich verblijf houdende, menigmaal, bij het vallen van den avond ter poorte uittrad, en mijne schreden naar den Gottesacker rigtte.

Den Gottes-acker! hoe eigenaartig en gevoelvol uitgedrukt! ja de Duitschers verstaan dit volkomen.--Boven den hoofdingang leest men deze woorden:

«Hier ruhen sie, und sind in frieden Und leben ewig sorgenlos.»

Men gevoelt zich alzoo reeds in eene eerbiedige stemming, vóór dat men door de arkaden den doodenhof is binnengetreden; deze stemming was dan ook steeds de mijne en werd verhoogd, wanneer ik mij op de begraafplaats zelve bevond.

Eenvoudig, maar smaakvol is haar aanleg; hier en ginds een boschje, in hetwelk een gedenkteeken verscholen ligt, dan weder heuvelachtig aangebragte gronden, met graszoden overdekt en op dezelve in schuinsche rigting, en bevallige onevenredigheid, grafzerken, met opschriften, die tot het hart spreken en een onafgebroken memento mori opleveren, dan sarcophagen, obelisken, half gebroken kolommen, als overblijfselen van eenen bouwval, tusschen beide treurwilgen en cypressen, door zacht ruischende abeelen afgewisseld, in één woord, alles wat, onder symbolische teekenen, aan dood en graf, aan opstanding en eeuwigheid herinnert.

Plegtig is steeds aan dezen heiligen oord de omwandeling der treurenden: hier ontmoet men eenen verlaten echtgenoot in diep gepeins verzonken en tranen stortende bij de grafstede eener innig geliefde gade, ginds bevallige knaapjes, de veldviooltjes en madeliefjes en het zoo eenvoudig schoone vergeet-mij-nietje, vroeger op der ouderen graf door hen geplant, met het water uit een naburig beekje drenkende, en in gedachteloos kinderspel den vlinder willende verschalken, die op een der lieve bloempjes neergestreken, van daar naar het verblijf der gezaligden deszelfs vlugt scheen te willen nemen; elders eene diep bedroefde weduwe in zacht wegsmeltende toonen eene hymne aanheffende, nabij den lijksteen eens ontslapenen echtvriends.

En op eenen afstand van al dezen rouw, van al die tranen, als op den achtergrond, de doodgraver ijverig bezig met het delven van eenen grafkuil en ons doende denken aan het treffend lied van den gevoelvollen Hölty:

«Grabe, Spade, Grabe Alles was ich habe Dank ich Spade dir.»

«Reich und arme Leute Werden meine Beute Kommen einst zu mir.»

Dat ik vervuld met deze herinneringen ook droevig aangedaan, den Sparrendreef binnen trad, spreekt van zelve; ook daar betreuren nu en dan gevoelige harten, in diepen weemoed, hunne geliefde dooden, ook daar zijn gedenkteekenen opgerigt, die van achting en eerbied voor dierbare ontslapenen getuigen; daar onder dat altijd groenend sparrenlover slapen aanzienlijken en geringen den doodslaap, derwaards gaat menigmaal ter beêvaart een geacht geneesheer en betreurt daar met zijne kinderen eene dierbare echtgenoot en moeder, daar worden nog ten huidigen dage door naastbestaanden en vrienden tranen gestort op de graven van dierbare betrekkingen, daar bragt een eerbiedwaardig inwoner der stad, diep gebukt, doch christelijk gelaten tevens onder den ramp, die hem trof, op eenen en denzelfden dag, twee hartelijk beminde dochteren ten grave, die op dien akker der dooden den dag des oogstes verbeiden. En koud is naauwlijks de aarde, die, nog maar luttel tijds geleden, tot eenen grafterp gevormd werd, die het dierbaar overschot dekt eener teedere maagd, weleer de vreugde en hoop eener nu rouwdragende moeder. Gewis zullen eerbiedige berusting in Gods wil, en onderwerping aan den altijd wijzen raad des Heeren, de tranen droogen dier edele vrouwe, die ook door vroegere wegen van beproeving gelouterd, steeds Gode wist te zwijgen en ook nu den lijdenskelk, haar door Gods vaderhand toegereikt, zal weten te drinken.

Gewis zal zij ook nu troost vinden, daar waar dezelve alleen te vinden is; het dierbaar evangelie zal haar die troost weten te schenken.

Zalige troost voorzeker, inzonderheid dan, wanneer eene treurende moeder als deze, uit de volheid haars harten haar kind de woorden kan toezingen, die vroeger een onzer zoo smaak- als gevoelvolle dichters [3] gezongen heeft

«Nu, daar van aardsche kluisters vrij, Uw ziel in blanke lichtkleedij, De hallels stemt met de Eng'lenscharen, Zal 's Vaders ééngeboren Zoon, Uw kinderlijk geloof ten loon, U 't hemelsch Kanaan openbaren, En als het laatst bazuingeschal De dooden voor zijn zetel zal Vergaad'ren tot het jongst gerichte Zult gij, met neêrgebogen kniën, Hem, d' eerstling uit de dooden zien, Van aangezicht tot aangezichte.»

Maar waartoe hier als uitsluitend van dooden uit den aanzienlijken stand gewaagd? Rusten dan ook niet onder gindsche pijnboomen vele geringen, die op deze aarde onopgemerkt waren, maar onder welke voorzeker ook vele brave, vele deugdzame, vele godvreezende gevonden worden, of zullen ook deze niet te gelijk met hen, die in hun leven met het ridderkruis versierd waren, verschijnen voor den throon van den onzienlijken, voor dien throon, voor welken gene geslachtwapenen, noch brieven van adeldom, maar alleen braafheid en deugd gelden.

Ik mag Sparrendreef niet verlaten, zonder eenen krans van cypressenloof te hebben nedergelegd op het graf van Christiaan Swaving, die gedurende zoo vele jaren, als kundig arts, aan zoo vele lijders hulp heeft toegebragt, van Swaving te vroeg aan de maatschappij en aan zijn talrijk huisgezin onttrokken; maar het voegt ons niet, de wegen der Voorzienigheid te berispen; God nam hem weg, zijn einde was vrede: zacht ruste zijne assche! Steeds herinneren zich zijner zijne nagelatene betrekkingen en noemen liefdevol den naam van hunnen echtgenoot en vader.

III.

DE STAD.

HET OUDE VIANEN.

Groote mannen, die in vroegere eeuwen te Vianen zijn geboren en ook in de laatst afgeloopene aldaar het eerste levenslicht aanschouwden, en, hetzij, daarna gestorven, of als nog in leven zijn, ook de zoodanige, die in deze stad, gedurende eenigen tijd hun verblijf hebben gehouden.

Men zal, wanneer men de geschiedenis van vroegeren en lateren leeftijd raadpleegt, de opmerking maken, dat, niet zelden Godgeleerden, Staatsmannen en Krijgshelden, van uitstekende verdiensten, en de zulken, die met meer dan gewonen goeden uitslag zich, hetzij op de schilderkunst toegelegd, de dichtkunst beoefend, of zich door letterkundigen roem in de geleerde wereld onderscheiding verworven hebben, in kleine steden of vlekken, of op onaanzienlijke dorpen geboren werden. Werd niet onze onsterfelijke Boerhave, die zich door zijne diepe ervaring in de geneeskunst eene Europeêsche vermaardheid heeft verkregen, in het dorp Voorhout, nabij Leiden, ter wereld gebragt? Was niet Stratford aan den Avon, de wieg en bakermat van Albions voortreffelijksten dichter William Shakespeare, en mag niet het nederig Brouwershaven er trotsch op zijn, dat het aan den Prins onzer Vaderlandsche dichters, en den als staatsman zoo uitstekenden Raadpensionaris Jacob Cats deszelfs aanzijn gaf? Staat het niet daarom o groote Rembrand! bij de roemvermelding der zonen van Appelles, met gouden letteren geboekstaafd, en getuigen nog niet, ten huidigen dage, en doek en paneel, wie eenmaal Hollandsch eerste schilder was, maar werd gij ook niet juist daarom, in onderscheiding van de overige leden van uw geslacht van Rijn bijgenaamd, omdat het zoo schilderachtig aan dien stroom gelegen dorpje, het bevallig Koudekerk, het te vertellen weet, dat gij eenmaal als knaapje aan des Rijnstrooms boorden speeldet en gindsche boerenwoning u als zuigeling had zien geboren worden.

En gij o Joure! vroeger naauwlijks opgemerkt onder de geringste van Frieslands gehuchten, zoudt gij u niet verheffen op uwen Borger, uitstekend godgeleerde, voortreffelijk kanselredenaar en dichter tevens, gij Vlissingen op uwen Bellami, niet minder dan Borger, der zanggodinnen voedsterzoon?

En gij o Lekstad; zoo beroemd in de geschiedenis van ons Vaderland, zoudt ook gij geen roem mogen dragen op voortreffelijke mannen, die, zoo vele eeuwen geleden, u hunne geboorteplaats mogten noemen, werd gij niet vereeuwigd door uwe Brederodes, te genoegzaam in 's lands historie blaân vermeld, dan dat ik nog vernieuwde lauwren aan hunnen krans zoude behoeven te hechten, waart gij het niet, die reeds in het jaar 1583 aan Jacobus Triglandius het eerste levenslicht deed aanschouwen! uit Roomsch-Katholijke ouders geboren, en in die zelfde godsdienst opgevoed, ging hij al rasch tot de protestantsche geloofsbelijdenis over, hij aanvaardde ter zelfder tijd het predikambt en werd in den jare 1606 te Stolwijk en daarna in 1610 te Amsterdam tot Leeraar beroepen. In beide gemeenten achtereenvolgende verkondigde hij het Evangelie tot in 1634, met zoo veel roems, en ontwikkelde zich al meer en meer als zulk een welsprekend kansel-redenaar, dat curatoren der Hoogeschool te Leiden, hem met algemeene goedkeuring, den eersten leerstoel in de godgeleerde faculteit aanboden; steeds betoonde hij zich een ijverig tegenstander der Remonstrantsche gevoelens te zijn, en verwierf zich als zoodanig, onder zijne geloofsgenooten geenen geringen aanhang.

Op één en zeventigjarigen ouderdom verliet hij in het jaar 1654 het tooneel dezes levens; de geleerde Johannes Coccejus sprak zijne lijkrede uit en vermeldde in dezelve al die uitstekende hoedanigheden, die den waardigen Triglandius versierd hadden; van hoogst belangrijken inhoud zijn de godgeleerde werken, die hij heeft nagelaten; hij schreef kerkelijke geschiedenissen (gerigt tegen J. Uittenbogaert). Leiden 1650--de trina Dei gratia. Amst. 1636--de Episcopatu Contra Nicolaum Videlium--Amst. 1642 en nog ten huidigen dage worden niet zelden 's mans geschriften geraadpleegd.

Niet minder geleerd, dan Triglandius, was Wilhelmus Janszoon, (Janssonius), bijgenaamd van Vianen, ten einde; op deze wijze den naam van zijne geboorteplaats van geslacht tot geslacht te doen overgaan; vroeger Hoogleeraar in de wijsbegeerte in het collegie van het Castrum te Leuven, werd hij daarna ter zelfder stede, eerst Plebaan van de St. Pieterskerk aldaar, en later Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, hij stichtte eene beurs in het collegie van het Castrum ééne in dat van Standonck en twee in het groote collegie; hij stierf op den 20 November 1529 en werd in de St. Pieterskerk te Leuven begraven.

Ik doe hier het grafschrift volgen, bij hetwelk hij als van zich zelven gewagende, aldus sprekend wordt ingevoerd.

Urbe Viana ortus, Guilielmus nomine magna, Castrensem rexi sedulitate scholam, Hinc doctor legis divinae, pabula Pastor, Praebueram, Pavi, qui sacra templa Petri, Pauperibus moriens, studiisque alimenta reliqui, Plurima, apud superos, hinc mihi parte quies.

Het was ook de groote Daniel Heinsius die, na volbragte staatkundige loopbaan, den avond van zijn leven te Vianen heeft gesleten; het schijnt intusschen, dat hij nog vóór zijnen dood gedurende eenige tijd te Leiden zijn verblijf heeft gehouden, alwaar hij op den 25 Februarij 1655 is overleden, waarom hij in de kerk te Vianen is begraven, blijkt wel uit de grafzerk, onder welke zijne assche rust, maar niet uit de geschiedenis, immers schrijver dezes heeft daarvan geene sporen kunnen vinden.

Heinsius was geboren te Gend, op den 30 Mei 1580. Hij werd gehouden voor den geleerdsten en vindingrijksten dichter der zeventiende eeuw; de nederduitsche letterkunde heeft door hem eenen bijzonderen voorrang boven de Duitsche verkregen, maar meer nog dan dichter was Heinsius groot als Staatsman; hij woonde in de jaren 1618 en 1619 als afgevaardigde der Staten-Generaal de Dordsche synode bij; hij mogt zich beroemen, de vriend van Scaliger en Dousa te zijn. Gustaaf Adolph, Koning van Zweden, benoemde hem om zijne veelvuldige geleerde schriften tot zijnen geschiedschrijver, en Paus Urbanus VIII noodigde hem uit naar Rome, om van zijn geleerd onderhoud voordeel te kunnen trekken.

Wij moeten hier ter plaatse mede gewag maken van den in de wijsbegeerte en de wis- en sterrekunde zoo ervarenen Jan Frederik Hennert, die na verkregen eervol ontslag als Hoogleeraar aan de universiteit te Utrecht, gedurende eenen geruimen tijd zijn otium cum dignitate te Vianen heeft doorgebragt en daarna weder naar Utrecht terug gekeerd, op den 30 Maart 1810, in het 80ste jaar zijns levens aldaar is ontslapen.

Te regt mag ook Vianen zich verheffen, de geboorteplaats te zijn geweest van Willem Anton Ockerse, wiens staatkundige loopbaan, in de vroegere dagen van omwentelingen en staatsberoeringen te wel uit de geschiedenis van dien tijd bekend is, dan dat de bijzonderheden daarvan ter dezer plaatse behoeven herhaald te worden, het moge intusschen gezegd zijn, dat hij in dat belangrijk tijdvak zich steeds als man van eer, en met regtschapenheid heeft gedragen. Hij zag te Vianen het eerste levenslicht in het jaar 1760 en ontsliep te 's Gravenhage op den 19 Januarij 1816. Menigvuldig en van hoogstbelangrijken inhoud zijn de door hem geschrevene werken, dezelve dragen den stempel van grondige kennis, juist oordeel, scherpzinnigheid, onpartijdigheid, zachtheid en liefde; wij noemen hier als eenige onder allen, de resultaten van zijn zestig jarig leven, zijne karakterkunde, en meer andere geschriften; de naam van Ockerse is mede tot de nakomelingschap overgegaan, door de letter- en dichtkundige verdiensten van 's mans waardige zuster, Vrouwe Antoinetta Ockerse, weduwe J. P. Klein. Hare oden en elegien, de gedachten bij het graf van Robbert Blair, en de bijbel, eene bron van Goddelijk onderrigt voor den mensch in zijne dagelijksche levensbetrekkingen, hebben heerlijke proeven opgeleverd van haar rein, godsdienstig gevoel en hare bekwaamheid ook in den prozastijl. Zij was geboren in 1763, en overleed te Leiden op den 25 December 1828.

Na nu van de dooden gewaagd te hebben, rust op ons nog de taak, vermelding te doen van twee waardige mannen, die Vianen hunne vaderstad mogen noemen, ik bedoel Mr. Maurits Cornelis van Hall en Mr. Johannes op den Hooff.

Maurits Cornelis van Hall! wie is er, onder de zoodanige, die menschenwaarde, regtsgeleerdheid, statenkennis, letterkunde en archaeologie, gevoel en smaak voor de dichtkunst, en wat meer zegt, adelaarsvlugt in de beoefening derzelve, op hoogen prijs weten te schatten, wie is er onder de zoodanige, die dien naam niet met eerbied noemt?

Maurits Cornelis van Hall werd op den 4 Februarij 1768 te Vianen geboren; niet lang was het met Van Hall, als knaapje, ludere par impar, equitare in arundine longa; al rasch en naauwlijks den jongelings leefdtijd ingetreden, ontbrandde in hem de zucht naar de wetenschappen, en, het studia adolescentiam alunt werd zijne leuze.

Hij verliet dan ook spoedig zijne vaderstad, en toog op naar de Hoogeschool, alwaar hij zijne studiën aanvaardde; dat hij ijverig en naauwgezet was in het woekeren met zijnen tijd, kan niet betwist worden, hoe zoude ook het gebouw van zijnen uitstekenden roem zoo hoog kunnen zijn opgetrokken geworden, wanneer de fundamenten niet goed gelegd waren; wars van alle uitspattingen, der studerende jeugd meermalen eigen, liet hij nimmer eenig collegie onbezocht en schonk het grootst gedeelte van den dag aan letterkundigen arbeid, en hij mogt de gulden spreuk, die ook die was van eenen eerbiedwaardigen Romein de zijne maken nulla dies sine linea; Van Hall was student, zoo als men zulks behoort te zijn, en hij ontving den doctoralen hoed met luister. Eerevol betrad hij den weg, die naar den tempel van Themis leidt. Hij werd advokaat; dat hij onder deze een der voortreffelijkste was van zijnen tijd, getuigen de jaarboeken der Amsterdamsche pleitzaal.

Demosthenes zijner eeuw sprak hij voor de mannen van het regt, zoo als weleer Cicero voor de beschrevene vaders sprak, en de Dejotarussen en Catilina's vonden in hem, deze eenen warmen verdediger, gene eenen moedigen bestrijder, zoo als eertijds die van het oude Rome eenen zoodanigen in hunnen Marcus Tullius vonden.

Van Hall was Patriot in de verhevene beteekenis van het woord, zoo als het den echten vaderlander kenmerkt, republikein, zoo als het, tijdens de Romeinsche adelaren den optogt der legioenen openden, de Scaevola's, de Brutussen, de Metellussen waren. Van Hall was de vriend des volks, het volk bragt hem wederkeerig eene onbepaalde hulde toe.

Toen eenmaal in het volkrijk Amsterdam een geweldig oproer dreigde uit te barsten, en het teugelloos gemeen wet en regt met voeten zoude hebben getreden, steeg Van Hall te paard, drong door de menigte heen en kluisterde, door éénen wenk, de hyéne der anarchie in onverbreekbare banden.

Zoo onwaardeerbaar nuttig was Van Hall voor zijn vaderland!

Van Hall was geschiedschrijver en dichter; geschiedschrijver als Tacitus, dichter als Flaccus.

Wie, die geschiedkunde waardeert, en dichtkunst op hoogen prijs stelt, heeft niet gelezen, wat Van Hall geschreven heeft?

Wij noemen, onder vele zijner geschiedkundige werken, het leven van den Admiraal van Kingsbergen, de verdediging van Graaf Hendrik van Brederode en het echt klassiek werk, over den dood van Plinius den jongeren, zoo noodlottig bedolven onder de lavastroomen en aschregens, toen door deze de uit marmer en graniet gebouwde steden Herculaneum en Pompeji overstelpt werden.

Van Hall was dichter!

Hoe--viert hem dan geen Jubellied, Der voor zijn harp geknielde menigt, Die, als ten eedlen kamp vereenigd, Hem de offers van haar hulde biedt? Maar neen, verganklijk is 't arduin Een eerzuil rijst in onze harten Die de almacht van den tijd zal tarten. Geen welkbre lauwer sier zijn kruin!

Voorzeker Pindarus van Nederland! is zulk een' eerzuil in onze harten voor u gerezen! deze toch is duurzamer dan metaal; (aere perennius). Wat al schatten van dichterlijk genie zijn niet in uwe menigvuldige werken verborgen! En hoe veel verscheidenheid kenmerkt niet dezelve! Minder verdienste heeft de dichter, die zich tot één genre van poëzij bepaalt, Van Hall vereenigde in zich alle.

Milton en Tasso, Dante en Petrarca, Flaccus en Maro, kweelde hij dan eens lieflijk op zijne veldfluit een teeder herderslied (gracili modulatus avena), bezong hij dan weder het zalig en rustig landleven, terwijl hij meermalen, door geestdrift vervoerd, beurtlings met sterke kleuren menschelijke hartstogten en daden wist af te malen, of als een andere Tyrtaeus een krijgslied aanhief, of zich in de dagen der kruistogten verdiepende, als minnezanger vermomd, voor de geliefde van zijn hart, de snaren zijner luit wist te tokkelen.

Steeds pogende nuttig te zijn, en bevorderlijk aan al wat het gebouw der Maatschappij tot Nut van het Algemeen konde schragen, maakte hij zich bijzonder verdienstelijk als hoofdbestuurder derzelve; voortreffelijk waren zijne redevoeringen, door hem bij de opening der algemeene vergaderingen dier Maatschappij uitgesproken:

Van Hall was een man van eene groote zelfstandigheid; hij bleef zich zelven, als staatsman gelijk, onder de republiek en het staatsbewind, en onder den zachtmoedigen scepter van Lodewijk den Goeden (eenen tweeden Louis le debonnaire voorwaar!) en in dat hagchelijk tijdvak, toen de man van Corsika zijne proconsuls en satrapen, als zoo vele gieren, op ons vaderlijk erfdeel deed nederstrijken, om 's dwingelands noodlottige bevelen uit te voeren, en goed en bloed van een wel eer zoo gelukkig volk aan den overheerscher cijnsbaar te maken.

Onwrikbaar als de ceder, deed hij de staatsorkanen om zich heen woelen; en het mogt van hem gezegd zijn; si fractus illabatur orbis, impavidum ferient ruinae!

Van Hall had zich zelven gevormd, van daar die manhafte taal, die hij wist te spreken, als het pas gaf; Van Hall, was steeds Van Hall, en hij mogt zeggen:

'k Ben 't al mij zelf verpligt, en niets aan kunst'narijen.

Zoo ver Van Hall tot in de dagen der verlossing van het Fransche juk, de laatste dagen van 1813.

Toen in die laatste dagen, in die dagen die zulk een belangrijk blad beslaan, in de geschiedenis van den man des bloeds, de zon van voorspoed voor dezen begon te tanen, toen overwinning op overwinning op de Fransche adelaren het weldadig bestier eener regtvaardige voorzienigheid kenmerkten, toen de vlammen van het Kremlin in de oude stad der Czaren bloedrood ten hemel stegen en de slaande hand Gods, bij den terugtocht over de Beresina lijken op lijken stapelde, was het naauwlijks, dat hij zich met de vlugt konde redden, en knarsetandende van woede het paleis der Tuilleriën bereiken.

Al spoedig waren ook de verbondene mogendheden Parijs binnen gerukt, en hadden den verwaten dwingeland in onverbreekbare ketenen geslagen; de afstand van de kroon werd te Fontainebleau geteekend, nog eenige weinige uren, en de Northumberland kliefde de baren en bragt Bonaparte naar Elba over. Van dien oogenblik af aan dagteekende zich ook Neêrlands bevrijding.

De laatst overgebleven telg van den Vijfden Willem, door vroegere Fransche overheersching, achttien jaren geleden uit zijn vaderland verdreven, en gedurende die tijd als balling rondgezworven, verliet het gastvrij verblijf hetwelk der Britten edelmoedigheid hem op het vorstelijk Hampton-Court had aangeboden.