Een Vluchtige Blik op het oude en hedendaagsche Vianen

Part 1

Chapter 13,668 wordsPublic domain

EEN VLUGTIGE BLIK OP HET OUDE EN HEDENDAAGSCHE VIANEN,

DOOR Mr. W. J. VAN HARN, OUD HOOFD COMMIES BIJ HET MINISTERIE VAN FINANCIEN.

te SCHOONHOVEN, bij S. E. van NOOTEN. 1851.

AAN DEN WELEDEL ACHTBAREN HEER

W. ROOSEBOOM,

BURGEMEESTER DER STAD VIANEN.

Vergun mij WelEdel Achtbaar Heer! dat ik aan UWelEdel Achtbare de opdragt doe van mijn gebrekkig geschrijf, ten titel voerende: Een vlugtige blik op het oude en hedendaagsche Vianen. Aan wien toch zoude deze opdragt eigenaartiger kunnen geschieden, dan aan den waardigen man, die met zoo veel wijsheid, zoo veel billijkheid, zoo veel welberadenheid, de belangen van de inwoners der stad Vianen behartigt, en die er zich eenen aangenamen pligt van maakt, in alle afdeelingen van deszelfs bestier, eenen iederen het zijne te geven, en bij de beslechting van geschillen steeds getrouw is aan de gulden spreuk, die vóór den ingang van het raadhuis prijkt: audi (et) alteram partem. Lang nog moge Vianen zich kunnen verheugen in het bezit van eenen Burgemeester, die zoo vele voortreffelijke hoedanigheden in zich vereenigt. 's Hemels beste zegen bekroone steeds WelEdel Achtbaar Heer! uwe ijverige pogingen ter behartiging der belangen uwer burgers, en die zegen blijve ook rusten, op al wat aan uwe huisselijke betrekkingen en uw persoonlijk burgerlijk leven bevorderlijk kan zijn.

Ontvang WelEdel Achtbaar Heer! de betuiging der zeer bijzondere hoogachting, met welke de eer heeft te zijn, van UWelEdel Achtbare de zeer gehoorzame dienaar

DE SCHRIJVER.

VOORBERIGT.

Toen ik, eenige maanden geleden, de residentie verliet, en mij met mijn huisgezin naar Vianen begaf, ten einde mij aldaar met ter woon neder te zetten, en ik alzoo met diep leedwezen mijne menigvuldige vrienden en betrekkingen moest vaarwel zeggen, vrienden, hartelijke, welmeenende vrienden, onder welke er gevonden werden, met welke ik ruim zes en dertig jaren had omgegaan, was er menig een, die mij, bij het aandoenlijk afscheid nemen, belooven deed, eens te schrijven, hoe het mij te Vianen beviel, en in het algemeen eenige bijzonderheden nopens het stadje, aan den Lekstroom gelegen, mede te deelen.

Tot mijne schaamte moet ik bekennen, dat ik, op weinige uitzondering na, geene brieven, ten boven bedoelden einde heb doen afgaan, en dat men te vergeefs op mijne berigten gewacht heeft.

Ten einde nu op eene doelmatige wijze dit hoogst laakbaar verzuim goed te maken, kwam ik op de gedachte eene brochure over Vianen in het licht te geven, en dezelve aan het publiek in het algemeen, en aan mijne vrienden in het bijzonder aan te bieden.

Ik heb getracht, steeds de waarheid in het oog te houden, en aan mijne schetsen den vorm eener uitspanningslektuur te geven.

Vianen heeft in vroegeren en lateren tijd vele inderdaad groote mannen opgeleverd, gaarne kweet ik mij van den aangenamen pligt, derzelver roem te vermelden. Wie brengt niet met zelfvoldoening hulde toe aan de zoodanige, die nog ten huidigen dage der maatschappij ten sieraad strekken, en wie zoude zich het streelend genoegen ontzeggen, de nagedachtenis te vereeren van hen, die nog bij den laten naneef met eerbied zullen genoemd worden. De tafereelen, die ik omtrent het Vianen, zoo als het thans is heb opgehangen, zijn wel met eenigzints levendige kleuren geschilderd, maar het net gebouwde stadje, de bevallige omstreken en de herinnering aan den grijzen voortijd gaven aanleiding tot den bloementooi, welke ik aan dezelve geschonken heb.

Wat ik van Van Duijll, van Stuart, en van Van Weigerden schreef, is waarheid, zuivere waarheid, niet minder hetgeen ik van het Instituut van de Jonkvrouwen Bullot en La Cave, en van den kundigen Pianist Dietz vermeldde, ook durve ik de echtheid waarborgen, van het door mij in de verdere rubrieken in de derde afdeeling voorkomende, ter neder gestelde.

Men leze met toegevendheid--de roede der Kritiek spare mij, en doe het mij niet al te zeer ten verwijt strekken, dat ik tot op heden, mijne lezers op meer ernstige en voorzeker meer gewigtige en nuttige vruchten van mijne pen onthaald hebbende, nu voor eene enkele reis van dezen weg ben afgedwaald, maar is zulks niet meer malen met schrijvers en vertalers het geval geweest en nog? en schreef niet reeds voor bijna twee honderd jaren, de groote Van den Vondel aan zijnen afwezenden vriend? «Een zelve saisoen is jaerlix hetzelve niet; en vruchten en bloemen, uit eenen zelven struik en steel gesproten, verschillen dikwils niet luttel.» Vloeide niet bij Madame des Houlieres, die gevoelvolle dichteres van de zestiende eeuw, uit eene en dezelfde pen hare paraphrasen van sommige van Davids Psalmen, en hare rondeau «entre deux draps.» Was niet de dichter van de ode aan God, ook die der ballade Alrick en Aspasia, en Bilderdyck! en Schiller! et tutti quanti! en zoude men het dan ook mij niet ten goede houden, dat ook ik eens afdwaalde?

En nu aan mijne vrienden en aan het publiek heil!

Geschreven in den Zomer des jaars 1850.

DE GRAVEN VAN BREDERODE.

Soo vroomheyt, dapperheyt, en deucht onsterflyk maecken, Onsterflyck is de naem van Brederoos geslacht; Onsterflyk 't Helden-bloedt, dat Spaegniens eer verkracht, En naest 't nassausche Huys de Tijrannij kan staecken.

Laet nu 't Romeinsche volck, op haer Camillen roemen, Op Scipio, die 't Rijck voor vallen onderschraeght Op Brutus, die voor 't Landt syn goet en leven waeght, En Cato, die men mach te recht stantvastich noemen:

'T feijlt Neerlandt aan geen stof van dapper' oorloochshelden, Van Helden, die het noijt ontbrack aen Kloecke moet, Die van haer teere jeucht in 't Harnas opgevoet, Voor Vryheijt 't Edel bloedt, voor Eer haer leven stelden.

Was Scipio wel eer de schrick der Africanen, Garthagoos onderganck, een zuijl van 't Roomsche Rijck: Komt Nederlanders komt, roemt in u Republyck, Nassau en Brederoo, twee Geessels der Maranen;

Gedenckt hoe 't Spaensche Volck wel haest liet af, te woeden Als Nassau quam te saem met Brederood' in 't velt; Gedenckt hoe dat het riep, van vreese heel ontstelt, Ach! 't Nassausch oorloochs-hooft kastijdt met Breede-roeden.

N. VOET. 1656.

I.

DE WANDELING.

Wanneer een mijner vrienden uit mijne vorige woonplaats mij te kennen gaf, dat hij gaarne onder mijn geleide, Vianen wilde bezoeken, en hij, het zij met de stoomboot uit Rotterdam, of de schuit van Utrecht, te Vreeswijk zoude aankomen, zoude ik hem van daar gaan afhalen, en de schipbrug met hem overwandelende, door de buitenstad regt op de Lek-poort aantreden; ik zoude hem eene wijle tijds vóór die poort doen vertoeven, ten einde dezelve met hem in oogenschouw te nemen, ik zoude hem deszelfs merkwaardigen en alouden bouwtrant, als meer dan twee eeuwen tellende, doen opmerken, en, na eenen vlugtigen blik in de stad geworpen, en dezelve, zoo als de latijnen zulks noemen, a limine gegroet te hebben, eenige schreden achteruit treden, als dan den zoogenaamden Ringdijk met hem opgaan, hem, al voortwandelende, de overschoone en schilderachtig gelegene landsdouwen, aan weerszijde van den Lekstroom doen gadeslaan, hem op het in de verte gelegene aloude stadje IJsselstein opmerkzaam maken, en hem voorts de torenspitsen van de menigvuldige in de verte gelegene dorpen aanwijzen.

Ik zoude nu verder met hem voortwandelende het gesprek wenden op de Vaderlandsche Geschiedenis, ik zoude den roem vermelden dier uitstekende helden en staatsmannen, die in het midden der vijftiende en het begin der zestiende eeuwen, de eerste, op het veld van eer, als manhafte Scipioos, de laatste in de raadsvergaderingen, als welberadene Catoos voor vrijheid en vaderland streden en den liebaart ontrolden voor haardsteden en altaren; ik zoude spreken van Floris I en II, van Pallant, Graven van Culemborg, van die van Egmond en Hoorne, van Lalaing en Van den Berg, die voor Margaretha en Granvelle om vrijheid van godsdienst aanhielden en van dien eersten Willem, die nog bij den laten naneef den naam van den zoo bedachtzamen Zwijger voerende, bij denzelven niet dan met diepen eerbied vermeld wordt; ik zoude met uitbundigen lof uitweiden over de tijdgenooten van die groote mannen en ik zoude met nadruk de namen der Graven van Brederode noemen; nu langzaam tot mijn doel naderende, zoude ik, als op het onverwachts met mijnen vriend stand houden voor de Slotpoort, die ter linkerzijde gelegen, voert tot de bouwvallen van het kasteel van Batenstein, weleer het verblijf dier onvertzaagde helden, die nog ten huidigen dage niet zelden door meer dan eenen inwoner van Vianen, die het te schatten weet, wat ook hij aan hen verpligt is, met heilig ontzag genoemd worden.

Treden wij de Slotpoort binnen; wat al Edelen en Ridders, in trotschen wapendosch, door helm en maliënkolder voor het vijandelijk zwaard gedekt, met hunne schildknapen en voetknechten, zijn niet, nu bijna drie eeuwen geleden, op hunne strijdrossen gezeten, die Slotpoort binnen gereden, om dan eens aan gewigtige beraadslagingen deel te nemen, dan weder in de ridderzaal aan het hofbanket den vaderlandschen berkemeier te ledigen.

Wat al Jonkvrouwen, in bevallige amazonendragt, van de valkenjagt terug gekomen, omstuuwd van hofjonkers en valkeniers, met den koninklijken roofvogel op de vuist, deden niet, de toegangen van het kasteel, hunne genetten berijdende, van derzelver hoefslagen weergalmen, om daarna, naar oud-vaderlandschen trant, aan den spinrok te arbeiden, terwijl in nog vroegere eeuwen, Vrouw Jacoba met haren Borssele binnen de muren van het adellijk Batenstein, in teedere minnekozerijen verzonken, zich met zang en luitgespeel vermaakten.

Aan weerszijde van den hoofdingang, welke tot het corps de logis leidt, ontwaart men nog de nissen, in welke voorzeker de wapentropheën der Edelen, uit schild en pantzer, helm en zwaard te zamen gesteld, waren opgehangen, en die ik minder gaarne wil gepleisterd, dan wel met mosch en klimop begroeid zoude zien.

Verder doorgaande komt men op het terrein, op hetwelk het slot Batenstein is gesticht geweest; van dat slot zijn geene sporen overgebleven, dan alleen, aan weerszijde van het plantsoen, de ruïnen der dikke muren, die nu dat terrein van de lusthoven afscheiden, die aldaar door twee aanzienlijke inwoners van Vianen zijn aangelegd.

Dit plantsoen, aan hetwelk de andersints zoo gevoel- en smaakvolle en voor edele herinneringen aan het dierbaar voorgeslagt, zoo vatbare Viaansche burger, den naam van Brederodes Boschje had behooren te geven, is doorgaans eenzaam en verlaten en strekt alleen, ten doorgang, door de Slotpoort, naar het buitenste gedeelte der stad, en het Viaansche bosch, hetwelk zich in eene verre uitgestrektheid verliest, en in onderscheidene fraaije lanen is afgedeeld, waarvan sommige nog namen voeren, die aan de vroegere overmagt der Spanjaarden herinneren.

Onmiddelijk, nadat men door de meergemelde Slotpoort binnenwaarts langs de nissen, van welke vroeger gewaagd is, het plantsoen is genaderd, ontwaart men aan de regterzijde eene van geelen tufsteen gebouwde pomp, die, volgens het opschrift, in het voor de geschiedenis zoo merkwaardige jaar 1648, dat van het sluiten van den Munsterschen vrede, aldaar is opgerigt; twee kuissche stroomgodessen, voorzeker niet door bevalligheid merkwaardig, in half verheven beeldwerk strekken aan dezelve ten sieraad: aan het water, hetwelk deze pomp opgeeft, wordt volgens eene oude overlevering geneeskundige kracht toegeschreven, immers, zoo als de oorkonde luidt, werd dezelve in vroegere dagen door vele lijders bezocht, die in het drinken van deszelfs helder water herstelling voor allerlei kwalen zochten. Martinet noemt in zijn Vereenigd Nederland, deze pomp als beroemd om haar zuiver water.

Deze pomp stond wel eer door onderaardsche wellen in verband met de streek gronds, onmiddelijk ter regter zijde van het plantsoen gelegen, op welke grond eene volkomene badinrigting moet bestaan hebben, die opzettelijk ten gerieve der lijders door eenen geneesheer bediend werd;--met den besten uitslag konde voorzeker ook in deze dagen op die plaats een badhuis worden opgerigt; eene onderneming, welke wanneer dezelve van Gouvernementswege ondersteund werd, aan den bloei en welvaart der stad Vianen veel zoude kunnen toebrengen; men zoude als dan niet buiten zijn vaderland behoeven te zoeken, hetgeen in hetzelve voorhanden is.

Maar wij gaan verder voort, het plantsoen verlatende komt men op den Korten Dijk, eene straat, die weinig merkwaardigs zoude opleveren, wanneer niet in dezelve de Vrijmetselaars Loge, van welke wij nader zullen gewagen, werd aangetroffen. Den Korten Dijk verlatende, en regts omslaande is men op de Voorstraat gekomen, eene straat, welke voorzeker met vele fraaije straten in de groote steden van ons vaderland kan wedijveren en boven de meesten, als regtlijnig mag geroemd worden. In deze straat bevinden zich vele aanzienlijke huizen, door voortreffelijken bouwtrant uitmuntende, met namen die van den Notaris Van den Berg, den Hoogheemraad Dupper, den Heer Joan Cambier en Jonkvrouwe Cremer, bij welke met regt mag vermeld worden de fraaije woning van den Heer Mr. H. M. van Eck, in welke het Postkantoor wordt gehouden.

Het eerste openbare gebouw, hetwelk men in de Voorstraat ter linkerzijde ontmoet is het Gemeenelandshuis. Eerbiedwaardig doet hetzelve zich voor, wegens deszelfs antieke bouworde, in gothischen stijl; de wapens van vele aanzienlijke geslachten van vroegere eeuwen versieren den voorgevel en men treft in dit gebouw vele oudheden aan op de vroegere geschiedenis van Vianen betrekkelijk, onder anderen eenige antieke schilderijen, welke aan het aloude Vianen en het geslacht der Brederode's herinneren.

De Burgemeester, benevens deszelfs Assessoren vergaderen hier op gezette tijden, in eene fraaije geregtszaal wordt het regt uitgesproken, steeds indachtig aan de gulden spreuk, welke ook in gouden letteren boven den ingang der buitenhoofddeur pronkt audi alteram partem, in welke spreuk ik ongaarne het woordje et vergeten zie, en die ik mij veroorloofd heb, aldus te vertalen:

«Wilt gij vonnissen naar recht, Hoor ook wat een ander zegt.»

Schuins over het Stadhuis gaat men naar de Roomsch Katholijke kerk, boven den ingang leest men:

in domum domini ibimus.

Ik las hier liever eamus in domum domini. De kerk is van eenen zeer fraaijen bouwtrant, en binnen in dezelve is alles doelmatig ingerigt.

Nu gaan wij langs de mede in gothischen stijl gebouwde en door derzelver ouderdom merkwaardige Stads-pomp, de Voorstraat regt door gaande op de Landpoort af, maar vóór dat wij ons buiten dezelve begeven, in de eerste plaats eenen uitstap doende naar de Kerkstraat, ten einde daar het huis van den Heer Cambier gade te slaan.

Deze aanzienlijke woning, welke verre zoude zijn, van eene buitenplaats te ontsieren, is te midden van eenen zeer uitgestrekten en wel aangelegden tuin gelegen, van uitstekend boomgewas voorzien; een fraai ijzer hek leidt tot dezelve.

Uit de Kerkstraat terug komende, bevinden wij ons al dadelijk tegenover het Kerkgebouw, aan de viering van de Hervormde Godsdienst toegewijd.

Aan hetzelve mag boven vele van soortgelijken aard in ons vaderland, den voorrang worden toegekend. Een schoone predikstoel, met een welluidend orgel daar boven maken inzonderheid het sieraad uit van dit bedehuis. Men vindt in deze Kerk de marmeren graftombe van Heer Reinoud van Brederode, in 1556 te Brussel overleden. Des Graven overschot is sedert herwaarts overgevoerd en met de eer aan zijnen hoogen rang en bijzondere verdiensten verschuldigd, alhier ter aarde besteld.

Treden wij nu de Landpoort uit; bekoorlijk zijn de ommestreken welke men buiten dezelve aantreft. Al ras staat men eenige schreden voorbij het logement het Zwijnshoofd, ter linkerzijde onwillekeurig stil, voor het fraaije landverblijf, in eigendom bewoond door den Heer J. J. Cambier, Burgemeester van het naburig dorp Hagestein. Dit aanzienlijk gebouw, Buitenlust genaamd, is in den jare 1770 gesticht door den Heer en Mr. Jacob Cambier, in leven Canonik in 't Capittel van St. Pieter te Utrecht.

Hetzelve heeft eene geschiedkundige vermaardheid verkregen, door dien de Fransche Generaal La Fayette, de grondlegger der Amerikaansche vrijheid en onafhankelijkheid, de tijdgenoot van den beroemden Washington, na zijnen afgelegden staat- en krijgskundigen loopbaan, en zijne bevrijding uit de vesting Olmutz, aldaar gedurende eenige jaren zijn verblijf heeft gehouden, als een andere Cincinnatus de raadzaal met den ploegstaart verwisselende; verder voortwandelende bereikt men de in eenen modernen stijl aangelegde Villa, de Monnikenhof genaamd, eenige jaren geleden, bewoond door zijne Excellentie den tegenwoordigen Heer Minister van Staat, en Lid van de tweede Kamer der Staten Generaal, Mr. Floris Adriaan van Hall, en thans het eigendom van den Heer W. Roozeboom, Burgemeester der stad Vianen.

Deze monnikenhof van welke de naam aan geestelijke gestichten vroeger in den omtrek der stad gelegen herinnert, doet zich op eene bevallige wijze aan het oog voor, zoo door de afwisseling van allerlei soort van welig groeijend geboomte, als de schilderachtig gelegene woning te midden van hetzelve.

Op eenen geringen afstand van den Monnikenhof ligt de Rietkamp, mede eene bezitting van voornoemden Heer Burgemeester. Hij die zich gaarne verpoost van het vroegere woelige stadsleven, en in stille landtooneelen vermaak schept, die het oog gaarne doet weiden over welige koornakkers, en de bevallige schakering van allerlei soort van graanvelden bemint, zal zich regt gelukkig gevoelen in de lieve woning op den Rietkamp, uit welke hij al die weelde eener vruchtbare natuur kan in oogenschouw nemen, en, paart hij teeder gevoel aan gekuischten smaak, en is hij dichter tevens, dan zal hij met welgevallen de lustwaranden doorkruisen, te midden van welke deze Cottage is gelegen, en denkende aan het beatus ille van Horatius, beurtelings den zanger van den veldeling [1], de landelijke gedichten van den Duitschen Voss, of de meer verhevene poëzij van den dichter der Jaargetijden [2], tot zijne lievelingslektuur maken.

Verder de wandeling voortzettende, bereikt men Bentzberg, niet minder smaakvol aangelegd dan de Monnikenhof en den Rietkamp; veel dennen en sparrengeboomte strekt aan deze plaats van uitspanning ten sieraad, en biedt den wandelaar een verkwikkend lommer aan; een sierlijke koepel van fikschen bouwtrant, aan den straatweg gelegen, stelt den eigenaar (den Heer Notaris Van den Berg) en diens gezin in de gelegenheid, om menigen zomerschen dag genoeglijk in denzelven door te brengen.

En zouden wij bij onze omwandeling Vijverlust vergeten, die lieve plek gronds, voor vele jaren het eigendom van nu wijlen den Inspecteur Generaal van den Waterstaat, den Heer Jan Blanken Jansz. Daarna van deszelfs schoonzoon, den Heer Sloot en nu door aankoop de bezitting van den Heer Mr. Boxman, Burgemeester der stad Gorinchem en Lid van de eerste Kamer der Staten Generaal; al het bekoorlijke hetwelk eene doelmatig aangebragte afwisseling, van het geen natuur en kunst in zich vereenigen kunnen, oplevert, maakt Vijverlust inderdaad tot een lustoord. Het huis is zeer fraai en biedt aan een talrijk huisgezin al de comforts aan, welke men in zulk eene woning verlangen kan.

Maar waar zouden wij eindigen, wanneer wij al die bekoorlijke dreven, te midden van welke wij ons bevinden, en die den omtrek van Vianen inderdaad tot een Thessaliesch Tempe maken, voorwerpen onzer beschouwingen wilden doen worden; wij zouden daar voor tijds te kort komen; wij bespoedigen alzoo onzen togt, na in het voorbijgaan nog eenen blik te hebben geworpen op het zoo bekoorlijk Vreugdenrijk, wel eer het Tusculum van den geleerden De Waal, langs schilderachtig gelegene landhoeven, door lieve laantjes, tusschen beide het oog vestigende, dan eens op in vollen bloei staande vruchtboomen, dan weder op grazige beemden, dan op moestuinen, hunne voortbrengselen in kwistenden overvloed aanbiedende, naar den Ringdijk, eene wijle tijds hebbende stand gehouden, bij de overblijfselen van Amalienstein, vroeger in de geschiedenis als een merkwaardig slot bekend, en waarvan wij de beschrijving hierna zullen doen volgen, ten einde langs dien Ringdijk, dat krachtig bolwerk, tegen de overstroomingen van den Lek, weder te geraken tot het punt, van hetwelk wij zijn uitgegaan, steeds onder vernieuwde opwekking van ons gevoel, voor de dagen der verledenheid, hetwelk ons andermaal het aanschouwen van de bouwvallen van het kasteel Batenstein inboezemt en naauwlijks kunnende denken, dat er sints, zoo vele eeuwen verloopen waren, en wij ons niet in de 15de of 16de maar in de 19de bevonden.

Aan mijnen vriend worde alzoo uitgeleide gedaan, en keere hij terug naar de plaats zijner woning, vroeger ook de mijne, ten einde daar te verhalen, welke zijne gewaarwordingen zijn geweest op den klassieken grond van de Lekstad en diens omtrek. Vaarwel dan waarde T. keer tot uwe haardsteden terug, breng mijne groete over, daar waar dezelve welkom zal zijn, en denk met mij aan de gevoelvolle woorden van den Duitschen dichter:

«Und sind wir auch fern von einander, Doch bleiben die Herzen sich nah.»

DE OVERBLIJFSELEN VAN HET SLOT AMALIENSTEIN, BUITEN VIANEN.

Alzoo het slot Amalienstein een hoogst belangrijk punt in de Vaderlandsche Geschiedenis oplevert, en men toch, ten einde van hetzelve eene naauwkeurige beschrijving te geven, tot vroegere oïrkonden zijne toevlugt moet nemen, komt het mij het meest doelmatig voor, al het geen tot dat slot betrekking heeft, woordelijk af te schrijven uit het werk van Professor Paulus Voet, Oorspronck, voertganck en daeden der doerluchtige Heeren van Brederode, uit hetwelk buitendien, aan het einde van dit mijn vlugschrift een uittreksel aan den goedgunstigen lezer zal worden aangeboden, hetwelk vele merkwaardigheden omtrent het vroegere Vianen bevat.

Zie hier de woorden van voornoemden Professor Paulus Voet, pag. 110 en volgende.

«Na het overlijden van Raynoudt is Hendrick sijn sone, de een en twintichste Heere van Brederode geworden.......

«Nam sich ten wijve eene uitmuntende Gravinne, Aemilia genaemt, dochter van Gumbert, Grave van Nieuwenaeren en Limborch, uit de Gravinne van Schouwenburch Holstein en Steinbergen. Deze Aemilia was uit-ter-maeten Godvruchtich, die oock in alle voorvallende gelegentheden van tegenspoet haer stantvastich heeft gedraegen. Wiert soodaenich bemint van haeren man, dat hij 't haeren gevalle alles zoude gedaen hebben, soo 't in sijne macht waere geweest. Om haer eenich vermaeck aan te doen, dede buijten Vianen in het Bosch een aengenaem Speelhuijs metselen, Ameliensteijn genaamt. 't Welk nu ter tijt geset staet midden in een vierkant. Was daer nae bij Heer Johan Wolphaert tot eenen Lust-hof bequaem gemaeckt, en met een graft omcingelt tot bevrijdinge van 't gewas, brengt voort wat aengenaem voor de oogen, en den smaeck wesen kan.

«Niet alleene deze twee voornoemde uijtterlijcke sinnen verlusten haer aldaer, maer ook het gehoor, door 't aengenaem gezang van allerleij kleijn gevogelte, 't welk sich daer omtrent in het Bosch onthout.

«Desen Hof heeft in elck sijner hoecken een prieel, t' samen vier in getaele, als soo vele Bolwerken daer gestelt tot bevrijding der ongelegentheden, die en de onstuijmige wind, of de vochticheijt, of de sonnenstralen, den menschen aenbrengen. In deze prieelen schijnen en de konst van 't aengenaem leijden, en de natuer omtrent het wasschen van verscheijdene groenten, door den anderen gevlochten, met den anderen te willen strijden. In den inganck des hofs speelt het gesicht op de geschilderde fabel van de nimphe, die voor Pan vluchtende in een biesbosch veranderde.