Een vliegreisje in het Land der Rijzende Zon De Aarde en haar Volken, 1906
Part 3
Om 4 uur waren wij bij den beroemden waterval, die van eene hoogte van 250 voet naar beneden stort. Wij daalden langs een smal paadje naar beneden en bevonden er ons vlak tegenover, aan den anderen kant van het ravijn, waaruit een fijne mist opsteeg, die den bodem geheel verborg. Het was een grootsch gezicht. Uit het donkere oerbosch te voorschijn snellende viel de breede waterkolom met donderend geraas naar beneden; door een sluier van duizende in het zonlicht glinsterende waterdroppels zagen wij den mozaïekwand der rots, op vreemde manier met scherpe, naar beneden wijzende punten uitgesleten en begroeid met bloemen, varens en rood, bruin en groen mos.
Slechts noode verwijderden wij ons van dit schouwspel. Een ritje van 5 minuten bracht ons bij het bergmeer van Chuzenji, 4400 voet boven den zeespiegel gelegen, 12 K.M. lang en 4 K.M. breed. Het voedt den grooten waterval.
Op de brug, die naar het Lake-Side-hôtel voert en waaronder het water slechts langzaam voortstroomt, om echter spoedig te versnellen, bleven wij vol bewondering staan. De zon had zich achter een donkere wolk verborgen, welks gekartelde randen zij gouden kleurde, en hare stralen vielen heel in de verte op het kalme meer, op den achtergrond van bergen en op den 8800 voet hoogen vulkaan Shirane-San.
Het contrast met het even te voren geziene was groot. Hier de liefelijke kalmte der uitgestrekte watervlakte, daar de woeste grootschheid der ontbonden natuurkrachten; hier de zachtkens kabbelende golfjes aan den oever, daar de vrijgelaten bruisende watermassa's.
Kinderen speelden aan den kant, zwaluwen scheerden langs de oppervlakte, witte zeilen gleden over den vloed en jonge menschen waren aan 't spelevaren in slanke roeibootjes.
Het was een ideaal plekje, een Eden op aarde!
Wij rustten wat uit in het hôtel, welks uitgestrekte tuin een pracht van lelies en een kleurenweelde van chrysanthen vertoonde, en stegen toen weder te paard.
De lucht betrok en weldra reden wij in een vochtigen nevel, waarin het gebergte dreigende, spookachtige gedaanten aannam. Onder het zware geboomte werd het spoedig duister, zoodat wij stapvoets moesten gaan. De paarden schenen bij voorkeur vlak langs den kant van het ravijn te loopen, waar één misstap den dood beteekende. Doch waar is de jeugd, voor wie het gevaar geen aantrekkingskracht bezit?
Bovendien zijn zij zeer vertrouwd en zóózeer op hun eigen veiligheid bedacht, dat wij ze gewoon hun gang lieten gaan.
Spoedig werd de weg minder steil en konden wij draven. Mijn paard had blijkbaar zwakke voorpooten, het was al een paar malen gestruikeld en juist toen wij in de schemering met flinke snelheid eene helling afgingen, viel het op zijne knieën en wierp mij af. Wat doet ook een zeeman boven op een biek!
Gelukkig had ik mij heelemaal niet bezeerd; erger was evenwel, dat wij ons allebei al zoo ongeveer doorgereden hadden. Of het kwam door het Japansche zadel, of door den hoogen gang der dieren, ik weet het niet, maar het was met opeengeklemde tanden,--hoewel in sierlijken draf, daar wij niet konden vergeten, dat wij in dit cosmopolitisch gezelschap "Nederland" vertegenwoordigden--dat wij om 7 uur voor ons hôtel aankwamen, waarna de marteling van het laatste uur een einde nam.
Aan tafel veroorzaakte het eenige hilariteit, toen ik de lieftallige Hebe, die ons bediende, met gebaren duidelijk maakte, dat ik gaarne een kussen op mijn stoel wenschte te hebben. Mijn reisgenoot versmaadde dit verzachtingsmiddel, doch trok dan ook onder het eten van de soep gezichten, die veel te denken gaven, echter niet omtrent de soep.
Nog lang bleven wij rooken en praten in de heerlijk koele avondlucht, totdat vermoeidheid ons naar bed dreef.
En zoo brak dan de laatste dag van mijn verlof aan, een donkere, trieste morgen. Het motregende af en toe. Wij lieten ons daardoor evenwel niet afschrikken en zaten om half zeven al weer in de ricksja, teneinde nog zooveel mogelijk te kunnen zien. Daar we naar boven moesten, hadden we aan één koelie niet genoeg en kwam er nog een tweede bij, die genoemd wordt "ato-oshi", d.i.: duwer. Hortend en stootend hobbelden de ricksja's over den weg, wat in onze omstandigheden nu juist niet bijster aangenaam was.
Millioenen regendruppels schitterden in ontelbare spinnewebben tusschen het lage hout; tegen de bergen lag een blauw waas, waarin de dennen kleurloos stonden, als op het punt van te vervluchtigen. Na een half uur stapten we af bij een theehuis en daarna bracht eene wandeling van tien minuten, nu eens stijgende, dan weer dalende, over een smal pad langs den rand eener kloof ons bij een rustiek bruggetje op den bodem van een ravijn, vlak onder den Urami-waterval, die 50 voet hoog is. Het was een woest brokje natuur.
Wild dooreengeworpen rotsblokken rondom, waaruit overal groote en kleine waterkolommen te voorschijn kwamen, die zich beneden vereenigden en zich daar, bruisend en spattend, een weg baanden over den steenigen bodem; hoog boven ons een stukje grauwe hemel, waarin langzaam overdrijvende nevels van hunnen last afgaven aan de takken der boomen, welke dien weder druppelend op ons deden nederstorten; en nergens eenig teeken van leven te bespeuren. Langs denzelfden weg wandelden wij terug, dronken een kopje thee, kochten als souvenir eenige photo's en stukken kopererts van de mijnen daar in de buurt, en waren ten 8 uur bij den Yasu-tempel, den mooisten Shinto-tempel van Japan.
Eene beschrijving van dit complex van gebouwen zou boekdeelen vullen, en eveneens de verklaring der beteekenis van al hetgeen men hier ziet. Er is misschien geen enkele Europeaan, die dit laatste zou kunnen.
Wij hadden slechts tijd voor een vluchtig bezoek. Allereerst viel onze aandacht op een stal met een heilig paard, dat opgetuigd was als voor een steekspel en eenige uren later aan den optocht zou deelnemen. In de andere helft van dit gebouwtje zaten twee dansmeisjes in lange roode en witte gewaden, die voor een paar koperen muntstukken een heiligen dans uitvoerden. Met zedig neergeslagen oogen en langzamen cadans bewogen zij zich voor- en achterwaarts en vormden vreemde figuren, in de eene hand een waaier houdende en in de andere een handvat met koperen belletjes. Dan hurkten zij weer neder, bogen ten dank eenige malen diep met het hoofd op den grond, en zaten verder zwijgend en bewegingloos te wachten.
In het mausoleum van Iyeyasu, een beroemden "Shogun", bewonderden wij het prachtige snijwerk van deuren en plafonds, voorstellingen van beesten, vogels--waarbij de ibis een groote rol speelt--bloemen, vruchten, enz.
Onze schoenen moesten wij buiten de deur uittrekken; binnen heerschte een doodsche stilte en een mystiek halfduister, waarin het goud en koper van altaren en beelden een vreemden glans verkreeg.
Nog meer uitgesneden en beschilderde paneelen, elk weer een andere teekening vertoonende; nog meer begraafplaatsen van vermaarde "Daimyo's"; nog meer beelden van vroegere oorlogshelden, half naakt en nu eens groen, dan blauw van kleur, met woeste, grijnzende trekken en gespannen boog of getrokken zwaard. In één gebouw hing zelfs een schilderij van een modern slagschip en zat een symbolieke adelaar op den mond van een snelvuurkanon. Is het wonder, dat de Japanner slechts overwinnen of sterven kent, ondanks de leer van Boeddha, die verbiedt te dooden?
En langs de grijze, verweerde steenen trappen, waarop mos van eeuwen her, opklimmende naar weer andere poorten, naar weer fraaie torens, heeft men het oerwoud rondom.
Er waren vele bezoekers en de pleinen en gangen begonnen zich al te vullen met de deelnemers aan de jaarlijksche processie, gehouden ter nagedachtenis van Iyeyasu. Kleurige altaren en banieren, wonderlijke kleedingstukken en hoofddeksels, antieke wapens en wapenrustingen,... het beloofde een interessant schouwspel te zullen geven. Wij konden er helaas niet van genieten, daar de tijd van vertrek naderde. Alras waren wij op weg naar het station, na onze bagage te hebben gehaald van het Kanaya-hôtel, dat ik niet licht zal vergeten.
En dat niet wegens zijn onovertrefbare tomatensoep, niet om zijn overheerlijke zalm uit het bergmeer, noch om zijn delicieus pijnappelijs, zelfs niet wegens de donkere amandel-oogen zijner bekoorlijke, dienende geesten, die der volmaaktheid nabij komen en den onuitgesproken wensch gehoorzamen, maar enkel om het onvergelijkelijk natuurschoon in zijne nabijheid, om den zorgen-bannenden invloed zijner paradijsachtige omgeving.
En gij, globe-trotter, die geluisterd hebt naar het zoet-vloeiende "Dormi o bella" van den gondelier in den Venetiaanschen toovernacht en bij maanlicht den Nijl zijt afgevaren, terwijl uw bootje schuurde langs het papyrus-riet en een bruine gestalte op de voorplecht op zangerigen toon zijnen makkers verhalen deed uit de "Duizend-en-een-nacht"; die evengoed bekend zijt in den Harz als in de Ardennen; die het weemoedvolle lied van de Lorelei gezongen hebt aan den Rijn en de tintelende Marseillaise aan de boorden van de Seine; die gezworven hebt zoowel in de Schotsche hooglanden als in het Zwarte Woud; die de Alpen hebt beklommen en op een drijvend hôtel naar de Nieuwe Wereld zijt overgestoken; die het land der middernachtzon hebt leeren liefhebben en ook uw eigen vaderland hebt leeren waardeeren; die den zonsondergang hebt aanschouwd onder de linie ergens op den Oceaan en den zonsopgang aan het Vierwaldstädtermeer; die Napels hebt gezien zonder te sterven en Monte-Carlo zonder te spelen ... voor u herhaal ik:
"Nikko minai uchi wa, kikko to iuna!"
Ten 11 uur van Nikko vertrekkende, waren wij 4.15 te Tokyo en gingen precies 6 uur door met den nachttrein naar Kobe. We konden dus niets meer zien van Tokyo, zijne straten en paleizen, zijne schouwburgen en bazaars, zijne tempels en museums, zijne parken en vijvers. Dat was wel jammer, doch kon niet verholpen worden. De plicht gebood ons terug te keeren.
Wij hadden trouwens al veel meer ongezien moeten laten, zelfs in de plaatsen die wij bezochten.
In den trein was eene restauratie-wagen, waar men zeer smakelijk kon eten. Overal electrisch licht en dito waaiers.
Wat de spoorwegen aangaat is alles hier uitstekend in orde. Op alle stations vindt men duidelijke aanwijzingen in de Japansche en Engelsche taal aangaande den loop der treinen. Bordjes vermelden het eerstvolgende station aan beide kanten, en den afstand tot begin- en eindpunt der lijn. Nergens behoeft men de rails over te steken, want zelfs op de kleinste stations leidt een ruime brug, geheel overdekt, naar het 2de perron. Blijkbaar zijn de zaken hier van het begin af goed aangepakt en was er een ruime beurs voorhanden. Maar de Japanners konden ook dadelijk van de nieuwste uitvindingen gebruik maken en zoo den langen lijdensweg vermijden, dien men vaak in andere landen bewandelt, waar men, met primitief materiaal begonnen, slechts langzaam en geleidelijk verbeteringen invoert en nieuw materiaal aanschaft.
Rook- en dames-coupé's mist men hier, maar die zijn eigenlijk ook overbodig; immers de dames rooken ook.
Wat de reden is, dat wij gedurende onzen zesdaagschen tocht geen enkele japansche dame in de 1ste klasse zagen, weet ik niet.
De trein was vrij vol. Maar mij in een flauwe bocht opschietende, kon ik toch heel goed slapen, wat ik dan ook bijna den geheelen nacht deed. Tegenover mij zat een cavalerie-officier, die op een gegeven oogenblik zijn gespoorde laarzen uittrok, zijn sabel afgespte en toen als een kleermaker op de bank ging zitten. En wij vonden het niet eens vreemd meer!
We hadden dezelfde route als op de heenreis, passeerden midden in den nacht Nagoya zonder wakker te worden en kregen, toen het licht werd, af en toe een mooi gezicht op het Bima-meer, nabij Kyoto, dat wij gaarne hadden bezocht.
Gedurende het korte oponthoud te Kyoto maakten de japansche reizigers hun toilet op het perron, waartoe een tiental kranen met bassins gelegenheid gaven. Broederlijk stonden de passagiers der drie klassen naast elkaar, wieschen gelaat en handen en poetsten hunne tanden. Wij echter verkozen de toiletkamer in den trein boven deze openbaarheid.
Weldra ging het weer verder, en het was niet zonder weemoed, dat ik het einde der reis zag naderen, ofschoon toch vol dankbaarheid voor al het genotene.
Eene waarschuwing van mijn reisgenoot maakte een einde aan mijne overpeinzingen; want daar roldonderde reeds de trein het station te Kobe binnen, precies op tijd, 15 uren en 20 minuten na zijn vertrek uit Tokyo, en een half uur later roeide een sampang ons aan boord, alwaar de dienst mij onmiddellijk in beslag nam.
Terwijl ik dit schrijf, ben ik reeds weder duizenden mijlen van Japan verwijderd. Doch nogmaals doorleef ik in den geest die onvergetelijke dagen in het Land der Rijzende Zon, en zie opnieuw dat merkwaardig volk, waarvan Percival Lowell zegt:
"De Japanner is verliefd op de Natuur, en het schijnt bijna alsof Natuur zijn stil gebed hoorde en hem goedgunstig tegenlachte; alsof het liefdelicht aan haar gelaat de verhoogde schoonheid verleende, die het geeft aan dat der vrouw.
"Want nergens ter wereld waarschijnlijk is zij beminnelijker dan in Japan: een klimaat van lange, gelukkige gemiddelden en korte uitersten; maanden van lente en maanden van herfst met slechts weinig weken van winter er tusschen; een land van bloemen, waar de lotus en de kers, de pruim en de wisteria welig groeien zij aan zij; een land, waar het bamboe-gras den ahornboom omstrengelt, waar de pijnboom eindelijk zijn palm gevonden heeft, en de tropische en gematigde zone hun scheidende eenzelvigheid vergeten in een langen, zelfverloochenenden kus".
AANTEEKENING
[1] Spreek uit: Niko.