Chapter 6
Ha, daar kwam hij! Hunne blikken kruisten elkaar als gouden stralen.
Bij de deur wachtte zij hem op. Een lange kus, een wisseling van teedere, zoete woordjes.... zij waren nog even dwaas verliefd als in hun kort engagement.
"Wachtte je op me?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde zij glimlachend. "Je weet wel: als je weg ben, wacht ik altijd op je. Dan leef ik maar half.--Kom, doe nu gauw dat vervelende paradepak uit, dan ben je meer op je gemak."
"En de receptie bij den kolonel dan?"
Een uitdrukking van groote teleurstelling kwam over haar opgewekt gezichtje.
"O, die had ik vergeten.... Hè, hoe saai!"
"Ik kwam maar eens even naar je kijken. Ik geloof dat ik ook alweer verlangde," en toen glimlachten zij elkaar toe.
"Maar er is niets aan te doen," hervatte zij dapper. "Ga maar gauw. Het kan vlug afloopen, niet?"
"Een uur gaat er spoedig mee heen," zeide hij haar vertroostend op het voorhoofd kussend.
"Neem een rijtuig, Huug. Kijk, het begint te sneeuwen."
"Ja, wees maar niet bezorgd, kleintje."
Hij behandelde haar met een teederheid, die een reus voor een kind zou aan den dag leggen, maar het was een eerbiedige teederheid. Hij gevoelde haar louterenden invloed op zijn zieleleven, hoewel dan ook onbewust uitgeoefend, en was er dankbaar voor. Hij wist het: wat zij in hem zag, was hij nog niet, maar meer en meer wilde hij het worden. Hij vorderde: hij won krachten en de tijd zou komen, wanneer hij haar waardig zou zijn.
Soms, als hij haar toefluisterde hoe lief hij haar had, voelde hij plotseling tranen in zijne oogen wellen--van overstelpend geluk. Want zijne liefde, vroeger zoo vol zelfzucht, had zich gewijzigd tot dat vurig verlangen, alle ware liefde eigen: het beminde voorwerp te beschermen en veilig door het leven te doen gaan, geschraagd door zijne kracht, beschut door zijne armen....
"Adieu, lieveling!"
Het laatste, wat hij van haar zag, was haar blozend, lief gezichtje, dat hem achter de groote spiegelruit vriendelijk toelachte, tot de sneeuwvlokken haar voor hem onzichtbaar maakten.
XI.
In eenzaamheid bleef zij achter, die liefelijke eenzaamheid van een weelderig salon, waarvan ieder meubeltje slechts zoete herinneringen wakker roept, waar een knappend vuur gezelligheid brengt en de droomerige tik der pendule tot aangename overpeinzingen stemt.
Hugo's portret was er ook; dat had zij zoo gewild. En boven in haar boudoirtje hing zijne buste levensgroot, haar glimlachend aanziende. Dikwijls in zijne afwezigheid had zij uit verlangen naar dat gelaat haar handwerkje of boek neergelegd en was naar boven gesneld om het te beschouwen.
In de straat werd het stiller, naarmate de sneeuwvlokken dichter begonnen te vallen. Nu en dan blies een gure windvlaag ze tegen het venster, maar zij keek er glimlachend naar met een zalig gevoel van veiligheid. In háár warm, gezellig nestje, zoo zeide zij zacht, kon geen windvlaag of sneeuwvlok doordringen.
Maar iets anders kon daar binnenkomen, kouder en verstijvender dan de Noordenwind; iets, wat haar warm bloed verkillen en haar warm hart met een ijskorst omgeven zou: iets, wat met één slag alle jeugdige geluksbloesems zou doen verdorren: het noodlot;--het noodlot, dat de schuld en de zwakheid der mannen wreekt aan jonge, reine, gelukkige schepselen, die zich vertrouwend aan hen overgaven. Hugo Freeze, die gemeend had het verleden te kunnen afschudden als het stof van zijne zolen, zou gevoelen dat het zich als een slang gekronkeld had om zijn voet en met hem gaan zou, het lange leven door, waar hij ging.
En terwijl Renée, mijmerend over haar geluk, als een tevreden kind de reusachtige sneeuwvlokken met het oog volgde of de figuren bewonderde, die zij er in kon waarnemen, als zij tegen het glas bleven kleven, naderde het noodlot, stil maar zeker. Reeds was het in de naaste straat...., het kwam dichter, altijd dichter.
Nu had het haar huis gevonden; het was op haar drempel....
De schel klonk door de gang, brutaal en bevelend.
"Mevrouw," zeide Frederik de oppasser, "daar is een vrouw om u te spreken. Zij zegt dat zij niet weg zal gaan, vóór zij u gesproken heeft, en.... het is misschien beter dat u maar gaat, dan dat ze.... schandaal maakt," voegde hij er zacht bij.
Renée rees haastig op.
"Maar ik wil haar immers wel spreken, Frederik", antwoordde zij met zacht verwijt. "Je moogt in deze koude geen enkelen arme wegzenden."
Frederik's gezicht had een zeer bekommerde, bijna ontroerde uitdrukking, maar hij zeide niets meer en liet zijne mevrouw voorbijgaan.
Rustig ging zij de trap af, die naar het portaal leidde, denkende hoe wreed de winter is voor de armen. Toen echter haar oog op de vrouw viel, die haar achter de glazen tochtdeur stond op te wachten, liet zij haastig hare goedgevulde portemonnaie weer in haar zak glijden en bleef, als door den bliksem getroffen, een oogenblik roerloos staan. Een rilling ging door al hare leden en zij gevoelde haar gelaat koud worden, als verbleekte zij.
Maar snel herwon zij hare zelfbeheersching en trad vooruit.
Zij wist nauwkeurig waar zij dat gelaat nog eens gezien had en herinnerde zich den vreeselijken lach, die haar zoozeer gepijnigd had. Nu echter lachten die oogen niet; zij fonkelden haar tegen als gloeiende kolen, vol haat wegens meerdere rechten, vol afgunst wegens meerderen rijkdom, vol zegepralenden wraaklust wegens teleurgestelde hoop, en vol woede wegens de reine schoonheid, de kalme waardigheid, die zij aanschouwden.
Een oogenblik stonden zij zwijgend tegenover elkaar, als overstelpt door eigen aandoeningen, die nooit een vrouw machtiger overweldigen dan wanneer het hare liefde geldt, en Frederik, die achter zijne mevrouw was aangekomen om naar het sousterrain terug te keeren, zeide later dat het was geweest of er een engel en een duivelin tegenover elkander hadden gestaan.
Toen klonk Renée's bevende stem: "U wilt mij spreken, juffrouw? Kom even met uwe kindertjes in het spreekkamertje."
Want de jonge vrouw had twee kinderen bij zich, een knaapje van twee jaar en een kleintje van weinige weken.
Renée's blik bleef op het gezichtje van het jongentje staren; aan wien herinnerde het haar toch met zijne donkere oogen en eigenaardigen wenkbrauwboog?
Toen traden zij het spreekkamertje binnen en de deur sloot zich achter hen.---
Een half uur later trad de vrouw weer naar buiten; een glimlach van voldoening over gestilde hebzucht lag om hare lippen en over gestilde wraakzucht tevens; vergeten was zij, maar gewroken ook....!
En daar binnen stond Renée, roerloos, versteend. Zij staarde recht voor zich uit, minuten lang, met vaalbleek gelaat en onbeweeglijken blik. Maar in haar hart was een storm, een orkaan, welks koude adem dat gloeiende, hartstochtelijk liefhebbende hart tot een klomp ijs verstijfde.
In haar stierf langzaam het schoone jonge leven weg; hare liefde, haar geluk, haar verleden, hare toekomstidealen, één voor één stierven zij weg, als bloemen voor de zeis des maaiers.
Met dien starenden blik schouwde zij in een afgrond, waarvan zij nauwelijks het bestaan had vermoed; en op den bodem van dien afgrond zag zij haar koning, haar god, zich wentelend in het slijk, hem, dien zij smetteloos gewaand had als zichzelf.
Geld had die vrouw gevraagd, geld voor.... o God, voor zijne kinderen! En de waarheid harer woorden lag die kleinen in het gezicht geschreven. Dat kind van enkele weken--het was onbewust zoo wreed geweest, het had haar de ziel verscheurd.
De stem van een der dienstboden in het sousterrain deed haar opschrikken en zij begreep hier niet zoo te kunnen blijven.
Was zij nog dezelfde Renée van straks?--Neen, de kleine, gelukkige Renée, die zich als een koningin gevoeld had in haar huis, als een gezegende onder de stervelingen, was dood; zij zou nimmer terugkeeren, nimmer, nimmermeer.
Nu sloop daar een vreemde de trap op, een verguisde en bedrogen vrouw, ging de slaapkamer door en verdween in het kleine vertrekje daarnaast: haar boudoir.
Daar sloot zij de deur, nauwkeurig en schijnbaar kalm, altijd met die starende oogen en dat bleek gelaat; deed toen enkele stappen vooruit en bleef staan leunen tegen het hoofdeinde van de rustbank, juist zooals zij beneden gestaan had, bewegingloos, gevoelloos.
De schaduwen vielen dichter; buiten werd het stiller en stiller; beneden in de eetkamer klonk het bezige gedruisch van het tafeldekken. Maar zij bemerkte het niet.
Eens klonk het vreemd en hard door het stille vertrekje: "Hij was slecht, slecht!" en toen weer dat vreeselijk staren, dat opgaan in een enkele verpletterende gedachte, waarbij het lichaam niet meer gevoeld wordt en de mensch slechts geest is geworden.
Op eens ontwelde daar een kermende kreet aan hare lippen; zij wierp zich bij de sofa neer, het gelaat in de handen verbergend, het hoofd diep, diep neerdrukkend in de fluweelen kussens. Toch weende zij niet. Zij steunde slechts zacht, zacht en klagend, altijd weer hetzelfde geluid.
Telkens viel daar weer een andere gedachte in hare ziel, een gedachte als een dolkmes, die haar kermen deed van pijn. Herinneringen, ontdekkingen, gevolgtrekkingen.... o, hoeveel begreep zij nu op eens! Hoe zag zij alles in een ander licht; hoe voelde zij zich misleid en bedrogen! Duizend kleinigheden, eerst niet door haar opgemerkt of overdacht, voegden zich nu samen tot een lange reeks van bewijzen en beschuldigingen.
Met krampachtigen greep vatte zij haar hoofd, zoodat de golvende haren losraakten en de sidderende gestalte omhulden; en toen zij het bemerkte, deed het haar goed. Zich verbergen, onzichtbaar worden.... voor de meiden, voor hare kennissen, voor de wereld.... Er was iets belachelijks aan haar, iets schandelijks!.... De menschen zouden er naar wijzen.... Iets bespottelijks was het en toch iets vreeselijks, en alle menschen zouden haar belachen, haar beklagen,.... O weg, weg!
Zij sprong op als om te vluchten, toen haar blik op het portret van haar man viel, dat haar glimlachend aanzag.
Toen hoorden de meiden beneden, uit het boudoir een wilden lach, een lach, als van een waanzinnige, kort en luid en vreemd, die echter spoedig weer door diepe stilte gevolgd werd....
Zij staarde op dat fraaie, lachende mannengelaat, waarin zij nu plotseling zwakheid en karakterloosheid las. Hare lippen krulden zich minachtend, haar blik nam een uitdrukking van afkeer aan, het jonge gezichtje was op eens dat eener vrouw, eener diep beleedigde vrouw.
Langzamerhand werd die blik zachter, maar geen verzoening sprak er uit; medelijden slechts en.... een lang, een eeuwig vaarwel; een afscheidsgroet tegelijk aan den man, dien zij had bemind, en aan den zwakkeling, dien zij niet beminnen, niet meer toebehooren kon; een vrijwillige, eeuwige scheiding van de reine vrouw aan den verachtelijken slaaf zijner lusten. Ach, nog iets anders, iets oneindig wreeders dan de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, maar dááraan had zij nooit gedacht....!
"O, Huug," fluisterde zij, dicht voor het portret tredend, "hoe lief heb ik je gehad! Hoe heb ik je aangebeden! Ik geloofde in je.... Ik wist niets van die vuile, walgelijke wereld, waarin de mannen leven. Ik zag het leven, zooals het werkelijk is, niet, zooals het door de ellendelingetjes, die zich mannen noemen, is ontheiligd en verlaagd. Je staat daar rechtop tegenover mij, netjes aangekleed in je uniform met goudgalon en blinkende knoopen, maar geen mannenhart slaat daarachter. Ik veracht je,.... ik kan niet anders, en dat ik je verachten moet, doodt mij."
Weer kreunde zij zacht en wendde het gelaat van die eens zoo beminde trekken.
Het was haar als bestond zij niet meer; de vroegere Renée was verdwenen; haar geest was reeds gestorven in haar, alleen dat rampzalig lichaam stond daar nog, dat maar niet zoo spoedig sterven wilde als de ziel.
En weg wilde zij toch, naar lichaam en geest, weg, ver weg, naar een toevluchtsoord, waarheen niemand haar volgen kon en vanwaar geen wreede, menschelijke wet de beleedigde vrouw tot terugkeer dwingen kan.
En zij dacht er over, kalm, volkomen onverschillig, hoe zij het jonge, sterke leven in haar vernietigen zou.... Dat gehate, bloeiende lichaam, dat nergens meer toe diende, het moest weg; dat kloppende, eens zoo gloeiende hart moest dood; het was immers toch maar een bedrogen, misleid hart. Als zij nog vier en twintig uren leven moest, zou zij krankzinnig zijn. Misschien was zij het reeds; zij wist het zelf niet recht. Het kon haar ook niet schelen.... Als zij maar inslapen kon--voor altijd!
Haar afgod was van zijn voetstuk gevallen en had in zijn val haar hart verbrijzeld. Nimmer, nimmer kon hij weer opgericht worden.
"Ha, ha!" zeide zij overluid en hare eigene stem klonk haar vreemd in de ooren, "zelf de scherven aaneenlijmen en dan mijzelf en anderen wijsmaken dat dit nu weer....!
Hare woorden eindigden in een vlijmenden spotlach.
Eens had zij gevoeld altijd meer vrouw dan wereldlinge te zullen zijn, en zoo zeide zij nu ook tot zichzelf dat zij niet behoorde tot de vrouwen, die kunnen voortleven met een ongeneeslijke wonde in het hart; wier lichaam nog altijd rondloopt en werktuiglijk zijne plichten vervult, terwijl de ziel reeds gestorven is in haar, lang geleden reeds, toen haar liefde en vertrouwen gebroken werden, evenals de hare nu. Of ja, misschien zou zij er toe in staat zijn geweest ter wille eener moeder of van hulpelooze kinderen, maar.... zij had geen andere schatten, geen anderen rijkdom gehad dan hèm!
Rustig keerde zij zich naar de deur en trad de slaapkamer binnen. Hier opende zij een kast en zag zoekend rond....
Ja, daar in den hoek stond wat zij zocht. Hij had haar dikwerf gewaarschuwd het nooit te verzetten, opdat het niet verward zou worden met een der fleschjes op de toilettafel.
Nu nam zij het in handen en las het opschrift. Enkele druppels waren voldoende om een sterken man den slaap te bezorgen, dien hij soms vruchteloos zocht, en met wreed genot mat zij den inhoud met de oogen. Het waren zeker wel honderd droppels.... ja, zeker wel honderd! En als een schat drukte zij het kleine voorwerp tegen hare borst, trad er het boudoir mede binnen en sloot de deur achter zich.
Een kwartier later stak Hugo Freeze den sleutel in zijne huisdeur.
Hij kwam fluitend de trap op, verlangend zijn paradepakje uit te doen. Maar eerst wilde hij rondzien naar Renée. Een blik in het salon--neen, zij was daar niet.
Toen hij zich omkeerde, om haar elders te zoeken, trad Frederik hem in den weg, sloeg aan met neergeslagen oogen en vroeg aarzelend of hij mijnheer even spreken mocht.
"Spreek op!" klonk het ongeduldig antwoord.
Toen daalde Frederik's stem tot gefluister en toen hij had uitgesproken, was het gelaat van zijn meester doodsbleek.
"Dank je--je bent een beste kerel, hoor! Ik zal aan je denken," zeide hij ontroerd, hem de hand reikende: en toen, nauwelijks in staat zich goed te houden, verdween hij in de slaapkamer.
Goddank--zij was hier niet. Waarschijnlijk was zij in het boudoir. Hij zou zich stilhouden, want haar onder de oogen treden kon hij nog niet. Eerst moest hij zich herstellen en dan wilde hij tot haar gaan en haar vergeving vragen;.... haar zeggen hoe lief hij haar toch had, hoe haar invloed reeds een ander, een beter mensch van hem gemaakt had.... Hij zou zichzelf beschuldigen en vrijpleiten tegelijk.
Maar dan dacht hij weer aan die reine kinderoogen vol geloof en vertrouwen.... en hij deinsde voor een ontmoeting terug....
O God, dat dit nu had moeten gebeuren!
Hij zat maar roerloos, schrijlings op een stoel neergevallen, de armen over de leuning en het gelaat in de handen geborgen.... Zou zij in het boudoir zijn?
Hij luisterde geruimen tijd.
Geen geluid.
Hij ging naar de deur, aarzelde weder in zijn bewustzijn van schuld, trad weer nader en moed vattende, zeide hij smeekend: "Renée!"
Maar geen antwoord volgde.
Toen opende hij de deur en daar, neergezonken op de rustbank, half verborgen in hare fraaie lokken, lag haar slank meisjesfiguur. Was zij ingesluimerd?
In de schemering kon hij haar gelaat slechts flauw onderscheiden, maar hij trad nader en knielde bij haar, zijn gelaat aan hare borst verbergend en verwachtende dat zij ontwaken zou.
Maar zij bewoog zich niet.
"Renée--lieveling?"
Hij wilde hare hand vatten.... Maar wat hield zij er mede omklemd?
Een kreet onsnapte hem, een ijskoude rilling ging hem van het hoofd tot de voeten.
Hij zag haar oplettend aan.... En toen hij in dat doode, welbeminde gelaat zag, toen begreep hij plotseling dat het nooit weer in vertrouwende liefde aan zijne borst zou rusten; dat hij nimmer, nimmermeer, ondanks boete en rouw, het zoete: "Huug, ik heb je zoo lief!" van hare lippen zou hooren; dat een vreeselijk "te laat!" op die dierbare trekken geschreven stond.
Op eens, als door waanzin bevangen, riep hij op hartverscheurenden toon, die van de diepste zielesmart getuigde:
"Renée, Renée!.... Mijn vrouwtje!.... Word wakker? Geef antwoord!.... Zeg me dat je leeft.... O, spreek toch, spreek toch!"
Maar zijne stem kon haar niet meer bereiken. De kleine schildwacht had haar post verlaten.
DE EERSTE DAG VAN BETERSCHAP
In de stilte van den sneeuwigen winternacht hoort zij de klokken vijf slaan, tegelijk of na elkaar. Nu reeds?.... Hoe kan men toch beweren dat de uren aan een ziekbed lang vallen! Er is zooveel te doen en--als de handen rusten--zooveel te denken. Voor een moeder althans....
Aandachtig slaat zij den kranke gade. Een geheel uur lang ligt hij daar nu reeds in heerlijken, diepen slaap.--Hoor die ademhaling! Het is niet dat schokkende, haastige hijgen, waarnaar zij nu reeds weken lang zoo angstig luisterde. Het is een rustige in- en uitademing. En het kleine beminde gezichtje is niet meer rood van koortshitte, maar bleek, akelig bleek. Nu ziet ze eerst recht hoe ontzettend vermagerd en ingezonken het is. Zij kan het bijna niet meer vereenzelvigen met de ronde wangen en schitterende oogen, die zij zich van vroeger herinnert.... Maar hij is toch haar dierbare kleine Wim nog....
Ach, zooals hij daar nu ligt, ziet hij er uit, als ware hij reeds gestorven. Welk een verschrikkelijk gezicht!
Een traan welt haar in de oogen, maar zij wischt dien haastig af en klemt de lippen opeen. Niet schreien! Als het haar weer eens overweldigde zooals gisteren, toen de dokter gezegd had dat het kind niet lang meer bestand zou kunnen zijn tegen die hevige en voortdurende koorts en die afmattende hoestbuien, welke allen slaap beletten! Toen had, nadat de dokter weggereden was, al haar zelfbedwang haar niets meer gebaat, en zij had geschreid, geschreid, tot ze geen tranen meer had. En toen had ze hoofdpijn en was verplicht naar bed te gaan en kleinen Wim aan anderen over te laten....
O neen, niet meer schreien!
Ze heeft grooten Wim om middernacht, nadat zij eenige uren gerust had, naar de logeerkamer gezonden, om daar den slaap te genieten, waaraan hij na den vermoeienden arbeid van den dag behoefte heeft, en kan nu ongestoord den kleinen zieke verplegen.
Ze staart hem maar altijd aan. Haar hart wordt lichter en lichter. Dit moet beterschap zijn. De laatste hoestaanval ging niet met benauwdheid gepaard, en na dien tijd is hij zoo stil tevreden geweest, als gevoelde hij zich zeer welbehaaglijk.
Beterschap.... Voor het eerst durft ze er aan denken.
Zal ze zijn vroolijken lach, zijn lief gekeuvel weer hooren, waaraan ze zoo menigmaal met smartelijk, wild verlangen heeft teruggedacht in deze droeve weken? Zal ze hem weer zien rondloopen in zijn aardig, nieuw pakje, waarop ze gister nog in stomme smart haar hoofd heeft neergebogen, toen ze het bij het openen der kast zag liggen? Zal er niets bewaarheid worden van die vreeselijke visioenen, welke haar telkens voor oogen zweefden: een kistje, een begrafenisstoet, een graf, een altijd ledig stoeltje.... Ja, hoe zonderling dat zij daaraan met, naar het haar toeschijnt, ijzige kalmte, met zoo doffe, wanhopige berusting heeft kunnen denken, als ze daar onbeweeglijk in haar stoel zat en doelloos naar de bloemen van het tapijt staarde! Zelfs heeft ze overwogen hoe koel zij de advertentie wel zou wenschen, die het doodsbericht van haar lieveling zou bevatten, en hoe onbewogen zij schijnen zou in tegenwoordigheid van vrienden en kennissen.
Telkens zijn haar de zoogenaamde condoleantievisites in de gedachte gekomen en zij heeft gehuiverd. Hoe, zouden reeds in die eerste droeve dagen allerlei menschen in huis komen en met haar willen spreken over hem, wiens naam zij niet zou kunnen noemen zonder in tranen uit te barsten? Hare goede vrienden--zouden zij dàt van haar eischen? Zouden zij onnadenkend genoeg zijn om blindelings een gebruik te volgen zonder eerbied voor de zielesmart eener moeder; of ongevoelig genoeg om uit bloote nieuwsgierigheid het huis der droefenis binnen te dringen? Men kan immers ook schriftelijk deelneming betuigen!
Zij heeft zich herinnerd dat, toen Willem zijne moeder verloren had,--die goede, lieve, waardige vrouw, aan wie hij met zijne gansche ziel hing,--zij er zich over verwonderde dat er bij iedere betuiging van deelneming iets hards in zijn gelaat kwam, terwijl hij de vormelijke condoleantie-phrase niet--of met een algemeenheid beantwoordde. Nu eerst had ze hem begrepen. Ja, ook zij zou haar hart met een pantser omringd en niemand toegestaan hebben de versche wonde daarbinnen te bekijken, te peilen en verder open te rijten. De menschen mochten dan zeggen dat zij niet zeer bedroefd scheen, zooals zij het van Willem gezegd hadden....
Dat alles is herhaaldelijk in haar omgegaan. Maar nu.... Is dit beterschap?
Ze kan zich maar niet verzadigen aan het gezicht van haar rustig sluimerend kind. Zonderling, zelf heeft ze in het geheel geen slaap. Ze is te gelukkig. Het is haar alsof zij nu pas voor het eerst weer eens rustig denken kan.
Allerlei zoete herinneringen komen tot haar.
Haar kleine ridder: wat was hij altijd galant! Hoe sprong hij op, als haar vingerhoed viel of haar kluwen wegrolde! Hoe graag snelde hij naar huis om hoed of parasol, als in den tuin de zon haar begon te hinderen! En bovenal--hoe aandoenlijk lief hield hij de kleintjes stil, als maatje eens hoofdpijn had! Die vurige vereering zijner moeder--alleraardigst was ze in het zesjarig kereltje.
De spiegel zeide haar dikwerf reeds dat hare eerste schoonheid voorbij was; haar voorhoofd werd minder glad, haar teint grover, hare tanden begonnen hunne witheid te verliezen en haar figuurtje zijne gratie. Maar behalve grooten Wim had ze toch altijd nog één aanbidder: dat was kleine Wim.
"Ik kijk zoo graag naar u. Ik vind u zoo mooi," zeide hij soms, haar in stille verrukking aanstarend.
Hoe gaarne ook haalde hij zich allerlei ongelukken in het hoofd, om te toonen hoe dapper hij zijn zou om harentwil.
"Als er een beer kwam in de gang," zei hij dan met schitterenden blik en gebalde vuistjes, "dan zouden pa en ik u met de kleintjes hier in de kamer sluiten en hem dan gaan doodslaan...."
Hare oogen beginnen te schemeren van het staren op dat in het kussen weggezonken blonde kopje. Dan heft ze het gebogen hoofd op en ziet de kamer rond, gelijk ze reeds duizendmaal deed in de uren aan dit ziekbed doorgebracht.
De nachtlamp, ginds op de waschtafel, wordt getemperd door een schermpje, waarop kinderen zijn afgebeeld, die bellen blazen. Dat is het meest verlichte. Dan het bovenvlak der waschtafel met de gebloemde stellen; het breede penant met den spiegel en dan--reeds flauwer verlicht--de gordijnen voor de vensters aan weerszijden. In dommelige schaduw weggezonken aan den muur links het groote ledekant, en daartegenover het bed van hare kleine meisjes. Alles ledig nu. Over de kleintjes ontfermde zich een hartelijk vriend, ze aldus behoedende tegen de besmetting van den epidemischen hoest, waardoor Wim is aangetast. Iederen dag, klokke halfzes, komen ze voorbijwandelen en haar verkwikken door dien aanblik.
De groote tafel, zij zelf en Wim's ledekantje, 't is alles in schemer gehuld....