Chapter 5
En zij liet hem maar redeneeren. Zij had geen behoefte aan gedachten over iets, wat later komen zou. Zij was reeds tevreden met de zoete zekerheid dat zij in zijn hart woonde, dat zij voortaan voor hem leven mocht, dat zij hem nu vrijelijk alles mocht zeggen. Het was haar reeds zaligheid genoeg daar stil tegenover hem te zitten en hem in het gelaat te mogen zien, terwijl hij sprak, met de gedachte dat hij de hare was; en zij antwoordde slechts nu en dan fluisterend met een teeder woord of met de zoete verzekering dat zij niet van hem zou afzien, al verzette oom Albert en de geheele wereld zich tegen hunne vereeniging.
Hare vermoeide ziel, die zoo lang zoekende was rondgegaan in die vreemde wereld, had eindelijk de vleugelen dichtgevouwen en rustte in zalige, liefelijke rust. Zij had haar tehuis gevonden.
IX.
De paarden draafden lustig voort en Renée liet de schoone wereld aan zich voorbijglijden.
Eerst villa's met welonderhouden tuinen, vol geurige seringen en levendig getinte tulpenbedden, trotsche hyacinten en rozerooden Meidoorn. Dan boerenhofsteden met beplante moestuinen of vriendelijke hutjes met wilden wingerd begroeid; en eindelijk de ruime, wijde wereld--de schoone aarde beneden, de hemel daarboven. Weilanden, aan met bloemen doorwerkte tapijten gelijk, waarboven vlinders dartelen en goudgestreepte hommels gonsden; hier en daar doorsneden door een zilveren beekje, waaraan vergeet-mij-nieten zich droomend wiegelden.
De lauwe lentewind streek liefkoozend langs hare wangen en haar. Telkens gleed een vluchtige boomschaduw over haar heen, om dan weer plaats te maken voor onafgebroken licht. Warme geuren stegen op uit verschgeploegde akkers.
Hoog in de boomen klonk zacht gekweel, en, als het rijtuig naderde, zag men de kleine zangers met rappen wiekslag wegijlen in de lucht, helder bestraald door de zilveren zonnestralen. O, die zonneschijn, dat vogelenlied, die lentegeuren! Die vage gedachten van iets verhevens, iets schoons, iets "ver van de menschen"; een droom van zaligheid, een dronkenheid van genot. Renée sloeg onwillekeurig de oogen op naar de groote witte wolken vol glans, die boven haar zeilden, ver boven haar in de blauwe ruimte van eindelooze lucht. Haar hart was als een tempel, waarin altijd zachte orgelmuziek ruischte; maar in deze omgeving was haar geluk als verdubbeld en het orgel bruiste en jubelde. Duizend stemmen paarden er zich juichend aan in dankbaar lofgezang en zij luisterde....
Maar tante sprak zoo luide over ontdekkingen op het meidenkamertje gedaan, en oom en Huug lachten. Zij zagen geen van drieën rond en er was toch zooveel met de oogen te genieten. Over het meidenkamertje kon men thuis ook praten, vond Renée. Moest men daarvoor op een heerlijken Meidag uit rijden gaan!
Maar zij liet zich hare stemming niet bederven. Zij vonden haar alleen wat stil; doch glimlachend antwoordde zij dat zij genoot en toen waren zij tevreden.
En zij mijmerde weer voort.... Straks zou zij met Huug alleen zijn. Wat zouden zij dan weer heerlijk samen praten! Hij had den sleutel gevonden tot die gesloten schatkamer, haar hart, en zij toonde hem al hare kostbaarheden.... Niets ging haar boven die uren van gedachtenwisseling, waarin zij als het ware in elkanders zielen schouwden, als in tot dusver gesloten boeken. Voor lezen was nog niet altijd gelegenheid; dat zou later komen. En zij liet hem vrij bladeren; hij mocht haar zieleboek openslaan, waar hij wilde: het was overal blank en onbevlekt. Maar haar minnaar was voorzichtiger en wees haar alleen de minst bezoedelde bladzijden aan.
Wat konden zij ook tehuis heerlijk zitten redeneeren, het liefst nog over beider levensbeschouwing. Dan sprak hij het meest en zij luisterde--zij leerde. Zijne denkbeelden waren veel minder idealistisch dan die haars vaders, maar er lag toch blijkbaar veel waarheid in. Daarbij sprak hij met zooveel overtuiging. Zij vond hem knap en verstandig, heel verstandig. Maar als hij te ver ging met zijn pessimisme, dan bestreed zij hem met warmte.
Hoe kon hij zoo spreken, hij die toch even gelukkig moest zijn als zij! Hij bedroefde haar. Was hij dan niet even gelukkig? Of was hij in jarenlang niet gelukkig geweest en was dit misschien nog maar gewoonte van hem om zoo te spreken?
En dan gaf hij toe dat voor hem alles veranderd was sedert hij haar kende, maar hij sprak van het leven in het algemeen, het leven van alle menschen. Zij mochten immers niet alleen naar zichzelf oordeelen!
Zij echter kende het leven niet anders dan uit haar eigene, eenvoudige geschiedenis, en ondanks veel weemoed scheen het haar een liefelijk Eden vol genot. Zij wilde dat hij het ook zoo vinden zou; langzamerhand zou zij er hem toe brengen, dacht zij. Want zij wist niet dat hij roekeloos de bloemen, die langs zijn levensweg groeiden, in den knop had opengebroken, lang eer zij zich tot bloem hadden ontplooid, om te rechter tijd zijn pad te verlieflijken.
Toch waren er oogenblikken in zijn leven--neen, uren en dagen wanneer hij aan die mogelijkheid ook geloofde. Eerst had hij slechts hare schoonheid liefgehad, hare jeugd, hare onschuld, en hij had haar begeerd juist om die frissche ongereptheid; maar nu hij ook nog vrijelijk blikken mocht in hare ziel, even frisch en ongerept als haar lichaam, nu was het hem dikwerf als moest hij zich voor haar neerbuigen in het stof. Dan was er deemoed in zijn hart, waarachtige deemoed, omdat hij al zijne zwakheid, al zijne zedelijke nietigheid gevoelde. En dan hoopte hij dat van haar zóóveel kracht zou uitgaan, dat deze hem sterken zou. Dan waren daar vele heerlijke gedachten in hem aan een nieuw en beter leven--dan was hij goed.
Doch daar waren ook andere oogenblikken, wanneer hij opgewonden door wijn of lectuur of schouwburgbezoek, aanvechtingen kon hebben van verlangens, die hij haar nimmer zou hebben durven bekennen; wenschen naar vernieuwing van onedele genietingen, welke hem eens bekoord, eens hem geheel in hare macht gehad hadden. En hij riep de oude drogredenen voor zijn geest terug, die zijne philosophische vrienden hem hadden voorgezegd, vond dat er toch eigenlijk veel waars in was, heel veel waars--en gaf zich toe.
Als dan de opwinding voorbij was en de koele nachtlucht langs zijn verhit gelaat streek, als hij de sterren boven zijn hoofd zag vonkelen in stille majesteit, dan ontwaakte hij als het ware. Dan dacht hij aan zijne Renée, zijne schoone lieveling, rustig slapend, omgeven door dat waas van onschuld en vertrouwen, dat haar altijd omgaf, in de gezelschapszaal zoowel als in zijne armen. Dan verfoeide hij zichzelf en mompelde een: "Ellendeling!" uit den grond van zijn hart, maar dat maakte hem harer niet waardig; en den volgenden dag stond hij dan weer tegenover haar, glimlachend en zelfingenomen, alleen met een klein weinigje heimelijk berouw, dat echter zijne stemming niet bedierf.
Na de thee wandelden zij samen weg. Oom en tante hadden kennissen aangetroffen en lieten de jongelui hun gang gaan.
Renée wandelde aan Hugo's arm door het dorp naar het bosch en samen lieten zij zich door de boeren en boerinnen aangapen, of misschien bewonderen. Zij liep als op wolken in een gouden nevel van geluk. Zij had al die menschen wel aan haar hart kunnen drukken. Sedert de laatste maanden scheen de aarde haar een paradijs. Overal lachten haar nu geluk en liefde en schoonheid toe. Duizend heerlijke beloften scheen het leven haar te doen. Wel was het tegenwoordige reeds vol zaligheid, maar vooral toch door dat verschiet van altijd klimmend geluk, zooals een landschap pas zijne schoonheid en volmaking bereikt door een fraaien achtergrond. Vroeger leefde zij niet; neen, dat was een rupsenleven, eentonig en werktuiglijk. Maar nu was zij als de vlinder, tallooze schoone bloemen op zijn weg vindend en dartelend in den zonneschijn. Nu meende zij niet meer dat een meisje tot een huwelijk komt als een jongen tot een beroep. Welk een heiligschennis!....
"O Huug," zeide zij, toen zij het bosch hadden bereikt en zij sloeg hare kleine handen om zijn arm, "ik zou het wel kunnen uitjubelen van geluk!"
Al hare aandoeningen waren zoo echt, zoo natuurlijk, zoo waar; wild opwellend uit het diepst van haar gemoed, niet eerst onbewust van buiten geleerd uit de boeken.
"Laten we dan eens zingen."
"Neen, zingen helpt niet of ik moest zelf componiste zijn. Ik kan mij niet herinneren dat één componist iets gemaakt heeft, wat mij nu bevredigen zou. Misschien ook uit zulk een stemming zich het best in een weemoedig lied of.... is er geen uiting voor te vinden."
"Misschien wel, ja."
"Voel jij zoo iets wel eens?"
"Wat?"
"Zoo iets jubelends. Zoo'n overstelpend geluk."
"Ja, soms," antwoordde hij, denkende aan zijne beste oogenblikken.
Zij zag hem even van ter zijde aan, terwijl zij luchtig over de bemoste paden stapten.
"Huug, soms vind ik het net, alsof je niet openhartig met mij ben," zeide zij opeens met de haar eigene klakkelooze oprechtheid. "Je bent toch niet boos dat ik dit maar zoo zeg?.... Je geeft mij soms den indruk, niet bepaald alsof je iets voor mij verzwijgt of verbergt, dat niet,--maar toch alsof je mij niet alles zegt, wat je denkt."
"Verbeelding, kind!" antwoordde hij, met een stokje een hoop bijeengewaaide dorre bladeren van het vorig jaar uiteenslaande.
"Je moet er niet boos om zijn. Ik dacht het maar zoo. En wij moeten elkaar geheel vertrouwen, als we gelukkig willen worden. Geloof je dat ook niet?"
"Ja, dat is zeker," zeide hij flauw, en zijn peinzenden blik verried den tweestrijd in zijne ziel. Hij dacht er aan dat het oogenblik voorbij was, toen hij haar alles had kunnen zeggen; nu had hij slechts in hare tegenwoordigheid te waken over zijne woorden en daden. Want hij vreesde haar te kunnen verliezen door een enkel ondoordacht woord, gelijk hij ze vroeger roekeloos bij dozijnen uitte. O, hoe wenschte hij in dit oogenblik, nu zij door hare schoonheid en lieftalligheid hem weder tot in het diepst zijner ziel roerde, geen enkel duister plekje in zijne herinnering te hebben!
Zij hoorde het in zijne stem, zij las het in zijne oogen, dat hij niet zeide wat hij dacht; en plotseling als een bliksemschicht op een schoonen zomeravond, viel de argwaan in hare ziel. Voor het eerst sedert den zonnigen dag harer verloving rees iets als een twijfel in haar, een vage vrees, een spook, dat haar aangrijnsde, een donkere wolk, die een oogenblik een dreigende slagschaduw wierp over de zonnige vlakte van haar geluk.
"Huug!" zeide zij, plotseling stilstaande en de handen tegen zijne borst vouwend terwijl zij hem recht in het gelaat zag, "je verbergt immers niets voor mij?"
Toen vermande hij zich, zag haar verwijtend aan en zeide op den toon der koelste verontwaardiging: "Dat je me wantrouwen zoudt, had ik niet gedacht."
"O neen!" riep zij verschrikt uit, "ik vraag je duizendmaal vergeving. Je hebt gelijk, het was heel, heel leelijk van me. Kom, geef me een zoen, dan is alles weer over, hè?"
Zij zag hem vol liefde en vertrouwen aan, en hij kuste haar op de oogen. Was het om ze te sluiten?
"Zie je, Huug,"--en zij wandelden weer voort,--"het kwam maar doordat ik zelf zoo'n flapuit ben. Alles, wat ik denk, als ik bij je ben, zeg ik ook dadelijk. En ik vond jou soms zoo.... ja ik weet niet hoe. Maar ik begrijp wel dat ik je verkeerd beoordeelde. Wij zullen elkaar alles zeggen, vindt je niet? Je weet: het hoogste geluk tusschen man en vrouw kan alleen bestaan bij volkomen wederzijdsch vertrouwen."
"Daarvan ben ik overtuigd," antwoordde hij met gemaakten ernst, terwijl toch het vurig verlangen in hem rees tegenover dit kind, dat hij zoo afgodisch beminde even oprecht te kunnen staan als zij tegenover hèm stond. "Wij moeten als twee vrienden zijn, niet waar? En als vriendschap en liefde ons tegelijk gelukkig maken, wat zullen wij dan een paar gelukkige menschenkinderen zijn."
En zoo sprak hij voort, terwijl zij zich op een omgewaaiden stam neerzetten; en hij fluisterde zoo zoet, dat de donkere slagschaduw als alle slagschaduwen in een oogwenk verdween.
Toen zij terugreden, was het reeds bijna donker. En Renée zag naar den witten dauw, die langzaam opsteeg uit de velden, onzichtbaar van nabij, maar ver in het rond zich uitbreidend over de velden, als een witte zee. Droomerig rees de gouden sikkel der maan, en trouw kwamen de flonkerende sterren op haar post, een voor een, vriendelijk oogwenkend naar de aarde.
Renée sloot de oogen. O, altijd zóó gelukkig te mogen zijn! Zóó gelukkig te blijven als heden,--levend in zonneschijn en Meigroen, onder een blauwen hemel of flonkerende sterren. Zoo maar stil voort te glijden door het leven--met hem!--en de menschen te laten praten, zooals zij nu oom en tante praten liet, die er over kibbelden of zij morgen naar de komedie zouden gaan of niet! Haar mond en haar hart gesloten te houden en haar geluk te verbergen voor de geheele buitenwereld, zooals zij nu mond en hart gesloten hield, ofschoon overvloeiend van geluk!
"'t Kind slaapt zoowaar," zeide oom Albert, die tegenover haar zat.
"Zij is zeker moe," zeide Huug vergoelijkend van de andere zijde der voorbank.
Maar zij sliep niet en lag hem maar stil uit haar donker hoekje aan te staren, genietende van den aanblik van zijn schoon gelaat, dat met zijne scherpe trekken en donkere, eigenaardig gevormde wenkbrauwbogen nog duidelijk te onderscheiden was. En zij dacht er aan met een zucht van genot hoe lief zij hem had. Zijn leven was met het hare ineengeweven voor altijd. De gedachte aan zijn mogelijken dood deed haar het hart ineenkrimpen; dan zou zij nimmermeer den blik naar den schoonen hemel durven heffen, dacht zij. En zij herinnerde zich op eens een tekst, lang geleden in de dorpskerk vernomen, dien zij zich in het geheugen had gegrift, omdat zij toen daarbij aan haar vader dacht. Het waren de woorden van Ruth: "Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan; en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar gij zult sterven, zal ik sterven: aldaar zal ik begraven worden. Alzoo doe mij de Heer en alzoo doe Hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u."
Nu dacht zij daarbij aan Huug. En zij zeide ze zacht voor zich heen, telkens weer, die schoone woorden vol liefde en poëzie: "zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u."
Zij was als een kwijnende plant geweest, die vruchteloos de zon zoekt, maar opleeft, zoodra deze haar beschijnt;--dan zich in teedere schoonheid naar die zon keerend, tallooze jonge knoppen ontplooiend, bloem en blad gevend, alles gevend, om het kopje te laten hangen, als zij verdwijnt. Hij was haar zon; was hij weg, dan leefde zij slechts droomend voort; dan kwam het haar vreemd voor dat niemand haar miste, dat men geen leegte gevoelde zooals zij;--keerde hij terug, dan ontwaakte zij en glimlachte en straalde.
Even vóór zij de stad inreden, passeerden zij een van die stille buitenstraten, gelijk om elke stad gevonden worden. Renée lag kalm opwaarts te kijken naar de eindelooze reeks gelijkvormige vensters, die rusteloos voorbijgleden, als zou er nooit een eind aan komen. Voor één dier vensters zag zij een vrouwengelaat, dat haar bijzonder trof. Het was in het oog vallend schoon met zijne rossig-blonde lokken en lichtblauwe oogen en fraaie kleur, maar tegelijk was het wreed, coquet en zinnelijk; trekken, die Renée zag zonder ze te kunnen ontleden, maar die haar toch afkeer inboezemden.
Het licht van een straatlantaarn scheen op dat gelaat en... zag Renée goed?.... kwam daar niet plotseling een lach als van geheime verstandhouding in die oogen, terwijl zij op den voorbijrollenden landauer neerzagen?.... Wien gold die blik?
Niemand meer was wakker dan Huug; maar nu de lantaarn voorbij was, kon Renée zijn gezicht niet meer onderscheiden.
Zij sloot de oogen.... O God, als tòch eens....!
Maar toen verjoeg zij die gedachte met verontwaardiging uit haar hart. Zij kon--neen, zij moest zich vergist hebben. Zij verweet zich haar argwaan, en bij het afscheid kuste zij hem met de innigste liefde goedennacht en bad hem nog eens met teedere stem haar te vergeven wat zij dien middag gezegd had.
X.
"Och kind," zeide mevrouw Verhulst en zij zag Renée aan met den beschermenden glimlach, dien een ervaren wereldlinge zich veroorloven mag tegenover een pas getrouwd vrouwtje, dat zoo juist met schitterende oogen over de heerlijkheid van het leven heeft uitgeweid, "als men ouder wordt, beschouwt men alles zoo anders. Dan krijgt men een geheel ander kijkje op het leven."
"Maar het huwelijksgeluk...."
"Juist dat huwelijksgeluk is zoo hersenschimmig," zeide mevrouw Verhulst met de hand wuivend. "Natuurlijk--als men jong is, heeft men idealen, dat is bij alle menschen eender. Kijk maar naar de geëngageerde luidjes, die loopen allemaal met de hoofden naar elkaar gebogen, maar na tien jaar doen ze heel anders. Idealen en hersenschimmen behooren bij de jeugd en gaan ook met de jeugd over."
"Maar de liefde kan toch blijven," wierp Renée bescheiden tegen, bescheiden alleen om haar verschil in jaren met de spreekster, maar met heilige, onwrikbare overtuiging in het hart.
"Och, liefde is ook al een hersenschim, bij de mannen ten minste. Het egoïsme drijft bij hen altijd weer boven. Ieder klein gekkinnetje droomt er van een meester, een meerdere te zullen vinden, tegen wien zij kan opzien; maar hoe anders komt dat meestal uit! De vrouwen moeten tegenwoordig als schildwachten staan bij de deugd van hare mannen!" En zij lachte, maar bitter, weemoedig bitter, zoodat Renée heimelijk dacht dat wel een diep leed ten grondslag moest liggen aan zulk een hard oordeel.
Hoe gelukkig, hoe trotsch, hoe rijk voelde zij zichzelf! School al eenige waarheid in zulke beweringen, dat alles ging toch buiten haar klein paradijsje om, waar "de tijdgeest" niet binnen mocht treden, maar waar slechts geofferd werd op het altaar van het eeuwig schoone en goede: liefde en trouw. Zij luisterde wel is waar met huivering naar de voorbeelden, door hare bezoekster te berde gebracht, maar twijfelde heimelijk aan de waarheid er van. Wel begreep zij nu het leven en de maatschappij een weinig anders dan vóór haar huwelijk; wel dacht zij er soms met weemoed aan hoeveel zonde en schuld in de wereld rondwaarden; doch er was geen punt van aanraking tusschen die wereld en haar zonnig huis, haar kleinen tempel van geluk.
Daaraan dacht zij, toen zij, alleen gebleven, aan het venster post vatte om naar haar man uit te zien. 't Was eigenlijk nog wel wat vroeg, maar op hem wachten was ook een heerlijke bezigheid. Wat zou zij ook anders doen? Van den morgen tot den avond was haar leven een genieten van zijne tegenwoordigheid, een verlangen naar zijn terugkeer.
Die arme mevrouw Verhulst, dacht zij. Zou zij ongelukkig gehuwd zijn?.... Haar man zag er niet prettig uit, heel anders dan Huug, haar Huug....
Hare borst rees en daalde sneller bij de gedachte aan hem.... O, dat was immers juist zoo heerlijk in het leven dat men alleen door de liefde tot het huwelijk komen mocht; "want," zoo redeneerde zij heel wijsgeerig, "immers de liefde alleen geeft ons de kracht om onze gebreken te bestrijden en dan veredeld en gelouterd te zamen het leven in te gaan!"
Die arme mevrouw Verhulst! Kon zij haar toch maar overtuigen!.... En andere menschen, die ook al zoo dom praatten.... Maar daartoe zou zij eigene gedachten en gewaarwordingen moeten brengen in vreemde harten, en dat ging niet. Misschien ook was niemand ooit zoo gelukkig geweest als zij, en al was zij nu bijna reeds vijf maanden getrouwd, het was alsof dat geluk nog dagelijks grooter werd.
Nu voelde zij iets aan hare hand; het was Caesar, die zijn kouden neus liefkoozend tusschen hare vingers duwde. En zij streek hem teeder over den kop en dacht aan dien heerlijken Augustusdag, toen zij van hun huwelijksreisje thuis kwamen en Huug, de deur openend, lachend zeide: "Treed binnen, mevrouwtje!" Wie was toen de eerste geweest, die haar verwelkomend te gemoet was gesprongen, die met luid geblaf en woeste sprongen gezegd had: "Ik heb zoo naar je verlangd." Niemand anders dan Caesar, die lieve, goede Caesar! O, dat gevoel--zoo lang ontbeerd--van dien vochtigen snoet en die zachte, warme haren! Tallooze herinneringen waren er plotseling mede voor haar geest gerezen; het was als een groet, een zegening voor haar uit het oude huis, juist nu zij hare intrede deed in een nieuwe, eigene woning! En toen zij, met hare armen nog om Caesar's hals, bij wien zij was neergeknield, den vochtigen blik naar Huug had opgeheven, toen had zij aan zijne stralende oogen gezien dat zij niemand anders dan hem deze verrassing te danken had.
Weer zag zij naar buiten. De straten waren dik besneeuwd. Nu en dan rinkelde een ar voorbij. Jongens waren aan het sleden, en sneeuwballen vlogen van alle zijden door de straat. Maar het was toch geen vroolijk schouwspel, want de lucht hing er zwaar en droevig over, geelachtig grauw, als was zij vol nieuwe sneeuw.
Maar in Renée's hart scheen een warme zomerzon. Zij dacht aan die hooggeplaatste Russische vrouw, van wie zij pas gelezen had dat deze haar echtgenoot gevolgd was naar Siberië en zij dacht dat zij dit zelf ook zou doen. Zij zou hem volgen door ontbering en ellende, tot in "de schaduwen des doods". In hare hooge stemming hield zij er van versregels of bekende uitdrukkingen uit gewijde literatuur zacht bij zichzelf op te zeggen, uitdrukkingen, die zij zich van vroeger herinnerde, maar waarvan zij nu pas recht al de diepte en schoonheid begreep. Alle hadden zij betrekking op Huug, op hare koning, haar afgod! Zoolang zij elkander zóó liefhadden, welk leed kon hen dan treffen: slechts de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, gelijk de bijbeltekst zeide. Zoolang dat zalige gevoel van vereering haar hart vervulde, zoolang zij met geheel hare ziel dien man aanhing, hem haar leven wijdde, een leven van stille, maar diepe vereering, omgaf haar een pantser, dat haar tegen ieder leed beveiligde. Zij was niet godsdienstig opgevoed, maar zij begreep nu volkomen het geluk, dat geloof, liefde en vertrouwen in een aangebeden godheid den mensch kunnen schenken; zij begreep den drang, die in oude tijden de menschen zich had doen werpen onder de alles verpletterende wielen van den wagen des Gods, dien zij liefhadden; zij begreep de doodsverachting der martelaren en de zelfontzegging der kloosterlingen. Vereering--zoo heette de sleutel tot al die raadselen, en die zaligmakende kracht was ook in hare ziel gekomen en vervulde er alles met gouden glans.
Nu was haar ideaal werkelijkheid geworden: zijn kleine schildwacht was zij; van den morgen tot den avond mocht zij waken over zijn geluk. Des morgens omgaf zij hem met duizend teedere oplettendheden; niemand mocht ooit die kleine zorgen en bezigheidjes van haar overnemen. Des middags ontving zij bezoeken om zijnentwil of legde ze af, bij allerlei vreemde menschen, die haar volkomen onverschillig waren, maar aan wie zij door haar stralend gezichtje steeds de overtuiging gaf dat hij "de beste man der wereld" was, gelijk zij hem werkelijk soms in intiemer kring ook lachend noemde, wanneer de stroom van zoete gedachten haar te machtig werd en uit moest barsten, ondanks haarzelf. En des avonds vulde haar salon zich met bezoekers--o, zoo vermoeiend soms!--maar heerlijk toch ook, als zij zag hoe hij genoot; als zijn blik dwaalde langs de smaakvol versierde wanden of op háár bleef rusten, zooals ze daar zat, slank en bevallig, achter haar theegoed, dat zij zoo aardig hanteerde. Nooit, zoolang zijne moeder van hem was heengegaan, had hij zich zoo tehuis gevoeld; nooit was hij omringd geweest van zooveel oplettendheid.
En hoe graag ging hij met haar uit! Zij was zoo mooi, dat de menschen op straat bleven stilstaan om haar na te zien; het was als straalde er licht van haar af, als omgaf een aureool dat reine, lieve kindergelaat, en menig dof oog verhelderde, menige in bitterheid saamgenepen mond ontspande zich tot een glimlach, als zooveel geluk voorbijging.