Een verlaten post

Chapter 4

Chapter 43,992 wordsPublic domain

Zij droeg een bijzonder elegante peignoir van crêmekleurig laken met witte kant, een japon, die zij in allen ernst "veel te mooi!" had verklaard, toen tante die wel geschikt voor haar vond. Maar nadat het gebleken was dat de peignoir haar uitstekend kleedde, had tante haar die laten thuis bezorgen.

"Och, een aardigheidje!" zei ze afwerend, toen Renée haar hartelijk dankzegde, "alleen--iederen dag dragen, hoor!"

Mevrouw Gerlings toonde in alle opzichten de grootste belangstelling in Renée's uiterlijk.

"Ja, ja, ik pronk graag met mijn nichtje," zeide zij wel eens bij wijze van verklaring, als zij weer eens een bevallig wandeltoiletje had uitgedacht of een élégante avondjapon; maar in werkelijkheid was daar een geheel andere reden voor die belangstelling. Het denkbeeld, Hugo en Renée een paartje te zien worden, lachte haar zóó toe, dat zij, wetende hoe gevoelig hij was voor de bekoring eener goedgekleede vrouw, alles deed om Renée's aantrekkelijkheid te verhoogen.

En zoo stond zij daar nu, slank en bevallig, half vrouw, half kind. Zij nam de kaartjes beurtelings op en las de namen; maar zij deed het werktuiglijk: hare eigenlijke bezigheid was denken.

Zij dacht aan de verloopen veertien dagen, die als een heerlijke droom waren voorbijgegaan met vele ontmoetingen, en vele gesprekjes, en vele handdrukken vol gloed, en vele blikken vol onuitgesproken wenschen.

Zou hij haar liefhebben?--zóó lief, dat hij haar vragen zou?

Zij was in een voortdurende spanning, maar het was een heerlijke spanning, vond zij. Er was immers geen twijfel meer, zijne liefde verried zich op duizenden wijzen, eenvoudig omdat hij die niet verbergen kon. De vraag was niet meer òf hij spreken zou, alleen wanneer?....

Oom Albert had blijkbaar tegen hem.... Waarom toch?.... Neen, dat kon zij maar niet doorgronden.... Maar oom Albert was een brompot.... Men moest natuurlijk rekening met hem houden als voogd, maar tante had veel invloed op hem, en Huug had veel invloed op tante. Zoo zou alles wel in orde komen.... De persoonlijke meening van oom behoefte haar niet te verontrusten. Hij was blind. Kon zij hem de blinde oogen toch openen!.... Hoe kon hij eigenlijk blind zijn!--Het was haar als moest Huugs' volmaaktheid ieder in het oog vallen.... Voor háár ging er licht en warmte van hem uit als van een zon, en het verwonderde haar hoe iemand hare zon onopgemerkt kon voorbijgaan. Zij benijdde zijne hospita en zijn oppasser, die voor hem mochten zorgen, en zijne kameraden, die veel met hem omgingen. Zijne minderen moesten hem wel hoog vereeren, meende zij, en zijne meerderen hem hartelijk genegen zijn.... Voor haar ging er bekoring uit van alles wat hem toebehoorde of van verre maar met hem in betrekking stond.

Wat ging die bel vandaag!.... Maar nu scheen het wel een bezoeker....

Zij hief het hoofd op, luisterend.

Ja, dat was zijne stem, die de meid vroeg of de familie in de suite was. Een blos van blijde verrassing steeg haar naar het gelaat, en met dubbele aandacht begon zij het kaartje te bekijken, dat zij in de hand had.

Monsieur et madame Verhulst, p. f.... Monsieur et madame Verhulst, p. f.... Wat klopte dat hart toch!--Monsieur et madame....

Daar ging de deur open, en hij zag haar staan, slank en rijzig in haar rijk gewaad, haar blozend kopje uitkijkend boven den kraag van breede witte kant, terwijl twee beschroomde oogen naar hem werden opgeheven.

"Tref ik u alleen?" vroeg hij, schijnbaar verwonderd. "Ik kwam om u mijne hartelijke gelukwenschen aan te bieden, juffrouw Gerlings."

"Dank u," antwoordde zij lachend. "Maar nu moet ik toch eerst weten wat u mij als geluk toewenscht.--U komt toch niet met een gemeenplaats hier?" vervolgde zij plagend.

Zij dacht hem in het nauw gebracht te hebben, maar hij was niet gewoon zich in het nauw te laten brengen.

"Zeg mij dan," vervolgde hij, terwijl hij dicht bij haar kwam staan en met teederen glimlach op haar neerzag, "wat u dit jaar u als geluk droomt."

Een gloeiende blos overtoog opnieuw haar gezichtje, zij sloeg de oogen neer en bleef het antwoord schuldig. Want voor haar was maar één geluk mogelijk: zijne liefde.

"Kunt u ook raden wat ik mij als geluk droom?" vroeg hij zacht.

Zij verzamelde al hare krachten om zich goed te houden en zeide: "Promotie natuurlijk!"

Hij gevoelde zich teleurgesteld; hij dorstte naar bewijzen harer liefde, niet beseffende dat hij ze vooral begeerde om zijne declaratie voor zichzelf te kunnen verontschuldigen. Want hij dacht er wel aan hoe jong zij nog was en hoe.... nu ja, hoe anders dan hij.... Hij gevoelde zich als een wilde knaap, gereed een lelie te knakken voor eigen genoegen, en plotseling bedenkende dat het de arme bloem misschien beter ware te blijven waar zij was.... Maar die aarzelingen waren even zeldzaam als vluchtig.

"Neen, geen promotie," zeide hij, zijne wenkbrauwen samentrekkend als een lastig, bedorven kind, dat zijn zin niet krijgt; en hij bleef haar vragend aanzien, maar op dat oogenblik trad mevrouw Gerlings binnen.

Zij begroette hem hartelijk met een kus en vele goede wenschen, en begon toen, vermoedende dat zij hen in aangenaam en misschien gewichtig gesprek had gestoord, in de andere kamer ijverig piano te spelen. Maar Hugo en Renée wisten den draad niet weer op te vatten van het gesprek, dat veel meer in gedachten dan in woorden had bestaan, zoodat Lucie maar weer met spelen ophield en begon stof af te nemen.

"Van middag," zeide Hugo tot zijne zuster, "gaan wij een toertje doen. Zijn jullie dan thuis?--Dan komen we even voorbij."

Hij wist wel welk een goed figuur hij maakte op zijn fraai paard, en liet zich gaarne bewonderen.

"Dat beloven wij niet," zeide mevrouw Gerlings lachend, terwijl zij met haar plumeau de prisma's der gaskroon deed rinkelen. "Wat zeg jij, Renée?--dan zijn wij maar gebonden. Ga je met je vrienden?"

"Ja--denkelijk. En anders toch alleen."

"Ik zie je liever met een troepje cavalleristen. Dan zie je er zoo krijgshaftig uit, Huug.--Zeg eens, denk je dat de soldaten graag onder jou ten oorlog zouden trekken?"

Hij streek zich den goed verzorgden knevel eens op--wat hij gaarne deed, als hij over zichzelf sprak,--en zeide met een ijdel lachje: "Ja, dat kan ik wel eens merken."

"Hoe zou je ze dapper maken?" vroeg mevrouw Gerlings, terwijl zij de plumeau liet rusten. Zij zag wel met welk een afgodischen blik Renée hem heimelijk gadesloeg en deed maar een vraag in het wilde heen.

"Door mijn voorbeeld," antwoordde hij dadelijk: want het was werkelijk altijd een zijner vurigste wenschen geweest ten oorlog te kunnen trekken, en zeker ware hij in dit geval een zeer dapper en flink soldaat geworden--misschien wel een edel mensch. Maar zijne weinige bezigheden, zijn rijkdom en vele verleidingen hadden zijne wilskracht verlamd en zijne eerzucht gedood. Voor sommige karakters zijn rijkdommen een vloek, hun door een boosaardige fee op den levensweg medegegeven. "Het voorbeeld is alles. Voor een aanvoerder, tegen wien de soldaat kan opzien, doet hij alles, maar van een, die zelf niet uitmunt, kan ook geen kracht en bezieling uitgaan."

"Dat beweerde papa ook altijd," zeide Renée met schitterende oogen. "Als ik een jongen geweest was, zou ik stellig in dienst gegaan zijn."

Mevrouw Gerlings begon nu in de voorkamer het stof te vervolgen, en Renée kreeg haar kamergietertje en opende de deuren der serre. Zij wist wel dat hij haar volgen zou, en begon ijverig de breede, glanzende bladeren der azalia's, die bij den ingang stonden, af te sponsen.

Hij bleef tegen den deurpost leunen, haar stil beschouwende zooals zij daar stond in het licht der morgenzon, dat zich door de neergelaten gordijnen niet liet afschrikken, maar de serre vulde met gouden gloed. Zij bewoog zich zoo aardig met die zekere waardigheid, welke al hare manieren kenmerkte en toch zoo eenvoudig en kinderlijk. Zij stak zoo bekoorlijk af in haar lichtkleurig kleed tegen het groen der palmen en azalia's, varens en cactusplanten, liefelijk afgebroken door een reeks primula chinensis, door haar zelf in bloei gebracht. Hij kon niet laten haar met zeker artistiek genot te beschouwen; en hij dacht er aan welk een heerlijk vrouwtje zij zijn zou, juist een, dat ieder hem zou benijden.... Wat zou zij een elegant gastvrouwtje zijn!.... Hij genoot reeds bij het denkbeeld. Hij hield van weelde en schoonheid en, terwijl hij haar met peinzenden blik volgde, zag hij haar in den geest in een keurig salon met mollige divans en zachte fauteuils, achter een theeblad, schitterend van fijn porselein en zilver.

"U bent natuurlijk als een echt soldatenkind grootgebracht?" vroeg hij haar toelachend, in antwoord op hare laatste opmerking.

"Ja.... Papa vertelde er mij reeds vroeg van, altijd oorlogsverhalen. Het mooist vond ik altijd het verhaal van een kleinen schildwacht--kent u dat misschien?--die trouw op post stond voor de tent van zijn vorst en dapper: "Werda!" riep bij het minste verdachte gedruisch. Toen zijn aangebeden vorst echter een lafaard bleek te zijn, doorstak hij zich.--Het is langen tijd mijn ideaal geweest met papa in den oorlog te gaan en zijn kleine schildwacht te zijn zooals die jongen."

"En ook dood te gaan?" vroeg hij glimlachend.

Zij zag ernstig naar hem op.

"Waarom niet? In sommige gevallen schijnt de dood mij veel begeerlijker dan het leven;--dan een lang bitter, teleurgesteld leven zonder doel, bij voorbeeld."

Hij beschouwde haar, maar sprak niet, verwonderd als hij was over haar ernst. Lang, lang daarna herinnerde hij het zich.

"Hebt u daar dan zoo diep over nagedacht?"

"Ja, nogal eens, naar aanleiding van dat verhaal. Ik zou ook niet hebben kunnen verdragen dat papa mij tegenviel. Het zou mij gedood hebben, vanzelf geloof ik."

Hare bruine oogen fonkelden; om hare lippen kwam een harde, vastberaden trek.

En weder verwonderde zij hem; zooveel hartstochtelijkheid had hij niet in haar verwacht....

"Een vreemd ideaal voor een meisje!" ging hij voort. "Nu zal het al wel op den achtergrond geschoven zijn door andere idealen, is 't niet?"

"Neen, het is mij altijd bijgebleven. Het ligt in een vrouw evengoed of liever nog: het ligt juist bijzonder in een vrouw zich zoo geheel te wijden, gelooft u niet? In figuurlijken zin kan ik tòch nog eenmaal een kleine schildwacht zijn."

"Voor uw man," antwoordde hij, vlug hare bedoeling vattend.

Zij glimlachte; haar oog zag vol licht naar hem op.

"Ja, voor mijn man. Ook voor hem kan ik dag en nacht waken en "werda!" roepen bij ieder naderend gevaar. Dat verlangen ligt eenmaal in een vrouw, in iedere vrouw geloof ik."

Even zweeg hij.

"En als hij u eens teleurstelde?" vroeg hij langzaam met een zonderlinge ontroering in zijne stem.

Zij zag naar hem op. Hare ziel lag in dien blik, vol onwrikbaar geloof. Toen kleurde zij hevig en antwoordde, zacht hoofdschuddend op vasten toon: "Dat zal hij niet doen."

Een oogenblik zagen zij elkaar recht in de oogen. Toen sloeg hij de zijne neer, keerde zich om zonder een woord te spreken en verliet het huis.

VIII.

De zon scheen warm en koesterend op Hugo Freeze neer, toen hij het huis zijner zuster verliet en door de drukke straten werktuiglijk den weg naar zijne kamers nam; maar evengoed had het kunnen stormen en regenen, zonder dat hij het bemerkt zou hebben.

Naast hem klonk gelach en gepraat; straatjongens staken vuurwerk af; hier en daar zelfs knalde een pistoolschot in zijne nabijheid ter eere van het nieuwe jaar; maar hem ging het alles voorbij als een droom.

Hij zag slechts die meisjesgestalte in haar lichtkleurig gewaad, staande in den gloed der zonnestralen; hij zag dat lieve, onschuldige gelaat en den blik vol vast vertrouwen; en hij hoorde maar steeds die zachte woorden: "Dat zal hij niet doen."

O, die toon vol onwrikbaar geloof! Diep had hij hem in het hart gegrepen. Want die woorden golden hèm, hèm alleen, daarvan was hij overtuigd. Het was juist iets voor haar oprecht karakter om zich aldus te verraden, hoewel met hooger blos, als zelf verschrikt over hare vrijmoedigheid.

En nog gisteren was hij in een gesprek met een paar vrienden--een heel philosophisch gesprek en heel philosophische vrienden--tot de conclusie gekomen dat een getrouwd man.... nu ja, dat hij zich wel eens wat meer vrijheid mag veroorloven dan een getrouwde vrouw. Zij hadden prachtige bewijsgronden aangevoerd, onomstootelijke argumenten;--en nu!.... Deze vielen alle in elkaar als dorre geraamten voor dien éenen, reinen, vertrouwenden blik....

In gedachten verzonken bereikte hij zijne kamer, maar zette daar zijn wandeling voort, altijd met gebogen hoofd en starenden blik. Hij zag plotseling al de armzaligheid der sophismen van zwakke mannen, nu er het licht op neerstraalde eener smettelooze vrouwenziel, en als een openbaring kwam de gedachte tot hem hoe schoon het leven kan zijn voor den mensch, in wiens hart de liefde haar gewijden intocht houdt, als dat hart nog onbedorven is. Hij zag het plotseling, als in een visioen, welke machtige, heerlijke gewaarwordingen het zijne zouden vervuld hebben, had hij de liefde niet anders gekend dan als deze zachte, heilige aandoening, welke hem door de ziel voer als een gebed....

Nu begreep hij Albert's woorden: "Zij weten niet eens het verschil tusschen passie en liefde." Nu wist hij het--voor het eerst.

Zijne vuisten balden zich krampachtig, zich samentrekkend in jeugdige, pas ontwaakte geestdrift; zijne borst zwoegde van pijnlijk berouw. Iets zeide hem dat, als hij waarlijk liefhad, hij hare wederliefde niet vragen zou, eer hij een ander man geworden zou zijn. En wild drukte hij zich de handen tegen het voorhoofd. Titanen worstelden in zijn brein en hij zag sidderend den strijd aan. Al wat eenmaal goed en edel in hem geleefd had, als kind, als knaap en als jongeling, ontwaakte opnieuw; en het hief zich op, hoog, hoog, als een lang getergd en ten doode gemarteld dier en ving opnieuw de worsteling aan tegen Begeerte, Zelfzucht en Zwakheid. Hij zag den strijd aan, langen, langen tijd en.... hielp de laatsten overwinnen.

Ja, hij wist het wel, hij was harer niet waardig, maar hij wilde het worden. Hij wilde het verleden afschudden, vergeten; het bestond reeds niet meer voor hem, meende hij.... En hij zou haar alles bekennen.... Of alles wel niet, maar toch veel, zóóveel, dat het hem bevrijden zou van dien drukkenden gedachtenlast, als pleegde hij verraad tegen haar....

Ja, met dat verleden zou hij breken, en voortaan slechts voor háár leven, voor háár geluk. En deze week nog zou hij haar vragen. Morgenavond misschien, als zij weer bij den haard zouden zitten schemeren, want dan zouden zij geheel alleen zijn. Albert zou niet vóór Dinsdag terugkomen. En als hij maar eenmaal Renée's woord had, zou hij Lucie vragen Alberts toestemming te verkrijgen; het was haar toevertrouwd! Wat wist Albert trouwens kwaad van hem.... Hij kon wel gissen, maar niet weten, en op gissingen zou hij geen weigering durven gronden.

Niet met zijne vrienden wilde hij gaan rijden, neen, hij moest alleen zijn. Zijn gemoed ging open voor de weelde van dezen heerlijken winterdag, die wel een lentedag geleek. Hij wilde ver gaan, heel ver, altijd voort, diep ademhalend van geluk, bijna het uitjubelend.... denkende aan haar, steeds maar denkende aan haar!

"Zoo alleen op weg?" vroeg hij eenige uren later aan zijne zuster, die hij hier ver van haar huis ontmoette.

"Ik zou je dezelfde vraag kunnen doen," antwoordde zij lachend, terwijl zij zijn vurig paard beschouwde, dat nauwelijks geduld had tot stilstaan.

"Ja, ik ga maar alleen vandaag."

"Ga niet te ver, Huug. De lucht betrekt zoo."

"Neen.... Renée thuis gebleven?"

"Zij had geen lust.--Adieu!"

En zij gingen beiden hun weegs, ieder met zijne eigene tevreden gedachten.

Lucie's poging was gelukt; zij was uitgegaan in de hoop hem te ontmoeten, opdat hij weten zou dat Renée alleen tehuis was. Er was nu zulk een goede gelegenheid voor een beslissing, vond zij; Albert van huis, zij uit--bijna nooit hadden de kinderen zulk een kansje.

De slotsom van Hugo's gedachtengang voerde hem inderdaad in vollen draf huiswaarts. Snel verwisselde hij zijne rijkleeding voor een andere, en spoedde zich toen naar de woning zijner zuster, waar de meid hem mededeelde dat alleen de juffrouw thuis was en dat hij haar in de serre zou vinden.

Zijn hart klopte wilder, toen hij de kamerdeur zacht opende en sloot, en over het mollig tapijt onhoorbaar naar de serre trad. Bij de opengeschoven deur bleef hij staan. Zij zat half van hem afgewend; op haar schoot lag een boek, maar zij las niet; haar blik was peinzend op den grond gevestigd. Als gevoelde zij echter zijne tegenwoordigheid, zag zij op, en weer kleurde een blos hare wangen, een blos, die van onstuimigen hartslag sprak en Hugo Freeze opeens iedere inleiding overbodig deed achten. Want er zijn oogenblikken in het leven, wanneer onze gemoedsaandoeningen ons zoo geheel beheerschen, dat ons alles, wat naar conventioneele vormen zweemt, belachelijk schijnt; en iets daarvan gevoelde Hugo Freeze, toen hij met zwoegende borst daar stond en haar blik ontmoette.

"Renée!"

Hij zag haar aan, niet overmoedig als gewoonlijk, maar ernstig, smeekend. En zij begreep dat het oogenblik gekomen was, waarnaar zij zoolang had uitgezien. Zij legde haar boek ter zijde en stond op, als aangegrepen door den ernst van dezen stond;--want wat voor den een soms niet meer is dan een "interessante emotie," is voor den ander als een heilige plechtigheid. Renée beefde van het hoofd tot de voeten en haar blos week voor een teedere bleekheid.

Hij trad nader en vatte hare hand.

"Renée!"--en zijne anders zoo klankvolle stem klonk dof van ontroering--"ik wilde je vragen of je nòg niet weet wat ik mij dit jaar als geluk droom."

Zij zweeg en boog diep het hoofd, als ontbrak haar de moed het zelf in woorden te brengen.

"Mag ik het zeggen?"

Een nauw hoorbaar ja kwam over hare lippen.

"Ik zou een goed en dapper aanvoerder willen worden," zeide hij zacht, "en ik zal dat worden, als jij mijn kleine schildwacht zijn wilt.... Wil je?"

Nu sloeg zij de oogen naar hem op. Een wereld van zaligheid lag in die schuchtere meisjesoogen, een juichend ja, en toen verborg zij het gelaat aan zijne borst.

En hij wachtte niet meer op antwoord; hij was tevreden en zag teeder neer op het hoofdje, dat zoo gelukkig aan zijn schouder lag.... zóó gelukkig, dat zij plotseling in tranen uitbarstte.

"Het is niets," zeide zij echter dadelijk om hem gerust te stellen, het is alleen van geluk...." en zij lachte hem toe met stralenden blik en wischte haastig hare tranen weg.

"Ik zal een goed aanvoerder zijn," ging hij voort, want juist het bewustzijn zijner zedelijke zwakheid deed hem kracht zoeken in beloften. "Geloof je dat, kind?" en hij streelde liefkoozend haar lokkig hoofd.

"O, ja!" antwoordde zij, als vond zij het volkomen overbodig daarvan te spreken.--"O Huug, het is zoo heerlijk dat je mij liefhebt!"

Maar hij ging door over hetzelfde onderwerp; hij had zich immers voorgenomen een bekentenis te doen.

"En wil jij dan mijn kleine, trouwe schildwacht zijn.... die mij helpt en...."

"Dat beloof ik," viel zij hem in de rede; groote tranen welden opnieuw in hare oogen en zij reikte hem met zekere plechtigheid de hand, al klonken hare woorden eenvoudig: "Je zult mij altijd trouw op post vinden, bij nacht en bij dag. Je hebt het immers zelf gezegd van morgen: "Voor een aanvoerder tegen wien een soldaat kan opzien, doet hij alles." En tegen jou kan ik opzien, Huug; wat zou ik voor jou niet kunnen!"

"Maar je moogt niet al te goed van mij denken, kind. Bedenk eens:.... ik ben al twee en dertig en...."

Zij zag hem verwonderd aan; blijkbaar was het haar onmogelijk verband te vinden tusschen zijne eerste en zijne laatste woorden. Maar daar ging haar een licht op.

...."O, je meent dat je voor dien leeftijd nog niet ver genoeg ben naar je zin?.... Wees gerust," vervolgde zij met een engelachtigen glimlach, "je denkt veel te nederig van jezelf, Huug. In ieder geval is de aanvoerder zijn klein schildwachtje ver vooruit."

Zij, die alle mannen beoordeelde naar haar ernstigen, edelen vader en het een eenvoudigen plicht achtte voor ieder mensch er naar te streven elken dag beter te zijn dan den vorigen, veronderstelde dat verlangen naar volmaking in anderen ook; en daar zij Hugo Freeze met de oogen der liefde beschouwde, dacht zij dit in de eerste plaats van hem en sprak met zóóveel overtuiging, dat hij er zelf bijna door overtuigd geraakte. Toch vond hij dat hij nog niet genoeg gezegd had; hij wilde nu als het ware biechten om met zijnen aflaatbrief heen te gaan en het verledene voor altijd te vergeten. Dat verleden was harer niet waardig, maar zijne toekomst zou dit zijn. Hij zou en hij wilde! Nu kon hij begrijpen dat men behoefte kon gevoelen aan een dagboek. Hij ook--hij zou het willen opschrijven.... of ten minste wilde hij het uiten.... als een toekomstigen dwang, dien hij zichzelf oplegde.

Maar telkens als hij weer in dat onschuldige gelaat staarde, verstomden hem de woorden op de lippen.... O God, neen, het was onmogelijk--onmogelijk! Hij wilde haar zóó behouden, zoo smetteloos en kinderlijk, zoo onwetend van alles wat lag buiten haar klein meisjeswereldje van boeken en snuisterijen, en mooie verzen en muziekstukjes en ideaaltjes. Zóó juist zou zij hem het beste schild zijn.

Dit alles ging in zijn hoofd om, terwijl hij haar stil in de oogen zag, en zij dronk zijn teederen blik in, zwijgend en gelukkig.

"Ik heb bijna wroeging, dat ik mij zoo zalig kan gevoelen, Huug, terwijl papa zoo kort geleden is heengegaan.... Wat zou hij veel van je gehouden hebben?"

Een sombere wolk vloog over zijn gelaat; telkens als hij aan dien vader dacht, van wien hij steeds met zeker ontzag had hooren spreken, was het hem als plaatste diens schim zich tusschen hem en Renée. Maar hij had geleerd zijne gedachten te verbergen en antwoordde schertsend: "Je moet het in ieder geval maar dadelijk aan Caesar schrijven."

Zij glimlachte weemoedig.

"Ja, en als wij getrouwd zijn, mag hij komen, niet waar?"

"Natuurlijk!"--en toen zag hij haar peinzend aan met vergodenden blik.

"Onveranderlijk trouw!" zeide hij. "Ik geloof dat ik een goed schildwachtje heb uitgekozen."

"En ik een heerlijken aanvoerder," lachte zij en toen drukte hij in vervoering het ranke kind aan zijne borst, waar zij stil bleef rusten, overstelpt door geluk. Want háár was alles nieuw, iedere liefkoozing, ieder teeder woord, iedere zwevende, vage gedachte aan de toekomst, het was voor haar een zaligheid op zichzelf, nooit gekend, nooit begrepen.

"Wat bedoelde je straks toch?" vroeg zij, opeens het hoofd opheffende. "Je bent immers niet nòg eens geëngageerd geweest?"

"Och, wel neen! Maar.... misschien heb ik wel eens iets gedaan wat je verdriet zou doen, als je 't wist, en nu wilde ik je beloven...."

"Neen, doe dat niet!" bad zij zacht. "Het ware berouw belooft niet; het handelt. Als er ooit zoo iets gebeurd is, denk er dan maar niet meer aan. Je hadt toen immers nog geen verplichtingen aan mij."

"Neen, misschien niet," antwoordde hij peinzend; want hij dacht er aan dat toch eigenlijk iedere jonge man, die eenmaal denkt te huwen, verplichtingen heeft tegenover het hem nog onbekende jonge schepseltje, dat zich aan hem toevertrouwen zal. En hij gevoelde--als een ontdekking--dat hij nu zeer zeker verplichtingen aan haar had en dat zij het als niet meer dan natuurlijk beschouwde dat hij die trouw zou nakomen, even trouw, met evenveel lust, als zij de hare nakomen zou.

"Maar ik geloof het niet," liet zij op eens lachend volgen, "o, ik weet zeker dat het niet waar is, en ik wil er ook niet aan denken.... Maar laten wij niet vergeten dat er ieder oogenblik bezoek komen kan."

En zij gingen deftig tegenover elkander zitten, ieder aan een kant van de rieten tafel. Zij hadden zooveel, zoo eindeloos veel te praten: over het publiek worden van hun engagement, over de toestemming van oom Albert en over hun huwelijk, dat Hugo zoo spoedig mogelijk wilde laten voltrekken. Waarop zouden zij wachten?