Chapter 3
Gelijk zij hem, den ernstigen man van studie, twintig jaren geleden had gevangen in een net van uiterlijke lieftalligheid en bekoorlijkheid, zoo had zij hem gedurende haar huwelijk gevangen weten te houden, fluweelig, zacht, vriendelijk, glimlachend. Hij haatte die gevulde salons, waarheen zij hem medesleepte;--die concertzalen, waar zij coquetteerde,--die balzalen, waar zij nog als jong meisje mededeed;--hij haatte ze, niet omdat hij haar nog liefhad, gelijk hij tot zichzelf met veel overtuiging zeide, maar omdat hij van eenvoud hield, van degelijkheid en waarheid. En toch gloorde daar nog een vonkje der oude liefde in zijn hart, dat--zij wist het wel--tot een hoog vuur had kunnen opvlammen, had zij zulks gewild en zich om zijnentwil veranderd. Maar zij was er volkomen onverschillig voor, en daar hij dit maar al te zeer begreep, was zijn humeur onaangenaam en prikkelbaar geworden. Soms nog brak hij wel met zijne breede schouders door de mazen van het net heen en bulderde het uit dat het hem verveelde en dat hij er den brui van gaf; maar dan glimlachte zij en herstelde met zijden draden, zacht maar ijzersterk, de verscheurde mazen, en hij schikte zich weer; reeds lang schikte hij zich en verschanste zich in zijne studeerkamer, en las of werkte. Zoo was hij langzamerhand een zeer knap en zeer belezen man geworden, maar ook een zeer knorrig huisgenoot.
"Hebt je niets gemerkt?"
"Wat dan?"
"Neen, mannen merken nooit iets. Maar weet je wat ik gemerkt heb?--Dat Huug wel eens op den inval kon komen met Renée te trouwen."
"Zoo-oo?" vroeg hij, blijkbaar verwonderd, zweeg toen een poos en snoof daarop. Hij snoof altijd als hij boos was.
"Wat vindt je er van?"
Zijn antwoord klonk brusque. "Dat zij veel te goed voor hem is."
"Dat was mijne eerste gedachte ook," jokte zij slim. "Maar bij nader inzien zou ik het toch een uitstekend huwelijk voor beiden vinden. Hij komt er door tot rust en zij doet toch ook een goede partij met hem. Zij blijft dan in de familie, altijd onder jouw toezicht als 't ware: dat is een prettige gedachte voor je als oom en voogd. En Huug is toch zoo kwaad niet. Hem kennen we ten minste en van anderen weten wij niets. Ook zou Huug wel eens een minder prettig persoontje in de familie kunnen brengen.--Albert!"
"Nu?"
"Wat vindt je er van?"
"Ik weet het nog niet," antwoordde hij kregel; maar zij hoorde zeer goed dat zij reeds veel gewonnen had.
Pauze.
"Albert!"
Albert echter sliep reeds of hield zich zoo. Hij was nijdig over de combinatie, maar vond--slaperig als hij was--geen argumenten genoeg om een woordenstrijd te beginnen, waarin hij toch reeds vermoedde het onderspit te zullen delven. Honderdmaal sterker gevoelde hij zich tegenover zijne wel gewapende tegenpartijen in het gerechtshof; dáár won hij meestal het pleit.
Toen Hugo Freeze dienzelfden avond uit de restauratie thuiskwam, waar hij had gedineerd, strekte hij zich als gewoonlijk op zijne sofa uit en greep een boek uit de pas gekomen portefeuille om zich den tijd te korten. Maar na eenigen tijd bleef zijn oog op enkele regels staren, die hij telkens en telkens herlas tot hij eindelijk opsprong, het boek van zich werpend. Het waren slechts weinige woorden uit een roman van Massi Bruhn, welke die uitwerking hadden: Per Gynt trok de groote, bonte menschenwereld in, omdat hij geen vrijheid vond het kind Solvegj aan zijn bedorven, verwoest leven te verbinden.
En terwijl hij met groote stappen en gebogen hoofd de kamer op en neer liep, dacht hij aan een anderen Per Gynt en een ander kind Solvegj, maar deze laatste Per Gynt had zelfzuchtig en zonder zweem van wroeging het kind Solvegj "aan zijn bedorven, verwoest leven" willen verbinden.
Op eens viel zijn oog op een aan hem geadresseerd briefje, dat tijdens zijne afwezigheid op zijne tafel was neergelegd.
Hij opende het, als verlangend naar afleiding voor zijne pijnigende gedachten. Een hem welbekend parfum steeg naar hem op. Een kwartier lang liep hij met het papier in zijne hand, blijkbaar in heftigen tweestrijd. Toen,--als verdroot hem dat dobberen en weifelen--wierp hij haastig hoed en jas weer aan en verdween in de duisternis der straten.
V.
Het was midden December, maar het scheen nog najaar, een sombere najaarsavond met geheimzinnig knappende vensters en onrustige jaloezieën; een donkere lucht, die volstrekt geen licht meer wierp door de zware draperieën voor de vensters, en in de straat een wilde jacht van pas afgewaaide bladeren--eerst in de lucht, dan op den grond;--een dolle dans, als wilden zij nog eens voor het laatst het leven genieten, eer zij voor altijd zouden vastkleven in het slijk en vergaan.
In de achterkamer der suite van mevrouw Gerlings was het bijna geheel donker. Op de sofa lag mijnheer, een roerlooze gedaante, in zaligen namiddagsluimer verzonken, terwijl boven zijne vrouw hetzelfde genot smaakte.
In de voorkamer brandde het blokkenvuur levendiger en wierp grillige schijnsels op meubels en wanden; ook op Renée, die droomerig in het vuur zat te staren, hare voeten koesterend weggedoken in de schapenvacht voor den haard, haar hoofd geleund tegen het fluweel van den fauteuil, haar oog in den spiegel tegenover haar den vlammenweerschijn bewonderd op het geschilderd plafond.
En zij luisterde naar het lied van den wind, die steeds woester opstak. Van waar kwam hij, als hij zoo langs de vensters gierde, om in het volgend oogenblik weer uren verder te zijn? Had hij misschien juist met zijn onmeedoogend spel schepelingen tot wanhoop gebracht, en waren het wellicht hunne angstkreten, die hij medevoerde in zijne dolle vaart? Of was hij pas over den stillen grafheuvel gestreken, waaraan zij zoo dikwerf dacht, en ruischte wellicht het geritsel van het laatste beukenloover in zijn zang? Hoor, hoe weemoedig, hoe klagend! Wat zeide hij toch? Nu eens als in toorn, dan in stil, wanhopig geklaag ging hij voorbij, of floot in den schoorsteen, als riep hij haar, eenzame....
Wat zeide hij, haar oude, lieve vriend?-- Ach, de tijd was voorbij dat zij zich door hem liet voortduwen in het veld of hem lachend trotseerde; dat hij haar plagend den hoed van het hoofd wierp of droppelen van de natte takken op haar neerschudde; dat hij hare krachten staalde en hare wangen rood kleurde. Neen, zij was nu een stadsnufje geworden: hij kende haar gewis niet meer....
Zou zij hier altijd zoo blijven leven?
's Morgens opstaan en ontbijten, dan wat piano spelen of handwerken doen, koffiedrinken, visites maken of ontvangen, eten, schemeren en des avonds meest menschen zien of met oom en tante omberen.
Van tante hield zij niet, neen, bepaald niet. Zij wist wel dat het verkeerd van haar was zulk een besliste antipathie te gevoelen: papa had haar daarover dikwerf onderhouden en zij deed ook wel haar best in tante het goede te zien. Maar het ging niet, het wou niet gaan.... Zij kon haar jeugdig bruisend bloed zoo gemakkelijk geen wetten voorschrijven, en die afkeer werkte neerdrukkend op hare stemming.
En oom was zoo anders dan zij zich hem gedroomd had; goed, heel goed, maar in huis niet prettig. Zij begreep hem niet. Toch kon zij wel van hem houden, al was die genegenheid te lauw om haar geluk te verhoogen....
Wat was het stil in de kamer! Slechts nu en dan eenige haastige voetstappen in de straat, het samenspreken van enkele voorbijgangers of een snel voortrollend rijtuig--dat was alles, wat men van buiten hoorde. En binnen slechts de tik der pendule, het knappen van het vuur en de eenigszins zware ademhaling van den slapende.
Nu gingen er officieren voorbij; zij hoorde hunne beschaafde, vroolijke stemmen, die langzaam wegstierven, en het gerinkel hunner sabels, dat haar aan Hugo Freeze herinnerde.
Hij trok haar aan. En eerst had zij gemeend ook in zijn smaak te vallen: hoe had zijne vriendelijkheid haar goedgedaan! Maar sedert dat bezoek ter wille der handschoenen, die nooit gevonden waren, was hij niet teruggekomen, en zelfs van zijn gewoon veertiendaagsch avondje had hij zich reeds tweemaal afgemaakt.
Eerst gisteren op een wandeling hadden tante en zij hem toevallig weder ontmoet, en hij had zich bij hen gevoegd en hen vergezeld. Zij had bewondering gelezen in zijn blik, toen hij haar begroette, en hij had haar met zonderlingen ernst een sneeuwklokje genoemd. Niet heel toepasselijk, vond zij, want het pakje was van donkergroen laken met grijs bont afgezet, en haar groote Rembrandthoed van vilt met witte veer; maar zij wist niet dat hare geheele verschijning opnieuw met overweldigende bekoring een indruk van onschuld en reinheid op hem gemaakt had.
Wat hadden zij veel gepraat, veel, waaraan zij sedert met genoegen terugdacht! En een arm klein meisje, dat "een centje" vroeg had hij een kwartje in de verkleumde vingertjes geduwd met een hartelijke vermaning nu naar huis te gaan.
"Zoo lief!" vond zij, glimlachend bij de herdenking.
Ja, dat was een prettige wandeling geweest. Voor hem gevoelde zij sympathie;--maar hoewel hij heel vriendelijk voor haar was, hem aantrekken deed zij toch niet, vreesde zij. Dan zou hij immers meer komen!....
En zij zuchtte; en terwijl zij naar den langzaam verminderden gloed achter het koperen vuurschermpje staarde, gevoelde zij zich eenzamer dan ooit. Haar hart dorstte naar liefde, naar warmte, en het versmachtte; het wensen te zijne schatten in ruil te geven en niemand vroeg er naar.... Maar dit alles begreep zij niet. Zij beknorde zichzelf, omdat zij niet tevreden was, en zou niemand hebben durven vertellen dat zij soms heimelijk schreide, zonder eigenlijk te weten waarom.
Zij keek eens naar de achterkamer, verlangend naar afleiding. Neen, het reeds grijzende hoofd van oom, het eenige, wat zij in de duisternis van hem kon onderscheiden, lag nog even roerloos.
Daar werd zacht aan de huisdeur gescheld, en even behoedzaam werd na eenigen tijd de deur der voorkamer geopend. Tot hare verwondering herkende Renée, toen zij omzag, het fijnbesneden gelaat van Hugo Freeze.
"Juist zoo dacht ik u te vinden," zeide hij met gedempte stem, terwijl hij haar de hand reikte. "U zei mij gisteren het schemeruurtje zoo eenzaam te vinden. Mag ik u wat gezelschap houden?"
Vijf weken lang had hij de machtige ontroering, door zijne ontmoeting met Renée gewekt, dwaasheid genoemd, en zijn best gedaan zich "dien onzin uit het hoofd te zetten." Haar fortuin was immers niet groot genoeg om zijn huwelijk "brillant" te maken, en dan: zij was "zoo'n kind!" Hij was geheel de oude Hugo Freeze weer geworden en, toch--toch was haar beeld hem soms verschenen, juist waar hij haar het liefst vergeten had; toch was hare stem in zijn oor blijven hangen als zachte, gewijde muziek, die tot het goede wekt.
De onverwachte ontmoeting van gisteren, toen hij haar zag naderen over de sneeuw in hare onbewuste bekoorlijkheid, had voor het oogenblik uit zijn hart alle andere indrukken weggevaagd. Sedert die wandeling beheerschte hem een vurig verlangen haar opnieuw te zien en te spreken, en hij wist niet beter te doen dan maar dadelijk zichzelf zijn zin te geven, als een bedorven kind, dat weer een nieuw stuk speelgoed opgemerkt heeft, en er telkens weer naar gaat zien, hopende het te krijgen.
"Het is heel vriendelijk van u," zeide zij, en hij zag met voldoening een blijden glans in hare "kinderoogen."
"Neen, neen, er is ook egoïsme bij," wierp hij tegen, een fauteuil aanrollend. "Eigenlijk vrees ik dat het geheel en al egoïsme is.--O, wat zitten wij gezellig nu!"
Zij lachte om zijn welbehagen.
"Ja, dat lijkt u nu misschien overdreven," ging hij voort op zijne eigenaardige, vertrouwelijke manier, "want dames hebben het altijd gezellig. Zij scheppen dadelijk op eene of andere manier gezelligheid om zich heen, maar een man verstaat die kunst niet. Ik ten minste niet. Op mijne kamer is het nooit gezellig."
"Misschien omdat u er alleen ben...."
"Misschien wel, ik weet het niet," antwoordde hij langzaam en keerde zijn gelaat naar het vuur, gevoelende dat zij hem uit haar donker hoekje met sympathie gadesloeg. "Ik denk dikwijls," ging hij zacht voort, "aan de woorden van ik weet niet welken schrijver: Laat het vriendelijk schijnsel van uw gezellig tehuis lichten voor den eenzamen wandelaar daarbuiten.--Die woorden zou ik wel alle getrouwde dames willen toeroepen ten aanzien van jongelui, die geen gezellig te huis hebben."
Er was een weemoedige klank in zijne stem, die haar medelijden wekte, en zij kon niet dadelijk antwoorden, denkende hoe gaarne zij zelf in de gelegenheid zou zijn hem zulk een gezellig pied-à-terre aan te bieden.
"Knap-knap!" zeiden de spattende vonkjes in den haard en vlogen den schoorsteen in, waarin de wind zoo weemoedig zong en suisde, dat beiden onwillekeurig er een oogenblik naar luisterden.
"Tante klaagt toch dat u zoo zelden komt," zeide Renée eindelijk, als slotsom van haren gedachtengang.
Hij glimlachte--niet zonder verlegenheid.
"Ja, zij heeft gelijk: ik kom niet dikwijls."
Hij kon hier niet zeggen dat hij in het geheel niet van zijn schoonbroeder en weinig van zijne zuster hield; maar Renée's vlug verstand deed haar het laatste raden.
"Hij is ook van ander hout gesneden," dacht zij met zekere vreugde, en gevoelde zich te meer tot hem aangetrokken.
"Maar ik zal voortaan dikwijls komen," ging hij voort. "Hoe kan ik straks naar huis wandelen en op mijne eenzame kamer terugkeeren zonder heimwee te gevoelen naar dit gezellig plekje aan den haard?"
Hij zeide niet dat hij iederen avond uit was. Hij vond het aangenaam in hare oogen medelijden te lezen, ja, verbeeldde zich op dat oogenblik zelf beklagenswaardig te zijn en daarin duizend verontschuldigingen voor zichzelf te mogen vinden. Dien morgen had hij met zekeren theatralen ernst tot zichzelf gezegd dat hij een ander mensch worden moest, en onder den invloed van zijn verlangen naar haar had hij dien ganschen dag een zekere sentimentaliteit in zien gekweekt, die hem in eene weeke stemming bracht.
"Hebt u wel eens heimwee gevoeld?" vroeg hij met een hem anders geheel vreemden ernst.
"Ik geloof het wel," antwoordde zij en hare oogen kregen een vochtigen glans, maar dat zag niemand.
"Het is nog niets," vond hij, "als men maar ergens heen kan gaan om het te verzetten, zooals ik nu, bij voorbeeld.... Wanneer voelt u heimwee?"
"Och soms!" antwoordde zij zacht.
"Hier natuurlijk!" hernam hij, voor haar gevoelende.
"Het was dáár zeker een heel ander leventje," ging hij vriendelijk voort, denkende dat het haar goed zou doen eens over het verleden te spreken. "Ik kan mij het echte buitenleven zoo moeilijk voorstellen. U weet: ik ben tusschen huizen en menschen geboren en groot geworden. Vertel mij eens: hoe leeft men daar bij u?"
En zij verhaalde met hare lieve, melodieuze stem, terwijl de wind met verdubbelde kracht tegen de vensters blies, als wilde hij haar overstemmen. Zij verhaalde--eerst beschroomd, daarna vrijer, eindelijk met geestdrift--van hare bosschen en weiden, van zonsondergang en sterrenhemel, van verre tochten en lievelingsplekjes.... tot hij wenschte te zijn groot geworden als zij. Misschien, zoo dacht hij, met het onbestemde verlangen naar volmaking, zwakkelingen eigen, zou daar een ander, een beter man uit hem geworden zijn. En hij wenschte altijd in hare nabijheid te kunnen zijn, altijd dien reinigenden invloed te mogen ondervinden....
Zij zweeg reeds eenigen tijd, toen hij daaraan nog altijd dacht.
"Vindt u niet dat dit weer iemand in een geheel bijzondere stemming brengt?" vroeg zij, meenende dat hij naar den wind luisterde. "Wat bent u in gepeins!"
"Ja," antwoordde hij, terwijl juist de voetstap zijner zuster op de trap gehoord werd, "onwillekeurig geraakt men onder den invloed. Weet u waaraan ik dacht," vervolgde hij met een zonderlingen klank van aandoening in zijne stem, die zijne woorden tot gefluister deed dalen, "terwijl ik zoo stil naar u luisterde, dacht ik aan de woorden van La Bruyère: l'harmonie la plus douce est le son de voix de celle que l'on aime."
Toen stond hij haastig op om zijne zuster te gemoet te gaan, die juist de deur opende. En Renée keerde haar gezichtje van het vuur af om den blos te verbergen, dien zijn woorden hadden te voorschijn geroepen.
VI.
Ook oom Albert ontwaakte, onbewust van het gesprek in zijne nabijheid gevoerd; maar geprikkeld tot kregeligheid, toen Hugo hem lachend toevoegde: "Wel, Albert, Albert, ik dacht niet dat je zulke slechte nachten maakte. Wij hebben hier zitten praten als redenaars en je bleef maar snorken."
"Wie--wij?" vroeg Albert stug, die door Hugo's lange afwezigheid alle vrees voor een mogelijke verbintenis reeds uit zijn hoofd gezet had.
"Juffrouw Gerlings en ik natuurlijk. Luus zal boven wel in mol-tonen dezelfde muziek hebben gemaakt!"
"Het ware te wenschen," zeide Albert vinnig, terwijl hij in den fauteuil ging zitten, zoo even door Hugo verlaten, "dat alle jongelui zulke lange nachten maakten als ik!"
En toen snoof hij eens recht verontwaardigd, met voldoening tot zichzelf zeggend dat deze woorden ad rem waren.
De beide schoonbroeders stonden altijd tegenover elkaar in bedekten strijd; maar Hugo sloeg er zich altijd met zekere gratie doorheen. Hij vond drift en boosheid en hatelijkheid lastige dingen, vermoeiende dingen, waarmede hij zich liever niet inliet, en niets scheen hem onaangenamer dan een feitelijke breuk met een bloedverwant, die algemeen hoog gezien en geacht werd.
"Ja, ja," antwoordde hij luchtig, terwijl hij voor zijne zuster het gas aanstak, "dat is tegenwoordig treurig: als je dat eens allemaal wist!...."
Albert plaatste zijne beide handen binnenwaarts op zijne knieën en staarde met verbitterden blik in het vuur.
"Ja, jij zult wel beter op de hoogte zijn dan ik."
"Zeker--in de militaire wereld gaat heel wat om. Qu'y faire! 't Is de geest van den tijd, en dien moet men eerbiedigen, niet waar?"
"Neen, dat ben ik volstrekt niet met je eens.... Och, Renée, je staat er zoo dicht bij; lees eens voor wat er vandaag op den kalender staat. Het heeft mij van morgen getroffen, maar ik herinner het mij niet juist."
Hugo volgde de slanke gedaante met warmen blik, toen zij naar den kalender ging en de woorden van Lavater voorlas: "Vereer al wat eerwaardig is, hoezeer de geest van den tijd het veracht. Veracht al wat verachtelijk is, hoezeer de geest van den tijd het vereert."
"Daar heb je 't!" vervolgde Albert, "en de toepassing is niet ver te zoeken. Er wordt tegenwoordig door vele jongelui eene levenswijze vereerd, die door en door verachtelijk is, een levenswijze, iederen man van karakter onwaardig."
"Tut, tut!--Il faut que jeunesse se passe," kwam zijne vrouw vergoelijkend tusschenbeide.
"Ziedaar het devies van onze ridders à la mode!" riep hij uit met een minachtend handgebaar. "Dat devies staat op het vaandel, waarmede zij de wereld inmarcheeren: il faut que jeunesse se passe. En daarmede gooien zij alle zelfbeheersching, allen innerlijken strijd overboord. Welke verzoeking ook lokt, de jonge man mag toegeven, want.... il faut que jeunesse se passe. Ha, ha, prachtig! En wat zijn de resultaten? Hoe treden zij in de maatschappij?--O, schijnbaar heel netjes en ordentelijk, en zij trouwen en nemen hunne betrekking waar. Maar karakter brengen zij niet mee. Waar zouden de ventjes dat ook in eens vandaan halen, na altijd aan al hunne zinnen en lusten te hebben toegegeven! Lekker eten, goede sigaren, mooie vrouwen en--rust--ziedaar hunne levensidealen."
"Hm!" waarschuwde zijne vrouw met een blik op Renée, die ijverig bezig was thee te zetten; maar hij bemerkte het niet.
"Il faut que jeunesse se passe!.... En als die jeunesse voorbij is, zullen ze op eens veranderen, meen je? Poe!-- Dan hebben ze geleerd het huwelijk als een eenvoudige handelszaak te beschouwen, een uitrekening, hoe men wel het luist en gemakkelijkst aan zijn eind kan komen, en die het niet naar zijn zin kan doen, blijft maar liever ongetrouwd."
Hugo, die in muziek bladerde, begon zacht een deuntje te fluiten; hem hinderde dit gesprek in tegenwoordigheid van Renée. Hij kende die duistere zijde van het leven, maar háár wilde hij slechts de zonzijde doen kennen. Het was hem, terwijl hij daar stond en niet wist hoe den bruisenden stroom van Albert's woorden te stuiten, of hij hare ooren moest dichtstoppen, opdat geene gedachte zelfs aan die sombere schaduwen hare reine ziel bezoedelen zou.
"In mijne jeugd spotten we nog niet met alles, wat hoog en goed is; in geestdrift zagen we nog niets belachelijks en godsdienst vonden we nog wel waard om er over te disputeeren, ook toen we al dertig jaar waren. In dien tijd heb ik wel eens iemand in heiligen ernst hooren zeggen dat hij wenschte bij de muziek van Weber's Letzte Gedanke te kunnen sterven; nu zingen de jongelui op die wijs:
In die Kneipen laufen, Und sein Geld versaufen Ist ein höher, herrlicher Beruf.
Ik ontken niet dat sommige auteurs wat te sentimenteel waren, maar men is nu tot een ander, veel treuriger, uiterste vervallen, en boek na boek legt men onvoldaan uit de hand. Het hooge in de menschelijke ziel blijft onbevredigd, en het geslacht dat nu opgroeit zal heimwee gaan gevoelen naar wat ouderwetsche warmte, wat ernst, wat geestdrift en gevoel.... Als ik kinderen had, zou ik ze ouderwetsche lectuur in handen geven, niet de lamlendige, ziellooze pennevruchten, waarmede wij nu worden bedeeld door droomende jongens en overprikkelde mannen. Wij noemden een huwelijk uit liefde nog geen dwaasheid uit passie, (het verschil tusschen passie en liefde weten ze ook al niet meer!) en wij vonden nog niet voornaam om voor alles onverschillig te schijnen."
Hij poosde even om op adem te komen of was misschien in bittere gedachten verdiept, en dit oogenblik nam Hugo Freeze waar om een smeekenden blik op zijne zuster te werpen en haar met dienzelfden blik Renée aan te wijzen, die in een fauteuil was gaan zitten, zeer op haar gemak, blijkbaar om eens aandachtig te luisteren naar oom's redeneeringen; ten minste, zij staarde hem met groote, peinzende oogen aan.
"Als de meisjes nu ook eens zoo deden," barstte Albert weer los. "Zoo heel geniepig, weet je, en dan trouwden--met allerlei herinneringen en oude bekenden en geheimen! Welke ideaal-huwelijken zouden we dan...."
"En wie wil er nu een lekkeren kop thee?" viel zijne vrouw op eens in. "Ha, ha, ha!--Maar man, wat heb je toch voor invallen! Ha, ha! Komaan, houd nu op met brommen.... Kijk, geurig en warm,--Alsjeblieft!.... Alsjeblieft!.... Zie zoo.--Zeg, Huug, blijf je vanavond: dan maken we een gezellig partijtje, hè!"
"En hier is de portefeuille van het leesgezelschap. Kijk eens, Albert, in dat tijdschrift staat het portret van je ouden vriend, hoe heet hij ook weer? Zijne levensgeschiedenis staat er ook bij.--Hier Renée, de modejournalen, zoek nu eens uit hoe wij je nieuwe japonnetje zullen nemen, hè?--Vindt je dat hij gelijkt, man?"
Dien avond dacht Renée, toen zij zich ter ruste legde, dat zij het hier "toch wel prettig" vond. Zij gevoelde zich minder eenzaam. Het was haar alsof zij een vriend gevonden had, of haar onbestemd verlangen gestild was en haar heimwee een einde had.
VII.
Het was Nieuwjaarsmorgen.
De winterzon keek door alle vensters, waar zij kon binnendringen en sprak van blijdschap en hoop. In de straten klonk het vroolijk gedruisch van vele voetstappen, van hartelijke begroetingen en opgewekte menschenstemmen.
Binnen was de eigenaardige rust van den Zondag: een opstaan zonder doel, een langzaam ontbijt en dan.... een wachten op koffietijd.
Mijnheer Gerlings zat in zijne studeerkamer, want hij zou dien middag op reis gaan naar een goed vriend, wiens recht in een proces hij bepleiten zou, en snuffelde nu nog wat in zijne aanteekeningen. Mevrouw dribbelde heen en weer door het huis en Renée stond, na het ontbijt te hebben weggeruimd, bij de tafel en las beurtelings al de reeds bezorgde kaartjes.