Chapter 2
Hij, van alles verzadigd en toch smachtend naar nieuwe emotie, was tot het besef gekomen dat éen levensgenot hem nog een gesloten paradijs gebleven was: het huiselijk geluk. En schoon hij tot hiertoe de poort van het paradijs met zijne vrienden spottend was voorbijgegaan, nu wilde hij die eindelijk eens openen en daarbinnen een kijkje nemen, nieuwsgierig naar de zoete mysteriën daarachter verborgen, zeker--straks nog had hij onder het genot van een geurige havana op zijn sofa liggen peinzen over een mogelijk huwelijk, kalm overwegend, voorzichtig berekenend.... Een mooi en natuurlijk rijk meisje, jong als Aurora.... Zij zou hem een gezellig thuis geven--een paar kinderen.... hij hield wel van kinderen. Hij zou wat minder druk uitgaan--dat zou beter voor zijne gezondheid zijn ook.... Hij zou meer een geposeerd man worden, lid van dit en van dat.... een huishouden geeft altijd meer waardigheid. Hij was ook al zoo jong niet meer.... Zeker, zeker, geen kwaad idée. Het begon hem werkelijk meer en meer toe te lachen....
En zoo lang als hij was, had hij zijn groot, vadsig, weldoorvoed lichaam eens tusschen de fluweelen pouffs uitgerekt, zich geheel overgevend aan den invloed der genotsprikkels, die van alle zijden op hem inwerkten door middel van een getemperd vuur, een smaakvol en weelderig gemeubeld vertrek, een droomerige stilte, een zachte ligging en den fijnen geur der havana.
Maar van al die overleggingen sprak hij geen woord tot zijne zuster.
"Als je een goede partij voor mij weet," vervolgde hij vroolijk, "dan stuur je maar een boodschap."
"Wel," zeide zij peinzend, voor den spiegel nog hier en daar de golfjes en krulletjes van haar kapsel een duwtje gevend, "een van de Graantjes bijvoorbeeld;.... zulke aardige meisjes!"
Hij maakte een afwerende beweging.
"Te leelijk, hoor!"
"Eva Wilson?"
"Boe, die blauwkous kan ik niet uitstaan."
"Haar logéetje dan?.... Die moet puissant rijk zijn."
"Maar de dochter van een parvenu!" antwoordde hij, zijn trotsch gelaat vol minachting.
"Laura van Vuren dan?"
"Dat coquette schepsel! Laat een ander daarmee in zijn ongeluk loopen!.... Och neen, Luus, houd maar op. Ik geloof niet dat ik in de wieg ben gelegd voor het huwelijk. Vrijheid bovenal! Alle vrouwen vervelen me, zoodra ik denk dat ik ze levenslang tegenover me zal hebben."
Eigenlijk verdroot het hem zich door zijne zuster in een dergelijke quaestie te laten raden.
Op dit oogenblik draaide Renée het licht op hare kamer uit, gereed naar beneden te gaan; maar het venster opschuivende, bleef zij geboeid door de stille pracht van den avondhemel.
Kleine, donzige wolken hingen bijna roerloos in het luchtruim en hoog boven hen troonde de maan, nu stralend in volle pracht, dan wegschuilend en slechts door een matten glans verradend, waar zij was. De avondkoelte blies ritselend in de dorre bladeren, die nog aan de heesters in den tuin hingen; overigens was alles stil.
Renée kende de stemmen der natuur, zij was er vertrouwd mede; en terwijl zij daar stond, kwam plotseling een gevoel van bevrediging, van vertroosting over haar. Een diepe zucht steeg op uit hare borst, welsprekender dan stroomen van tranen. Zij kon den blik niet afwenden van dien avondhemel, die haar als een lieve oude bekende was. Zij had willen heenvliegen als een vogel, dáár, ver door die glanzende ruimte, die schoonheid, die heerlijkheid te gemoet--en ver van dat salon beneden, vol vreemde menschen. O, dat verlangen in haar hart!--zij wist niet waarnaar;--dat heimwee!--zij wist niet waarheen. In hare nieuwe omgeving gevoelde zij zich zoo misplaatst, zoo neergeworpen, als een plant, welker wortels ruw zijn losgerukt en in den nieuwen grond zich maar niet vasthechten kunnen. Haar omzweefden duizend liefelijke herinneringen, gelijk ieder mensch ze met zich omdraagt, visioenen van "vroeger," van alles, wat eenmaal het geluk uitmaakte van het nu eenzame hart.
Zij gevoelde het, meer dan zij het onder woorden brengen kon: in dit huis was liefheid, aanhaligheid, schijnbare hartelijkheid--maar dit waren alle slechts armzalige nabootsingen van het heerlijke, zuivere goud der ware liefde, dat tot hiertoe zijn glans op haar had afgestraald.
Haar hart, overvloeiend van erkentelijkheid en van de warme genegenheid, die de jeugd zoo spoedig heeft weg te schenken, had zich reeds bij de wel niet koele, maar toch evenmin warme ontvangst half gesloten, als de pas geopende rozeknop voor den killen adem van den noordenwind: en nu lag het in hare borst als een gegrendelde schatkamer vol kostbaarheden: liefelijke herinneringen, zoete gedachten, lieve geheimen...
Zij wendde zich van het venster af; het was haar als had zij met het verleden gesproken. Zij gevoelde zich verkwikt.
Toen zij vijf minuten later de gezelschapskamer binnentrad, was zij met haar opgewekt glimlachje geheel naar genoegen harer tante; naar het scheen had zij al hare droefheid op hare kamer achtergelaten.
III.
Hoe zonderling dat wij voor een keerpunt in ons leven kunnen staan, zonder dat een geheim voorgevoel ons waarschuwt. Hoe zonderling dat wij het wezen naderen dat de hoofdrol in ons lot spelen zal,--naderen, altijd meer, tot wij eindelijk van aangezicht tot aangezicht staan,--zonder dat ons hart sneller klopt, of ons gesprek hapert, of onze hand beeft.
Renée Gerlings was rustig de trap afgedaald en met vlugge stapjes de vestibule doorgeloopen zonder eenige bijzondere gewaarwording; en toen zij tegenover Hugo Freeze stond, zag zij hem onbevangen aan, eenvoudig denkende: "Zoo, zoo, is dit nu de veelgeprezen Huug." En zij legde hare kleine hand in de zijne, omdat hij de broer harer tante was en begon op zijn innemende vragen met den grootsten eenvoud en natuurlijkheid te antwoorden.
Haar rijzig en slank figuurtje--slank van natuur en niet door kunstmiddelen--kwam allerliefst uit in het zilvergrijze japonnetje met polonaise en demi-traîne; de zilveren sieraden pasten uitstekend daarbij en haar jong gezichtje kwam in die zachte nuances geheel tot zijn recht. Het was waar, zij had blanker kunnen zijn, maar er was niets liefelijkers denkbaar dan dit crême en rose van haar gelaat, waarin de heldere bruine oogen fonkelden als zonnen, en dat omlijst werd door glanzend, golvend haar, hetwelk haar tot een volslagen brunette stempelde. En ofschoon haar mond zeker wat kleiner had kunnen zijn, reiner, kinderlijker uitdrukking, dan in den vorm der lippen lag, was niet mogelijk, terwijl al hare bewegingen die rustige waardigheid hadden, welke men somtijds opmerkt bij jongelieden, die met ernst zich een karakter vormen.
"U hebt pas uw papa verloren, niet waar?" vroeg hij na de eerste voorstelling en begroeting, en in den blik, (hij had dezelfde eigenaardige fluweelzwarte oogen zijner zuster) waarmede hij op haar neerzag, lag een wereld van goedhartige deelneming.
"Ja," antwoordde zij zacht en keek dankbaar naar hem op; want zij had reeds bemerkt dat oom en tante niet gaarne meer dan strikt noodig was over haren lieven doode spraken.
"Hebt u hem gekend?" vroeg zij met een flauwe flikkering van hoop.
"Neen, ik heb uw papa nooit ontmoet," antwoordde hij met een stille spijt. "Maar," jokte hij haastig, "ik heb dikwerf mijn broer en zuster met veel sympathie over hem hooren spreken.... Hij is zeker wel altijd een trouwe, lieve vader voor u geweest."
"O ja," zeide zij, weer even zacht, en sloeg toen haastig de oogen neer, wijl de herinnering aan die trouw en liefde er tranen in te voorschijn riep.
"Ik herinner mij," ging hij vriendelijk voort, hoewel eenigszins aarzelend, want heel zeker wist hij het niet meer, "indertijd uw oom Albert te hebben hooren vertellen dat uw papa uit den dienst was gegaan om uwentwil."
"Ja, ik was, toen mama stierf, zoo aan de dienstboden overgelaten. Papa heeft zich toen geheel aan mij gewijd."
Hij vond dat hij nu genoeg over den overledene gepraat had en bracht met tact het gesprek op een ander onderwerp.
"Ik hoop nu maar dat u hier zult kunnen gewennen. Dat gaat zeker nog niet best?"
"Waarom denkt u dat?" vroeg zij, hem nog niet geheel aanziende, verlegen over hare tranen, die maar niet onder hare oogleden drogen wilden.
"Omdat ik mij dat wel begrijpen kan. U voelt u (ik geloof wel dat ik het kan raden) als een veldbloempje overgeplant in een trekkas. Is 't niet zoo?"
Hij had iets vertrouwelijks over zich, iets hartelijks, iets, wat iedere vrouw aantrok tot wie hij met zijn innemenden glimlach en bedaarde, vloeiende stem het woord richtte; en zooals hij zich nu onder het spreken tot haar overboog, begon hij ook Renée zeer aantrekkelijk toe te schijnen.
"Wel een beetje," gaf zij toe, verrast dat hij zoo juist in woorden bracht wat zij onbewust had gevoeld. "Maar er zijn vriendelijke tuinlui in de serre...." Zij wilde er nog iets bijvoegen, maar bedwong zich, vreezende onoprecht te zullen worden.
Hier werd hun kort gesprek door de komst van andere gasten gestoord.
Hij raakte met de heeren over politiek aan het disputeeren, zij werd door de dames in beslag genomen; en een gegons van stemmen begon, nu en dan afgebroken door een opklinkenden lach of een korte stilte, maar overigens gestadig voortdurende tot de gasten zich aan de speel tafeltjes verdeelden.
Soms, als het gesprek meer algemeen werd, ontmoette Renée zijn welwillenden blik, maar merkte dit nauwelijks op; althans zij ving dien juist even rustig op als den blik der oude dame naast hem. En hij, zonderling getroffen, zeide tot zichzelf dat haar gedrag in niets geleek op dat van sommige grootsteedsche gekkinnetjes, die hij kende. Terwijl hij zijne meeningen uiteenzette over de handelingen van den Duitschen keizer, volgde hij haar heimelijk met zijn blik, en merkte op dat haar oog hem volstrekt niet zocht noch volgde; zij was kalm in gesprek, of soms, als zij zich onbespied waande, staarde zij droomerig voor zich uit, als waren hare gedachten elders. En voortdurend bleef het verlangen in hem levendig nog eens zulk een gesprekje met haar te kunnen voeren.
Eerst tegen het souper gelukte hem dit.
Renée stond juist alleen. Zij, nog geheel onder den indruk van haar groot verlies, was vermoeid van het vele hooren en vele spreken, en dacht met verlangen aan haar stil vertrekje, waar zij weer met zichzelf alleen zou zijn, waar zij hare schatkamer openen mocht en naar hartelust toeven bij hare schatten. Wat wist zij van deze mannen met hunne verschillende gezichten, ernstig, flauw of energiek;--en deze vrouwen, lieve en spraakzame, geestige, hartelijke of koele--en wat wisten zij allen van haar!.... Wat was hun verleden?.... Waar waren zij opgegroeid? en hadden zij die herinnering aan hunne jeugd zoo lief als zij de hare?....
Dit was dan nu een dier conversatie-avondjes, waarover papa haar steeds met zooveel vermakelijken spot had gesproken; en nu begreep zij hem zoo goed! Zij was beu van het gegiegel en gebabbel en gelispel om haar heen, en toch kon zij zich voorstellen dat zij zich misschien zou hebben vermaakt, ware zij in een andere stemming geweest. Maar nu was hare ziel nog geheel vervuld van een groote treurigheid, die als een schoone smart was,--als een treurmuziek, die voortzong en voortzong, haar boeiende en hare gedachten afleidende. Mocht zij al uiterlijk een vroolijk jong meisje schijnen, innerlijk was zij een gebogen gedaante in rouwgewaad, wijlend ver van dit salon vol gemaakte vroolijkheid en schijn. En haar oog was scherper en haar oor gevoeliger, waar tegen de waarheid gezondigd werd.
Hoor, dat groepje dames ginds lachte;--hoe onnatuurlijk klonk die lach!.... Nu ving zij eenige woorden van tante Lucie op, die in gesprek was met twee heeren, en Renée vond dat hare stem gemaakt klonk en dat zij er geéchauffeerd uitzag.... Andere dames maakten denzelfden indruk; het was als waren zij marionetten, opgewonden voor eenige uren, om straks tehuis weer gewoon te zijn. Blijkbaar streefden zij er allen in de eerste plaats naar dames du monde te zijn, daarna pas vrouw. Zij niet, o neen, zij nimmer. Zij zou altijd allereerst vrouw willen zijn, de rein-menschelijke vrouw, en daarna pas, als een onvermijdelijk iets, wereldlinge.
Zie, nu luisterde oom oogenschijnlijk met belangstelling naar iemand, die over de nieuwe richting in de letterkunde sprak, een onderwerp, waaromtrent hij dien middag aan tafel nog verklaard had volkomen onverschillig te zijn.... En die dikke mijnheer dáár maakte aan tante een compliment over hare "eeuwige jeugd." Zou zij hem wel gelooven?.... Maar zij glimlachte toch heel gracieuselijk!
Wat scheen zulk een bijeenzijn haar doelloos en vervelend! Er was iets scheefs in, er haperde iets. Haar aan zuivere toonen gewend oor vernam voortdurend dissonnanten. Was dit genot, als dat hetwelk zij kende? Was dit vriendschap?
Daar plaatste zich een hooge gestalte tusschen haar en het gewoel, waarop zij staarde.
"Hoe bevalt u dit staaltje van onze steedsche soirées?" vroeg hij met een zweem van ironie.
Zij was te oprecht om iets anders te zeggen dan zij meende en wilde hem toch niet hinderen, waarom zij een ontwijkend antwoord gaf.
"Naar één staaltje kan men ze niet in het algemeen beoordeelen, denk ik."
"O, ja wel, zij gelijken alle op elkaar.... Nu, zeg het maar, het is niets voor u, geloof ik," riep hij op goed geluk.
"Neen," gaf zij aarzelend en een weinig verlegen toe; maar toen, glimlachend naar hem opziende met het aangename gevoel hem te kunnen vertrouwen, zeide zij vrijmoediger: "Het kaarten vond ik het prettigste gedeelte van den avond."
"Eigenlijk dacht ik niet dat u die kunst verstondt...."
"Waarom niet? Juist op de dorpen wordt veel gespeeld. Wij hadden enkele gezellige vrienden."
"Was het niet eentonig daar, vooral met zulk een stil huishoudentje?"
"Een stil huishoudentje was het niet," protesteerde zij met hare eigenaardige beslistheid. "Daar was papa--en juf--en ik--en Toon de knecht--en de oude Kee--en dan Caesar. Zij brachten allen hunne drukte mee."
"Wie was Caesar?" vroeg hij, zijn arm gemakkelijk op den schoorsteenmantel leggend, waarbij zij stonden.
Hij schepte groot vermaak in haar eenvoud, en het was hem een verkwikking dat gezichtje vrij en rustig te mogen beschouwen, terwijl het naar hem opgeheven was. Geen zweem van behaagzucht ontsierde het; zij, die geen hulde zocht, bemerkte de zijne niet eens.
"Caesar was mijn hond," antwoordde zij, denkend dat het toch vriendelijk van hem was haar zoo belangstellend te vragen naar alles, wat zij had verlaten, en met zooveel aandacht te luisteren naar alles, wat zij zoo gaarne vertelde. "Oom kreeg gisteren bericht van Toon dat de nieuwe huurder--een goed vriend van papa--de paarden zal overnemen. Maar wie wil een oude hond hebben? Hij is nu bij Toon in huis. Natuurlijk zal hij het daar niet zoo prettig hebben, als bij ons.... Hier kan hij niet zijn, dat begrijp ik wel; maar zoodra ik getrouwd ben, mag hij komen."
Hij lachte gul.
"Maar uw man?.... Die heeft toch ook wat te zeggen?"
"Ja, dat is waar," gaf zij toe, een weinig uit het veld geslagen. "Maar misschien zal hij het wel goedvinden om mijnentwil, denkt u niet?"
"Als ik hem spreek, zal ik het hem vragen," schertste hij. "Zoodra u kunt, moet u mij zijn adres opgeven."
Zij wist niet goed wat te antwoorden en zweeg daarom. Zij had zeer weinig liefdesgeschiedenissen gelezen en beschouwde het huwelijk als de lotsbestemming van het meisje zooals een beroep de lotsbestemming is van een knaap. Waarom lachte hij dan, nu zij zeide: "zoodra ik getrouwd ben?"
"U correspondeert natuurlijk met Caesar?" plaagde hij.
Nu lachte zij ook en pareerde den aanval.
"Ja zeker, in gedachten."
"Waarlijk?--Nu, ik zou wat liefs willen geven om te weten wat u hem schrijft.... Eén ding zie ik," vervolgde hij ernstiger, met den lieven glimlach, die zijn gezicht zoo recht aantrekkelijk maken kon, "het hartje van de vrouw is al even trouw als dat van den hond. Is 't zoo niet?"
Zij zag naar hem op.
"Hebt u nooit een hond gehad?"
"Ja, lang geleden; ik was toen pas tweede luitenant. Hij was mij een waar vriend."
Zij zag dat hij met liefde aan dien tijd terugdacht en lokte nu hèm tot verhalen uit. En terwijl zij luisterde, merkte zij op dat hij goed sprak. Wat hij zeide, was wel niets buitengewoons: het was niet veel meer dan gewone salontaal, met een tintje van weemoedigen ernst vermengd; maar er lag in den toon zijner welluidende stem zulk een bekoring en er sprak zulk een warme waardeering uit zijn blik, dat zij, die zoo groote behoefte aan liefde had, een gewaarwording van geluk haar hart voelde verwarmen. En terwijl hij in den geest weder toefde in dien vervlogen tijd, toen hij een jongeling was vol droomen en idealen, was het hem alsof haar blik vol licht hem diep in het hart drong, en alles wat daar eenmaal goed en rein in hem geleefd had, wakker riep. Aan haar toonde hij in die enkele oogenblikken meer de goede zijde van zijn karakter, dan hij in vele jaren aan iemand deed.
Bij Renée liet dit gesprek een aangename herinnering na. Maar dat was ook alles; toen zij zich ter ruste had gelegd, dacht zij er nog slechts in zooverre aan, dat zij in stilte overwoog wat zij aan Caesar schrijven zou, als zij het eens werkelijk deed.
"Lieve Cae, hoe gaat het je toch?--Ik denk altijd aan je, hoor, en ik word nu al een echte dame. Ik heb nu dikwijls de japon met den sleep aan; je weet wel, waar je altijd op trapte en waarop je eens ging liggen om je te laten meesleepen. En weet je nog hoe papa toen lachte en zeide dat jij mij bespotte? Maar nu draag ik die dikwijls, zoodat ik op een dame gelijk, en zal dus misschien wel gauw trouwen. Dan mag je komen, Cae. Ik verlang erg naar je en in het geheim blijf ik altijd
de oude Renée."
En Hugo Freeze was vergeten.
Maar hij liep nog lang op zijne kamer op en neer. Zijne ziel was in ontroering. Het was hem alsof hij in een hemel geblikt had, en het was toch maar een meisjeshart. Niet hare schoonheid greep hem aan, hij had reeds zoovele schoone vrouwen bemind--maar hare onschuld. Die oogen--die reine kinderoogen! Nog altijd staarden zij hem aan, onbevangen en ernstig. Dat gezichtje, donzig, frisch en ongerept, met de aristocratische, even omgekrulde bovenlip, zoo fier en toch zoo kinderlijk;--die teedere leden, die rijzige gestalte.... het scheen hem, als smeekten zij om bescherming....
Maar tegelijk was het hem als mocht hij die beschermer niet zijn,--als zou zijne aanraking haar ontheiligen.
IV.
"Wat zien mijne oogen!" riep mevrouw Gerlings den volgenden dag uit, toen zij met Renée voor het raam zat te werken en een blik in het spionnetje wierp. "Daar heb je Huug zoo waarlijk!" en ontevreden merkte zij in stilte op dat hij niemand bij zich had.
Het gezichtje van Renée bleef volkomen kalm, ook toen hij binnentrad.
"Wel, waarde broeder," riep mevrouw Gerlings hem toe, "waaraan hebben wij de eer van je ongewone verschijning te danken?"
"Aan twee redenen," antwoordde hij, terwijl hij zich naast zijne zuster in een hoek der canapé liet neerzinken juist tegenover Renée; "1º. kom ik vragen hoe de dames geslapen hebben; 2º. heb ik, naar het schijnt, hier mijne handschoenen laten liggen."
"Renée," zeide zijne zuster lachend, (zij was in een bijzonder vroolijke luim, wijl haar soiréetje zoo goed geslaagd was) "ik zweer je plechtig dat de handschoenen de eenige aanleiding zijn. Onze nachtrust bekommert hem geen zier!--Zeg, Huug, een aardig avondje, hé? Uitstekend geslaagd. Wat hebben we ons laatst bij de Van Bevelant's verveeld!"
"Ja, nogal," antwoordde hij verstrooid, naar Renée ziende, die aandachtig de steken van haar stramienwerk zat uit te tellen; want mevrouw Gerlings had voor eenigen tijd prijzen beloofd voor een liefdadigheidsloterij en was met veel ijver aan een canapékussen begonnen, dat echter onvoltooid was gebleven, tot Renée er zich nu vriendelijk over ontfermd had.
"Jij hebt je ook goedgehouden. Je waart heel aardig, heel aardig," ging zij voort, hem aanziende en juist den peinzenden blik opvangend, dien hij op Renée's gebogen hoofdje vestigde. "Maar Albert had het land. Heb je gezien hoe Kleevers hem bij een knoop van zijne jas vasthield, om over die vervelende letterkundige beweging te spreken? Mevrouw Kleevers stootte mij aan en wees het mij lachend; maar zij moest toch eens bedenken dat het voor de slachtoffers van haar man allesbehalve aangenaam is. Je moet weten, Renée, haar man schrijft zelf, zie je, en...."
Zij praatte maar voort, schijnbaar volkomen natuurlijk; maar intusschen ontging het haar niet hoe Hugo zonder ophouden Renée gadesloeg met een bij hem ongewone belangstelling. Renée echter, die al hare aandacht verdeelde tusschen haar werk en het gesprek, bemerkte er niets van. Alleen gevoelde zij, toen zijne groote, maar zachte hand bij het afscheid de hare drukte, een hartelijkheid in dien druk, welke haar goeddeed; maar naar hem opziende, las zij in zijn blik meer ernst dan vroolijke vriendelijkheid, en hij zeide zóó eerbiedig: "Dag juffrouw Gerlings!" dat zij er zich zonderling door getroffen gevoelde en zich verwonderd afvroeg, waarom hij haar toch niet bij den naam noemde.
"En de handschoenen?" riep mevrouw Gerlings, toen hij reeds bij de deur was.
"O ja, dat is waar."
De meiden werden ondervraagd; men zocht ijverig onder de kasten en commodes, tot zelfs de vazen op den schoorsteen werden omgekeerd, maar geen spoor van de verloren handschoenen was te ontdekken.
"Nu, zij zullen wel terechtkomen," zeide hij eindelijk vrij onverschillig. "Adieu!"--en mevrouw Gerlings wist genoeg.
"Vindt je hem geen knap man, zooals hij daar heengaat, Renée?" vroeg zij, schijnbaar alleen uit zustertrots, terwijl zij hem in het spion aanwees.
"Ja, heel knap," antwoordde Renée vriendelijk.--"Zie eens, tante, wat zegt u er van? Vindt u niet dat ik flink gevorderd ben van middag?" en recht voldaan hield zij het werk omhoog en vroeg met hare lieve oogen een woordje van lof.
"Albert!"
Zij waren laat thuis gekomen van een avondje bij kennissen, zoodat mevrouw Gerlings nog niet veel tijd had kunnen vinden over hare ontdekking na te denken; maar nu--in bed--had zij de zaak nog eens rustig overwogen en kon niet laten haar man zijne meening te vragen.
"Albert!"
"Nu?" vroeg hij knorrig.
"Neen, als je al slaapt, zeg ik niets."
"Ik slaap nog niet. Wat is er?"
Hij was eenmaal een flinke, vierkante, vroolijke jongen geweest, juist als zijn broeder, Renée's vader, en evenals deze had hij liever de wereld moeten ingaan, om lucht te geven aan het stormachtige en avontuurlijke in zijn karakter. Maar zijne levensomstandigheden hadden hem tot een eerzaam advocaat gemaakt, gekluisterd aan een vrouw, die hij met al den hartstocht van een reeds eenigszins gevorderde jeugd had bemind, maar welke hem niet begreep en ook nimmer begrijpen zou.