Een verlaten post

Chapter 1

Chapter 13,834 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

EEN VERLATEN POST

Door

JOHANNA VAN WOUDE

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~ Je rends au public ce qu'il m'a prêté La Bruyère ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Vijfde druk

L. J. Veen--Amsterdam

Typ. Zuid-Holl. Boek- en Handelsdrukkerij.

Nu was alles voorbij....

Zij zat peinzend in de schemering bij het vuur en dacht aan de liefelijke jaren, die nu voor altijd heen waren, de jaren, licht, en zonnig voor haar gemaakt door dien éénen, welke nu in de huiskamer ontbrak en boven stil lag uitgestrekt, ingeslapen om niet weer te ontwaken.

Buiten blies de herfstwind. Als zij het hoofd zijwaarts leunde tegen den rug van den grooten, hoogen leunstoel, waarin zij zat, kon zij de bladeren zien dalen en neerzweven in de breede grintpaden van den tuin, waar zij bleven vastkleven of terstond weer werden opgejaagd en voortgedreven.

Hare groote droeve oogen bleven droomerig naar buiten staren. De hooge populieren en ranke dennen, haar zoo welbekend, bogen hunne toppen voor den stormwind en richtten zich dan ruischend weer op. Daar boven gleden de wolken onrustig voort, doorzichtig en ijl, in alle tinten van grijs en grauw. Op den straatweg liepen nog enkele voorbijgangers, het hoofd gebogen tegen de wilde stormvlagen, die telkens loeiend uit de verte naderden en dan voorbijgierden om in de schemering weg te ijlen.

Het was geen aantrekkelijk schouwspel, maar met een weemoedigen, liefdevollen blik dwaalde haar oog ver en nabij, tot het bleef rusten op den kleinen, schilderachtigen stal, waarvan zij juist een gedeelte zien kon;--en zij keek naar de geel-en-bruine kastanjeboomen, die nu hunne glanzende vruchten bij dozijnen op het dak van den stal lieten neerregenen; naar de paardenkoppen, in den gevel aangebracht, die nu zoo treurig voor zich uitstaarden, als wisten zij dat zij spoedig weer een nieuwen meester krijgen zouden; en naar Toon den koetsier, tevens huisknecht, die in zijne lange, fladderende, zwart linnen staljas en op klompen naar buiten kwam. Maar zij zag eigenlijk niets, want zij dacht aan de welbeminde viervoeters daarbinnen....ach, ook hen zou zij moeten vaarwel zeggen, hen en den armen trouwen Caesar, die nu nog aan hare voeten lag uitgestrekt.

Tranen gleden langs hare wangen, vonkelend in den vuurgloed. De paarden waren tenminste nog jong, maar de arme Cae, reeds tien jaren haar dagelijksche metgezel, wie zou hem voortaan liefhebben als zij!

Zoo graag zou zij hem medegenomen hebben. Maar tante had geantwoord dat, "als het kon," moest zij hem liever achterlaten; in een stadswoning was zulk een groote hond zoo lastig.

"Als het kon."--Neen, het kon eigenlijk niet, het moest alleen.... Tante's liefde mocht zij niet in de waagschaal stellen ter wille van eigen wenschen.

En zij bleef zitten peinzen, weer starend in het opvlammende vuur, de handen in den schoot gevouwen,--kinderhanden, ietwat te bruin, maar welgevormd, met Slanke, spits toeloopende vingers. Kinderlijk was hare geheele gestalte, van het fijnbesneden, frissche gezichtje en de lange bruine vlecht op haar rug, tot haar slanke heupen en onafgeronde vormen; en zooals zij daar zat in hare jeugdige schoonheid en beschenen door den vollen gloed van het vuur, vormde zij een vreemd contrast met het sombere vertrek met zijne vele schaduwen en duistere hoeken, zijne ledige stoelen, als wachtende op gebruik, zijne sprakelooze beelden, zijne schilderijen, uit het krijgsmansleven genomen, degens, geweren en jachttropeeën aan den wand en andere versieringen, die er alle uitzagen als waren zij bezielde wezens, die veel dachten en veel zouden kunnen zeggen als zij wilden.

Eindelijk stond zij op en verliet de kamer. Een groote hond volgde haar met loggen gang, kop en staart neerhangend. Eerst op de trap hoorde zij zijne nagels tikken op het hout, en zij stond stil om hem te liefkoozen. Zij zette zich op een der treden neder en drukte zijn grooten kop tegen haar gezicht.

"Arme Cae! gauw kun je mij niet meer naloopen.... En wij zijn toch zoolang kameraden geweest!.... Weet je nog hoeveel hij van je hield en hoe trotsch hij op je was, omdat je van het echte soort waart? Hij gaf je niet, hoeveel men ook voor je bood. Weet je 't nog?"

Hij wist het ontwijfelbaar zeer goed, want zij had het hem reeds dikwerf met stralende oogen verteld in de dagen, toen zij nog samen het veld inrenden of in het grasperk stoeiden en buitelden; maar hij antwoordde slechts door een vriendelijk gekwispel.

"Kon jij ten minste maar meegaan! Jij weet overal van. Ik zou over alles met je kunnen praten, over pa en over den tuin en over onze heerlijke wandelingen; over al de oude kennissen hier en over het oude huis. Och, Cae, dat zal wel gauw weer verhuurd zijn. Kan je dat gelooven, dat hier andere menschen wonen zullen?.... Ga maar mee," vervolgde zij opstaande. "Neem ook maar afscheid; het is voor het laatst."

Op de bovengang zag zij rond en luisterde,--neen, er was niemand. De dienstboden waren liever beneden in de gezellige keuken dan in de nabijheid eens dooden en de huishoudster zou wel druk bezig zijn met inpakken.

Behoedzaam opende zij een der talrijke deuren op de bovengang en sloot die ook weer achter zich toe. Het vertrek waarin zij zich nu bevond, was een slaapkamer, zooals de meubels aanduidden; maar in het midden stond op schragen een lijkkist en daarin lag een doode uitgestrekt.

Het was een man in den herfst van 't leven, vijftig jaren oud misschien. Zeker had hij weinig gedacht te zullen sterven, maar zijn gelaat droeg nu geen sporen van zorg of bekommering meer. Er lag vrede op en goedheid en teederheid, zooals die zijn leven lang er zich op hadden afgespiegeld.

En zij dacht weder aan die laatste uren, waarin hij zich zoo onrustig en gejaagd getoond had,--om harentwil misschien of omdat hij begon te gevoelen, dat hij sterven moest....

Zij weende niet, doch stond maar stil te staren op dat dierbare gelaat, terwijl duizend zoete herinneringen haar weder bestormden en buiten de wind aan de zonneblinden rukte en de dakgooten rumoerig kletterden. Eerst toen zij een langen kus op een der kille handen had gedrukt, een kus, die een wereld van liefde en dankbaarheid bevatte--en met stijf opeengeklemde lippen de kamer had verlaten, barstte zij los in een wild, hartbrekend geween.

"Voor het laatst!" snikte zij, en wierp zich in een ander vertrek in hare volle lengte op den grond.

"Och Cae, och Cae!" zeide zij maar steeds, met beide armen den hond omklemmend, die zich bij haar hoofd liefkoozend had neergevlijd. "Och Cae, och Cae!"

En zij ging maar voort op hartstochtelijken toon zijn naam te zeggen en daarmede, naar het scheen, al haar leed uit te storten, want na eenigen tijd werd zij rustiger, legde hare kin op hare gevouwen handen en bleef stil peinzend voor zich uit zien....

Zij dacht aan het nieuwe leven, dat haar wachtte daarginds in die groote stad, onder bijna vreemde menschen, en bereidde er zich angstig op voor.... Maar het was immers de laatste wensch van haar stervenden vader geweest, dat zijn eenige broeder haar tot zich nemen zou. In den tijd van enkele uren was alles beslist geweest; een telegram heen, een telegram terug,--en, rustig had de stervende de moede oogen gesloten.

"Vaarwel, mijn lief heiligdom!" zeide zij zacht, terwijl zij het vriendelijk vertrekje rondzag. "Als hier andere menschen wonen, denk dan nog eens aan de kleine Renée."

Hoe gelukkig was zij hier geweest, hoe zorgeloos hier ingeslapen, hoe tevreden ontwaakt! Hier waren hare boeken, hare geliefkoosde gravuren, hare reissouvenirs, hare gedroogde bloemen en snuisterijen. Hier was zij omringd geworden door duizenden blijken van de liefde eens vaders, wiens afgod zij was.

Al deze kleine schatten zouden haar vergezellen; wat oom wilde medenemen (doch dat bepaalde zich bijna geheel tot eenige familiesouvenirs) zou ook met haar gaan;--maar dat zou dan ook het eenige zijn wat haar zou herinneren aan de oude, dierbare woning. Al het andere zou gemakshalve verkocht worden.

"Jij blijft ten minste bij Toon," zeide zij met gebroken stem tot den hond, en terwijl zij bij hem neerhurkte en zacht snikte, terwijl zij sprak, geleek zij meer dan ooit een kind. "En hij heeft mij beloofd dat hij goed voor je zorgen zou.... Als ik trouw, Cae,--en ik zal erg mijn best doen er als een jonge dame uit te zien, dan trouw ik eerder--ga ik in een eigen huis wonen, zie je, en dan schrijf ik dadelijk om je, hoor! Dat beloof ik je vast. Kijk altijd maar uit als het tijd is dat oude Peter met de brieventasch komt; eenmaal zal mijn brief er bij zijn."

Hij kwispelde zacht; blijkbaar was hij zeer gelukkig met haar belofte.

Een andere deur voerde haar in een vertrek, dat blijkbaar tot studeerkamer had gediend. Boekenkasten stonden in het rond en in het midden tusschen de vensters was een groote schrijftafel geplaatst, bedekt met papieren en brochures.

Aan dat kleinere tafeltje ginds was haar plaats altijd geweest. Bijna alles wat zij wist, had zij van haar vader geleerd; en zij zag zich weer als klein meisje over haar boeken gebogen, nu en dan heimelijk uitkijkend naar de zonnige wereld daarbuiten, of glurend naar hare witte duiven, die op de vensterbanken te kirren of klapwiekend wegvlogen hoog in de lucht, een zilverwitte stip tegen den blauwen hemel.

Hier ook had hij haar leeren genieten wat de beste dichters en schrijvers de menschheid boden. En als de studie-uren voorbij waren, was zij met hem veld of bosch ingegaan, en hij was kind geweest met haar. Hij had de eerste lentebloemen met haar gezocht en braambessen en beukenoten; of meikevers en vlinders met haar gevangen, al naar het jaargetijde medebracht. Hij had haar het schoone leeren zien en liefhebben, tehuis zoowel als op reis; hij had haar leeren spelen en zingen en rijden.... o, hoe bedrijvig en prettig had hij iederen dag van haar leven voor haar gemaakt!

Zij trad aan het venster en zag naar den slingerenden landweg, waar zij dien laatsten keer geloopen hadden, nu juist veertien dagen geleden.... Ach, die vreeselijke veertien dagen!

Onbewust van eenig naderend onheil was zij aan zijn arm, zoo heerlijk veilig en vertrouwelijk, dien weg opgewandeld. Het was een van die herfstdagen, wanneer boomen en planten zich nog eens overvloedig koesteren in den warmen zonneschijn. Nu en dan daalde langzaam en onhoorbaar een goudgeel boomblad neer, kantelend om en om in de zoele lucht, als nam het onwillig afscheid van zijn zomerleven; en de stammen zelf schenen overtrokken met bronskleurig fluweel, zacht glanzend in het zonnelicht. De paarden stonden roerloos in de weilanden, zich de vliegen afslaande met hunne staarten, juist alsof het nog zomer was, en boven de slooten dansten muggen. O, hoe anders dan nu!.... Was dat alles werkelijk pas veertien dagen geleden?

Zij was zoo aan hem gewoon geweest en aan scheiden had zij nog nooit gedacht, nooit kunnen denken. Maar nu was hij haar toch van het hart gescheurd en dat hart lag als gestorven in hare borst.

Hoe ledig scheen de wereld haar, nu er niemand meer leefde, die haar beminde of zelfs maar toebehoorde. Het leven lag als een last op hare schouders.

Hoe onzinnig dat die dorpsklok daar nu sloeg en dat alle klokken en pendules in huis haar nasloegen! Halfzes.... etenstijd. Waarom moest men eten, waarom wilde men den tijd kennen....?

En somber en afgemat ging zij de trappen weer af naar de huiskamer, waar nu licht was ontstoken en een gedekte tafel haar wachtte. Maar zijn vriendelijk gezicht zou haar nooit meer welkom heeten en aan tafel nooden. Nooit zou zij hier meer voor hem zingen (de ouderwetsche, militaire liederen, hem dierbaar bovenal) en dan zijn vroolijk "bravo!" hooren. Nooit meer in de schemering bij het vuur met hem zitten keuvelen, of in de winteravonden--terwijl buiten de sneeuw onhoorbaar neerzweefde--luisteren naar zijn heerlijk voorlezen.... Ach, het was nu alles, alles voorbij!

II.

"Ik begrijp niet waar je die gratie vandaan hebt, kind!" zeide mevrouw Gerlings met hare kwijnende stem, terwijl zij nog een gaslicht ontstak om Renée beter te kunnen zien. "Zeker van je mama: zij was ook net een veertje."

"Ja, tante?" vroeg Renée, hare japon dichtknoopend.

Zij droeg een zilvergrijs kleedje, in den verloopen zomer uit Parijs medegebracht en op haar dorpje nog weinig gedragen.

"O, je doet mij telkens aan haar denken," ging mevrouw Gerlings voort op de lieftallige, innemende wijze, welke zij zich had eigen gemaakt. "Zij werd een vriendin van mij, omdat wij in dezelfde stad woonden en met twee broers geëngageerd waren, maar na ons trouwen.... och toen liepen onze wegen meer uiteen. Wij waren uit zulk verschillend hout gesneden.... Kijk eens, wat een figuurtje nu! Zonder corset negentien jaar geworden.... 't Is ongehoord!"

"Papa vond het gezonder," antwoordde het meisje zacht.

Mevrouw Gerlings antwoordde niet; zij was ijverig bezig nog iets te veranderen aan Renée's weerspannig bruin haar, dat nu in een bevallige wrong op het kleine hoofdje lag.

"Zie zoo, nu ben je al een heel andere Renée dan toen je uit het rijtuig sprong met je wit wollen baret en hangende vlecht. Ik zal eer inleggen met mijn nichtje. Het is wel jammer dat wij dat avondje nu geven moeten zoo kort na je komst; maar het was nu toch het avondje van Huug.... Ik heb je immers gezegd dat ik een broer heb?--Nu, dat is Huug; een vroolijke, lieve jongen. Of eigenlijk een man, want hij is al twee en dertig jaar; maar ik ben wat ouder dan hij, daardoor schijnt hij mij altijd nog een jongen,--een allerliefste jongen."

Onwillekeurig dacht Renée aan een dikwerf herhaalde bewering van haar papa, dat "lieve" jongens doorgaans geen flinke jongens, "lieve" mannen geen flinke mannen zijn, maar zij had te weinig ervaring om te kunnen beslissen of deze bewering waarheid inhield.

"Natuurlijk zou hij je een visite hebben gebracht, als hij geweten had dat je hier waart. Maar je begrijpt: alles is zoo overhaast gegaan. Hij komt altijd om de veertien dagen een avondje, en nu vond oom het geschikt tegelijk die kennissen te vragen, omdat wij voor Huug toch altijd een lekker soupertje klaarmaken.... Die ondeugd, men moet hem wat lokken, weet je; tenminste, daar verdenk ik hem van. 't Is ook altijd een heele reis voor hem, want zijn kamers liggen aan het andere einde der stad.... Kijk eens, zoo'n enkel zilveren pijltje in je haar staat goed bij de zilveren broche en armbanden.... Gelukkig dat je papa je altijd verbood te rouwen! En heel verstandig ook. Een jong meisje in den rouw kan ik niet zien.... Huug ontmoet je nu straks vanzelf. Je hebt immers werkelijk wel lust binnen te komen?"

"Wel zeker, tante," antwoordde Renée voorkomend, "ik wil uwe vrienden graag eens leeren kennen," maar zij sloeg hare oogen niet op, vreezende dat deze geheel iets anders verraden zouden.

"Och, je bent natuurlijk erg bedroefd; maar dat zijn zoo van die dingen, die men maar op zijn kamer laten moet, niet waar?"

Renée gevoelde zich pijnlijk getroffen, als greep iemand met ruwe hand in de fijnste snaren harer ziel. Bij dergelijke gezegden--en zij had er in die weinige dagen reeds vele zoo gehoord,--gevoelde zij maar al te goed, evenals hare moeder "van ander hout gesneden" te zijn dan deze vrouw, die haar in de eerste dagen toch zoo had aangetrokken door hare schoonheid en innemendheid.

"Maar ik zou je nog van Huug vertellen," ging mevrouw Gerlings voort, terwijl zij met hare blanke vingers een der strikken op Renée's japonnetje wat opdofte. En zij babbelde maar voort, het verstrooide meisje verhalend hoe Huug vermaard was om zijne vlugheid met den degen, bewonderd werd om zijne behendigheid op de jacht en benijd om zijn geluk bij de vrouwen.

Die laatste uitdrukking kwam niet tot klaarheid in het brein van Caesar's vriendinnetje, maar zij vroeg er geen verklaring van. Hare gedachten dwaalden. Zij wijlden niet rustig in het oude huis of bij een enkel punt in het verleden of de toekomst, maar zij waren nu hier, dan daar, zooals gedachten doen, wanneer men zich nieuw en vreemd gevoelt in een nieuwe, vreemde omgeving. En werktuiglijk antwoordde of glimlachte zij, al naar zij dacht dat van haar verwacht werd. Maar daar was een droef heimwee in haar, dat haar geheel vervulde, dat haar blik mat maakte en hare bewegingen langzaam en hare stem zacht.

"Nu, loop eens naar den spiegel," zeide mevrouw Gerlings recht tevreden. "Om je de waarheid te zeggen: ik had verwacht een boerinnetje te zien, maar je papa heeft eer van zijn opvoeding, dat moet ik zeggen.--Wacht," vervolgde zij opeens levendig, "bijna zou ik nog vergeten je te poederen. Je teint is ook nog zoo gaaf en glad, maar niet blank. Sla dien handdoek even om.... Wat?"

Ditmaal week Renée beslist terug.

"O neen, tante, geen poeder!" en zij staarde met zekeren afschuw naar het donzen kwastje, dat hare tante reeds opgeheven hield.

"Waarom niet?!" riep mevrouw Gerlings uit, verwonderd lachend.

"O neen," herhaalde Renée onrustig, "ik weet niet goed waarom niet. Ik ben verbrand, dat weet ik, en het zou zeker heel mooi staan, maar.... er is zoo iets in--u moet er niet boos om zijn, tante--zoo iets, alsof ik mij anders wil voordoen dan ik ben. Heusch, tante,.... neen, ik kan er niet toe besluiten."

Blijkbaar was zij zeer verlegen over hare besliste weigering, en nochtans--het was duidelijk merkbaar--zij zou er bij blijven.

Mevrouw Gerlings maakte zich nooit boos. "Dat geeft rimpels," placht zij te zeggen en dus duwde zij het kwastje weer in de doos.

"Wel kind, als je er tegen hebt, zullen we het niet doen," zeide zij lachend, maar in hare neergeslagen oogen flikkerde spot over Renée's "overdreven denkbeelden." "Nu, kijk eens in den spiegel. Ik heb je haar wat opgestoken, en een paar kleinigheden.... zie je, laatste smaak en," zij begon weer te lachen,--"zooals je daar staat, zoo ben je."

"O!!"

Dat was alles wat Renée in de eerste opwelling van verrassing en bewondering uiten kon. Was zij dit slanke, bekoorlijke schepseltje, met de aardige krulletjes langs hals en voorhoofd, welke haar geheele gezicht zooveel mooier maakten, en dat schitterende pijltje in het opgestoken haar, dat vroeger glad naar achteren lag? Had die hals vroeger ooit zoo blank geschenen als in dit wolkachtig plooisel?--die polsen ooit zoo slank als in die zilveren armbanden?

En toch beviel zij zichzelf maar half; van de oude, wilde, ongeharnaste Renée was zoo weinig overgebleven; alleen daarbinnen, daar was zij nog.

"Ik bewonder uwe kunst, tante," zeide zij vriendelijk.

"Ja, dat dacht je niet, hé?.... Toilet is alles, kind. Wat mijn uiterlijk betrof, heb ik al vroeg de kunst geleerd, die door sommige jonge meisjes veel te veel veronachtzaamd wordt: to make the most of it.... Nu, ik ga vast naar beneden. Je komt zeker ook dadelijk, niet waar.

"Zij moet er plezier in krijgen," dacht mevrouw Gerlings recht voldaan, terwijl zij in haar elegant toiletje de trap afging. "Er moet leven in komen; dan kan ze hier een goed huwelijk doen! Wat een vervelende last zou zij worden, als het lang duurde. Maar ze is mooi en aantrekkelijk, een echte ingénue.... Ja, zij trouwt bepaald gauw.... Wat een taille; als een ree...."

En de coquette veertigjarige dame trad peinzend haar salon binnen, voornemens in den spiegel haar eigen middel nog eens te vergelijken met het slanke figuurtje boven; maar een mannenstem hield haar van dit voornemen terug.

"Mijn hemel, Lucie, wat maak je lang toilet! Ik wacht hier al een kwartier," en een jonge man in uniform trad naar voren en reikte haar de hand. Hij deed dat met een zekere matheid, misschien uit gewoonte, misschien uit gebrek aan hartelijkheid.

Hij was een dier mannen, welke overal de aandacht--vooral de aandacht der vrouwen--trekken, door hunne hooge gestalte en fraaien kop. Er lag iets edels in het niet fijne, maar fijnbesneden, aristocratisch gelaat, trekken, hem bij de geboorte door een vriendelijke fee geschonken en misschien lang bewaard; maar nu lag er tevens een ontsierend waas over van genotzucht en oververzadiging tegelijk.

"Ik heb je in het geheel niet hooren komen, Huug. Ik was boven. Hoe gaat het?.... Ik heb groot nieuws," vervolgde zij dadelijk.

"En?"

"Ons nichtje, Renée Gerlings, is hier."

"Wat?--Toch niet om te blijven?"

"Ja zeker.--Je weet dat Albert's broer gestorven is.... Appropos, je hadt wel eens kunnen komen condoleeren."

"Onzin. Albert gaf niets om hem."

"Maar voor den vorm!"

"Voor den vorm heb ik een kaartje gezonden. Och," vervolgde hij ietwat ongeduldig, "je weet dat Albert om mijn troostredenen niet verlegen is.... En toen?"

"Nu, toen hij op zijn sterfbed lag, liet hij telegrapheeren of wij haar wilden nemen.... Wat zal je doen in zoo'n geval!" ging zij voort, even hare schouders ophalend en hare blanke, mollige handjes uitbreidend. "Bij zijn leven bemoeiden de broers zich weinig met elkander, vooral doordat zij en ik zoo weinig sympathiseerden. Maar nu dat telegram kwam, seinde Albert dadelijk terug dat ons huis voor haar openstond.... Ja, wat zal men anders doen! Zoo'n laatsten wensen van je eenigen broer!.... niet waar?.... Zoo kun je soms onverwachts in een leelijk parket komen."

Hij draaide peinzend zijn langen, donkeren knevel om zijn wijsvinger.

"Een koopje, hoor!--Je stuurt haar naar kostschool zeker?"

"Wel neen, ze is volwassen."

"Is dat kind nu al volwassen?" vroeg hij verbaasd.

"Ja jongen, de tijd vliegt. Ze is negentien; wel een echt kind nog, zooals die buitenmeisjes zijn, maar we zullen haar wel gauw wat fatsoeneeren. Straks komt ze binnen.... Ik ben eigenlijk blij dat ik je nog even spreken kan: ik wou je wat vragen."

"En dat is?"

"Kom wat drukker en breng wat goede vrienden van je mee," vroeg zij vleiend. "Uitgaan doet ze nog niet, maar hier aan huis kan zij natuurlijk ieder ontmoeten. Ik zou met een jaar of zoo graag weer van haar af zijn. Ze is lief, maar zoo'n doorloopende logée is toch vervelend."

Hij fronste de wenkbrauwen, maar antwoordde niet rechtstreeks.

"Zeker leelijk?"

"O neen, een snoesje!.... En dan--origineel, weet je," ging zij voort, hare indrukken verzamelend. "Wel een beetje een soldatenkind en...."

"Dat is een compliment."

"In jouw oogen, maar in de mijne niet," lachte zij vriendelijk, bevreesd hem uit zijn humeur te maken. "Overigens nogal fortuin. Ik reken op je hulp, Huug.... Maar scheelt er wat aan?" vroeg zij, op eens het gesprek op hem zelf brengend. "Ik vind dat je bleek ziet."

"Ik!" riep hij uit, als achtte hij zulk een veronderstelling van onwelzijn van een kloek man een beleediging. "Maak je niet bezorgd, hoor!.... Neen, ik heb tegenwoordig het land, dat is het. Ik verveel mij."

"Waarom trouw je toch niet?"

"Ja.... God!.... maar met wie?" riep hij uit, met een gebaar van wanhoop.

"Och kom, ieder wil je graag hebben, en er zijn toch meisjes genoeg!"

"Geen naar mijn zin. En als ik trouw, doe ik het magnifiek.... Voor de vrijwillige ballingschap moet ik ten minste ook vergoeding hebben," wierp hij lachend tegen met zijne welluidende, klankrijke stem. "Ik vind het ook werkelijk geen kwaad idée."