Een verheugd volk en een jubelende stad

Part 8

Chapter 81,724 wordsPublic domain

U. M. heeft in bewoordingen, die door ons allen niet genoegzaam kunnen worden gewaardeerd, uitdrukking gegeven aan de gevoelens, die de geestdrift dezer dagen in Uwe harten, Koninklijke Ouders van de aanvallige Prinses heeft opgewekt. Laat mij wederkeerig aan U. M. de eerbiedige verzekering mogen geven, dat die geestdrift slechts de onbedwingbare uiting was van de aloude, maar toch altijd jeugdige en frissche verknochtheid aan U. M. en Haar Huis en dat die geestdrift wel haar toppunt moest bereiken, nu die nieuwe loot aan den Oranjestam »Het Zonneschijntje« is het zonnetje in het Koninklijk Gezin, maar waarvan de stralen in deze dagen zoo talloos velen hebben verwarmd en gekoesterd.

Het koninklijk bezoek aan de hoofdstad staat dit jaar in het teeken van het kind en het zal aan U. M. niet zijn ontgaan, hoe ditmaal, vooral aan de Kinderen, aan de kleine en misdeelden niet het minst, bij de feestviering eene plaats is ingeruimd. Als U. M. dan later aan de Prinses zal verhalen van Haar eerste verblijf te Amsterdam en van het gejubel, dat Hare komst daar te weeg bracht, moge het dan vooral ook zijn van de liefde en van de bewondering, die het Koningskind in de harten der kinderen heeft doen ontbranden. Zij toch zijn de mannen en vrouwen van straks, de toekomst der natie, op wier hou en trou de Prinses, als zij ouder zal zijn geworden, onder alle omstandigheden zal moeten bouwen.

En wij ouderen, kunnen slechts de vurigste wenschen stamelen voor het voorspoedig opgroeien van Uw Kind, dat, 't zij met allen eerbied gezegd, door het vertrouwen, waarmede U. M. het onder de burgerij heeft laten verkeeren, ook eenigermate _ons_ kind geworden is, en de bede opzenden, dat God aan de Prinses het leven en de gezondheid spare, Haar alles schenke wat Uw ouderhart slechts verlangen kan, Haar in één woord in lengte van jaren krone met de keur Zijner zegeningen.

Amsterdam is U. M. en den Prins der Nederlanden innig dankbaar voor dit eerste bezoek met de Prinses; het zal met gulden letteren geboekstaafd blijven in de stadshistoriebladen.

Vergunne mij dan U. M. deze dankbaarheid te bezegelen met den heildronk van de Amsterdamsche burgerij op het gansche Koninklijke Huis.

Lang leve onze geliefde Koningin met onzen hoog vereerden Prins der Nederlanden! Leve H. M. de Koningin-Moeder! Leve, groeie en gedije Prinses Juliana!«

Heel Amsterdam gaf in die woorden van zijn burgervader uiting aan wat in ieders gemoed leeft.

* * * * *

»De stad begint er weer gewoon uit te zien na die drukke dagen; hoe aangenaam ook, het gewone werken is toch beter vol te houden dan feestvieren, vindt u dat ook niet, Vader?« vroeg Ferdinand Gladschaaf.

»Ja, jongen! de arbeid is een zegen Gods, Wee! die niet werken _wil_, als hij _kan_. Allen zijn diep te beklagen, die om werk vragen en het niet kunnen krijgen; maar Ferdinand, zulke dagen van algemeene vreugde door het verblijf der Koningin en dan nu zoo geheel anders nog door de komst van ons Prinsesje, o, zulke dagen doen mijn hart zoo recht goed.«

»Hoe bedoel je dat, Man?«

»Wel, de vreugde over het aanschouwen van onze Vorstin, de blijde juichkreten als Zij in ons midden is, de blijdschap van jullie jongeren vooral, dat je zóó en zóó dikwijls de Koningin, den Prins en Prinses Juliana gezien hebt, dat doet me telkens denken aan wat mijn vader me vertelde. Hij ging juist eens den Dam over, toen Koning Willem II op het balcon kwam. De held van Waterloo en van den Tiendaagschen Veldtocht werd zeer bemind en gevierd. Vader staat stil en juicht hartelijk mede en wil daarna (hij was op weg naar een klant,) verder gaan, toen een buitenman tot hem zegt: »Wat een gejuich.« »Ja,« zegt mijn vader, »als de koning zich vertoont, is het volk verheugd!« En de buitenman zegt: »Wat zal het zijn als de hoogste Koning komt!«

»Dan is er eeuwige vreugde en blijdschap op hunne hoofden,« luidt vaders antwoord.

Die twee onbekenden zien elkaar blijde aan en drukken elkander de hand; wel bewust dat zij eenmaal dien Koning in Zijne schoonheid zien zullen.«

* * * * *

Het gesprek aan de koffietafel bij de Gladschaafs liep nu van zelf over allerlei bijzonderheden, in hun familie vroeger voorgevallen en terwijl zij daarover kouten, luisteren wij nog even aan de keukendeur der zoo gezellig saam levende dienstboden in Dora's thuis.

»Weet je al Greta, dat de Koningin, 'k denk puur om jou te plezieren, de armen zoo goed bedacht heeft?«

»Och, kom Anton, plaag me niet.«

»'t Is de zuivere waarheid, maar de Koningin doet het altijd bij Haar vertrek, weet je.«

Allen hadden schik, dat Anton Greta in het zonnetje zette; maar in de eetkamer zat de kleine meid, anders de vroolijkheid in eigen persoon, bedrukt te kijken.

»Dora, kindje, wat scheelt er aan?« vroeg haar Papa; »je eet niet en je kijkt telkens naar de ramen, waar denk je zoo bedrukt over, kleintje?«

»Neen Papa, mij scheelt niets, maar.... maar.... De Koningin is weg, de Prins is weg, Koningin Emma ging van daag weg en het duurt een heel, heel jaar voor ik ons lief Prinsesje, de snoeperige Juliaantje weer zien kan.«

De waterlanders stonden op het punt van te komen, en Mijnheer keek Mevrouw vragend aan.

»Ze is zeker wat moe van al het genieten, niet waar, Mademoiselle?«

»Ja, Mevrouw, ze zal enkele avonden vroeger naar bed moeten gaan, dat helpt het beste.«

»Ik wil wel om 6 uur naar bed, als alles maar wat langer duurde. Kijk daar breken ze aan den overkant de versieringen al weg; en morgen kan niemand meer iets zien van al het moois, dat hier in Amsterdam was voor ons lief Prinsesje.«

»Nu,« zei Jet, »vertel jij dan aan je poppekinderen, dat Papa en Mama, evenals meer dames en heeren besloten hebben, die bloembakken voor de ramen te laten blijven en ze telkens weer te laten vullen, dan zal het je zeker helpen om zonder tranen nog dikwijls aan het versierde en jubelende Amsterdam te denken en als Prinses Juliana het volgende jaar weer hier komt, wie weet hoe dikwijls jij Haar dan zien zult!«

[Decoratieve illustratie]

[Illustratie: Langs Rechte Vaart]

[Illustratie: 30 APRIL 1909]

+----------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: Jan en Louis zulke kleintjes, | | C: Jan en Louis, zulke kleintjes, | | B: niet meer.--»Die kleine Koningin | | C: niet meer.--Die kleine Koningin | | B: dit Heleentje is. Ik vroeg aan | | C: dit Heleentje is.« Ik vroeg aan | | B: zoo'n dikkerdje als Tantes | | C: zoo'n dikkertje als Tantes | | B: instellingen.«--»We zullen er, | | C: instellingen.«--We zullen er, | | B: een lakei.«--»Zoekt zelf maar | | C: een lakei.«--Zoekt zelf maar | | B: nette taal _doodgaan_?« vroeg Gustaaf, | | C: nette taal _doodgaan_?«« vroeg Gustaaf, | | B: mag je morgen gaan zien. | | C: mag je morgen gaan zien.« | | B: van Willem V. | | C: van Willem V.« | | B: riep Coosje, dat is net als | | C: riep Coosje, »dat is net als | | B: lachte het dochterkijn, en de Vrouwe, | | C: lachte het dochterkijn, | | en de Vrouwe, | | B: (zei ze) dat gij hem bewaar! | | C: (zei ze) »dat gij hem bewaar! | | B: heeft er gevangen ons hart!-- | | C: heeft er gevangen ons hart!--« | | B: lang voor heel ons land!« | | C: lang voor heel ons land!«« | | B: te telagrafeeren, dat zij | | C: te telegrafeeren, dat zij | | B: voor jou, natuurtlijk uit Friesland; | | C: voor jou, natuurlijk uit Friesland; | | B: riepen de drie zoons.« | | C: riepen de drie zoons. | | B: brief meester te maken.« | | C: brief meester te maken. | | B: particuliere secretaris geschreven. | | C: particuliere secretaris geschreven.« | | B: keel!« »Niet waar,« | | C: keel!« Niet waar,« | | B: er nog niets van.--Een ander zat | | C: er nog niets van.«--Een ander zat | | B: burgerjuffrouw, ik ben de tante | | C: burgerjuffrouw, »ik ben de tante | | B: het geschenk aanam, bezichtigde en | | C: het geschenk aannam, bezichtigde en | | B: voor het paleis: 't kan duren | | C: voor het paleis: »'t kan duren | | B: #hier# iets _zekers_ wist. | | C: #hier# iets _zekers_ wist.« | | B: trein naar je geboortgrond.« | | C: trein naar je geboortegrond.« | | B: kwartier over zevenen!« | | C: kwartier over zevenen! | | B: weer hoorde ik »In gesprek.« | | C: weer hoorde ik »In gesprek.«« | | B: pas was. Ida opende haar | | C: pas was.« Ida opende haar | | B: wesen, net as gistere.«-- | | C: wesen, net as gistere.«--« | | B: »Best Jan!--En daar hoorden ze | | C: »Best Jan!«--En daar hoorden ze | | B: toen riep ze. Kom jonges, de boom | | C: toen riep ze. »Kom jonges, de boom | | B: »Vader, vroeg Maria daarop, nu nog | | C: »Vader,« vroeg Maria daarop, »nu nog | | B: mijnheer; Prins Hendrik heeft | | C: mijnheer; »Prins Hendrik heeft | | B: vertrokken. | | C: vertrokken.« | | B: te spelen?« Niet zoo vervelend | | C: te spelen?« »Niet zoo vervelend | | B: die glimlachend verder gaat. | | C: die glimlachend verder gaat.«« | | B: zien er keurig fijn uit.« | | C: zien er keurig fijn uit.«« | | B: bij bepaald, det het Lazarushuis | | C: bij bepaald, dat het Lazarushuis | | B: eenigen Willem I. Zonder Juliana van | | C: eenigen Willem I. »Zonder Juliana van | | B: langdurige vredesonderhandilingen den | | C: langdurige vredesonderhandelingen den | | B: kon Haar rammelaar!«--»Hè! zoo | | C: kon Haar rammelaar!«--»Hè! zoo | | B: 23 Mei, »slag bij Heiligerlee,« | | C: 23 Mei, slag bij Heiligerlee,« | | B: fraai, roept Lize telkens uit.« | | C: fraai,« roept Lize telkens uit. | | B: tranquillus in undis, schrijf | | C: tranquillus in undis«, schrijf | | B: sauvé; tranquilles is tranquille; | | C: sauvé; tranquillus is tranquille; | | B: kabels opgehangen; jammer dat die | | C: kabels opgehangen; »jammer dat die | | B: 't raar staan. | | C: 't raar staan.« | | B: De Prins stoomde na de begrafenis | | C: »De Prins stoomde na de begrafenis | | B: dankt nu allen God.« | | C: dankt nu allen God.«« | | B: doorluchtige ooren, ter eere ven het | | C: doorluchtige ooren, ter eere van het | | B: koperen spreekbuis. ('t Was | | C: koperen spreekbuis.« ('t Was | | B: de grooteren, en de datum | | C: de grooteren, »en de datum | | B: zoo goed had gehouden.« | | C: zoo goed had gehouden. | | B: schouwspel zeer belangwekkend. | | C: schouwspel zeer belangwekkend.« | | B: Ripperda, een Ruichaver; een Cabeliau, | | C: Ripperda, een Ruichaver, een Cabeliau, | | B: stonden of zaten ze. | | C: stonden of zaten ze.« | | B: kijk me die klok eens! | | C: kijk me die klok eens!« | | B: Ik gevoel mij gedrongen bij | | C: »Ik gevoel mij gedrongen bij | | B: ook niet, Vader? vroeg Ferdinand | | C: ook niet, Vader?« vroeg Ferdinand | | B: Zijne schoonheid zien zullen. | | C: Zijne schoonheid zien zullen.« | | | +----------------------------------------------+