Een verheugd volk en een jubelende stad
Part 7
»Toen de Koningin en de Prins de Burgerzaal verlieten wendde H. M. zich nogmaals tot Hare gasten en groette allen met een diepe buiging.«
»H. M. buigt zeer bevallig niet waar, Mama?«
»Zoo is het, Ida. Heb je gisteren in Artis het Koninklijk Echtpaar ook nog gezien?«
»Ja, Mama; en de jongens ook in de Kerk; Louis wou, dat de Koningin elken Zondagmorgen hier kerkte.«
»Waarom, jongste zoon?«
»Omdat de dominee zoo kort preekte, Mama.«
»Foei! Louis, vindt jij het niet heerlijk om naar de kerk te gaan,« vroeg zijn jongste zus.
»Neen, niet als ik er niets van begrijp, wel als de dominé uit den Bijbel preekt, dan is 't mooi.«
»Ze preken altijd uit den Bijbel, jongen, maar je bedoelt zeker over een geschiedenis;« zeide zijn Grootmama.
»Was het prachtig op de raout, Amélie?« vervolgde de oude dame.
»Ja, Mama. Fijne toiletten, niet te veel geschitter van paarlen en juweelen; vele heeren in rokken, vele ook in hofcostuum en dan de hoofdofficieren in groot tenue, en Roomsche geestelijken in purperen kleedij maakten het schouwspel zeer belangwekkend.«
Deze en dergelijke gesprekken kortten den tijd, waarin men op den historisch-allegorischen optocht wachtte bij Dora's ouders, waar hij al vroeg voorbijtrok; oom de burgemeester en de Friesche baron namen de meisjes mede om nog eens en nog eens op straat den stoet te zien voorbij trekken. Het ambtsgewaad van eerstgenoemde, dat hij om de nichtjes te plezieren had aangetrokken, deed menigeen voor het zestal ruimte maken, temeer daar Jetje's aanstaande schoonvader zijn kolonelsuniform van vroeger had aangedaan.
Bij de Gladschaafs was men ook al vroeg bijeen om van het kleurenrijk voorbijtrekken toch ten volle te genieten.
»Nog nooit leenden zich _in Amsterdam_ echte, jonge dames tot opluistering van een stoet. Heeren, zelfs van onze patriciërs, vormden vaak een eerewacht; maar zooals heden, de optocht ter eere van Prinses Juliana's komst in ons midden, neen! zoo is 't bij menschenheugenis hier nooit gebeurd,« zei de vader.
Ziet ze daar voorbijtrekken, deftig opgezeten, terwijl ze of vriendelijk buigen voor het gejuich, of bekenden groeten met gebaar of blik; in die rijke dracht der XVI en XVII eeuw, vormen ze een levend stuk geschiedenis. Zoo oordeelen allen, die zich de moeite getroost hebben, het programma der opstelling vooraf goed over te lezen. En ze leven als voor ons oog op, die droeve èn die glorierijke dagen!
Een Egmond en Hoorne onthoofd, een Willem van Oranje vermoord, zoowel als zijn vertegenwoordigers, een Ripperda, een Ruichaver, een Cabeliau, een Van der Does, en een Van der Werff, burgemeesters en bevelhebbers van belegerde vesten.
Een Amsterdammer als De Rijck met een Treslong en Boisot, vergezeld van hun Watergeuzen, ze roepen Gods beproevende en reddende hand voor onze aandacht.
Daar is het tweetal, die Willems werk voortzetten; Maurits en Willem Lodewijk, door tal van door hen gevormde krijgslieden omgeven. En de heer Van Dieden draagt de banier niet minder fier, dan toen hij Wezel verraste en zoo den Stedendwinger in staat stelde te kunnen uitroepen: »Dit Bosch is mijn!« En wat al vreemdelingen en groote heeren verdringen zich om hem, die wel den Vrede van Munster niet meer beleefde, maar wist, dat die niet verre meer was.
Hoe aardig stellen die in het witgehulde jonge dames dien vrede voor. Jammer dat de wagen en zijn hoog toestel niet bestand is tegen het schokken op de keien, en het op en afgaan der hooge bruggen. Ach, de Vrede van Munster bracht geen voortdurende rust, en dit zijn zinnebeeld, werd zelfs door pieken gestut! en moest een poos uit den stoet verwijderd worden!
Hoe jammer, dat Willem Frederik en Albertina Agnes ontbreken, wier huwelijk de verbindende schakel vormt tusschen 't geslacht van Prins Willem en van Jan den Ouden; door hen toch stamt onze Koningin ook in rechte lijn van den Vader des Vaderlands af.
Kon de praalwagen, die het Muiderslot voorstelt, alle dichters en kunstenaars niet herbergen; al evenmin kon de oorlogsbodem allen zeehelden, plaats verleenen, die Neêrlands waterleeuw op zeeën en stroomen deden eerbiedigen.
Staatslieden en Amsterdamsche burgers, volgen den wagen, die
Aan d' Amstel en aan 't IJ, Daar doet zich heerlijk ope De Koningin der aard, Het sieraad van Europe
zinnebeeldig vertoont, de Friesche stadhouder met zijn Maykemoe, toen even bemind als Us-Heit weleer, voorafgegaan door den Koning-Stadhouder met zijn vrome gemalin, Maria II Stuart, hij die Europa's evenwicht handhaafde tegen de staatkundige en godsdienstige dwinglandij van een Lodewijk XIV; zij allen roepen ons het grootsch verleden van ons land voor den geest.
Hoe jammer, dat de Scheveningsche bom, zoo eigenaardig van pas hier, moest achterblijven; en Koning Willem I en de dappere Prins van Oranje, de held van Quatre-Bras en Waterloo, niet tot hun recht komen, zoo zelfs dat aan het einde van den stoet een gevoel van teleurstelling zich van velen meester maakt.
* * * * *
Precies half twee komt de stoet op den Dam. Prins Hendrik aan de achterzijde van het paleis bespiedt vooraf den rijken aanblik; en komt nu met 't Prinsesje op den arm van freule V. d. Poll en H. H. M. M. op 't balcon, want heden morgen, na 't bezoek aan de collectie Drucker, hebben onder een toeloop van duizenden en nogmaals duizenden de Koningin en de Prins aan het Centraal-Station Koningin Emma afgehaald.
Toen was er weer gejuicht en gejubeld voor het paleis, Koningin Emma met Haar Kleinkind op Haar arm kwam met het Koninklijk Echtpaar op het balcon. Het gansche Koninklijk Huis bijeen! Moge God nog vele takken aan den dierbaren, alouden Oranjestam doen uitspruiten!
Een der vendels van den optocht heft plechtig het Wilhelmus aan en de pages der Oranjevorsten en -vorstinnen leggen groote bloemkransen als hulde neer, terwijl de voorstellers van Hr. Ms. voorgeslacht een rij vormen en zoo dicht mogelijk naderen om hun eerbiedigen groet te brengen.
Rondom het gedenkteeken van Neêrlands volksgeest in 1831 zijn de muziekcorpsen en vendels geschaard en daar omheen, in groote haag van de Nieuwe kerk tot de Groote club, de geheele stoet met de praalwagens en hun begeleiders.
De stoet vormt zich opnieuw en trekt onder het spelen van vroolijke marschen of het zingen van Geuzenliederen verder. Die geuzenliedekens hebben in gansch andere tijden weerklonken, toen de maker, drukker, verkooper, of zanger vaak zijn vermetelheid met zijn leven boette.
Prins Hendrik vindt het geheel zoo mooi, dat Z. K. H. den optocht nog eens wil zien, daartoe spoedt de Prins-Gemaal zich naar den heer Van Loon-Egidius, uit wiens rijk versierd huis het prachtige schouwspel op nieuw door den Prins bewonderd wordt.
»Waar zullen we van avond heengaan voor de illuminatie Ferdinand,« zoo vraagt zijn vrouw voor zich en de zusters, toen men een beetje uitgepraat raakte over den optocht.
»We gaan de Nederlandsche Bank zien, de Gekroonde Valk, de Heemskerck, de Hooge Sluis, het Museum-Kwartier en al het voornaamste daar tusschen gelegen. De trams rijden, dus we zullen in een uur of drie misschien vier dien tocht wel zonder al te groote vermoeienis volbrengen. Vader is kras genoeg om mee te gaan, maar die houdt Moeder gezelschap, die hier van avond op Mientje komt passen; zóó heeft Vader het met mij afgesproken, wat dunkt jullie daarvan?«
»Het is opperbest, mooi geschikt en Vader en Moeder denken, als altijd, eerst aan de kinderen!«
»Net zoo Margreet,« vulde Marie aan.
Een jaarlijksch koninklijk bezoek duurt gewoonlijk slechts 5 dagen, ditmaal blijven de hooge gasten langer; en, nadat H. H. M. M. en Z. K. H. van de illuminatie hadden genoten, waarbij ook die binnenshuis niet onopgemerkt bleven, de Westertoren doofde bij derzelver komst, maar door het zoeklicht van de Heemskerck opgespoord, spreidde hij weldra weder zijn stillen luister ten toon, kreeg Arti Dinsdag een bezoek. Het bestuur van dit genootschap had uitvoering gegeven aan het lieve denkbeeld om een tentoonstelling van kinderportretten te openen.
Tweemaal zou de schoone Amstel op dienzelfden dag de doorluchtige bezoekers aan zijn oevers zien neergezeten en zelfs op zijn golfjes medevoeren.
»Anton, jij hebt van middag maar heel mooi alles kunnen zien en wij zagen niets!« zoo verklaarde de keukenmaagd des avonds laat, onder een kopje koffie.
»Ja, alles heb 'k gezien en heel mooi ook; maar ik had het toch druk met het bedienen van alle genoodigden op mijnheers plezierboot. De veranda van »De Hoop« leek een echte serre, met 3 vergulde stoelen, dus enkel voor de Koninginnen en den Prins, begrijp jullie? Dan hoorde ik vertellen dat de zaal veranderd, of ze zeggen dan omgetooverd was, in een Oud-Hollandsch woonvertrek, dan kon H. M. daar even uitrusten, want de Koningin had de sport op 't IJsclub-terrein ook al bijgewoond. Van het terras, daar je zoo'n mooi gezicht op den Amstel hebt, hadden ze het dek van een mailboot gemaakt, en daar zag je de trap naar den aanlegsteiger. Een havenbootje lag gemeerd en leek op 'n plezierjacht, het wachtte alleen op de deftige bezoekers.
Het woei aardig, maar de Koningin schijnt overal tegen te kunnen, trouwens je moet zeggen, wel een beetje moe, maar uitstekend ziet de Koningin er uit; en zoo echt gelukkig als men Haar met Haar Kindje ziet, dat vertelden ze allemaal aan elkaar. 'k Hoorde van dames die Zondagmorgen door het Vondelpark naar de kerk gingen, en het juist troffen, toen de Koningin zelve, vóór Zij naar de Nieuwe Kerk moest, even het Prinsesje naar dat stukje park voor het Kleintje bestemd, wegbracht.
Vandaag voeren Ze tot vlak bij het Kalfje, een paar mooie bochten langs, hè? Allebei de kanten stonden stikvol menschen, en voor alle ramen en op de daken stonden of zaten ze.«
»Op een dak zie je toch niks,« meende Greta.
»Net mis, je ziet de gezichten van de lui niet, maar de booten en de versieringen zie je opperbest en zoo ver weg kan je kijken. De Amstel, niet de Hoop, heeft de Julianabeker gewonnen, ze moesten bijna 5000 M. roeien. Zulk roeien! Zoo gelijk gaan die riemen op en neer, 't lijkt of 't er maar één is; en toen de Koningin terugkwam, gingen de versierde schuitjes, een 60, voorbij; met 2 dames en 2 heeren er in, die groetten ook allemaal.«
»Hoe doen ze dat Anton, wuiven de dames?«
»Wel neen! Net als de matrozen in de sloepen, trekken ze de riemen in en die houden ze in eens steil rechtop in de hoogte. Als je het nooit zag, kijk je er eerst beduusd van.«
»Van avond woei het veel te hard voor de illuminatie en het vuurwerk; maar ze kunnen de dingen niet uitstellen of afzeggen, dat begrijpen jullie ook wel. 't Was echt jammer van het geld voor het vuurwerk. Van het groote, het mooie stuk was bijna niets te zien door de rook die niet optrok; en van de versierde en geïllumineerde bootjes en schuitjes woeien de lichtjes uit; aan »De Hoop« konden zelfs de vetpotjes niet branden.
Maar dat schip veroveren, dat was toch zóó mooi, dat ging zoo goed; 't verbeeldde een echt gevecht uit den Spaanschen tijd.«
»Wie gaven dat, Anton?«
»De vereeniging Volksweerbaarheid; gisteren vroeg ik den jongejuffrouwtjes er naar en die vertelden mij, hoe dat al in 1573 gebeurd was, verbeeldt je. Maar we moeten naar bed.«
»Kom, vertel het nog effentjes, morgen is er weer wat anders, 't is nu toch laat.«
De knecht liet zich niet lang bidden en ging voort. »Juffrouw Ida zei: Alva had Haarlem ingenomen en schandelijk was daar gemoord en geplunderd en ze hadden vast en zeker beloofd, dat ze den menschen niets zouden doen. Toen hebben ze Alkmaar willen nemen, maar dat lukte niet zoo gauw, als ze gedacht hadden; en ik weet niet krek meer hoe, maar ze hoorden dat Oranje ze allemaal zou laten verdrinken en toen zijn ze aan den loop gegaan, 't was in October.
Onder de hand had Alva een vloot in de Zuiderzee laten komen, groote, flinke schepen met soldaten en kanonnen er op bij de vleet; de Hollanders hadden maar kleine scheepjes, maar die durfden toch maar van alles in dien tijd.
De admiraal van die vloot van den Spanjool was een Hollandsche graaf, wat 'n schande hè? en zijn schip heette de Inquisitie, dat was de naam van de rechtbank, die in dien tijd de menschen, die niet Roomsch wilden blijven of weer wilden worden, liet gevangen nemen en dooden. Nu 't leek wel, zei Ida, of Alva voor temptatie dien naam aan dat schip gegeven had. Toen die vloot uit Amsterdam, (daar hielpen ze toen die Spanjaarden) zeilde en op de Zuiderzee kwam, probeerden 3 scheepjes om die Inquisitie te nemen en vechten, dat ze er op deden, dat was dan maar raak. Maar die graaf van Bossu (ja, zoo heette hij) wou zich niet overgeven. Toen dreven ze, aldoor maar aan 't vechten, rond, tot dicht bij Hoorn en daarvandaan kwamen toen vletten en schuitjes met nieuwe geweren en kogels en mannen, die nog niets moe waren en toen moest hij zich laten gevangen nemen, bijna al zijn soldaten waren gewond of dood, en toen hebben ze dien graaf in het weeshuis in Hoorn gevangen gezet; maar later heeft hij zich gebeterd en Oranje trouw geholpen. Maar nu zou ik haast vergeten, dat hij eigenlijk al lang zich had moeten overgeven; want een man, Jan Haring heet die, was tusschen die Spanjaards doorgeslopen, en rukte de vlag van den grooten mast; dit beteekent dat je overwonnen bent, begrijp je? Die arme kerel viel met de vlag in zijn hand dood op het dek, ze schoten zoo op hem.
»Nu van avond hebben ze ook zoo gedaan bij de Hooge Sluis; het leek zoo precies op echt schieten en alles werd zoo mooi verlicht door de Heemskercks zoeklichten; toen die man (die Jan Haring verbeelden moest) de vlag er afrukte, hadt je dat Hoera! eens moeten hooren.«
»Ze schoten hem toch niet dood, Anton!«
»Wel, neen, Anna! 't Verbeeldde immers maar wat die Watergeuzen vroeger deden. En ze heschen er meteen een vlag op Oranje, wit en blauw, dat was de vlag van Prins Willem I, toen werd er nog veel harder hoera! geroepen en meteen zongen ze Wilhelmus naar den kant van »De Hoop« en aan den wal deden ze hard mee. Jongens, jongens! dit was niet nog mooier, maar toch begrijpelijker dan die prachtige optocht; daar moest je zooveel voor weten, zeiden de juffertjes. Ik heb dit mooi gevonden en heel mooi ook, omdat ik het zoo goed begreep. Maar meisjes, naar bed hoor! en stilletjes ook, kijk me die klok eens!«
* * * * *
Met het water heeft H. M. nog niet afgedaan, het grootste schip ooit in Nederland gebouwd zou 1 Juni van stapel loopen; daar zullen de Koningin met den Prins bij tegenwoordig wezen en zoo doende rijdt H. M. met Z. K. H. 's Woensdags om even één uur uit naar de Conradstraat.
Op het J. D. Meyerplein wacht H. M. een verrassing. Voor de Ned. Isr. hoofdsynagoge bevinden zich 300 kinderen en 100 zangers. De deuren staan wijd open, alle lichten branden, de rabijnen staan op den drempel; zoodra het koninklijke rijtuig stilstaat heffen de kristalheldere kinderstemmen met de zware mannenstemmen te zamen een Hebreeuwsche aubade aan. Het fraaie gedicht, vervaardigd door den heer Woudhuyzen en op muziek gebracht door den heer Schlesinger klinkt indrukwekkend plechtig.
Voor het heil van H. M. zoowel als voor dat der teere telg van Oranje-Nassau klimt de bede ten hemel, in de taal van den Koning-Dichter van Israël.
H. M. en Z. K. H. ontvingen de aubade in het Hebreeuwsch en Nederlandsch fraai gecalligrafeerd, en ook onzen E.A. heer burgemeester en den hoofd-commissaris van politie werden afschriften aangeboden.
Beiden heeren werd door H. M. in vleiende bewoordingen dank gezegd voor die lieflijke hulde; terwijl twee peuzels H. M. een bouquet mochten overhandigen, waarbij de eene haar witte rozen »voor Ons Prinsesje« bestemde.
»Hoe heerlijk vol is het hier! Wat mooie bloemen en planten in het kantoor! Wat hooge tribune! Moet de Koningin die oploopen?«
Zulke en dergelijke uitroepen hoort men niet alleen van onze Dora maar van menig ander kind en als H. M. en de Prins naar de aanspraak van Jhr. Op ten Noort luisteren, is er ademlooze stilte om toch, als H. M. antwoorden gaat, geen woord te missen. De heer Op ten Noort »dankt voor de eer die H. M. de Stoomvaartmaatschappij Nederland en de Nederlandsche Scheepsbouwmaatschappij bewijst en dankt Z. K. H. voor de zijden vlag, (die op hetzelfde oogenblik geheschen wordt,) welke voor de Maatschappij een blijvend aandenken aan deze plechtige gebeurtenis zal zijn; hierbij voegt Z. H. W. G. den wensch dat het S.S. »Prinses Juliana« op alle zeeën, welke het zal bevaren, den naam van Hare Koninklijke naamgeefster eere zal aandoen en een sieraad zal zijn der Nederlandsche koopvaardijvloot.«
De heer Goedkoop, directeur der Ned. Scheepsbouwmaatschappij noodigt H. M. uit het schip te willen doopen en te water laten.
Hierop antwoordt H. M.:
»Het was mij zeer aangenaam gevolg te kunnen geven aan de uitnoodiging van de besturen der »Stoomvaartmaatschappij Nederland,« en der »Ned. Scheepsbouwmaatschappij« om het schroefstoomschip »Prinses Juliana« te water te laten, en gaarne geef ik u de verzekering dat ik hoogelijk waardeer de gevoelens, die u geleid hebben tot het kiezen van dezen naam voor het grootste schip tot heden in ons vaderland gebouwd.
Moge het S.S. »Prinses Juliana« tot eer strekken van de Nederlandsche industrie en er toe bijdragen dat de Stoomvaartmaatschappij »Nederland« haar roeping ten allen tijde hoog houde.«
Met verheffing van Haar klankrijke stem:
»Stoomschip »Prinses Juliana« moge God u met uwe opvarenden steeds veilig geleiden over den oceaan!«
Niet alleen blanke, ook bruine onderdanen begroeten H. M. hier; een aantal Javanen in dienst op de booten der Mij. Nederland maken hun »sembah« (Javaansche groet) voor hun blanke Vorstin.
Zondag in Artis bevonden zich in den Hollandschen tuin aldaar ook een 12-tal Javanen en Maleiers, naar Europa ontboden om werkzaamheden der Indische nijverheid op de tentoonstelling te Brussel te verrichten. Zij en hun hoofd waren slechts voor deze reis te vinden geweest, als men beloofde de Radjah Blanda hun te laten zien, de groote gebiedster van hun land. Op het gras neergehurkt maakten zij driemaal hun sembah en daarna oogden zij schuchter die vorstelijke gestalte na, die zoo vriendelijk voor hen neeg.
Doch H. M. drukt op een electrischen knop, de klinken worden weggeslagen, de flesch champagne door de Koninklijke hand tegen de stalen huid verbrijzeld spat schuimend op en.... het trotsche zeekasteel zet zich in beweging, glijdt in steeds sneller vaart de helling af, terwijl de Koningin op het uiteinde der tribune gaat staan om onbelemmerd het schouwspel gade te slaan.
Onder luide toejuichingen keerde het Koninklijke Echtpaar naar den Dam terug om.... voor de eerste maal mèt Prinses Juliana een rijtoer te maken.
Langs den heelen, langen weg ziet men honderden en nogmaals honderden: vrouwen, moeders, jongens en meisjes! Al wie maar even kan, wacht op het Koninklijke gezin in de roode gala-koets. De kleuters worden opgetild, de grooteren klimmen op stoepen en karren, in lantaarnpalen, in boomen om toch maar goed dat lieve Kindje in haar witte jurkje en hoedje te zien. Ons dierbaar Prinsesje! De gansche stad jubelde nogmaals. Geen zanghulde, maar een onafgebroken gejuich van heel een bevolking klonk den gelukkigen Ouders tegen.
Weesjes in de Tesselschadestraat, vereenzaamde kinderen uit de toevlucht van den heer Jonker, allen verheugen zich, als het kleine handje alleen, of met een zakdoekje wuift; doch liefst, dat merkt men wel, kijkt ze naar Haar Koninklijke Moeder, of ze beproeft zich op te heffen om naar de gouden epauletten van Haar Prinselijken Vader te grijpen!
En Prins Hendrik hield zijn belofte, aan de bemanning van de Heemskerck op zee gedaan; n.l. dat Z. K. H. hen in staat zou stellen de jonge Prinses te huldigen. En daar stonden ze nu, onze Janmaats, van Hr. Ms. oorlogsbodem 350 koppen vóór het paleis geschaard bij de thuiskomst van dezen rijtoer, uiterst langzaam reed de koets hen voorbij, een uitnemende gelegenheid werd hun zóó geboden om het Koninklijke Kind te zien.
Ging vroeger de Koninklijke Familie altijd Zaterdags naar den Stads-Schouwburg, dit jaar woonde H.H. M.M. en Z. K. H. de gala-voorstelling van »De Stedendwinger« door J. Huf van Buren, op den laatsten avond van het verblijf (1 Juni) bij. Op den heen- en terugweg weer hartelijk door de menigte begroet.
Talloos velen begaven zich naar den Dam en het Damrak om bij het vertrek den geliefden, hoogen bezoekers een laatsten groet te brengen en een laatsten blik op Prinses Juliana te vestigen! Tusschen dichte drommen reed het Koninklijk gezin naar het Centraal-Station. Ons lief Prinsesje, weder op den schoot Harer beminde Moeder gezeten, wuifde gedurig met Haar handje en zag zich even hartelijk uitgeleiden als binnenhalen.
In het Koninklijk paviljoen verzoekt H. M. den burgemeester, Haar dank aan de burgerij wel te willen overbrengen, daar Zij zeer getroffen was door de hartelijke ontvangst Haar en Prinses Juliana in 's Rijks hoofdstad bereid en gaf in de meest vriendschappelijke bewoordingen uiting aan Haar gevoelens.
En Donderdag 2 Juni 10 uur behoorde het onvergetelijk eerste bezoek van Prinses Juliana tot het verleden!
De woorden van afscheid door H. M. gesproken, vormen een naklank van die, geuit bij Hr. Ms. heildronk op Amsterdam aan den disch ten paleize op 31 Mei; aan het gastmaal door H. M. den gemeenteraad en den leden van het bureau der feest-commissie aangeboden:
Mijnheer de Burgemeester,
»Ik gevoel mij gedrongen bij gelegenheid van ons eerste bezoek met ons innig geliefd Kind aan de hoofdstad des Rijks aan dezen feestdisch een enkel woord te spreken ook voor den Prins, ofschoon ik mij wel bewust ben, dat het moeilijk is weer te geven, wat op dit oogenblik in ons omgaat. Wij zijn diep bewogen, zoowel door de indrukwekkende uiting van blijdschap, welke aan de schoone en welgeslaagde feesten ten grondslag ligt, als door de geestdrift, die er de bezieling aan gaf, bovenal stemt het ons ouderhart tot groote dankbaarheid getuige te hebben mogen zijn van de liefde, waarmede Zij, die wij zoo gaarne ons »_zonneschijntje_« noemen, allerwege is ontvangen en begroet.
Er is in deze korte spanne tijds meer dan één band voor geheel het leven gevlochten.
Wij stellen ons voor, Haar later dikwijls van haar eerste verblijf alhier te vertellen en wij koesteren de hoop, dat Zij, ouder geworden zijnde, zal toonen te beseffen, welk een groote plicht der dankbaarheid op Haar rust. God geve Haar daartoe overvloedige gelegenheid!
Als wij nu weldra Amsterdam gaan verlaten, dan zal het zijn met een gevoel van bijzondere erkentelijkheid voor de dagen, welke de bevolking zoo gelukkig en onvergetelijk voor ons heeft gemaakt en dan zal mijn afscheidsgroet een innig gevoelde wensch zijn voor den toenemenden bloei en voorspoed van de hoofdstad, wier belangen Mij zoo na ter harte gaan en waaraan wij door vele historische en enge persoonlijke banden gehecht zijn.
Mede namens Mijne Moeder en Mijn Gemaal stel ik dezen heildronk in op het geluk en het welzijn van Amsterdam!«
De burgemeester, Jhr. Mr. Dr. A. Roëll, antwoordde het volgende:
Mevrouw! Koninklijke Hoogheid!
»Wilt mij veroorloven U. M. eerbiedig dank te zeggen voor den heildronk, mede namens H. M. de Koningin-Moeder en Z. K. H. den Prins der Nederlanden uitgebracht op het welzijn van Amsterdam, maar bovenal voor de treffende woorden, die H. M. aan dien dronk heeft willen doen voorafgaan. Woorden, die voorzeker zullen gegrift blijven in het gemoed van allen, die ze hoorden, en die voor stad en ingezetenen juist daarom van zooveel beteekenis zijn, omdat zij worden uitgesproken aan den disch, die U. M. heeft bereid aan de vertegenwoordigers van de burgerij.
Dat U. M. en Z. K. H. de Prins der Nederlanden tot dezen disch ook--andermaal--de leden van het dagelijksch bestuur der gemeente en een deputatie uit de feestcommissie noodden, is voor hen een reden van groote erkentelijkheid, die het mij vergund zij tevens te vertolken.