Een verheugd volk en een jubelende stad
Part 6
De halzen uitgerekt, de oogen turende op den uitgang van het koninklijk paviljoen, dachten Jan, en Louis over niets meer dan hoe hard ze hoera! zouden roepen.
We laten ze juichen en zien ondertusschen, hoe H. M. uit het salonrijtuig van Koningin Emma gestapt, (want Prinses Juliana komt in het eigen salonrijtuig Harer Koninklijke Moeder van het Loo,) vroolijk op den Prins-Gemaal toetreedt, een echt hartelijke ontmoeting! In de wachtkamer is te midden der hooge heeren de kleine Willem Roëll, zoontje van Hr. Ms. vroegere hofdame, een door H. M. zelve ten doop gehouden petekind; de kleine man maakt echt kranig een hoflijke buiging voor ons aller Koningin; die weldra, na op het stationsplein van een lief klein meisje een bouquet te hebben aangenomen, onder het spelen van het Wilhelmus, zich in Haar rijtuig neerzet en langs den korten, maar zoo vroolijk gesierden intochtsweg onder de aloude driekleur den Dam bereikt.
Op den Dam! O, op den Dam! Daar is het heerlijk!
Hoe goed ook gedrild, de paarden der huzaren sidderen, steigeren of brieschen, toen, na al het gejubel onder het oprijden van den stoet, en enkele oogenblikken van stilte, de balcondeuren opengaan en wij weer voor het eerst na 1908 #onze Koningin# op het balcon zien verschijnen! De luide hoera's stijgen op, het koper schalt met zijn doordringende klanken de nationale en de stedelijke blijdschap uit! De Koningin buigt, de Prins slaat aan, de ovatie wordt herhaald en herhaald, en vol welgevallen slaat het Koninklijk Echtpaar de geestdriftig juichende menigte op den versierden Dam eenige minuten lang gade, om na nog een buiging, en nog een groet naar binnen te gaan.
Tot vertrekken was Jan noch Louis van het C. S. te bewegen. »Nu we hier zoo'n beste plaats hebben Guus, blijven we tot de Koningin naar Haarlem gaat; dan hebben we Haar vandaag ten minste tweemaal gezien.«
»Wat zal Mama zeggen?«
»Hun hoofd is op hol, ze denken om eten noch drinken dezer dagen.« »Dat zul je hooren, en we zijn vóór 12 thuis; ga maar heen we passen wel op ons zelf.« Gustaaf vond het voor Louis wel wat gewaagd in die drukte en bleef bij hem.
* * * * *
Terwijl H. M. de hoofdstad der provincie bezoekt, waar men sedert 1897 de Koningin niet had mogen begroeten, trekt door Amsterdam een eigenaardige optocht van versierde expeditievoertuigen.
»Anton, vondt je 't mooi, die optocht?« vroeg Greta onder de thee in de keuken.
»Mooi, neen, zeker niet, wel aardig. 't Is leuk bedacht en nog leuker gedaan en de muziek op die wagens er bij maakte het vroolijk; en dan, de menschen moesten nu toch van middag wat te zien hebben, terwijl we op het Prinsesje wachtten. Maar je kon er wat van leeren as je om die steenkolenmijn denkt; hè, wat een ellendig leven hebben die mijnwerkers; honderden ellen onder den grond en dan lees je zoo dikwijls van ontploffingen en overstroomingen in zoo'n mijn; 'n mensch moet er niet aan denken, als je de kachel opstookt, brrr!«
»Grappig vond ik die meisjes in die groote lijst van spuitwaterflesschen,« zei Anna; »'t is te hopen, dat ze geen dorst kregen, anders was 't om tureluursch te worden.«
»O, en dan die waschinrichting-reclame! Eén wagen met waschmanden vol bloemen en een met een wasch op de lijn; die vond ik het dolst,« bracht de keukenprinses in.
»Neen, die kippenloopen met al die kakelende kippen en kraaiende hanen, die maakten iedereen aan het lachen,« meende het schellemeisje.
»'t Fijnste van alles gaf 'n bloemist; 6 jonge meisjes in het wit in een gazen tent geheel versierd met rose rozen,« sprak Ida, die juist iets kwam vragen.
»En als de oudste juffrouw trouwt, laat ze in Friesland tegen de vochtigheid daar, zeker zoo'n huis van luchtbanden bouwen, net als op dien wagen van de autofabriek stond, jongejuffrouw?« vroeg Anton lachende.
»Wie weet wat ze doet, maar haal me gauw die groote doos voor bloemen, Mevrouw zegt dat jij ze 't best op zolder vinden kunt, Anton,« en weg was ze om toch niet te veel van het gesprek binnen te missen; 't gesprek over het glanspunt van dien 26n Mei, de intocht van Prinses Juliana!
* * * * *
»Zit je goed Coosje? Jij ook Marie?« aldus onderzocht Gladschaaf Jr., toen vrouw en zuster een uitnemend hoekje innamen, van waar ze over een paar uur Prinsesjes blijde inkomst zouden aanschouwen.
»Wat een mooi gezicht al die vereenigingen en corporaties met hun banieren langs het Damrak en hier op het Stationsplein; 't lijkt op den intocht van de huldiging, vindt je niet Ferdinand?« vroeg zijn vrouw.
»O ja, daar heb je groot gelijk in en 't is zulk mooi weer!«
»Wat zag de Koningin er nog jong en lief uit.«
»H. M. is nog niet oud, al is het 12 jaar geleden en ze vertellen, dat de Koningin er heel goed uitziet en weer veel jonger dan voor een paar jaar.«
»Echte vrouwenpraatjes,« zei de jonge man; »Marie me dunkt het is een historische datum vandaag, help me eens.«
»Zeker, 1578, Amsterdam verlaat de Spaansche zijde op 26 Mei; die roemrijke omwenteling zonder bloedvergieten. Toen was het ook vol op den Dam.«
»Je hebt gelijk, waar Naatje staat, bevond zich de wolwaag, daar stormden de gewapenden uit naar het Stadhuis, en ze brachten de vroedschap op de schuiten, die in het Damrak lagen bij de Papenbrug hè?«
»Juist zoo, Fer; en allen jammerden, want ze meenden men zou hen nu eens verdrinken; maar ze werden alleen netjes aan den Diemerdijk gezet; 'k zei van morgen tegen Vader: Zonder 26 Mei 1578 hadden we heden dezen dag hier niet.«
»En wat zei Vader toen, Marie?«
»Wie weet kind! Wie weet! En hij voegde er bij:
Weg heeft Hij allerwegen En middelen zonder tal, Zijn doen is louter zegen.
Toen keerde hij zich om en ging uit.«
[Illustratie: De verlichte Westertoren te Amsterdam.]
Al pratende bemerkte dit drietal, hoe allengs de tijd verliep; en ze in hun hoekje van alles konden waarnemen.
»Daar staat de gouden koets voor de koninklijke deur, Fer!«
»Ja, in 't Ochtendblad werd verzekerd, dat Prinses Juliana daarin zou binnenrijden.«
»Wat is de Koningin toch beleefd en dankbaar; de eerste keer dat het lieve Kind hier binnentrekt, gebruikt H. M. het geschenk der Amsterdammers; evenals toen Prins Hendrik de eerste maal hier was; toen is het Koninklijk Paar in de gouden koets naar den Schouwburg gereden. Het leek wel een sprookje; zoo schilderachtig zaten die twee daarin, ik zie het nog als ik m'n oogen toedoe.«
»Niet zoo familiaar _die twee_; Coosje, Coosje! Maar zeker zal de Koningin het Prinsesje dan op Haar schoot nemen; dat zal ook een sprookje lijken;« zei Marie.
»Houd stil! Gauw! hoor de muziek!« riep Gladschaaf thans.
»Kijk, kijk de Koningin draagt zelve Haar Kindje, hoe snoezig, hoe moederlijk! Nu de koets in; daar zit ons Prinsesje op Moeders schoot!«
Het is een schoon, overweldigend oogenblik van hooge, nationale geestdrift, het is niet te schilderen! Die jubelkreten, dat buigen der vaandels en banieren, die honderdduizenden, dicht opeengepakt, verlangend, reikhalzend om de jongste Oranjespruit te aanschouwen! En stapvoets gaat de sprookjeskoets verder, door zes prachtige, zwarte paarden getrokken, van den bok door den gepruikten koetsier gereden en à la daumont bespannen. De Koningin neemt het handje van Haar Dochtertje en laat het Haar juichenden Amsterdammers toewuiven; 't lijkt wel alsof Prinsesje schik heeft in al dat gejubel.
Daar komt de stoet voor het paleis. De Koningin wendt het Prinsesje naar rechts en laat Haar aan de Janmaats der eerewacht het eerste zien. Even stilte, want de Koninklijke Familie heeft de gouden koets verlaten, aller oogen richten zich naar het balcon.
Daar gaan de deuren weer open, de Koningin verschijnt, neemt plaats op een zetel en toont de vorstelijke telg zittende op Haar Moeders schoot! Even huilt de kleine, geen wonder! Zoovele stemmen, zoovele kreten, zulk een gejubel zou een grooter kind ontstellen; maar 't is gauw over; Moeders schoot is ook voor een vorstenkind de veiligste schuilplaats.
De menschen genieten van dien aanblik en jubelen het blozende, allerliefste gezichtje tegen, dat verwonderde, groote oogen opzet of naar Haar Koninklijke Moeder vertrouwelijk opziet.
Niemand werd het jubelen moe en zelfs toen de Koninklijke Familie naar binnen ging klonken de hoera's nog helder en blij op!
Wel te rusten Prinses Juliana! We zien elkander weer!
* * * * *
De 2 kaarten van Papa worden niet vervijfvoudigd naar Lize's wensch, doch dijen wel genoegzaam uit om de vrouwelijke oogen in staat te stellen H. M. voor de aubade op het balcon te zien komen met Prinses Juliana op Haar arm. Daar kijken de lieve, blauwe oogjes neer op die duizenden tot #Haar# opgeheven, blijde gezichtjes. De vlaggetjes met hun kransjes, (de firma Simons maakte ze in enkele dagen alle 8000, van duizenden oranjebloempjes, groene blaadjes en een half millioen meter lint) worden gezwaaid, de stemmetjes roepen Hoera! Hoezee! Oranje boven! Leve 't Prinsesje, van alles, weer door Hoera's overstemd!
Maar de heer den Hertog heft den dirigeerstok op, na enkele oogenblikken van stilte ruischt het echte, het geliefde volkslied door de lucht; zang en orkest hebben coupletten van het Wilhelmus (nieuwe zetting) geëindigd. Daar schalt het Oranjeliedje, gevolgd door Heye's vlaggelied (getoonzet door Wilhelmus Smits.) Hadden die twee dàt eens beleefd; zóó mooi gezongen; zóó vol gevoel, die verheerlijking van onze dierbare driekleur, en nog wel voor zulke doorluchtige ooren, ter eere van het aanvallige, afgebeden Kindje!
Reeds wordt het vlaggelied gevolgd door 't aardige versje, zóó gepast voor deze gelegenheid vervaardigd: »Ons Prinsesje.« De kleine zangers en zangeressen leggen er al hun liefde en geestdrift in, en Ons Prinsesje, dat daar boven hen tegen de ruiten klopt, kiekeboe speelt of weer naar al die kindertjes kijkt, neemt overal deel in op Haar manier. De dichter Nijk en de componist den Hertog, die twee genoten, in levende lijve, van hun welgeslaagde poëzie en muziek. Wel hebben de zangertjes hun best gedaan, want onberispelijk heffen ze nogmaals het Wilhelmus aan, nu naar de oude zetting en dat.... zonder orkest!
De Koningin blijft, zichtbaar ontroerd, even zwijgend toeven; daarna laat H. M. de heeren Prof. Fabius, den Hertog, en Nijk bij zich nooden.
»Ja, Mama, die eerste is de professor, de tweede de heer die de maat sloeg, ze gaan met een derde naar binnen; nu moeten we tot van avond wachten eer we hooren wat de Koningin zegt.«
»Kijk Ida, Dora, Mademoiselle! daar komt de professor op den hoogen stoel; hij roept wat door een koperen spreekbuis.« ('t Was een scheepsroeper!) »De Koningin laat de kinderen zeer hartelijk bedanken, dat ze zóó mooi en zóó treffend hebben gezongen; en de onderwijzers voor de vele zorgen door hen aan het instudeeren besteed. De Koningin heeft de aubade heel mooi gevonden!«
Die boodschap wordt met luid gejubel, gewuif en vlaggengezwaai van die 8000 jeugdige Nederlanders ontvangen. Nogmaals hoera! en hoezee! Leve 't Prinsesje; en 4 aan 4 trekken ze de Nieuwe Kerk weer in, even ordelijk als ze er uitgemarcheerd waren.--Alle kinderen ontvingen een portret van het Koninklijk Gezin, opzettelijk vervaardigd voor deze gelegenheid.
»Jammer dat wij niet schoolgaan! hè Ida en Lize? Het Prinsesje staat er zoo snoeperig lief op, Juliaantje steekt haar dikke poezelhandje in de blouse der Koningin! Ze is om te stelen, zoo lief! Ga mee naar beneden, het nichtje van Anna heeft meegezongen, zij is in de keuken om het haar tante te laten zien; Anton riep mij daarvoor,« zoo uitte Dora haar bewondering voor de koninklijke gift aan de zingende kinderen!
»Ja, het is allerbeelderigst!« betuigden de grooteren, »en de datum staat er onder gedrukt en het is zoo lief op licht bruin karton afgezet; 't is wezenlijk fraai!«
Niet alleen H. M. onderhield zich met de 3 heeren, de Prins betuigde zijn verbazing over de buitengewone eenheid in den zang van dit reusachtig kinderkoor. Wel wist Z. K. H. dat de heer den Hertog 8 maal met telkens 1000 kinderen gerepeteerd had, maar zulk een eenheid had Z. K. H. voor deze uitvoering niet mogelijk geacht.
H. M. huldigde den heer den Hertog voor de toonzetting en uitvoering van »Ons Prinsesje.« De Koningin sprak van de bekoring, die de tekst van dit liedje op Haar had uitgeoefend; en ook verblijdde H. M. zich, dat Prinses Juliana zich tijdens de uitvoering zoo goed had gehouden.
Dit laatste gaf gewis 't grootste genot aan de zingenden, reeds opgetogen door de onderscheiding dat zij de Amsterdamsche schooljeugd vertegenwoordigden en daarbij van ochtend de zoo mooi versierde Dam heel alleen voor hen was.
»Al worre me kindere 100 jaar, ze vergete van daag nooit meheer,« zoo sprak een moeder uit het volk, die vóór 8 uur bij den Dam was met de kleintjes, en den vorigen dag, daar op het trottoir, met allen gekampeerd had van 8 tot 5½ uur om alles te zien, slechts nu en dan op den rand gezeten om van het meegebrachte brood en de flesch koude koffie te gebruiken.
In de Van Speykzaal sliep ons Prinsesje zeker rustig en goed, al weet Zij in de eerste jaren nog niet wie de meubelen daarvan bestelde; n.l. Z. M. Willem III, en dat, toen de Kon. Tapijtfabriek te Deventer schreef geen tapijt in enkel rood en zwart, voor die zaal passende en dat de fabriek eer aan zou doen, te kunnen leveren, dat toen Z. M. zelf een teekening ontwierp, waarnaar het kleed in de Amsterdamsche kleuren vervaardigd werd en ook Koning Leopold behaagde, toen deze vorst in 1883 door Z. M. ten paleize alhier ontvangen werd. Het vervaarlijk groote ruiterbeeld van Koning Willem II stond toen nog in de groote zaal, waarboven de vlag van Chassé hing, die vlag werd door Leopold II opzettelijk gegroet. Hij zeide: »Hulde aan den dappere!«
»Vooruit dan,« zou Louis roepen en hij heeft gelijk. Daar staat het hofrijtuig en Prinses Juliana rijdt met Freule van der Poll en juffrouw Manting uit. Voor het eerst komt de wacht in het geweer voor de Prinses alléén! Wacht maar! Nu draait Zij het hoofdje slechts om naar de mannen in uniform, over een paar jaar, zal Juliana, net als ons Prinsesje Wilhelmientje, de wapens groeten met haar handje. »Ze keek naar ons, zag jullie het wel?« zoo vraagt men elkaar. En onwillekeurig komt de geschiedenis van den schildwacht bij den tuin van het Noord-Einde op het tapijt.
Daar in een eenzaam hoekje op post, ziet hij de verpleegster met 't Prinsesje op den arm in den tuin komen; goed soldaat als hij is, presenteert hij het geweer. De zuster ziet er niets van, de kleine Hoogheid nog minder, doch Prins Hendrik, juist voor een der ramen in den achtergevel, merkt het op. De schildwacht wordt afgelost en moet op orde van H. M. (aan wie Z. H. het verteld had) in het paleis komen. De Prins prijst zijn gevoel van gehoorzaamheid, en uit naam der Koningin ter gedachtenis aan het feit dat de Prinses heel alleen een eersten militairen groet ontving biedt Z. H. hem de keus aan tusschen een juweelen dasspeld en een gouden horloge met toepasselijk inschrift.
Waarheen is de Prinses intusschen getogen? Naar het Vondelpark; heeren bestuurders van dit park, door rijke en vermogende Amsterdammers voor hun stadgenooten aangelegd en onderhouden, hebben H. M. een afgerasterd gedeelte tot kindertuin voor ons Prinsesje aangeboden tijdens Haar verblijf in ons midden. Dankbaar aanvaardde H. M. deze vriendelijke schikking. Daar kan het lieve Kindje zonder gedrang of gedruisch frissche lucht genieten. En waarin rijdt Prinses Juliana rond? In den Zeeuwschen wagen. 't Is te hopen dat de Zeeuwen van de Zanghulde dit eens gaan zien, ze zullen er in groeien! Wij Amsterdammers althans vinden het uitnemend dat de Prinses in onze wieg rustte, al bood Moeders eigen kinder-slaapstede Haar voor den nacht een gezelliger hoekje.
Soms tweemaal per dag gaat het lieve Kindje naar haar tuin; op het gras dicht bij den vijver wordt Haar wagen gereden en kijkt Zij naar de zwanen. Op heen- en terugtocht altijd honderden om ons Prinsesje te zien. Eens, daar bemerkt het scherpziend oog eener moeder, dat de kleine Prinses op weg naar huis begint te knikkebollen. »Ze is zeker moe, laten we niet hoera roepen!« Dit liefdevol besluit vindt dadelijk instemming. Zij legt haar vinger op den mond, dit wordt nagevolgd; de wacht wordt gewaarschuwd en komt naar buiten, doch de trom zwijgt, en ingesluimerd wordt het Liefje naar binnen gedragen. Zoo vindt de wacht het ook goed, al kregen ze er al schik in, dat Prinses Juliana soms naar hen omkijkt over den schouder der verpleegster heen.
»Gauw, gauw! Jan en Louis,« roept een hunner vrindjes, die juist vernomen heeft, hoe ons Prinsesje van morgen niet naar het Vondelpark rijdt en op weg is naar Artis. »Gauw, jongens! gauw op de fiets dwars door de Jodenbuurt zijn wij er nog eer!« Heelemaal lukte dit niet, maar toch zat Haar Hoogheid pas in den witten wagen, toen de knapen hun fiets stalden; doch H. M. die Zelve Haar Dochtertje bracht, Die hadden ze niet herkend in de eenvoudig gekleede dame, die naast den wagen ging.
»Gaat Prinsesje eerst naar het mooie apenhuis, wat denk je Jan?«
»Neen, Louis, die maken soms zoo'n geschreeuw--en dan kon ze wel eens schrikken; Ze zal de eendjes voeren.«
En zoo ging het ook. Bij den vijver gekomen nam uit een mandje Prinsesjes handje stukjes brood; doch als alle kleintjes, stak Prinsesje eerst wat in het eigen mondje; en bij den zwanenvijver gooide Zij onder luide toejuiching het heele mandje al zwaaiende in den vijver. Een kiekje werd van H. K. H. genomen op den arm van zuster Manting. Daarna met Freule v. d. Poll tusschen de steenen, liggende beelden gezeten, werden twee lorretjes met hun standaards bij Prinsesje neergezet. Groote oogjes zette 't Prinsesje op, als die kromme snavels in het geweekte brood pikten en als ze hun mooie gekuifde koppen weer oplichtten, dan strekte de Kleine de handjes uit van pret.
»Kijk Jan! die is ferm hè?«
»Goed zoo, 't komt niet te pas,« zei hij.
Deze tweespraak betrof een juffrouw, die den wagen naderde en van 't Prinsesje een handje wilde hebben en voor die vrijpostigheid met de parasol van freule v. d. Poll, welke de lakei droeg, een tikje op haar vingers kreeg.
De freule schudt weldra de lakentjes en 't dekentje uit, want de kleine Hoogheid had wat gekruimeld, dekt alles met een fraai wagenkleedje toe en begeeft zich daarna met de kinderjuffrouw, die het Prinsesje op haar arm draagt, naar den Aquarium-uitgang, waar het hofrijtuig en een groote menigte het Kindje opwachten.
Het publiek, onderwijl veel talrijker geworden, gedroeg zich niet altijd zeer bescheiden, holde zelfs over grasperken heen, om dichtbij te komen; doch vergeeflijk was het misschien? omdat Ons Prinsesje pas voor de eerste maal in Amsterdam en in Artis kwam!
Kom vaak terug, lief Kindje! Bezoek dikwijls onze geheel eenige, en zoo rijke diergaarde!
»Daar is oom de burgemeester, en Jets aanstaande schoonpapa! Die gaan morgen naar het paleis voor de Cour van gelukwensching,« zoo verklaarde Lize bij de aankomst der twee eerste gasten, die van Amsterdams jubelen kwamen genieten. Niet alleen bij Dora's ouders, bij tal van andere Amsterdammers namen bloedverwanten of vrienden hun intrek, heden voor de Zanghulde, en later om den optocht en de illuminatie te zien.
Van het allerschoonste, het geheel eenige, dat de laatste te zien zal geven, kunnen we reeds genieten, van onzen Westertoren! Hoe onbeschrijflijk lieflijk en teeder schittert die goudglans, en geeft van omloop en trans, van kroon en kruis den omtrek nauwkeurig weer! De donkere toren is er als achter verdwenen en wordt slechts, als het uur slaat en de lichtjes dooven, weder als reusachtige, sombere massa zichtbaar! Maar dadelijk daarna gloeien ze weer aan de 5000 lichten, en pralen in stillen gloed, sprekende van Amstels blijdschap, nu Prinses Juliana voor het eerst binnen de gordel der 3 koninklijke grachten sluimert.
Nooit of nimmer heeft de gevel van ons statig paleis op den Dam zulk een gejubel van geestdrift gehoord, als toen H. M. met Prinses Juliana op den arm het balcon betrad. 't Leek wel of die 6000 dames en heeren uit alle oorden des lands met die 4000 kinderen alleen daartoe hier gekomen waren om voor Koningin en Prinses te juichen!
Maar 't doel hunner tegenwoordigheid reeds lang te voren vastgesteld is een zanghulde! Een Oranje-Nassau-Cantate op muziek van den heer M. H. van 't Kruys met woorden van den heer P. Landsman zal worden voorgedragen. Eén generale repetitie hield men van morgen achter Oranje-Nassau. En thans, Prinses Juliana zichtbaar voor een der ramen, H. M. en Z. K. H. gezeten op het balcon, daar klinkt de oproep:
»Blaast de bazuin, juicht nu vroolijk gij landen, Volk van de zee en gij volk van de stranden, Volken in Oost en in West!«
Zij zullen ze lezen in Oost en West, die schoone Feest-Cantate en lezende zullen ze genieten. Maar daar, onder die heerlijke Meizon te hooren, hoe de paleisklokken den zang der kinderen daar van uit den koepel inluiden, hoe ze mede instemmen die muziekkorpsen, in dien feestzang! Dien zang zoo te hooren, uit naam van gansch een volk toegezongen aan Neerlands Koningin, toegezongen aan de Koningin, als Moeder, toegezongen aan den Prins-Gemaal, als Vader, toegezongen op huppelende tonen door de kinderen aan hun Prinsesje Juliana, toegezongen aan de (afwezige) geliefde Koningin-Moeder, eenmaal Koningin-Regentes, nu Koningin-Grootmoeder, 't is en blijft onbeschrijflijk, hoe die zang daar onder den vrijen hemel opklonk; en hoe de zangers bezield door Vondel met den Vlissinger in bond, in naam van de geheele natie, het hart verheffen in hun zang tot Aller Heeren Heer! om Hem te danken en hoe zij verklaren nimmer Zijn liefde en trouw te willen vergeten!
Niet minder geroerd dan 's morgens luistert het Koninklijk Echtpaar toe en volgt aandachtig den tekst der Cantate.
't Is voorbij! De laatste woorden, »Willem van Nassau,« zijn gezongen, de laatste tonen smelten weg. De zanghulde is geëindigd!--
Prof. Fabius en de heer Van 't Kruys worden bij H. M. ontboden, de dirigent-componist heeft de vriendelijkste gelukwenschen in ontvangst te nemen, Prof. Fabius krijgt in opdracht namens H. M. in de warmste bewoordingen aan alle deelnemers Hr. Ms. hartelijken dank over te brengen voor die uitvoering, voor die uitnemend geslaagde zanghulde, en Hr. Ms. blijdschap te betuigen dat er #uit alle deelen des lands# deelnemers voor deze zanghulde zijn opgekomen!
Een luide ovatie beantwoordt Hr. Ms. boodschap en allen trekken in rijen van 4 al groetende voorbij het balcon, steeds teruggegroet door H. M., Z. K. H. en het snoezige Prinsesje, die nu eens in het rechter, dan weer in het linkerhandje met een klein wit zakdoekje wuift; het gansche half uur, dat het voorbijtrekken duurt.
Prins Hendrik schijnt schik te hebben in het fanfarencorps »St. Caecilia« der Volendammers in hun eigenaardige kleedij gedost met de Astrakan mutsen op het hoofd. Kwartier over zessen gaan H. M. en Z. K. H. weer naar binnen;--zeker zal die zanghulde nog menigmaal het onderwerp van Hun gesprek zijn.
* * * * *
»De Koningin heeft het geducht druk dezer dagen. Zaterdag, evenals Vrijdagmorgen, de Cour van gelukwensching ten hove; en 's namiddags de rijtoeren, maar niet tot verfrissching of om uit te rusten, Zaterdagavond de raout; 70 dames werden in de troonzaal aan H. M. voorgesteld en toen zaten of stonden de Koningin en de Prins in de Burgerzaal tot half twaalf; en met tal van personen onderhield zich H. M., die met de sieraden van het Nationale huldeblijk van '98 getooid was.«
»Papa, waarover sprak de Koningin wel met die heeren?« vroeg Jet.
»Daar er geen audiëntie plaats had, kon H. M. dezen en genen niet bedanken voor al de feestelijkheden hier ter stede ter eere van H. M. en Prinses Juliana; zoo o. a. ontving de heer C. W. R. Scholten als voorzitter der Vondelparkcommissie Hr. Ms. bijzonderen dank voor den vriendelijken afstand van een deel van dat park als Prinsesjes tuin; zoo onderhield de Prins zich ook met de heeren der feestcommissie en roemde hoogelijk deze heerlijke week.«