Een verheugd volk en een jubelende stad

Part 5

Chapter 53,961 wordsPublic domain

»Neen, Dora,« zei de oudste zus, die door eerst een kopje thee te drinken haar ernst behield; »dat zou te druk voor H. M. wezen; je weet wel die heeft altijd zooveel te lezen en te schrijven, alle dagen uren lang; maar de dames hebben met die guldens, rijksdaalders en tientjes net gedaan wat Papa met het geld doet, dat jij van je Peettante op je verjaardag en met Nieuwjaar krijgt, weet je dat kleintje?«

»O, ja, heel goed, het wordt weggeborgen in de brandkast en Papa teekent het op in een boekje en dan wordt het altijd meer en meer. Lach me niet uit Jan, Papa heeft het zoo gezegd, en als ik dan groot ben en ga trouwen, evenals Jet, dan ga ik voor al dat geld met mijn man op reis.«

Niemand kon nu zijn lachen inhouden, tot Mijnheer vroeg: »Hoe kom je aan zoo'n plan Dora?«

»Ik heb het Mama aan Jet hooren vertellen; u en Mama hebben het ook gedaan.«

»Kleine potten hebben ook ooren, Henk!«

»Jet, vertel me verder van al die guldens.«

»De Nederlandsche dames in Londen zorgen voor een arme juffrouw of kind, dat voor gezondheid naar zee moet. Alle jaren één, weet je. Van de baronie van Breda kreeg 't Prinsesje een gouden speld om haar boezelaartje vast te steken; voor al het andere geld zullen ze voor zieke kleintjes zorgen. Andere steden of provincies laten zwakke kinderen naar vacantiekolonies gaan of bouwen een kinder-ziekenhuis zooals er hier in Amsterdam een is. En de dames van de kolonels en generaals laten overal vragen, welke onderofficieren op 30 April ook een kindje kregen, en dan krijgt zulk een kindje een spaarbankboekje zooals jij hebt; dat bewaart de vader dan tot 't groot is. In Antwerpen zullen ze zorgen voor arme moeders, die kleintjes hebben en zooals jij zegt, daarom alle dagen melk, eieren en soep krijgen. Heb ik het je goed uitgelegd, en kan je het Zondag je poppenfamilie oververtellen, Dora?«

»Heel best en ik vind het mooi en lief van de Koningin en al die menschen. Is er van onze wieg geld overgebleven, Mama?«

»Ik weet het niet, kleine vraagster, wel weet ik nog iets heel liefs. Herinner jullie je nog die aardige luiermandjes van den winter op de bazar? zulke luiermandjes heeft de Koningin ten geschenke gekregen om uit Haar naam te sturen aan behoeftige moeders, die op denzelfden dag een klein kindje krijgen. De meisjes van de Vakschool in Den Haag hebben er voor genaaid en gebreid en er was veel en van alles in; Grootmama schreef mij: »Ze zien er keurig fijn uit.««

»Kom, Papa! vertel ons ook eens iets, dat Mama of de grooten niet weten;« opperde Lize.

»Ondeugd, denk je dat je Papa tijd heeft om evenals Gustaaf nieuwtjes in de couranten op te snorren?«

»O, u weet wat, u weet wat, anders zei u geen ondeugd!« riep Ida uit.

»Ida, met welk schip heeft de Koningin Paul Kruger laten afhalen?«

»Met de Gelderland, Papa!«

»Ferm zoo. Diezelfde Gelderland kwam vandaag aan de ree te Willemstad en werd van den top van den mast tot de waterlinie electrisch verlicht.«

»Heeft Willemstad een ree, Papa?«

»Zeker Louis, het is de hoofdstad van Curaçao waarvan ik spreek; de Curaçaosche dames zonden een doop- of draagkleed in 'n mahoniehouten kistje, en in Bonairiaansch geelhout staat op het deksel:

Kolonie Curaçao 1909.

Van binnen is het kistje met licht blauw satijn gevoerd; heb ik dat niet mooi onthouden?

»Ik vind het merkwaardig,« ging Mijnheer voort, »dat de koloniën zoo vol belangstelling medeleven met 't Moederland. De gouverneur van Suriname stelde f 1000 ter beschikking voor feestelijkheden en die van Curaçao f 500 en er werd bij bepaald, dat het Lazarushuis van St. Eustatius daarin ook moest deelen.«

»Wat is dat voor een huis, Henk?«

»Een gesticht voor melaatschen, die arme ongeneeslijken worden daar liefdevol verpleegd.«

»Hoe treffend dat aan armen en ongelukkigen en zulke beklagelijke menschen gedacht wordt, omdat 't heele volk zich verheugt! 't Is toch maar een zegen om in een Christenland te wonen;« besloot Mevrouw. »Hier zullen we geen bijzondere feesten hebben vóór dat ons lief Prinsesje in Amsterdam komt; dus zullen we Dora nu naar bed zenden en moeten allen met haar leeren wachten en geduld oefenen tot April 1910!«

* * * * *

De Zomermaand bracht heerlijke dagen, en Dora, gelukkig niet ongesteld, zag een hartewensch bevredigd, toen zij bij Grootmama met Mademoiselle en de zussen, vertoevende, zag hoe de grootmeesteres in de koets het Koninklijke wichtje ophief om het aan de saamgestroomde, wachtende menigte te toonen; toen ons Prinsesje naar de Willemskerk gereden werd, om aldaar het teeken van den Heiligen Doop te ontvangen; dezelfde kerk, waarin onze Koningin ook gedoopt werd.

Wel aanschouwde de kleine meid niets van de pracht ten toon gespreid in de ambtsgewaden van alle grootwaardigheidsbekleeders, die als genoodigden of vertegenwoordigers hunner souvereinen daar bijeen waren; maar naar dàt schouwspel ging haar kinderhart niet uit.

Te gretiger luisterde zij naar het verhaal bij Grootmoeder aan tafel. Onder plechtig gezang kwamen H.H. M.M. en Z.K.H. de kerk binnen, en namen, als gewone menschen, plaats op de stoelenrij tegenover den preekstoel. Slechts met groen (zonder bloemen) uit H. M.'s park afkomstig was de kerk stemmig voor de plechtigheid versierd.

Dr. Gerretsen, waarnemend hofprediker, preekte op uitnemende wijze. Z. W. E. W. las het geheele doopsformulier met de beide gebeden, en plechtig weerklonken de namen onzer geliefde Prinses: Juliana, Louise, Maria, Emma, Wilhelmina, vóór de Naam des Drieëenigen werd uitgesproken. Als elk kind, zonder titulatuur werd het Vorstelijke wichtje als dooplid bij de Kerk gevoegd. God vervulle in Zijn genade de gezongen zegenbede van Psalm 134 vers 3.

H. M. hield het Prinsesje al dien tijd in Haar armen; daarna kuste H. M. het lieve Kindje en hield het daartoe ook den Prins-Gemaal voor. Toen pas werd de Prinses met hetzelfde ceremoniëel weggedragen, als Zij gekomen was.

Gustaaf, voor dien Zaterdag, 5 Juni, overgewipt naar de Hofstad, kwam de meisjes halen; hij had haar een plaatsje bereid, van waar ze H.H. M.M. en Z. K. H. het paleis konden zien binnengaan bij de terugkomst uit de kerk.

Aan het gejubel scheen geen einde te komen, toen de dierbare Vorstin, aan den arm van Haar Gemaal, voor de vensters verscheen; het begon opnieuw toen Koningin Emma Haar Kleindochtertje toonde aan de verheugde schare, en ten teeken van groetenis het lieve, kleine handje ophief.

»Heerlijkjes Guus, eenig lief van je,« zei Doraatje met een omhelzing. »Heb jij het ook goed gezien?«

»Met jou op zijn hoofd, hoe kon hij dan zelf zien?« riep Lize uit.

Een nieuwe omhelzing en liefkoozingen, als ware hij nog een kleine jongen, beloonde den grooten broer voor zijn zelfverloochening.

* * * * *

Het Zondagsch koffieuurtje bracht bij den ouden Gladschaaf alle kinderen om de tafel, en het Prinsesje er op zooals het zeggen luidt. Over niets anders liep het gesprek dan over de doopplechtigheid die plaats had gegrepen, over wat daarbij gesproken en voorgevallen was.

Moeder Gladschaaf was maar innig dankbaar, zeide zij, dat de lieve Moeder gelukkig bewaard was geworden, toen de paarden schrikten, »het is al acht dagen geleden, we kunnen nu hopen, dat H.M. en het Kleintje er geen gevolgen van ondervonden,« voegde zij er bij.

Nog een oogenblikje luisteren we aan de koffietafel. »Vader,« aldus Maria, »was u niet blij, dat Dr. Gerretsen van Juliana van Stolberg sprak, de vrome moeder van den eenigen Willem I. »Zonder Juliana van Stolberg geen Prins Willem van Oranje; zonder Willem van Oranje geen vrijheidsoorlog; zonder vrijheidsoorlog geen vrijheid; zonder vrijheid geen Nederland!« zoo stond het in de courant. En die vrijheidsoorlog in de dagen van den Prins, was om vrijheid van godsdienst, zei de Prins niet: »Liever dijken en dammen doorgestoken, de molens in vlam gezet en op schepen aan gene zijde der zee een nieuw vaderland gezocht, dan Gods Woord opgeofferd.« Kijk me niet hoofdschuddend aan Fer! het is zóó, al was het maar een plan om het volk in de bangste jaren voor vertwijfelen te bewaren. Alles opgeven, alles verzaken, behalve het Woord Gods dat was en bleef 's Prinsen leuze na 1572. Heeft Filips zelfs niet eens bij langdurige vredesonderhandelingen den Prins aangeboden, Oranje alle bezittingen buiten de Nederlanden gelegen terug te geven, zijn voor ons gemaakte schulden te betalen en.... Filips Willem de vrijheid te schenken, als de Prins zijn handen maar van de oproerlingen (zei hij) aftrok, hun noch raad, noch bijstand schonk. En hij, Willem van Oranje, had zelfs zijn zoon niet liever dan de verdrukten in dit land; o, ja! Prins Willem was zijner vrome moeder waardig!«--»Zeg liever kind: Op dezen prins kunnen we het woord van Jezus _niet_ toepassen: »Die zoon of dochter lief heeft boven Mij, is mijns niet waardig. Gode daarvoor de eere!«...

»Moge onder de trouwe leiding van onze Koningin, Haar Prinselijken Gemaal, Haar vrome Moeder, onze jonge Prinses opwassen in oprechte godsvrucht; worde Haar naam eens met eere genoemd onder die vele vrome vorstinnen, waaraan 't Oranjehuis steeds zoo rijk is geweest!«

[Decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK V.

Een jubelende Stad.

(Van 26 Mei-2 Juni 1910.)

»Wat duurt een jaar toch vreeselijk lang!« zoo klaagt Dora op Kerstdag 1909. »Verleden Kerstfeest mocht ik niet naar de kerk om mijn verkoudheid en van 't jaar mag ik nog niet op Oudejaarsavond opblijven, omdat ik _pas_ 7 werd!«

»Je hebt 't hard, zusje! Met ons is 't net zoo gegaan; behalve dat wij niet naar zooveel pleziertjes mee mochten als jij; want toen was Guus een jongen en Jet bezat nog geen Sjoerd om te vragen voor haar en ook voor de kleintjes; wees maar getroost, als je 10 wordt ga je mee naar de avondkerk en blijft tot over 12 uur op!«

Veel uitwerking oefende deze troostrede niet; de afleiding door Jans verhalen over alles en nog wat hielp veel beter. Lize, ruim 4 jaar ouder, tamelijk ontwikkeld, heel flink voor haar leeftijd, kon niet meer zoo in alles met Dora meedoen; daardoor voelde de kleine meid zich soms eenzaam; al bleef ze ieders speelpop en liefling; terwijl Mama wel zorgde, dat ze niet bedorven werd.

Eén onderwerp vooral kwelde, met steeds wederkeerend en vermeerderend ongeduld haar kleine hersens, n.l. 't verlangen om #ons Prinsesje in Amsterdam# te hebben. Als Dora daarover begon, kwam er niet spoedig een eind aan. In Den Haag had ze #Het Liefje# zien voorbijrijden, toen ze gedoopt zou worden; maar die Hagenaars zagen Juliana, (ze zei meestal familiaar Juliaantje) meest alle dagen! En op Apeldoorn ging het ook al zoo. Nu eens het Prinsesje met freule van der Poll en haar kinderjuffrouw en dan eens, veel mooier: Juliana op den schoot der Koningin in 't rijtuig.

't Heugde Dora als gisteren: dat op een zonnigen dag even voor 12 uur H. M. met Haar Dochtertje de Koningsschool[3] te Apeldoorn voorbijreed; daar stormde de jeugd juist naar buiten. »Hoera! Prinses Juliana!« en roepend omstuwden ze het hofrijtuig, tot groot vermaak der kleine Prinses. Luid kraaide Zij en schudde, uit eigen beweging, zoo hard Zij maar kon Haar rammelaar!--»Hè! zoo iets moois moest ik eens beleven, zoo _heel gewoontjes_ de Koningin en het Prinsesje vlak bij te zien;« riep Dora uit toen Gustaaf, de wandelende courant, haar dit berichtje vertelde; en haar verlangen naar de komst in Amsterdam, van #ons Prinsesje#, het snoezige Juliaantje, nam gestadig toe, al zou het dan niets gewoontjes wezen.

[3] School door Z. M. koning Willem III gesticht voor de kinderen van allen, die op het Paleis of in het Park op 't Loo dienst doen.

Daar vertelt Papa op zekeren dag aan tafel:

»'t Is beslist, de Koningin, de Prins en de Prinses komen 26 Mei in Amsterdam.«--Spijt alle goede manieren, gooide Dora vork en mes neer en danste uitgelaten van blijdschap de kamer rond. Papa's lachlust redde haar van straf.

»Dat belooft wat als we zoo ver zijn,« merkte Mademoiselle met een zucht op; doch Mevrouw stelde haar gerust. »Dora is eerst uitgelaten in het vooruitzicht van eenig lang gewenscht genot, Mademoiselle; maar dan gaat ze er over denken, zich alles en nog wat daarvan voorstellen; en feitelijk geniet ze dan vooruit, onderwijl en naderhand; maar meer in stilte; zoo is ze altijd geweest, het lieve kind.«

In alle kringen loopen weldra de gesprekken over niemand anders dan H. M. en Prinses Juliana. Hoe Haar te ontvangen, wat men zal doen, wie mee zal werken, waar alle vreugdebetoon zal plaats vinden? Wel ging het niet toe als in Almen ten tijde van den Hoofdigen Boer, waar men het 3 maal 30 dagen had over: palen, balken en planken en weer 3 maal 30 dagen lang over: balken, planken en palen; maar toch men leest geen dag- of weekblad, men hoort van geen vergadering of men denkt aan de komende feestweek; en als Mei in het land komt ziet men al hier en daar allerlei toebereidselen maken.

In den Gemeenteraad krijgt een mooi plan zijn beslag, en het middelpunt van alle feestelijkheden De Dam vaart daar wel bij. Drie dagen vóór H. M. komt, heeft Mademoiselle reeds beloofd de dagelijksche wandelingen in ontdekkingstochtjes te herscheppen; en, door mijnheer gerustgesteld omtrent haar eigen veiligheid en die harer leerlingen, zou men allerlei buurten doorkruisen.

»Maandag, 23 Mei, slag bij Heiligerlee,« zegt Lize met een blijden lach »en wij, Oranje ter eere! naar.... ja, waarheen? Wat is klaar, Gustaaf?«--»De Dam pas Donderdagochtend, in de Kalverstraat is men nog druk aan 't werk. Gaat naar de nieuwe wijken, daar is veel gereed. Mademoiselle, begint u maar met de brug aan de Ferdinand Bolstraat, dan langs de Stadhouderskade naar het Rijksmuseum, 't hoofdkantoor van de tram, over Leidsche- en Koningsplein naar de Doelenstraat, zoo naar de Jodenbuurt, door de Hoogstraten naar de Warmoesstraat en over de Nieuwe Brug langs 't Damrak naar het Rokin en dan naar »de Bocht« en naar huis; dat is een tocht voor van daag; u moet tusschenbeide een eindje trammen doch 't is warm genoeg _met_ de meisjes #buiten op#. Veel genoegen kleintjes!« sprak zeer beschermend de oudste broeder.

De aangegeven weg door Lize vlugjes opgeteekend geeft groote voldoening aan de wandelaarsters. De brug over de Stadhouderskade gaf zoo iets geheel anders te zien dan naar gewoonte. Ida teekende die in haar zakboekje aan onder 't opschrift: »de illuminatie.«

»Die 5 eerepoorten tusschen het Rijksmuseum en de IJsclub, wat zijn die mooi en overal reuzen van J's; de 3 Amsterdamsche kruisen met franjes; en die zuilen zoo mooi wit geschilderd; en al die deviezen, 't is eenig fraai,« roept Lize telkens uit.

»Zal de Koningin ze lezen, eerst: »Dieu aide Orange!« en dan die 9 andere?« vraagt Dora.

»'t Rijtuig zou dan stil moeten houden, en daarvoor heeft H. M. geen tijd,« zegt Mademoiselle.

»Is 't niet jammer, als alles zoo gauw voorbijgereden wordt en de Koningin onderwijl nog zoo onophoudelijk buigen en groeten moet, Mademoiselle?«

»Dora, men zal de Koningin wel van alles verteld hebben of afbeeldingen er van geven; maar als jelui hier zoo blijft studeeren, komen we niet verder; vraagt de Hollandsche juffrouw er maar naar; die kent die spreuken op haar duimpje.«

»Ida, schrijf je dit op, om bij de illuminatie te gaan zien?«

»Neen, die Latijnsche spreuk: »Saevis tranquillus in undis«, schrijf ik op. Ze komt me bekend voor. Is ze van Maurits of Prins Willem, Lize?«

»Saevis is sauvé; tranquillus is tranquille; undis is ondes; dat zou wel kunnen wezen. »Gered, veilig in de baren;« maar mee, gauw, Mademoiselle is vooruit, pas op, maak haar niet boos.«

Kijk, voor het kantoor der trams net een brug; een tram zoo groot als een echte er midden op, niets ontbreekt aan het vernuftige latwerk, wit en oranje van kleur, met groen en vlaggen gesierd. De meisjes blijven staan om te bewonderen; Dora begint de electrische knoppen te tellen, die den avond in dag zullen veranderen. Een heer ziet het opgetogen, aardige drietal en vertelt ze, dat het personeel van de bureaux alles zelf bedacht heeft, dat die doorvaart 12 M. wijd is, de lantaarns op de brug 5 M. hoog zijn en 's avonds, alles schitterend geïllumineerd, door H. M., door den Prins en Koningin Emma bewonderd zal worden, maar niet door ons Prinsesje, die moet in Haar wiegje.

»Naar de Leidsche straat, Mademoiselle!« zegt Lize en weldra valt het »Welkom Prinses Juliana« allen in het oog; de wapendragers aan de huizen met de verdere gevelversiering van sparregroen en de vlaggen er tusschen in, staan allerliefst. Daar is de Heerengracht met de vierkante kronen aan kabels opgehangen; »jammer dat die niet Oranje, rood, wit of blauw zijn geverfd, vindt je ook niet, Ida? Zou men touw kunnen verven, Mademoiselle?«

»Ik weet het niet, maar als die vierkante daken leeg blijven hangen, zal 't raar staan.«

»Er komen oranjekleurige lampions als omgekeerde kronen in te hangen,« verzekert Gustaaf; »het zal 's avonds mooier wezen dan over dag,« beslist Lize.

't Hotel l' Europe vindt beter genade in de oogen der wandelaarsters, die verklaarden geen vermoeienis te voelen. En 't eilandje in de Kloveniersburgwal, waarvan een oud heer, die juist zijn woning verlaat om naar de beurs te gaan haar vertelt, dit aardige stukje gronds is 12 bij 21 M. en het lichtstuk in het midden, tot 12 Meter hoog, zal zelfs op 't Rembrandtplein gezien worden.

Door Hoog- en Damstraat wordt weldra de Vijgendam bereikt; daar vertoont een geschilderd baldakijn H. M. in 1890 en in 1898 met Koningin Emma tusschen beide beeltenissen in, terwijl de achterkant de opening van het Merwede-kanaal voorstelt. Alle andere baldakijns spreken ons van de Nederlandsche koningen en enkele hunner daden. Koning Willem III in de Bommelerwaard, en H. M. met Z. K. H. in Zeeland, beide bij de overstroomingen, de eerste in 't bootje en dezen uit de auto stappende, zijn treffend afgemaald! Waterloo's slag, naar Pienemans stuk, vertoont de achterzijde van Willem II en Anna Paulowna, en de Scheveningsche bom, die den Oranjevorst in 1813 terugvoert, brengt ons aan het uiteinde der Warmoesstraat, langs welker gevels kleine onderling verbonden schilden de namen te lezen geven veler steden en dorpen, terwijl hun eigenaardige nijverheid door de benoodigde werktuigen wordt voorgesteld.

Toen van het Centraal-Station naar huis.

Den volgenden dag krijgt de Hooge Sluis een, beurt van de meisjes, van nabij een boot vol bloemen gelijk, zien ze van de Magere brug, dat zij een groote kabelbrug voorstelt, die bij de illuminatie een betooverenden aanblik zal bieden.

Straten en grachten van Haarlemmerpoort en van Lennepkwartier, van Plantage en Muiderpoort werden bezocht; en altijd weer nieuwe verbazing over zooveel verscheidenheid en vindingrijkheid in boog en guirlande, kroon en ornament, ten toon gespreid.

Hoe eenig schoon van Spui tot Heiligen weg die luchtige, groote, vergulde kronen, die in een priëel van groene slingers opgehangen, zelven boven sierlijke gulden bloemenmanden zweven. »Als de electrische gloeilichten daar 's avonds bij ontstoken worden, zal dat eind Kalverstraat een tooverpaleis gelijken,« meent Mademoiselle.

»Eindelijk! Daar is de Dam, als we die eerepoort door zijn.«--»'t Is geen eerepoort, Lize; kijk maar 't is een deel van de Damversiering.«

»Ik zie den Dam niet meer, wel het Paleis en Naatje maar anders is de Dam weg!« riep Dora mistroostig uit.

't Duurde, een poos eer de 3 meisjes door Mademoiselle onderricht, wier geoefend oog ras de schoone idee dezer ongemeene versiering opmerkte, zich een heldere voorstelling konden vormen van de omtoovering, die had plaats gegrepen. Toen zij later de Julianabron met haar watervallen en opspuitende fonteinen in gekleurd licht zagen baden, het glanspunt vormende van den schitterend verlichten Dam, begrepen zij pas iets van wat Mademoiselle dikwijls over de schoonheid van La fête de Nuit te Versailles verhaald had.

»Is die groote tribune voor de hofhouding, Mademoiselle?«

»Neen, meisje, zeker voor genoodigden, gemeenteraadsleden en andere heeren met hun dames,« denk ik.

»Ja, Mademoiselle, Papa krijgt 2 toegangskaarten; hoe mooi zal men daar de Koningin op het balcon kunnen zien, en de optochthulde, en de aubade kunnen hooren. Ik wou, dat Papa er 10 had, dan zaten we er allemaal,« wenschte Lize.

* * * * *

25 Mei! Gelukkig! dacht de _jonge jeugd_, om met de Transvalers te spreken, gelukkig! nog maar één nacht! dan zien we Juliana!

»Wat, ga jij nu de stad uit, Greta, ik herken je niet! De Koningin hier, en jij weg?« zoo uitte Maria Gladschaaf haar verbazing in den vroegen morgen van dien 25n van Bloeimaand.

»Weet je de schikkingen niet? Ferdinand gaat met jou en Coosje (zijn knechts krijgen vrije middagen met behoud van loon) naar den intocht van de Koningin, den Prins met ons Prinsesje kijken; Fer kan niet op 3 vrouwlui passen, naar hij zegt; Tante heeft _mij_ morgen in Haarlem genood. Om nu zeker te weten, dat de trein mij meeneemt, ga ik om negen uur naar de Bloemenstad. Jij bent zeker van Fers bescherming en een goede plaats op morgen.«

Maria jubelde en gunde, (trouwens die goede gewoonte was bij de Gladschaafs inheemsch,) haar zuster dit extraatje.

Daar stonden ze dicht opeen gepakt, de Amsterdammers. Sommigen al om 7 uur op het Stationsplein gekomen om een uitgezochte plaats te veroveren en die tot 5½ uur als het Prinsesje kwam te bezetten! Geen veldheer verdedigde een pas veroverde vesting met meer trouw, met meer liefde dan zij die 2 voet gronds!

Gustaaf kortte den tijd van wachten voor Jan en Louis (hij liet zijn mede-studenten alleen om zijn broers te helpen, hij is toch een beste? je ware!) door hun de pas bekende aankomst van Z. K. H. te verhalen.

»De Prins stoomde na de begrafenis van koning Eduard VII naar Edinburg. Hij houdt veel van de zee, daar is de Prins een Mecklenburger voor.«

»Ga maar voort, Guus, 'k weet nog alles van Hem en de Berlin,« vermaande Louis.

»Van nacht om 12 uur kwam »de Heemskerck« aan de sluis te IJmuiden; een heer van het Handelsblad mocht aan boord komen en met een ander de reis meemaken. De Prins op de brug naast den gezagvoerder riep door de duisternis: »Goeden avond heeren,« ze waren alleen zichtbaar door het licht der seinlantaarns, want 't was knap donker. Om half één ging de Prins naar kooi. Om 3 uur lag Hr. Ms. »Heemskerck«, de Prinsenvlag in top (tegenwoordig zonder gekijf zou de Hollandsche juffrouw zeggen) voor den ingang van het Oosterdok. Ongeveer half 10 verkondden de vuurmonden van de Heemskerck al bulderende, dat de Prins in de admiraalsloep, nù met de Prinsenvlag gesierd, naar het Centraal Station voortschoot, en de Prins als vice-admiraal gekleed stapt onder luid gejuich aan wal en wordt door burgemeester Roëll welkom geheeten.

Vergezeld van den burgemeester in ambtsgewaad, kwam Z. K. H. in de koninklijke wachtkamer.

Opgelet jongens, als de Koningin aan de grens van Amsterdam komt, wordt er een koninklijk saluut op de »Heemskerck« gelost, meteen zal de grootste klok van den Wester geluid worden en ook de Beursklok; en de klokken op het paleis spelen: »Dankt, dankt nu allen God.««

»Guus, Vincent speelt niet, maar slaat op zijn toetsen,« viel Louis hem in de rede.

»Slaat, hoe kom je daaraan; 't is net een reusachtige piano, de toetsen zijn niet met ivoor overdekt, maar anders«....

»Toen we laatst met Mademoiselle het paleis gezien hebben, zijn we ook op den toren geweest en de torenwachter«....

»Mis, Louis! die zijn er niet meer; hij was een beambte ten paleize,« verbeterde Jan, »die«....

»Vooruit dan!«

»Achteruit gaat hier beter, dan neemt een ander je mooie plaats!« spotte Jan.

»'t Doet er niets toe, die ten paleize dan, zei tegen mij, toen ik hem vroeg wat die schermhandschoenen daar moesten doen. »Jongenheer, die zijn van mijnheer Vincent om de klokken te laten spelen, anders zou mijnheer zijn handen stuk slaan, om die groote, zware klokken te doen bewegen,«--dus Gustaaf....«

»Hoor, hoor! #boem! boem!# dat is het kanon! De trein komt dadelijk. Goed kijken, jongens!«