Een verheugd volk en een jubelende stad

Part 4

Chapter 43,988 wordsPublic domain

»Als die mevrouw nu ook een valsch bericht kreeg, juffrouw, ze hebben gisteren in de Kalverstraat en zelfs in »De Bocht« gevlagd en 't was #toch# niet waar!«

»Ja, het ochtendblad zal die vergissing wel ophelderen, maar denk eens, Mevrouw Van Loon is dame du palais, dat is in Amsterdam, wat een hofdame in Den Haag is, die dame zelve kreeg beslist een telegram.«

Aagje haalde haar schouders op, ging naar de keuken al mompelend: »de juffrouw boven kreeg ook zoo'n boodschap van d'r man, die is aan een krant en zij geloofde d'r ook niemendal van; de vischvrouw kwam heel van de Ruyterkade, 't mensch had nergens geen een vlag gezien, maar me juffrouw is zoo op al die grootelui kinderen!--nou ze mot het zelvers wete.«

»Wat voor groente van daag, Aagje? Wel meid, wat kijk je boos.«

»Och, 'k geloof er niks van dat er 'n Prinses is, heb jij er wat van gezien, Mozes?«

»Neen, Aagie; ze reie met een auto van 't Handelsblad en met rijtuigen van 't Nieuws, ze strooide bulletijns; maar de kranten, zie je, die liege zoo dikkels; 'k zeg maar as de kanonne afgaan, de klokken speule, de vlagge op de tores komme dan zeg 'k 't is waar.--Nou meisie, wat mot je hebbe?«

Aagje kende haar meesteres te goed om de twijfelingen van den groenjood over te brieven, juist ging ze met mand en bak gewapend naar de stoep, toen een loopjongen van Gladschaaf ademloos kwam aanhollen, haar een briefkaart overreikte met een: »Even je juffrouw laten lezen.« In stomme verbazing hoorde ze toe: »Beste Tante, De Heer schonk voorspoedig een Prinses, alles wel!« Haar juffrouw krabbelde vlug er onder: »De Heer zij geprezen! Hartelijk dank voor je boodschap;« en Aagje moest den jongen nog een kwartje tot belooning in de hand stoppen. Zij èn de buurjuffrouw èn de groentenverkooper èn de vischvrouw volhardden in hun meesmuilen en hoofdschudden doch geen tien tellen later snelde Mozes de stoep weer op, trok aan de bel en riep: »Kijk, aan den overkant steken ze op het politiebureau de vlag uit, kijk Aagje, 't is waar, Goddank!«

Ze waren geen eenlingen. Och, neen! Overal in de saaie buitenwijken, in het hartje der stad, in de vroegrit-trams, aan de stations, overal ongeloovige gezichten. De mannen van de pers werden hoofdschuddend aangehoord of nagekeken. En toch, men hoopte, men verlangde naar bericht! Op den Dam werd het al voller.

»Wacht maar, als de bulletins de waarheid zeggen, komt zoo meteen de burgemeester op het balkon om het voor te lezen,« zegt er een.

»Wel neen, mensch! daar gebeurt nooit zoo iets op het balkon.«

»En bij de inhuldiging dan? Toen stonden ze aan weerszij aan de hoeken het uit te trompetten.«

»Ja, wel, das heel wat anders weet uwé! Maar de klokke beginne subiet te speulen, als de burgemeester het weet.«

»Wat is het hier uiïg, hé Jan?« riep Louis. »Zullen we nog een poosje blijven luisteren?«

»Neen, ga mee naar de kanonnen.«

»Jongens ja, dat zal leuk wezen. Vooruit!«

Reeds den 29n had een heer plaats genomen in de Roelof Hartstraat, (hij bracht daartoe een stoel mee,) om getuige te wezen van het schieten, vooral _van het eerste_ schot; en dan te blijven om tot 101 of tot 51 te tellen; dàn alleen, dàn pas stond het voor hem vast: Er is een Prins of Prinses. Hij kwam juist met zijn stoel weer aansjouwen, met hem verschenen ontelbaar velen op die gewichtige plaats, sommigen voorzien van hun kodaks, want van het afvuren moest een kiekje genomen.

Jans ooren als immer gespitst, vingen weer veel op om aan de zussen als het allernieuwste nieuws te verhalen. Weet u het zeker, commandant? 't klonk deftig in de ooren van den luitenant, die de order tot 't afvuren moest geven. Heeft u een dagorder voor een Prins of een Prinses gekregen? Neen, hij had een met Oranje gesierden verslaggever van het N. v. d. Dag in de politiepost geroepen; die had het hem stellig verzekerd, dat er een Prinses geboren was; doch hij wachtte nog op het telegrafisch bevel voor het losbranden.

»Zouwe de kanonne blijve staan, as ze schiete?«

»Wà bedoel je? Denk je dasse verschove worre?«

»Nee, dat niet; maar van 't dreune ziet uwé? Ze motte ommers de rame ook opedoen hier in de buurt.«

»Ja wel! maor dat is eel wot aors,« valt een Zeeuw in. »En waor is et, 'k eb zelvers de vlag op het Paleis van Justitie ezien.«--

Jan en Louis begrepen, dat het wachten op het eerste schot heel lang kon duren en gingen daarom verder. »Louis! niet meer naar de nieuwe stad; naar 't Leidsche plein en de Kalverstraat.«

»Best Jan!«--En daar hoorden ze een agent op den hoek van het Koningsplein aan de voorbijgangers verklaren: »Mensche, van Baron Roëll zelvers heb ik het gehoord: Een Prinses en alles wèl.«--De man moest een bloedverwant wezen van hem, die dicht bij het N. v. d. Dag op post stond die, toen een berichtgever met de bulletins in een rijtuig wipte, een sprong van louter blijdschap maakte, bij het vernemen van het heugelijke nieuws! Een dier medegenomen bulletins werd aan de erfelijke oranjevrouw van den Zandhoek, juffrouw Vork, gegeven. Zij, haar armen vol met vlaggen en wimpels, dadelijk op weg naar den Oranjeboom van '98, las het eerst tot aan »alles wel!« En toen riep ze. »Kom jonges, de boom versiere! Meheer u krijgt het blaadje niet werom; het moet aan de boom; bovenaan weet uwé.« Daar kreeg het papier tusschen de vlaggen de eereplaats!

Vader Gladschaaf, door de spoedbestelling van zijn knappen zoon vroeg op de hoogte gebracht, riep eerst zijn gezin bijeen, om God te danken voor de aanvankelijke verhooring der gebeden van ons volk; om ook even vurig te smeeken om alles wat voor de doorluchtige Moeder en het Kindeken verder noodig was; daarna moest Greta het orgel openen en ruischte het:

God zij altoos op 't hoogst geprezen! Lof zij Gods goedertierenheid, Die nimmer mij heeft afgewezen, Noch mijn gebed gehoor ontzeid.

zóó van harte gezongen door de kamer, dat de moeder het met geen droge oogen kon aanhooren.

»Vader,« vroeg Maria daarop, »nu nog als 't u belieft: »Mijn schild en mijn betrouwen,« toe Greet begin maar,« voegde ze er bij.

»Vrouw, laat de Vrijdag nu de Vrijdag en 't werk, 't werk, zoo gauw als we ontbeten hebben gaan we allemaal uit, om de nationale vreugde in onze stad te zien.«

»Vader! eerst Coosje en Mientje afhalen, die moeten ook mee, als Fer niet met hen uit kan.«

»Goed zoo kinderen. O ik kan maar aan niets anders denken dan aan die groote gave aan de Koningin en ons allen,« zegt de moeder, die van vreugde eet noch drinkt.

Hoe verrukkelijk is het op straat! Men ziet een bekende, stapt op hem toe en wenscht elkaar hartelijk geluk. Loopt er iemand zonder oranje, hij wordt aangesproken: »Weet u het nog niet? Een Prinses. Moeder en Kind zijn wel. Wat een blijdschap, hè?« Wie nog zonder strik is uitgegaan, koopt oranje. De winkels tooien zich op allerlei manieren, en de waaiende driekleur van alle torens, openbare gebouwen, vele schepen en de meeste huizen geeft heel Amsterdam een gelukkig aanzien.

De draaiorgels laten vaderlandsche liederen hooren of nooden op het asphalt tot een bal van louter vreugdebetoon; de beursbengel luidt volle drie kwartier om heel Amsterdam te zeggen, hoe de handel in de algemeene blijdschap deelt! Het klokkenspel op het Paleis en op de torens van 12-1 en van 1-5 laten oude en nieuwe liederen van nationale gebeurtenissen hooren. Zoo luidde een geboorteklok, al trok Vondel niet aan het klokketouw!

De beurs zelf ziet wat gebeuren dien 30n April! In plaats van zaken te doen, wenschen de handelslui elkaar geluk, hartelijker veelal dan op 1 Januari; daarop zingen zij vaderlandsche liederen; de jongeren werpen met serpentines en steken kamer- nu _beurs_vuurwerk af. Een voorbijtrekkend muziekkorps wordt ingeroepen en marcheert het geheele gebouw door en daar zingen honderde stemmen mee! Geen officiëele prijsnoteering komt dezen Vrijdag uit!....

In Frascatie maken de tabakkers het nog beter! In de groote zaal keurig versierd met groen en vlaggen, wordt een piano binnengedragen; daarop wordt het Wilhelmus gespeeld waarmee allen staande instemmen. Oranjemutsjes dekken oogenblikkelijk menig denkend hoofd en met de grootste geestdrift wordt het merk »#Vorstenlanden#« begroet. Na de noteering klinkt nogmaals het Wilhelmus door de ruimte.

Pas na enkele weken zal men het vernemen, hoe groote blijdschap de telegrammen van den Minister van Koloniën in Oost- en West-Indië verwekten!

Geen grootje bleef aan het spinnewiel, zei men vroeger, thans lijkt het er naar. Mademoiselle stelt eigener beweging Mevrouw voor, dien dag vrij af te geven en zij gaat met de 3 meisjes er op uit! Mogelijk doet het voorbijtrekken van al de leerlingen der machinisten- en handelsschool, der gymnasia en H. B. Scholen er het zijne toe, om Mademoiselle zoo vaderlandslievend te stemmen. Zij kon toch niet weten, dat de Belgische gezant, (die altijd vroeg een wandeling maakt,) naar zijn gewoonte zelf informeerde naar den toestand der Koningin en zoo doende de allereerste was, die het felicitatie-register teekende;--een #Belgische# baron daarop bovenaan, dan mocht een #Fransche# gouvernante wel uit de gewone sleur raken en uitgaan.

Door een tegenovergestelde oorzaak vertoont 1909 gedurende één dag althans wat 1672 zoo lang deed aanschouwen. »Scholen en rechtbanken hadden vacantie, ambachten en bedrijven stonden stil, plaatsen van vermaak waren ledig, doch de kerken waren te klein voor alle benauwde harten.« De plaatsen van vermaak en vooral de kerken schijnen nu aan den avond van Vrijdag en den morgen van Zaterdag ook te klein doch heden voor alle #blijde# harten. Ze stroomen vol; aandachtige, verheugde gezichten en tintelende blikken worden tot de leeraars opgeheven; dankbare tonen ontlokken de organisten aan hun heerlijke instrumenten; vol aangrijpende geestdrift stemmen de scharen in met de opgegeven zangverzen.

Doch wat is dat? Daar heeft de dienaar des woords vol warmte nagegaan wat God in de vervlogen eeuwen door en met Oranje Neerland schonk, heeft in een vurig dank- en smeekgebed, de Koningin en Haar huis en de Jonggeborene den Heere opgedragen; de menschen zullen naar hun woningen wederkeeren, niemand gaat. De orgelist laat de eerste tonen van het Wilhelmus hooren en allen, allen vallen in. Zie eens rond. Vaders en moeders zeggen kleinen van 5 of 6 jaar voor, opdat ze mede kunnen zingen; en heel wat kinderstemmetjes, op de scholen met woorden en melodie vertrouwd gemaakt, zingen luidkeels mede. Na enkele coupletten van ons echte volkslied, zetten een paar jongelui Da Costa's: »Zij zullen het niet hebben« in; en het heerlijke lied met de Liefde's zielvolle melodie, wordt met steeds klimmender geestdrift gezongen. Het schijnt, of de menschen niet weg kunnen gaan; zij willen en moeten in het huis des gebeds lucht geven aan het gevoel van verademing, dat aller hart vervult.

Overal, in kerken en kerkjes van stad en dorp, bij elke gezindte jubel, dank en lof aan God, Die ons Vorstenhuis en Vaderland gedacht.

En de armen varen wel bij de nationale blijdschap, want allen geven mild.

Een aardige tegenstelling vormt de gave van 51 guldens in het kerkzakje der Remonstrantsche Broederschap te Utrecht met de bekende gift in Amsterdam van het jaar 1650. Bij 51 guldens, (zeker 51 om de 51 kanonschoten!) was het volgende versje gevoegd:

Een nieuwe Oranjeloot! Dies zij mijn gaaf vergroot.-- Ik weet geen beter maar In acht en twintig jaar!

Dag Groomoe! ik filiciteer u met ons Pinsesje! daarmee stapte Mientje op de vriendelijke oude toe; met haar vader en moeder kwam ze naar gewoonte Zondags op de koffie.

»Wel liefje, dat is goed. Heb je al Oranje-muisjes geproefd?«

»Ja Groomoe!«

»Wil je ze vandaag ook nog?«

Daaraan valt niet te twijfelen, zij en allen eten oranjemuisjes en spreken aanhoudend over wat ze hoorden van of over de blijde gebeurtenis. De behandelde teksten, de gezongen psalm- en gezangverzen, de geestdriftige dagbladartikelen, alles, alles wordt verhandeld.

»Ik zal jullie iets voorlezen, kinderen,« zegt de grootvader over de heugelijke gebeurtenis.

»Nu heeft God een kindeken aan H. M., aan den Prins, aan ons volk geschonken!--Eens was er een vleug der hope, maar wreed als het over ons land gehengd scheen, tastte juist in die dagen een giftige krankheid het leven onzer dierbare Koningin aan. Er zijn toen uren geweest, dat elk oogenblik het schriktelegram van 't Loo geducht werd. Vreeze beving aller hart, dat niet alleen onze hope op de geboorte van een Vorstelijke Spruit zou beschaamd worden, maar dat onze Koningin zelve ons zou ontnomen worden! Dat bangste is toen, God zij lof, afgewend.«

»Vader,« viel Maria in de rede, »Da Costa zegt iets dergelijks van den Prins van Oranje, onzen lateren tweeden Koning.«

»Zoo meisje? Laat hooren.«

»Of eindelijk als die maar Het land met doodschrik sloeg, Krank, zorg'lijk in gevaar!«....

»Mooi aangehaald, waaruit, kind?«

»Uit De Vijf-en-twintig Jaar, Vader.«

[Illustratie: Het mooiste versierde woonhuis in de bocht der Heerengracht, Amsterdam.]

»Hoor nu maar verder: »Een gerucht deed straks de blijde zekerheid opgaan, dat het onzen God toch nog beliefd had, de smeekbede van heel ons volk te verhooren. Het hoopvolle woord van »_Blijde Verwachting_« deed zijn intrede. En opeens was het of Nederland weer opleefde. Een belangstelling, als nooit in eenig land bij zulk een gebeurtenis gekend is, waakte op. Het gebed was nu niet meer om afwending van het bangste, maar of onze God voleinden mocht wat Zijn hand begon. Gelijk nooit de liefde voor Oranje in de harten getrild had, zóó trilde ze nu. Algemeen werd de behoefte gevoeld om aan zijn blijdschap uiting te geven. Het stroomde geschenken naar het Vorstelijk Paleis. Het werd één saamleven in blijde verwachting van onze Koningin mèt haar Volk. Reeds rekende men den dag uit. Ieder zon er op, hoe, als die dag eindelijk kwam, heel 't volk in al zijn steden en dorpen dien dag van nationale verheffing naar waarde vieren zou. Zelfs in het buitenland trok het de aandacht, hoe sterk hier Dynastie en Natie aan elkaar verknocht waren. En de natiën van rondom, over eigen profijt heenziende, juichten met het volk van Nederland, dat toch eindelijk onze nationale hope in vervulling ging.

Nu ~dankt~ het volk, gelijk het eerst ~gebeden~ heeft. En het ~Nun danket alle Gott!~ spreekt aller hart toe.

Het Vorstelijk kind dat geboren werd, heeft onze liefde, al heeft ons oog 't nog niet aanschouwd. Nu reeds is deze telg uit het geliefde stamhuis, mocht zij eens de Kroon dragen, van onze trouw en onze gehechtheid verzekerd. Voor dit Vorstelijke kind en voor onze Koningin zullen we bidden. Bidden, dat de Heere God de Moeder en het Koninklijke Kind genadig zij en blijve.

Een vreemde vorst zou ons zoo hard zijn gevallen; nu Oranje blijft, steken we 't hoofd weer omhoog, in het geloof dat Neerland nog zijn eerekroon zal dragen.«

»Wel, wat zegt ge, zoons! is het niet uit ons hart gesproken?«

»Ja, Vader, echt.«

»Groomoe, mag tante Eta spelen en wij zingen? is het Zondag?« met deze vraag maakte de kleine een einde aan de plechtige stilte.

»Ja, liefling, Tante zal spelen.«

»Vader,« zoo begon Coosje, »ons Prinsesje heeft mooie namen, vindt u niet?«

Maria verstoute zich om gauw te antwoorden: »Mooie, mooie, Coosje? Zeg: heerlijke, dierbare, onvergetelijke, zuiver historische! #Juliana#, je zult het hooren is naar de stammoeder der beide takken Oranje èn Oranje-Nassau; Louise zal naar Louise de Coligny wezen.

»Zij was de Dochter, Weeuw en Moeder van de Helden, Die goed en bloed voor God, voor Staat en vrijheid stelden.«

Of Zij heet naar Louise Henriëtte, de prinses van Oranje, die met den Keurvorst van Brandenburg trouwde. Het is innig, onbegrijpelijk innig, diep gevoeld van de Koningin om juist #die namen# te geven!«

»Heeft je peettante je dit alles voorgezegd?« spotte haar Vader.

»Neen, o, neen! Vader, maar u zegt in uw hart volmaakt hetzelfde, ik ken u veel te goed; u heeft 't Oranjehuis lief, zielslief. En Moeder niet minder, al zegt ze nu geen woord.«

»Wat zou Nederland wezen zonder Oranje? Een speelbal van regenten- en familieregeering, anders niet. Heeft God onze ondankbaarheid van 1795 niet bezocht, met dien schrikkelijken Franschen tijd? 't Schrikkelijkst zeker omdat het grootste deel des volks Zijn straffende hand niet erkende. Toe Vader! lach me niet uit maar val me liever bij; 't is de waarheid, vraag het Groen maar.«

»Als je met Groen aankomt zusje, nieuw-bakken onderwijzeresje, dan moet het slot op onzen mond, niet waar?« zei Mientjes vader. »Coosje,« ging hij voort, »vraag Marie van alles over Juliana van Stolberg en die twee Louise's, maar dan van avond, na de kerk; dan heb je de heele week wat om over te denken; nu moeten we naar huis, kijk eens op de pendule.«--»Gunst! zoo laat al, Fer?«

»Ja, ja, de kleine Prinses stuurt al wat in de war, tot jou tijdrekenkunde toe, hè? Maar dat is niet de eerste maal.«

Allen lachten. Weldra waren de aanzittenden van de gezellige koffietafel opgestaan en toog ieder zijns weegs.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK IV.

Van Hier en Daar.

(Nà 30 April 1909.)

»Ligt ons Juliaantje nu in onze wieg, Mama?« zoo begon Dora aan de thee.

»Neen, Dora; Koningin Emma liet de wieg, waarin onze Koningin zelve lag, in orde maken en die moet door het Prinsesje het eerst gebruikt worden.«

»Is die nog mooier dan de Amsterdamsche, Mama?« vroeg Lize thans.

»Naar wat 'k in de courant las is die wieg heel deugdelijk, heel gepast in een paleis, maar eenvoudiger en daardoor zeker beter geschikt voor alledaagsch gebruik. En dan is het zulk een lieve gedachte, dat Mama en Grootmama 't kleintje in de wieg zien, waarbij Koning Willem III zoo gaarne stond om naar zijn eenig dochtertje te kijken.«

»Dat zal je wel aan het rechte eind hebben, Amélie,« veronderstelde mijnheer; »Prins Hendrik heeft althans net gedaan bij de aangifte van dit Prinsesje als Z. M. bij die van het Zijne.«

»Zoo? Hoe dan, Henk?«

»Na Hr. Ms. geboorte, toen de officiëele personen voor de aangifte ten paleize in het Noord-Einde gekomen waren, liet de Koning het Prinsesje binnenbrengen en zei: »Mijne Heeren, u ziet dat ze er wezenlijk is;« en zelf nam daarop Z. M. het kindje in Zijn arm om het den ministers te toonen. Gisteren nadat de wethouder de Wilde met den chef van den burgerlijken stand Meys en de beide ministers, als getuigen in de zaal waren aangekomen, verscheen Z. K. H. de Prins vergezeld van Jhr. van Suchtelen.

Z. K. H. drukte ieder der vier heeren de hand zeggende: »Ik ben toch zoo hartelijk verheugd.« Onmiddellijk daarop werd de Prinses binnengedragen door een verpleegster. De Prins toonde Haar eerst aan den wethouder, daarna aan de getuigen. Een blozend kindje, goed van gewicht was de indruk.

De heer Meys las de geboorteacte voor en die werd vervolgens geteekend. De heer de Wilde vroeg verlof nog iets te mogen zeggen en sprak ongeveer 't volgende. »Hij rekende het eene hooge eere voor den burgerlijken stand van 's Gravenhage om in zijne registers te mogen zien aangeteekend het vorstelijk kind, zoo lang door het Nederlandsche volk verbeid. Hij hoopte, dat dit vorstelijke kind tot in lengte van dagen onder de levenden in de registers van den burgerlijken stand blijve aangeteekend, tot vreugd van het Koninklijk Huis, tot heil en zegen van het dierbaar Vaderland.«

De Prins-Vader dankte den Wethouder met een handdruk; waarna de heeren vertrokken.«

»Wel hoe alleraardigst en hartelijk ging dat toe; staat het letterlijk zoo in de courant?«

»Ja, Mama,« sprak Ida die over Papa's schouder medelas, »en als 't Prinsesje gedoopt wordt mogen wij drieën in Den Haag bij Grootmama komen.«

»Is 't echt waar, Ida?« riepen Lize en Dora tegelijk uit.

»Vraag het Mademoiselle maar, Grootmama heeft 't haar gevraagd en zij gaat mee, niet waar, Mademoiselle?«

»Dat is weer een meisjesgenot, die verzuimen maar, als ze 't goedvinden!« klaagde Louis.

»En H. B. S.-jongens gaan het den burgemeester vragen,« plaagde Jet.

»Neen, de Handels- en Machinistenschool zijn op het stadhuis geweest, wij niet;« bracht Jan fier in, die in zijn eerste jaar van Hoogerburgerschap was.

»In Dusseldorf woei den 30n de Hollandsche driekleur, Papa! In Pruisen moet zoo iets aangevraagd worden; de daar wonende Nederlanders hadden al lang geleden permissie gevraagd en gekregen. Op de Noordzee wist men het groote nieuws eer dan in Amsterdam.«

»Kom Gustaaf! geen studentenmopjes, welke »men« is dat? De kabeljauwen mogelijk?« vroeg Mevrouw.

»Mama, het is volle ernst. De Batavier, een stoomschip, kreeg een Marconi-bericht, heesch oogenblikkelijk de groote vlag en al de seinvlaggetjes volgden. De Hollanders jubelden, de Engelschen, verbeeldt je, de Engelschen! drukten hun het eerst de hand en wenschten hen geluk, »Wilhelmus« en »Wien Neerlands bloed« weerklonken, toen de boot aan den Hoek van Holland binnen liep, waar, evenals op de Maas alle booten floten.«

»Weet je nog wat bijzonders, Guus?« klinkt het uit alle jonge monden.

»De stationschef in Haarlem liet een locomotief heen en weer rijden om knalsignalen te geven. In Berlijn (trouwens dat is overal zoo in 't buitenland) eten ze geen muisjes bij geboortefeest of doopmaal, ze kennen ze niet eens! De Berlijnsche vereeniging »Nederland en Oranje« laat ze bakken, in mooie zakjes doen, met oranjelintjes toegestrikt en aan alle te Berlijn wonende Nederlanders uitdeelen. Als ik jelui van de feestelijkheden in ons land vertellen moet, die al plaats hadden, en op 10 Mei zullen wezen, wel dan zit ik van avond om 10 uur hier nog. Maar iets aardigs las ik, aan Prins Hendrik een dag of wat geleden overkomen. Iemand vroeg een der verslaggevers van de groote bladen (ze logeerden in »De Zalm« achter het paleis Noord-Einde): »Is het niet vervelend zoo aanhoudend voor schildwacht te spelen?« »Niet zoo vervelend als u denkt, men ziet en hoort van allerlei en 2 uur is dan gauw om. Zoo bijv. gisterenmorgen. U weet misschien, dat aan het Hof de goede, voorvaderlijke gewoonte nog stand houdt: Vroeg op en vroeg naar bed.«--»Wat noemt u vroeg?«--»Wel om 7 uur ziet men Z. K. H. in dezen tijd van het jaar in eenvoudige burgerkleeding uitgaan voor een loopje. Gisterenochtend dan, komt de Prins in het Noord-Einde met een pijp in den mond. Een werkman stapt op Z. K. H. toe met een: »Vuur, asjeblieft meheer?« De Prins heeft blijkbaar schik, dat hij niet herkend wordt, doet even een flinken trek en houdt zijn pijp aan den onbekende voor en vraagt, terwijl die een goeden haal doet: »Gaat het?« »Opperbest meneer!« en daarop: »Dank je wel menheer!« met een tik aan zijn pet. »Tot je dienst,« van den Prins, die glimlachend verder gaat.««

Allen lachen en de zusters vragen natuurlijk: »Weet je nog meer, Guus?« beantwoord met een »Voor van avond genoeg.«

»Mama, hoe gelukkig zullen de Koninginnen nu wel zijn! en zeker denkt de Koningin aan al die mooie geschenken, die de menschen stuurden, omdat zij zoo blij waren, dat er een kindje kwam; dunkt u niet, dat de Koningin nu dubbel blij is met alles en met _onze wieg_?«

»Doraatje, als ik de Koningin goed begrijp, dan is H. M. het blijdst met dat lieve dotje in de wieg en daarna over alle arme menschjes en kindertjes, die van alles krijgen door de geboorte van haar lieverdje!«

»Ik begrijp u niet, Mama.«

»Vraag dan eens wat Jetje van mijn woorden verstaat,« zegt haar moeder.

»Toen de menschen veel geld verzamelden om uit liefde en vreugde rijke geschenken te koopen, vroeg de Koningin hun dit niet te doen; maar als de menschen dit verzoek onaangenaam vonden, daar ze zoo heel graag het kindje wilden verrassen, dan zou het, dacht de Koningin het heerlijkste wezen, de meeste gelden voor arme of ongelukkige kindertjes of zieke moeders te gebruiken.«

»Deelt nu de Koningin alle dagen melk en eieren uit en laat de keukenmeid bouillon en soep koken, Jet?«

Gelukkig voorkwam Mama's wenk een algemeene lachbui, en Dora keek haar zuster zoo ernstig aan, dat zij van de onderdrukte vroolijkheid niets merkte.