Een verheugd volk en een jubelende stad

Part 3

Chapter 33,958 wordsPublic domain

Bij de Gladschaafs besprak de jongste dochter hetzelfde onderwerp door haar in de courant gevonden.--»Op onze les moesten we onlangs een persoonsvergelijking lezen over Willem V en Lodewijk XVI. Hier is nu weer één trek, die bewijst hoe moeielijk het gaat zulke vergelijkingen te maken. De voorgangers van den beklagenswaardigen Lodewijk XVI dachten er slechts aan hun genot- en praalzucht te bevredigen, hun toomelooze heerschzucht bot te vieren en daarvoor hun volk uit te mergelen; daarmeê vormt de goedigheid en de liefde tot zijn volk van den rampspoedigen Lodewijk XVI een scherpe tegenstelling en met innig medelijden denken we aan het lijden van hem en de zijnen in de Tempel-gevangenis. Maar hoe geheel anders is het uitwijken van Willem V. Opdat er om #zijnentwil# geen bloed zou vloeien, gaat hij met de zijnen de jammeren van de ballingschap gewillig tegen. En hoe zelfopofferend en onbaatzuchtig hadden zijn voorgangers en zijn voorvaderen gehandeld!--En van die 18 jaren, waarin dat gezin van vorstelijke personen velerlei kommer leerde kennen, weten slechts weinigen iets.«

»Marielief, ge zijt in uw gedachten bezig met een brief aan uw Fransche vriendin, stop nu even en hoor wat ik net lees.--De Koningin-Moeder bracht den geheelen namiddag op 't paleis in 't Noord-Einde door, doch heeft zich gisterenavond weer naar haar eigen paleis begeven.--De menschen, die reeds omstreeks 's Prinsen verjaardag op de verwachte gebeurtenis hoopten, en gisteren bijna den geheelen dag om het Ruiterstandbeeld postvatten, keerden langzamerhand om elf uur 's avonds huiswaarts.

»Wij moeten geduld oefenen, en wie er het naast bij betrokken zijn, nog meer dan wij«--zegt de vader.

»Man, laat ons veel bidden, God moge allen en ons verhooren; Hij alleen kan ook hier uitkomst geven. Moge Hij zijn gunst gebieden!«

»Zoo is het Moeder, ik begreep best, waarover gij dacht, toen ge van nacht niet slapen kondt.«

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK III.

30 April 1909.

»Marietje, Betsy, Willy, ik ga je allemaal voor het raam zetten, Anton is met den kruier bezig de vlag uit te steken, er is bericht uit Den Haag gekomen; het lieve kind is in het paleis,« zoo spreekt Dora en plaatst haar zestal op stoelen en stoeltjes voor de groote ramen in de voorkamer in haar ouders huis. Doch wat is dat? »Halen ze de vlag weer in?« Haar gezichtje stijf tegen de ruiten gedrukt, staart ze naar buiten en vergeet zelfs het aan haar poppen te vertellen. Ja! Papa's vlag gaat weer weg, aan den overkant haalt men ze ook weer binnen. Nu begrijpt ze er niets meer van, en snelt naar beneden, bijna loopt ze Mademoiselle omver, en hoort geen woord van haar vermaning om toch zoo onbesuisd niet te loopen.

»Mama, Mama, is het er niet? Papa vertelde het toch.«

»Wat lief kind, wat?«

»Het kindje, het kindje van de Koningin,« en schreiend bracht ze het uit; »is het Prinsesje er niet?«

»Lieve Dora, stoute menschen in Den Haag hebben gejokt; misschien konden ze het niet helpen en hadden ze het verkeerd verstaan. Papa heeft nu bij Mevrouw van Loon, la dame du Palais, laten vragen en die berichtte Papa, dat de tijding niet waar was. Huil maar niet; wie weet, misschien eten morgen de arme kindertjes in Den Haag al die beschuitjes met Oranje-muisjes wel lekkertjes op.«

»Wat eten ze, Mama?«

»Een dame in Den Haag heeft 10.000 beschuitjes laten bakken, smeren en met Oranje-muisjes bestrooien, in trommels laten pakken en klaar zetten, om die uit te deelen zoo gauw, als het Koningskindje geboren is. Ik zal bij de Bont en Leyten er laten halen voor jou en ons allemaal zoodra als de klokken spelen en de kanonnen afgeschoten worden, vindt je dat niet best? Rose-muisjes heb je dikwijls, maar Oranje-muisjes nooit gegeten, is 't wel, kleintje?«

In tal van plaatsen werden de menschen teleurgesteld en al uitten ze het op andere wijs, hun verdriet was niet minder groot dan dat der kleine meid in Amsterdam.

Wel maakte menigeen zich vroolijk over Rotterdam, waar om 12 uur de vlag uit den toren van de beurs werd gestoken; mannen van zaken, schoolkinderen en negotiemenschen, allen stonden stil en staarden naar die vlag, de trams stopten van wege de ophooping der kijkende menschen, maar geen kwartier daarna werd de vlag ingehaald. Loos alarm! Alle klokken luidden in Oud-Pekela om half 11 's avonds, en 's morgens vernam men, 't was een valsch bericht geweest.

Het Nieuwsblad van het Noorden gaf een bulletin uit: Een Prinses geboren. In dichte drommen stroomden de Groningers naar hun prachtige Groote Markt; het was er stampvol, doch de Provinciale Groninger Courant zegt: »Neen, 'k heb later bericht ontvangen; de toestand van H. M. is bevredigend; H. M. Koningin Emma is den geheelen dag in het paleis Noord-Einde; maar de oranjezegels op de telegram-enveloppen hebben anderen, doch ons niet gefopt.«

Iedereen had dien Donderdagavond wat te vertellen. De een hoorde een conducteur van een tram zeggen: »Er #is# een Prinses geboren;--maar Mevrouw, #ik# weet er nog niets van.«--Een ander zat in een tram en vroeg: »Mijnheer u heeft van uw familie in Den Haag mogelijk iets vernomen?«--»Neen, mijnheer, ik weet absoluut van niets.«--»O!« zei een burgerjuffrouw, »ik ben de tante van een nicht van de vaste schoonmaakster van een deftige meneer, hier uit Amsterdam, die nu in Den Haag woont, want die meheer is minister van de Koningin geworde; ik kom er net effetjes van daan, en die nicht van me had zoo om 3 uur nog niks gehoord, niks zeg ik uwé, dus uwé hoeft 't niet te gloove, ze zulle de vlagge in de Kalverstraat wel weer inhale.«--Op de redactiebureaux der groote dagbladen liet de telefoon geen oogenblik den bedienenden klerk met rust; altijd weer hoorde men antwoorden: »Niets bekend Mijnheer, of Geen Prins of Prinses Mijnheer;--of geen enkel woord van onzen berichtgever Mijnheer; om weder met: Niets bekend mijnheer niets bekend!« te beginnen tot antwoord aan een volgenden belangstellende.

Het was maar goed, dat de couranten in de laatste dagen nog van allerlei mededeelden, waarover in den gespannen toestand waarin het geheele land verkeerde eens gepraat kon worden. Zoo vond men een opsomming der hoven, waaraan het huis van Oranje sedert Prins Willem I door diens nakomelingen verwant is; alles goed nalezende, komt men tot de verbazingwekkende slotsom, dat alle gekroonde hoofden in Europa afstammelingen of bloedverwanten zijn in de mannelijke of vrouwelijke lijn van Prins Willem, twee vorsten uitgezonderd: de koning van Servië, en last not least, de sultan van Turkije!

Enkele dagen geleden werd H. M. een Bundel »Kinderliederen van P. Jonkers« aangeboden, het geschenk werd door de Koningin gaarne aangenomen en de komponist in een schrijven namens H. M. bedankt. Er kan dus van het allernieuwste, laat ons hopen van het allerbeste, voor het kindeken gezongen worden.

Een aardige ontmoeting had de onderwijzeres en een leerling der naaischool uit Scheveningen, die, met een zeer fraai wagenspreitje naar het Noord-Einde getogen, het ongedachte voorrecht genoten, dat Z. K. H. de Prins in eigen persoon het geschenk aannam, bezichtigde en het aan H. M. ging overhandigen; Die nog denzelfden avond per telegram bedankte.

Een zeker zeldzaam begeleidend schrijven vergezelde een ander zeer fraai bewerkt wagenkleedje, n.l. een brief in Brailschrift, uitdrukking gevende aan de beste wenschen van Elizabeth van den Berg, een blinde onderwijzeres in het R. K. Gesticht »de Wijngaard« te Grave. Het schrijven van Hr. Ms. secretaris zal zeker zeer zorgvuldig in dit Blindengesticht bewaard worden en niet minder in het geheugen der vriendelijke en bekwame werkster.

Intusschen wordt het laat, het plasregent, de menigte voor het paleis in het Noord-Einde staat geduldig en stilzwijgend te staren naar de 9 ramen in den hoofdgevel; een gezelschap heeren en dames der hofhouding, van tafel komende, blijft even kijken naar die tallooze menschenmassa en.... gaat verder. Om 10 uur verzekert de hofmaarschalk: »Geen Prins of Prinses; toestand van H. M. gunstig.« Om half drie is er niemand meer op het plein voor het paleis: »'t kan duren tot aan den morgen.«--En intusschen wordt daar binnen.... daar buiten.... gewaakt en gebeden door tal van harten.... En God verhoorde.

* * * * *

Vrijdagmorgen snellen velen op het land naar het gemeentehuis, anderen stoutmoediger bellen in den vroegen ochtend bij den burgemeester aan; Z.E.A. weet nog niets. De dagbladbureaux zien al om 6 uur troepen menschen voor het raam der bulletins staan; doch daar vinden ze alleen dat van 's nachts 3 uur; dit bevredigt hen niet en daarom.... zij blijven wachten.

* * * * *

»Gustaaf, Gustaaf!« de aangeroepene kijkt om en zegt: »Wat, Willem jij al op?«

»Is dat zoo'n wonder? Veel meer wonder! een heer student uit Amsterdam naar Den Haag getogen, om dáár te zes uur op straat te loopen, wat beweegt jou daartoe?«

»Zeker dezelfde bewegende oorzaak of drijfkracht, of.... 't doet er niet toe wat, die een Haagsch ambtenaar aan het Min. van Kol. zijn bed uitjaagt. Ik ga naar het Noord-Einde om het eerste en echte nieuws. Gisteren liet Papa de vlag uitsteken en ~inhalen~, om daarover onze kleine Dora te troosten, stoomde ik naar Grootmama en beloofde de kleuter dadelijk een telegram te sturen, als ik #hier# iets _zekers_ wist.« Intusschen bereiken de jongelieden het Noord-Einde en vergrooten de menigte belangstellenden achter het Ruiterbeeld.

Z. K. H. de Prins verlaat even 7 uur het paleis en begeeft zich naar het telegraafbureau om zelf Zijn Moeder de heugelijke tijding te zenden. Nauwelijks heeft Z. K. H. zich verwijderd, daar berichten, neen! dat is te zwak! vol trots, opgewonden van blijdschap proclameeren de dienstdoende politieagenten voor het paleis aan alle grage ooren: »H. M. heeft een Prinses, alles wel! Een Prinses, alles wel!«

Heerlijke, blijde tijding! In ademlooze stilte door de eerste rijen vernomen en fluisterend overgebracht, want vol liefde gevoelen allen het, stilte, volmaakte stilte is noodig!--En, 't klinkt wel familiaar, maar och! zoo echt hartelijk en innig, wat Gustaaf en Willem, die zich tot rennende nieuwsboden maken, telkens hooren vragen: »Is het echt waar, geen valsch gerucht, geen loos alarm mijnheer en dan onmiddellijk: is moeder en kind wel, mijnheer?« Na deze verzekering: Welke opgeklaarde gezichten, welke blijde blikken! vergezeld van een: God zij gedankt! Welk een zegen! Hoe heerlijk! Wat een gebedsverhooring! Hoe blij ben ik voor de Koningin! Een weldaad voor ons land! Die gelukkige Koningin-Moeder! en nog veel meer zulke uitingen ving hun oor op.

Aan het telegraaf- noch telefoonkantoor zou Gustaaf vooreerst geen beurt krijgen. »Dora moet maar wat wachten. Willem haal jou fiets en ik de mijne en dan naar het Malieveld; wij moeten de schoten hooren lossen.« Grootmama schreide van louter vreugde, toen haar oudste kleinzoon de blijde tijding bracht. »Eerst ontbijten jongen, dan mag je naar het Malieveld, we moeten samen danken, kindlief. O, sedert mijn eerste geboren werd, ben ik zoo bezorgd niet geweest als nu. Het is een pak van mijn hart; den heelen nacht heb ik, zelfs als ik maar even sluimerde, aan onze Koningin gedacht.«

»Grootmama, Grootmama, maken uw 70 jaren u zenuwachtig; u is nooit zoo geweest! Wat zal Papa zeggen, als ik hem dat vertel? Papa zal me niet gelooven. En u wist toch, toen ik om 12 uur van nacht het laatste bulletin ging lezen, dat de toestand gunstig was. U moet u toch niet noodeloos ongerust maken.«

»Hoor me die jeugd nu eens; van 12 tot 7 uur kind, is een heele tijd van wachten en spanning en er kon zooveel gebeurd wezen, als God het niet verhoed had! Denk toch aan ons vaderland, aan alles wat geducht kon worden. Heeft niet de Koningin een voogd of voogdes, een raad van voogdij moeten benoemen al in Maart? Welke aanstaande moeder, die haar echtgenoot bezit, wordt tot zoo iets geroepen?«

»Maar beste Grootmoeder, het is heel eenvoudig naar de Grondwet, en die kent H. M. op haar duimpje en houdt zich daar stipt aan, dat H. M. zeer tot eer verstrekt; maar daarin is niets ~vreeselijks~,--om met Lize te spreken.«

»Jongenlief, als je eens drie kruisjes telt en vader hoopt te worden, zul je begrijpen, dat er ontzaglijk veel in de ziel der Koningin is omgegaan, toen die benoemingen moesten gedaan worden. Geve God, dat alles welga en het een doode letter blijve.

Nu eerst den Bijbel!« Gustaaf belde en de dienstboden binnengekomen, wenschten om strijd de oude dame geluk met _onze Prinses_ en daarna kreeg de blijde boodschapper ook een handdruk. Psalm 103 verving het hoofdstuk, dat aan de orde was; en Gustaaf begreep heel goed, (al wou hij het zich zelf niet bekennen,) waarom Grootmama 's stem soms zoo beefde, terwijl zij anders altijd zoo statig las.

Op de fiets, in gezelschap van honderde fietsers en duizende voetgangers werd het Malieveld bereikt. Om 9 uur 1 min. viel het eerste schot! De hooge hoed in de hand, de pet van het hoofd hoorden heer en werkman dit vredig losbranden aan; en daarna werd elk der 51 schoten met zakdoekgewuif en hoerageroep begeleid. De beide neven reden weldra weg.

»Kijk eens Guus, daar stormen de schoolkinderen de deuren weer uit,« »Wel jongens, geen school?« »Neen, mijnheer, geen school, weet #u# het nog niet?«--»Wat?« »De Koningin heeft van morgen een Prinsesje gekregen; nu hebben we den heelen dag vrij!«--»Gekheid jongens!« »Neen, dan weet u er niks van heeren, het staat op al de borden, kijkt u maar even in school.« En weg draafden de praters. Weg! naar het lokaal, waar de beschuitjes uitgedeeld zouden worden. Mevrouw Tjaden-Modders liet de uitdeeling onder muziek plaats hebben; en ieder kind kreeg, tot vergoeding voor het lange wachten, een reep van Houtens chocolade op den koop toe. Men genoot van de vroolijke kijkers der smullende, arme kinderen, gedurig echter wachtten dezen en genen even om met de muziek in te stemmen; vooral als _Piet Hein_ of _Al is ons Prinsje nog zoo klein_, gespeeld werd.

Naar de landsdrukkerij fietsten Gustaaf en Willem, daar verscheen om 10½ uur een buitengewoon nummer van de Staatscourant luidende:

»H. M. de Koningin is hedenmorgen door Gods goedheid voorspoedig bevallen van eene Prinses.« Volgen de bulletins. Zeer druk werd deze extra oplaag gekocht; ook daarin uitten zich de algemeene opgewektheid en blijdschap, die ontspanning bracht na de angstig doorleefde dagen en nachten.

»Nu maak ik, dat ik van onze Amsterdamsche opgetogenheid genieten kan, Willem, dus wil ik den trein nog halen, vaarwel! Maar wat is daar in de verte? Het lijken wel herauten te paard. Ja! met trompetters er bij.«

»Het feestcomité zendt 4 herauten, ieder door 2 trompetters met bazuinen vergezeld, de heele stad door; laat ons gauw peddelen om er bij te komen, Guus, dan maar een lateren trein naar je geboortegrond.«

Zoo gezegd, zoo gedaan. Van plein 1813 vertrekken ze.

De Heraut houdt een perkamenten rol in zijn rechterhand, met Oud-Hollandsche letter bedrukt; van den rechter hoek aan den benedenkant hangt een breed, dubbel Oranjelint af, door een groot zegellak verbonden. Hij is in Oud-Hollandsche kleedij gedost, rood met zilver afgezet; daaroverheen een loshangende dalmatiek van Oranje fluweel (over borst en rug) versierd met het wapen der Koningin en van den Prins. Een breedgerande, grijs vilten hoed, met afhangende oranjeveder dekt zijn hoofd. De trompetters zijn in een zwart met rood afgezet wambuis met stalen halsstuk gestoken, dragen een slappen hoed met roode tressen opgetoomd; ook de paarden zijn op Oud-Hollandsche manier opgetuigd.

Met een triomfantelijke stem roept de heraut uit:

»Ingezetenen,

Met groote vreugde maakt het Feestcomité de blijde boodschap bekend, dat H. M. de Koningin door Gods goedheid bevallen is van een Prinses. Geheel de burgerij van 's-Gravenhage deelt van harte in de gevoelens van vreugde, die dit heugelijk feit bij het Nederlandsche volk opwekt! Dankbaar erkent het den zegen, die aan het Koninklijk Huis en aan het Vaderland is geschonken.

Moge deze blijde gebeurtenis strekken tot versterking van den eeuwenouden band tusschen Nederland en Oranje.

Leve de Koningin! Leve de jonge Prinses van Oranje!«

De hoeden zwaaien, de zakdoeken wuiven, de menschen klappen in de handen of drukken, hoewel volkomen vreemd, elkaar hartelijk de hand en tegelijkertijd klinkt het spontaan, nu uit honderde kelen: Leve de Koningin! Leve de jonge Prinses van Oranje! gevolgd door een Oranje Boven! Hoera! Hoezee!

De herauten rijden weg en herhalen overal met dezelfde uitwerking dezelfde blijde tijding. Dichte drommen van menschen en kinderen volgen hen; een klein meisje roept een vriendinnetje toe: »Ik heb hem al 9 maal gehoord en jij?« »Ik kan het al opzeggen!«

»Grootmama komt beslist op de stoep om te luisteren Willem,« zegt Gustaaf en zij rijden nog even naar het voorvaderlijk huis om van dit tooneeltje te genieten. 't Was zoo. Grootmama en de dienstboden, tot het schellemeisje toe, allen rijkelijk met oranje gesierd, staan op de stoep. Na een kort afscheid zit de heer student in den trein en verhandelt met zijn reisgenooten wat hij zag en hoorde in de zoo gelukkige residentiestad.

* * * * *

»Ida, word eens gauw wakker, toe vlug wat, luister!« Een ruk vergezelde deze woorden van Lize. Ontwaakt, begreep Ida dadelijk den vinger op Lize's lippen en fluisterend vroeg zij haar: »Is er wat gebeurd, Lize?«

»Niet dat ik weet, maar Mama heeft al om Anna gebeld; wat zou er wezen?«

Intusschen gingen beiden zonder eenig gedruisch te veroorzaken zich kleeden, om gereed, in gang of portaal haar meisjesachtige nieuwsgierigheid te bevredigen. Had Mademoiselle 't geweten, zij zou genoten hebben van de vlugheid en stilte, waarmede het anders vrij drukke en bij het kleeden tamelijk langzame tweetal, thans haar bedden netjes afgehaald, gekapt en gekleed de gang doorliep en over de leuning keek om naar Anna uit te zien.

»Anna, Anna!« half luid, half zacht, »scheelt Mama iets?--zeg gauw op, wat?«

»Neen, jongejuffrouwen, maar Mevrouw is al gekleed naar beneden gegaan.«

Na enkele sekonden wordt er aan Mama's kamerdeur geklopt en op het binnen! klinkt het als uit één mond: »Mama, heeft Gustaaf getelegrafeerd? Weet _u_ er alles van? Is de Koningin wel?«

»Maar kinderen, ondeugden! Zul je eerst je Moeder goeden morgen zeggen; jullie doet me schrikken met al je nieuwsgierige vragen.«

Na de behoorlijke morgenbegroeting vernam Mevrouw dezelfde vragen met nog enkele andere vermeerderd: eer zij beantwoord waren, kwam, zonder op het binnen te wachten, Jan in, pakte Mama eerst hartelijk en vroeg toen: »Waarom is Papa al naar het kantoor gegaan, Mama? Al driemaal heb ik de telefoon gehoord; zeker is het antwoord: _in gesprek_; of zou Guus nog niet op wezen?«

»Hij slaapt altijd zoo lang, als hij 's avonds gewerkt heeft,« valt Ida in. »Dat doet hij bij Grootmama toch niet, zou ik meenen;« vult Lize aan.

»Kind'ren wat zijt ge allen opgewonden, bedaar een beetje. Papa is op mijn verzoek naar 't kantoor gegaan, niet om Gustaaf op te bellen, want Grootmama is niet intercommunaal aangesloten, waar zou het lieve menschje 't voor noodig hebben?--maar oom Willem wilden we telefoneeren.--Ben je nu tevreden? Ik weet niets meer dan jij.«--

»Mama, laat mij gauw even naar Mevrouw van Loon loopen, die krijgt beslist een telegram, en anders naar de jonge barones Roëll, de vriendin der Koningin. U weet wel, de Mama van kleinen Willem, het petekind van H. M. Toe, lieve Moeder, zeg maar gauw ja!«

Mevrouw, verbaasd over zooveel belangstelling van de kinderen, zag Jan een oogenblik besluiteloos aan; wat zou Mevrouw van Loon zeggen of denken van zooveel vrijpostigheid, daarna keek ze naar de pendule; pas kwartier over zevenen!

»Mama, wie zwijgt, stemt toe, niet waar? Zoo gauw ik het echte weet, kom ik thuis,« en weg was Jan. »Echt goed bedacht!« riep Lize uit. »Waarom ben ik ook geen jongen, dan liep ik 's morgens en 's avonds alleen over straat,« voegde zij er aan toe.

»Zeker, zoo praten altijd alle meisjes, die nog op een leerkamer zijn,« spot Mevrouw met een lachje; »gaat nu gauw uw bedden afhalen, wat zou Anna anders wel denken.«

»Wat doen jullie hier? Al beneden schelmpjes?« vraagt haar vader, die juist binnenkomt.

»Alles belangstelling beste Henk, pure belangstelling in het groote nieuws, dat we verwachten.«

»Zag ik Jan de stoep afgaan, Amélie? Met één sprong was hij op straat.«

»Hij vroeg mij verlof om naar Mevrouw van Loon-Egidius te gaan, eer ik mij nog bedacht had, holde hij de gang al in. Wat zal Mevrouw wel van ons denken?«

»Jan zal wel netjes zijn boodschap doen; lang geen kwade inval; aan de telefoon kon ik geen beurt krijgen; 5 maal heb ik intercommunaal gevraagd en altijd weer hoorde ik »In gesprek.««

Jan draaft voort tot op de brug der Spiegelstraat; even staat hij stil. »Waar zal hij heengaan, rechtuit naar Mevrouw van Loon, of eerst naar de jonge mevrouw Roëll?« Terwijl hij zich dit afvraagt, ziet hij mevrouw van Loon de brug aan de Vijzelstraat oversteken, zoo gauw als zij maar loopen kan, ze zweeft letterlijk. »Die gaat naar baron Roëll, ik ook; daar komt de baron op de stoep en loopt naar Mevrouw toe. Ha, Ha! die twee weten het.« En als ging het om zijn leven zoo draaft Jan; als een pijl uit een boog schiet hij voort en hoort het juist: »Mevrouw, ik wou het u even komen vertellen!« »Mijnheer, ik kon aan de telefoon maar geen beurt krijgen om het u te berichten; heerlijk hé?«

De samensprekenden drukken elkaar innig hartelijk de hand en zien er beiden recht verheugd en gelukkig uit. Jan slaat zijn slag: »Mevrouw, ik mocht even naar u of naar den baron toe, is het kindje geboren?«

»Ja, Jan, een Prinses, zeg maar tegen je mama #alles wel#!«

Voor Jan zijn »dank u mevrouw!« ten antwoord geeft, maakt hij een flinken sprong, zwaait zijn pet en geeft zijn gemoed lucht in zulk een luid hoera! dat de baron en mevrouw in een lach schieten, daarop rent hij, even snel als hij gekomen was, naar huis.

Hier brengt hij door zijn mededeeling alles in opschudding. Dora danst met twee poppen in iederen arm en zingt van »Willemientje, 't lieve kindje.« Lize loopt naar de dienstboden, om 't te vertellen aan wie het nog niet van Jan vernamen; Louis sjort Anton mee naar zolder. »Gauw, Anton, gauw! nu echt de vlag uit en vooreerst niet weer inhalen, hoor! wel 14 dagen of langer uit, tot de visites beginnen net als toen Dora er pas was.« Ida opende haar geliefde piano en speelde en zong Wilhelmus en Wien Neerlands bloed; niemand dacht aan zijn werk, allen verblijdden zich!--En Jan kreeg verlof, terwijl Louis de vlag hielp uitsteken om den ooms het door hem verkregen bericht te gaan meedeelen. De ooms alleen hoorden het niet van den aardigen jongen; neen, ieder op straat die luisteren wou kreeg het verhaal van de samenspraak der beide waardigheid-bekleeders ten paleize.

Even haalt Jan zijn horloge uit, ja, ik kan nog best naar de Hollandsche juffrouw gaan. Het ontbijt loopt toch in de war en we krijgen op school geen uitbrander voor te laat komen. Het arme mensch is al dagen in onrust geweest en ze ligt ziek, wie weet hoe lang het anders duurt eer ze het hoort.

»Wie kan daar zoo hard schellen?--De bakker en de melkboer zijn er al geweest, doe eens gauw open, Aagje, gauw.«

»Juffrouw, kompliment van mevrouw.... ('t is jongeheer Jan, weet u,) de Koningin kreeg van morgen vroeg een Prinses, en alles is wel! Zijn Mama weet het van mevrouw van Loon; u wenscht hij beterschap;--en meteen ging de jongeheer de stoep weer af.«

»Aagje, meisje, laat ons God danken. Hij heeft onze vrees beschaamd.--Welk een genade, welk een zegen! Zulk een tijding zou me half beter maken!«

»Maar juffrouw zou het wel waar wezen? Zoo meteen zeide de vischvrouw nog: »Ze zegge dat er 'n Prinses is, 'kgloof er niks van, 'tzalle wel weer praatjes wesen, net as gistere.«--«

»Had die vischvrouw Mevrouw Van Loon gesproken per telefoon, of aan haar huis misschien, Aagje?«