Een verheugd volk en een jubelende stad

Part 1

Chapter 13,750 wordsPublic domain

E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)

Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this file which includes the original illustrations. See 36716-h.htm or 36716-h.zip: (https://www.gutenberg.org/cache/epub/36716/pg36716-images.html) or (https://www.gutenberg.org/files/36716/36716-h.zip)

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | | Vette tekst is weergegeven als #vet#. Uitgespatieerde tekst | | is weergegeven als ~uitgespatieerd~. | | | | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven | | als »aanhalingstekens«. | | | | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op http://www.gutenberg.org | | | +----------------------------------------------------------------+

EEN VERHEUGD VOLK EN EEN JUBELENDE STAD.--

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.

[Illustratie: DE KONINKLIJKE FAMILIE.]

Een Verheugd Volk en Een Jubelende Stad

door J. BRESSEN.

GEÏLLUSTREERD.

[Decoratieve illustratie]

La Rivière & Voorhoeve Zwolle.

VOORBERICHT.

_Het is mij een recht aangename taak een woord van waardeering te mogen schrijven voor het boekske, dat hierbij den lezer geboden wordt._

_Een uitnemend plan is hier verwezenlijkt, een plan waarvan den ontwerper, den heer _W. ten Have_, den bekenden boek- en kunsthandelaar te Amsterdam, alle eer toekomt. Want, ik mag het hier wel zeggen, van hem ging het uit._

_Maar ook, hoe voortreffelijk heeft Mej. _J. Bressen_ dat schoone plan verwezenlijkt. Zij is geen onbekende, en toonde nog onlangs hoe gewaardeerd werk zij geven kan. Ook nu weer heeft zij moeite noch zorg gespaard, en iets goeds en loffelijks geleverd, dat haar recht doet kennen in haar innige liefde voor ons Oranjehuis._

_De uitgave van zulk een boek, dat aan rijken inhoud ook schoonen vorm moest paren, was wel toevertrouwd aan de hh. _La Rivière & Voorhoeve_ te Zwolle. Hoe zij hun taak opvatten en volbrachten, daarvan kan zich elk overtuigen._

_Hebbe dit boekske een voorspoedigen loop. Zij het velen in lengte van dagen een gedenkboek, dat stemt tot dank aan God, en de liefde versterkt voor het huis van Oranje, de jeugdige Prinses en de Vorstelijke Ouders, wier vreugd en hoop Zij is._

Amsterdam, November 1910. A. J. Hoogenbirk.

[Decoratieve illustratie]

INHOUD.

Bladz.

I. Plannen 9

II. Van enkele Huldeblijken 23

III. 30 April 1909 54

IV. Van Hier en Daar. (Nà 30 April 1909) 93

V. Een Jubelende Stad. (Van 26 Mei-2 Juni 1910) 109

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK I.

Plannen.

»Goed weer voor een flinke wandeling, meisjes!« zoo sprak op een ochtend in het laatst van December 1908 een Française, de gouvernante eener vrij talrijke familie te Amsterdam.

Deze mededeeling viel niets in den smaak van 't drietal, dat zich juist voorgenomen had den eersten vrijen dag te besteden aan het inpakken of voltooien harer kerstgeschenken.... geen smeekbede, dat wisten ze bij ondervinding, zou iets baten om Mademoiselle van haar voornemen af te brengen. Zouden ze het Mama vragen? Neen, dat zou niets geven; Mama vond altijd goed wat de juffrouw zeide, en dan was er kans, dat deze nog boos werd op den koop toe. De vrees, dat bij den ongestadigen, natten winter de wandeling in den namiddag onmogelijk werd, deed Mademoiselle reeds om 10 uur de voordeur achter zich en haar drie discipeltjes dicht trekken.

»Mag ik even lezen wat daar is aangeplakt, Mademoiselle?« vroeg Ida, toen ze alweer een winkel voorbijgingen, waar de menschen zich voor een bulletin van Nieuws-, Handelsblad of Telegraaf verdrongen.

»Hetgeen ge weten moet, zal Papa of Mama je wel meedeelen; berichten van moord of diefstal enz. verlangt Mevrouw niet, dat ge onder uw oogen krijgt, dat weet ge heel goed, Ida!«

Zwijgend gingen allen verder en na ruim anderhalf uur ontsnapte een zucht van verlichting aan Lize, toen ze met Ida en Dora op haar slaapkamer kwam, om mantels en hoeden op te bergen.

»Was ze maar met vacantie naar huis gegaan, dan konden we doen wat we willen!« riep Lize uit.

»Maar dan was de vacantie zooveel korter, en nu hebben we net zoo lang vrij als de jongens,« merkte Dora op.

»Och, de jongens hebben vrienden sedert ze schoolgaan; en jullie beiden hebt ook je muzieklessen in de vacantie; gelukkig ben _ik_ daar af,« aldus besloot Lize.

»Wel meisjes, hebt ge aangenaam gewandeld?« vroeg Mevrouw aan de koffietafel. »Het is zulk heerlijk droog weer als we in lang niet van genoten, ik zou graag meê gegaan zijn, toen ik Mademoiselle op de trap hoorde; maar ik had het te druk.«

»Zeker met het pakjes maken, Mama! Heerlijkjes, hé, heerlijkjes! vindt jullie het ook niet, jongens?« vroeg Dora.

Juist kwam Papa binnen en Lize moest haar vraag: »Jongens! heb je die bulletins ook gezien daar zooveel menschen voor stonden?« terughouden, daar mijnheer aan tafel geen oogenblik te verliezen had, zou de beursbengel hem niet verrassen. Ida en Lize moesten haar nieuwsgierigheid bedwingen tot 's avonds de courant binnengebracht werd; toen verdiepten zij zich zoo in allerlei geheimzinnigheden voor 25 December, dat zij het bulletin heelemaal vergaten.

De zoo vurig verbeide 25e van Wintermaand brak aan en Dora moest, wegens een zware verkoudheid, thuisblijven. Ze had zich nog al zooveel genoegen van haar eersten kerkgang voorgesteld. Het rijtuig nam Mama en de zusjes met Mademoiselle mede; de heeren en de jongens gingen te voet en Dora wierp allen een vriendelijke doch verdrietige kushand toe. Maar ze wist raad en ging zich troosten over haar gedwongen thuiszitten door een nieuw schrijfboek te nemen en weldra vloog haar potlood over het papier.

Zoodra ze wat schrijven kon, had ze zich vermaakt met het verzinnen en opschrijven van geschiedenisjes, gewoonlijk alleen voor de ooren harer poppen bestemd; een enkele maal viel zulk een geschrift een der zusters in handen, die haar dan braaf met den inhoud plaagde.

De onderwijzeres, die den meisjes les gaf in de Nederlandsche taal, de geschiedenis en het rekenen, gaf Dora onlangs een schrijfboek met een fraai bedrukt omslag, en dit besloot Dora voor haar historietjes te houden. Heden werd het in gebruik genomen en zou, zorgvuldig in haar kastje weggesloten, aan aller blik ontsnappen.

»Wat bad de leeraar hartelijk voor onze Koningin, en hoe schoon, niets gezocht, bracht hij die blijde verwachting te pas in de preek,« zei Mevrouw onder de koffie.

»Jawel!« antwoordde Mijnheer, en richtte tegelijkertijd zijn blik naar de plaats, waar de jongeren zaten. Mevrouw zag daardoor de vragende oogen van Ida en hoorde tegelijk Lize zeggen: »o, Mama! begreep ik het goed, verwacht de Koningin een kindje?«

»Ja, wist jij dat nog niet? Je hadt het kunnen lezen op de bulletins; overal hingen ze; niet enkel in de sigarenwinkels,« zoo luidde de inlichting van Gustaaf, den oudsten broeder, student in de rechten.

»Nu, daar hebt je het eindelijk, wat Mademoiselle niet wou, dat we lezen zouden; geen moord of zoo stond er op, dat zag ik best onder het voorbijloopen; Jan en Louis, zulke kleintjes, wisten het eer dan jij Ida! 't Is toch wat moois, altijd zoo gering....«

»Stil Lize, Mademoiselle doet wat ik haar vraag, en kon niet weten wat blij nieuws ditmaal per bulletin bekend werd.«

»Ja, Mama, maar....«

Een blik der gouvernante, die geen Hollandsch sprak, doch wel verstond, hield Lize's woordenstroom tegen; toch kreeg zij een terechtwijzing, en wel van Louis, den jongsten broer. »Zulke kleintjes! Hoe klein ben jij dan wel, jongejuffrouw Eliza? Jan is 13, ik ben 11 en jij wordt gauw 10, en durft ons zulke kleintjes noemen, pas op, hoor!«

»Ondeugden! geen getwist op Kerstdag en dan nog wel, als het heele land blijde is, omdat er een Prins of Prinses van Oranje verwacht wordt!«

»Braaf gesproken, oudste zuster! Het zal 't hart van je aanstaanden man goeddoen. Is hij soms familie van die Oranjeklanten, de Van Harens, jou stoere Friesche baron?«

»Ik geloof het niet, Gustaaf. Doch over deze heugelijke tijding schreef Sjoerd mij nog niet, maar _ik zelf_ denk er zoo over.«

»Zeker dank 't onderwijs onzer Hollandsche juffrouw, die met het Huis van Oranje dweept;« veronderstelde Mevrouw, »maar we moeten danken; en dan moet Dora een poos gaan rusten, anders kan ze van avond niet laat opblijven, u denkt er wel aan, Mademoiselle?«

De bespreking van het groote nieuws bracht in dit huis, gelijk overal pennen en tongen in beweging; en op 2en Kerstdag vernam Dora's poppengezelschap van haar mamaatje het volgende verhaal:

»Er is een lieve Koningin, die woont met een Prins in een mooi paleis in Gelderland. Dat paleis staat in een grooten tuin, en daar is een heel lief Zwitsersch huisje in; die Koningin speelde daar, toen zij nog klein was, met haar poppen, voerde haar duiven, plukte aardbeien en bessen in het tuintje er om heen. Die Koningin hield alles zelf netjes in orde, keurig hoor!--De Hollandsche juffrouw heeft het gezien meer dan eens en ook eenmaal de duifjes van de Koningin uit haar hand laten eten! Vindt jullie dat niet heel aardig?--Foei! je kijkt of het je verveelt, Marietje, dan lees ik niet meer.--Die kleine Koningin werd groot en heeft het alle dagen heel druk; behalve als ze op reis gaat, maar dan moet die Majesteit toch nog o, zoovele brieven lezen en schrijven, zoodat ze alle dagen wel 2 uur er voor noodig heeft. Op een keer kwam die Koningin, 't is onze eigen lieve Koningin, waarvan ik je voorlees, weet jullie, in Amsterdam met een blonden heer, daar was zij mee getrouwd in den Haag. Toen was er hier een groot feest; maar daarvan zal ik je later eens vertellen. Nu moet je goed luisteren, toen we verleden jaar bij tante Anna waren, die zulk een snoezig klein kindje had en ik altijd mocht komen kijken als zij dit liefje baadde, zei Tante op een keer: »Ik wou toch maar, dat onze beste Koningin ook zoo'n lieverdje kreeg, zoo'n poezelig dikkertje, als dit Heleentje is.« Ik vroeg aan Tante, dat lieve schatje aan de Koningin te geven, ze is zoo zoet en kraait al van pret. Tante, u houdt toch nog meer meisjes over, dan Mama heeft en uwe zijn allemaal nog klein. »Gunst, neen, Dora! waar denk je over!« riep Tante. »Ik zou Heleentje voor nog zooveel niet willen missen. Neen, neen schatje! jij blijft bij Moes, wees maar niet bang, dat ik je weggeef.«

Maar vandaag vertelde de dominee in de kerk aan je tantes Ida en Lize, dat er in dat mooie paleis een klein, lief kindje komt. Wat zal de Koningin dan blij wezen! Ik hoop net zoo'n dikkertje als Tantes schatje. Als jullie heel, heel zoet bent, zal ik het je dadelijk vertellen, als het kindje er is; en als Mama het goed vindt, ga ik iets heel verrukkelijk moois voor dat kindje maken. Ik weet nog niet wat.«

Zoo eindigde de voorlezing aan het zestal poppen, doch die dametjes hoorden nog vóór Nieuwjaarsdag, dat haar mama niets maken kon, mooi genoeg voor een koningskind. Dat vonnis kostte Dora veel tranen.

In het hoofdje van Dora ontstond niet alleen het plan om aan de blijdschap van haar hart uiting te geven, als onze lieve Koningin een kleintje kreeg; neen, weldra hoorde men van alle kanten in couranten en circulaires, dat zich comité's vormden om H. M. een huldeblijk aan te bieden ter gelegenheid dier verwachte, blijde gebeurtenis.

Amsterdam en Enschedé zetten 't eerst hiervoor een plan op touw; Haarlem, Rotterdam en Leeuwarden volgden na enkele dagen, evenals Groningen en, hoe zou het anders kunnen, Apeldoorn en 's-Gravenhage.

Daar zond men stukken en stukjes naar dagbladen, welker schrijvers het betreurden, indien in een tijd van tegenspoed en werkeloosheid, wanneer van de liefdadigheid zooveel gevraagd wordt, gelden zouden bijeengebracht worden voor kostbare geschenken, en die schrijvers meenden naar het hart van H. M. te spreken, als zij afrieden om aan al zulke voornemens gevolg te geven. In verschillende kringen vond dergelijk schrijven instemming; zoo besprak op zekeren avond in de groote, warme keuken van Dora's ouders het dienstpersoneel deze zaak, naar aanleiding van een stukje in een dagblad om zoo min mogelijk de krachten te versnipperen, door tallooze comité's en comiteetjes te vormen, en verder raadde het aan in het openbaar niet meer te schrijven over deze kiesche zaak.

»Nog een kopje thee Anton?«

»Asjeblieft Alida. Heb je daar de krant van van avond al?«

»Neen, van gisteren; heb je van de week gelezen wat ze aanraadde over al die geschenken en comité's voor de Koningin?«

»Het is maar heel goed,« viel de 3e meid in, »dat er een eind aan al die gekheid komt, de Koningin kan best een wieg koopen en alles betalen wat er noodig is. Waarvoor moet er zooveel geld weggegooid aan goud en zilver, zijde en kant? Kan dat kindje niet gewoon opgebakerd worden? En dan.... de menschen lijken wel gek met al hun plannen; ik heb nu al van 5 wiegen gelezen en 2 of 3 wagens en tafels en kasten en waschstellen; de Koningin moest het verbieden; er is zooveel armoede en daarvoor wordt niets gedaan; 't was heel wat beter al dat geld uit te deelen, dat zeg ik maar! Daar heb je me zusters man, hij is al maanden thuis, ze leven van giften en gaven en van wat zij met wasschen in huis verdient, ze kan haar kleine kinderen toch niet alleen laten om uit werken te gaan; daar komt ook weer een kleintje, wie denkt daar over?«

»Wel jij, Greta!« sprak de werkmeid; »jij doet je best voor je zuster en haar kinderen en jij maakt nog wel _wat moois_ voor het te wachten kleintje; ik zal _wat warms_ er bij geven, als het er is, en je mag mijn avondje hebben om er extra heen te gaan, als Mevrouw het goed vindt. Maar je moet toch begrijpen, dat de geboorte van het kindje van de Koningin een gebeurtenis is van groot belang voor ons heele land. Als de Koningin eens stierf zonder kinderen na te laten, wie moest er dan regeeren?«

»Zou je graag onder de plak van Troelstra zitten en zijn vrindjes, zeg Greta?« vroeg de knecht.

»Nu ja, maar ik zeg, dat het schande is zooveel duizenden guldens weg te gooien om van alles te maken, dat misschien nog bovendien nooit gebruikt wordt, zeggen ze,« hield de aangesprokene vol.

»Hier is de courant van vanavond, zoek eens gauw op hoe de Koningin het maakt, Anton; ik hoop zoo, dat zij wèl mag blijven; wat zal ze blij wezen en Koningin Emma ook, als die grootmoeder wordt.«

»Daar heb je het al: Een brief van den secretaris der Koningin! De knecht las dien in zijn geheel voor.--Zie je nu wel Greta, dat de Koningin niet hebberig is, en wel echt weet, dat er veel behoeften zijn, nu wil de Koningin hebben, als men _al_ het geld niet voor liefdadigheid geven kan, dan toch een deel.«

»Anton, waarom kunnen ze niet alles geven?« vroeg de werkmeid.

»Wel, zie je, als wij nu met ons allen geld wegleggen voor een huwelijksgeschenk voor de juffrouw, zou je het dan goed vinden als Mevrouw op den bruidsdag zei: Ik vind het heel aardig, dat jullie zoo voor een mooi cadeau opgespaard hebt, maar op dat dorp, waar de juffrouws baron woont zijn eenige huisjes, waarin armen voor niets wonen, die huisjes moeten opgeknapt worden, geeft daarvoor dat geld nu, en koopt geen zilverwerk, voor mijn dochters huishouden, ze krijgt al zooveel moois en....«

»Neen, neen, dat zullen we nooit goedkeuren, die armenhuisjes komen toch wel in orde, daarvoor hebben we niet opgespaard!« riepen allen.

»Daar heb je nu net zoo'n geval, als waarover jij, Greta! je ergert en Heintje nagedacht heeft. De Koningin laat daarom haar secretaris schrijven: »Daar de vriendelijke bedoeling der gevers en het bewijs van aanhankelijkheid voor H. M. hoofdzaak is, het H. M. veel genoegen zou doen, indien het mogelijk ware, een gedeelte der gelden, ingezameld voor dit doel, een bestemming te geven ten behoeve van liefdadige instellingen.«--We zullen er, als alles klaar is wel meer van hooren,« besloot de voorlezer.--

»Staat er anders niets over de Koningin zelf in, zeg Anton?«

»Ja, hoor eventjes, maar val me niet in de rede, ik moet 't theegoed wegruimen. »H. M. dejeuneert dagelijks bij de Koningin-Moeder, en doet kleine wandelingen voorafgegaan door een heer, vergezeld van een hofdame en gevolgd door een lakei.«--Zoekt zelf maar verder, meisjes.«--En weg was de knecht, binnen hoorde hij hetzelfde onderwerp behandelen, doch natuurlijk deed hij, als verstond hij er geen woord van.

[Decoratieve illustratie]

[Decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK II.

Van enkele Huldeblijken.

»Mama, Grootmama noodigt Ida en mij te logeeren, om haar 70en verjaardag te helpen vieren;« aldus Gustaaf met een brief in zijn hand. »Zet u maar geen ernstig gezicht over die 3 of 4 dagen verzuim van de lessen; zij bleef den heelen winter wel; zij miste er geen een. Grootmama zal haar meenemen om de Haagsche wieg te gaan zien.«

»Mama, niet eerst aan Mademoiselle vragen, laat Guus dadelijk Grootmama berichten, dat zij komen; Ida zal zóó verrukt ophooren: Eenig, eenig! zal ze juichen; zeg nu gauw ja, Moedertje!« zoo pleitte de oudste dochter.

En Ida juichte, toen ze aan de thee vernam van het ongedachte uitstapje; al kostte het Mevrouw en den twee grooten eenige moeite, toch zwegen ze van de wieg, om zelven later temeer van Ida's opgetogenheid te genieten.

Gezellig zaten Ida en Gustaaf in Grootmama's ouderwetsche, doch huiselijke zitkamer met haar aan de thee en spraken over het ontmoeten der vele bloedverwanten, die den vorigen dag ter eere van den 70en verjaardag gekomen waren. Allen, kleinkinderen, kinderen niet het minst, verheugden, zich over den welstand der oude mevrouw, die lang niet altijd een kalm leventje had geleid, en toch nog zoo kras mocht heeten.

»Grootmama, heeft u heusch 11 kinderen gehad? Ik kan niet meer dan 7 ooms en tantes vinden en Papa er bij dat is 8.--Zijn er van uw kinderen 3 gestorven?«

»Ja, Ida; ik heb bij mijn eigen kinderen ook 'n Ideletta gehad, die werd 20 jaar en stierf aan typheuse koorts met longaandoening; 'n Jacob, die op 14-jarigen leeftijd aan hersenziekte overleed, en een Willem die een jaar ouder was dan je Papa; hij werd maar 11 weken en bleef in een stuip. De Heer had je Grootpapa nog gespaard; ik behoefde zoo zeer zijn steun bij elk dier sterfgevallen.«

De oude mevrouw zweeg lang, zoodat Ida begon te vreezen, dat zij door haar nieuwsgierigheid haar goede grootmoeder smart had aangedaan; zij keek bedrukt van haar werk op en staarde in de grillige vlam van het turfvuur in den wijden schoorsteen.

»Kind, waar peins je over? Gustaaf is verdiept in zijn courant, waarvan hij al het nieuws voor zich houdt; en jij, praatgraag, zegt niets.«

»Grootmama, ik dacht, dat ik u verdriet had gedaan met mijn vragen, het zou mij werkelijk spijten.«

»Neen, kindlief! mijn overleden man en kinderen vergeet ik nooit en mis ik nog altijd, doch ze zijn in den Heer ontslapen en dat troost mij.«

»'t Moet toch vreeselijk akelig wezen om dood te gaan, denkt u ook niet?«

»Je Hollandsche juffrouw zou zeker zeggen: »Ida, Ida, je moest zeggen: Dunkt het u ook niet? En is dat nette taal _doodgaan_?«« vroeg Gustaaf, die zijn courant neergelegd had.

»Guus! ik ben hier niet in de leerkamer, gelukkig niet! Die Hollandsche lessen zijn wel de prettigste; maar onmogelijk kan ik altijd op mijn woorden letten.«

»Zou je graag nagewezen worden voor slecht Fransch, leelijk Engelsch, onnauwkeurig gesproken Duitsch, petekind?«

»O, neen, Grootmama, maar Hollandsch hoeft zoo mooi niet.«

»'t Is goed, dat H. M. je niet hoort, meisje! Die vindt het bepaald noodig, dat Nederlanders hun taal goed spreken; ik wou dat je al uitgingt en je Mama je aan het hof liet voorstellen, dan zou je eens hooren, niet alleen die lieve stem der Koningin, maar ook hoe zuiver Zij onze mooie moedertaal uitspreekt. Heeren zijn soms in de gelegenheid H. M. bij officiëele gelegenheden een toespraak te hooren houden. Zij roemen de Koningin altijd, omdat Zij zoo duidelijk en van pas spreekt; gelukwenschen en aanspraken degelijk beantwoordt; de Koningin kan vooraf niet bedenken wat Zij zeggen zal, want wie vertelt Haar wat de betrokken burgemeester, president enz. te berde zal brengen; neen, Ida, ge moet het Nederlandsch liefhebben en daarom eeren en goed spreken.«

»Grootmama, u spreekt naar mijn hart, wij, studenten, hebben een reciteer- en declameerclub met het doel goed en voor de vuist ons over allerlei uit te drukken; en om u te plezieren, wil ik er wel bijvoegen, dat ik mijn best doe de platte taal, die velen tegenwoordig mooi vinden, te weren.«

Grootmama zag haar oudsten kleinzoon zeer tevreden aan en drukte even zijn stevige hand, die hij haar zoo gul toestak; daarop wendde ze zich weer tot Ida en zei: »Als je nu belooft nooit meer zoo gering van onze taal te spreken, dan mag je morgen iets zien, dat H.M. gaat gebruiken. God geve het naar ons wenschen en bidden,« voegde de oude dame er bij.--

»Iets dat de Koningin gaat gebruiken, wat bedoelt u, Grootmama?«

De blik van verstandhouding met Gustaaf gewisseld, ontging het jonge meisje niet; toen de oude mevrouw antwoordde: »Waarin zal de Prins of Prinses over dag rusten? Immers in de Haagsche kamerwieg, meisjelief, die mag je morgen gaan zien.«

»Wat, Grootmama! Ik? Dat kan immers niet, ik heb er niet aan bijgedragen. We wonen niet in Zuid-Holland. Mag ik heusch?«

»Ja, heusch! Hoe het kan is mijn geheim, je mama en Gustaaf hebben dit geheimpje ook goed bewaard, dat merk ik wel.--Nu, Gustaaf was geen zoon van mijn Hendrik, als hij niet zwijgen kon.«

»Heerlijk, eenig, verrukkelijk!« jubelde Ida, die even opsprong en Grootmama eens pakte, op gevaar af den ouden, mageren hals pijn te doen. »Welk een genotje! hoe lief van u bedacht; u is toch een echte grootmama! dat zeg ik maar!«

»Het is goed, dat ik niet alle dagen voor een verrassing van een echte grootmama omhelsd word;« zeide Mevrouw, terwijl ze de kanten slippen harer muts terecht schikte.

»Ik wou u geen pijn doen, maar 't komt zoo onverwacht, 't is de eerste wieg, die aangeboden wordt. Ik zal morgen dadelijk naar huis schrijven, dan weten ze het nog vóór de courant komt.«

Ida was zoo goed als haar woord.

DEN HAAG, 3 April '09.

_Lieve Lize en Dora._