Part 8
Het waren rustige jaren, die nu voor de Hervorming volgden. Keizer Karel had het vooreerst te druk met zijn vele oorlogen om zich met de »ketterij« bezig te houden; en dus konden de hervormers ongehinderd voortgaan met hun heerlijk werk.
't Was altijd Luthers innige wensch en bede geweest, dat er gedurende zijn leven om het Evangelie geen oorlog mocht komen; en zijn gebed is verhoord. Toen zijn groote taak op aarde was afgedaan, nam de Heer hem in vrede tot zich, in zijn drie en zestigste jaar.
Den 28sten Januari was Luther op verzoek van de graven van Mansfeld te Eisleben gekomen om er een familietwist over hun erfgoederen bij te leggen. Toen hij met zijn zonen bij ruw weer op reis ging, was hij al lijdend en zwak, en door een onderweg gevatte koude werd het er in Eisleben niet beter op. Toch preekte hij er nog viermaal in de Andreaskerk. Zijn laatste preek, vier dagen vóór zijn dood, was over Matth. 11: 25-30 en eindigde met de woorden: »Er zou nog veel meer van te zeggen zijn. Maar ik ben te zwak. We zullen het dus hierbij laten. Onze lieve God schenke ons de genade, dat wij Zijn dierbaar Woord met dankbaarheid aannemen, en in het geloof in Zijn lieven Zoon, onzen Heere Jezus Christus, wassen en toenemen en ten einde toe volharden. Amen.«
Toen hij er na drie weken de zaken in orde gebracht had, wilde hij zonder uitstel naar Wittenberg terug, want hij gevoelde, dat hij wel spoedig zou sterven. Dienzelfden dag sprak hij aan tafel met groote opgewektheid over het heerlijke van een eeuwig weerzien van vader, moeder en zoovele vrienden na den dood.
Na den avondmaaltijd ging hij weer naar boven, naar zijn kamers. Daar kreeg hij hevige benauwdheden. »Ach,« zei hij, toen hij zich te bed had gelegd, »ik denk dat ik hier in Eisleben, waar ik geboren en gedoopt ben, wel blijven zal.« Hij sliep een paar uren, maar stond toen weer op en was erg onrustig. Dit bleef zoo het verdere van den avond. Telkens hoorde men hem bidden. Eindelijk legde hij zich weer neer. 't Was intusschen al nacht geworden.
Zwijgend stonden de saamgeroepenen met den dokter en zijn drie zonen om zijn rustbed. Af en toe hoorde men hem spreken, woorden van geloof en hoop. Ook zijn lievelingstekst, Joh. 3: 16; »Alzoo lief heeft God de wereld gehad«. Toen het einde naderde, vouwde hij nog eenmaal de handen en hoorde men: »Aan U, o Heere Jezus Christus beveel ik mijn ziel! Ik verlaat deze wereld, maar ik weet, dat ik eeuwig bij U zal leven. O Heere! waarachtige God! in Uw handen beveel ik mijn geest; want Gij hebt mij verlost.«
Even daarna vroeg zijn vriend Justus Jonas hem: »Eerwaarde Vader, zult ge op Christus en de leer, die gij gepredikt hebt, nu ook standvastig sterven?«
»Ja!« klonk het met een blijde, heldere stem door de kamer.
Dit was Luthers laatste woord. Kort daarop ging de ziel van den grooten hervormer naar het Vaderhuis, 18 Februari 1546, 's morgens te 4 uur.
Luther had een vorstelijke uitvaart. 19 Febr., te 3 uur werd zijn stoffelijk overschot, onder klokgelui en gezang, naar de Andreaskerk gedragen, gevolgd door vorsten, graven en gravinnen, en een ontzaglijke menigte volks. Daar, vóór het altaar, werd het neergezet en door Justus Jonas een gedachtenisrede gehouden. Den volgenden middag stond er opnieuw een onafzienbare menigte op de straat saamgepakt of zag aan ramen en van daken toe, terwijl de stoet gevormd werd, die den doode, op verlangen van den keurvorst, naar Wittenberg zou overbrengen. Tusschen twaalf en één uur zette de lijkstoet, door twee jonge graven van Mansfeld en meer dan vijftig ruiters begeleid, onder het luiden van al de klokken zich in beweging.
Het geheele land was met rouw vervuld en beweende den geliefden doode als een vader. Door heel Saksen werden in alle steden en dorpen, waar de stoet doortrok, de klokken geluid. Te Wittenberg werd hij bij de Elsterpoort door de geheele bevolking opgewacht. Vóór de pastorie sloot zijn bedroefde vrouw met haar elfjarig dochtertje en eenige vriendinnen in een kleinen wagen zich er bij aan. En zoo ging het, langs de universiteit, de Slotkerk binnen, door dezelfde deur, waar hij acht en twintig jaren geleden, toen onbewust nog, het groote hervormingswerk begonnen was. Daar rust Maarten Luther naast zijn keurvorst, dicht bij den preekstoel, waar hij zoo menigmaal de Blijde Boodschap heeft doen hooren.
Zelfs de haat moest hem laten rusten. Toen er namelijk in het volgende jaar werkelijk een godsdienstoorlog uitbrak en keizer Karel als overwinnaar in Wittenberg kwam, zag hij daar in de Slotkerk het graf van Luther. De wreede hertog van Alva stond bij hem en gaf hem den raad, het gebeente van dien ketter te laten opgraven en verbranden. Maar de keizer antwoordde: »Laat hem rusten. Hij heeft zijn rechter reeds gevonden. Ik strijd tegen levenden, niet tegen dooden.«
Zoo sprak de zegevierende keizer. Maar de oorlogskans keerde. Na enkele jaren werd de overwinnaar door keurvorst Maurits van Saksen zelf overwonnen en op de vlucht gejaagd, en moest hij alles teruggeven, wat hij in 1547 gewonnen had. Niet lang daarna, in 1555, kwam er een vrede tot stand, de _Augsburgsche Godsdienstvrede_ genaamd, waarbij de Hervorming als wettig werd erkend en den Evangelischen volle vrijheid in de uitoefening van hun godsdienst werd gewaarborgd.
[Illustratie: KEIZER KAREL V OP ZIJN VLUCHT.]
Met dank- en vreugdefeesten werd deze vrede door hen gevierd; en als een overwinningslied klonk door de Duitsche landen de dankbare jubeltoon: De rechterhand des Heeren is verhoogd! De rechterhand des Heeren doet krachtige daden!
* * * * *
Te Worms is bij gelegenheid van het drie en een halve Eeuwfeest der Hervorming een prachtig gedenkteeken opgericht. De middengroep ervan zien we op het omslag van dit boekje afgebeeld.
In het midden, als hoofdpersoon, rijst boven alle uit de kloeke figuur van Maarten Luther, den blik naar boven gericht en de rechterhand op den Bijbel, dien hij met de linker omvat houdt, als wilde hij het der wereld nòg toeroepen: »Dat Woord wil en kan ik niet laten varen!«
Aan zijn voeten zitten de voorloopers der Hervorming: Petrus Waldus en John Wicklef, die we er niet, Johannes Hus en Savonarola, een Italiaansche monnik, die we er wèl op kunnen zien.
Op het voetstuk leest men op den voorkant Luthers heldenwoord op den Rijksdag te Worms: »Hier sta ik. Ik kan niet anders. God helpe mij. Amen!«
Om die hoofdgroep heen staan op de vier hoeken keurvorst Frederik de Wijze, landgraaf Philips van Hessen, en de beide geleerden Johann Reuchlin en Philippus Melanchton, die door hun groote taalkennis, de eerste van het Hebreeuwsch, de laatste van het Grieksch, Luther van zooveel nut zijn geweest bij het vertalen van den Bijbel.
Daartusschen zitten drie stedemaagden, beelden van Spiers, de stad van het _Protest_, waarnaar wij nog Protestanten heeten; Augsburg, de stad van de _Geloofsbelijdenis_ en van den _Godsdienstvrede_, en het arme Maagdenburg, dat veel geleden heeft om het geloof en in den dertigjarigen oorlog geplunderd, verbrand en gruwelijk uitgemoord is.
Dat gedenkteeken van Worms is het grootste Hervormingsmonument van de wereld.
XIX.
De eerste martelaren der Hervorming.
Is Duitschland de plek, waar het gezegend werk der Kerkhervorming tot stand is gebracht, aan de Nederlanden was de eer beschoren, de eerste martelaren daarvoor te geven. We mogen ons boekje niet eindigen zonder ook van deze dappere geloofsgetuigen eenigen te hebben herdacht.
Hendrik Voes en Johannes van Essen heetten ze, twee Augustijner monniken uit Antwerpen, van dezelfde orde dus als Luther. 1 Juli 1523 werden ze op de markt te Brussel levend verbrand.
Ze waren vol moed. »We sterven als Christenen!« riepen ze het volk toe op weg naar den brandstapel. En terwijl de vlammen om hen heensloegen zongen zij het _Te Deum laudamus!_ (Wij loven U, o God!) ons Gezang 2.
Toen een van hen bemerkte dat het touw, waarmee hij aan den paal was gebonden, losgebrand was, knielde hij neder in de vlammen en bad: »Heere Jezus, Zone Davids, ontferm U onzer!« Zoo zingend en biddend gingen ze de eeuwigheid in.
Deze twee mannen waren de eersten in heel Europa, die hun geloof met hun dood bezegelden; en ze werden door duizenden gevolgd. Ons vaderland heeft heel wat van zulke martelaars zien vallen; vijftigduizend alleen onder de regeering van Karel V en nog wel twintigduizend in latere jaren. Men kan wel zeggen, dat de grond hier doorweekt is van hun bloed. Dat is nu aan den eenen kant wel een treurige gedachte, maar aan den anderen kant geeft het weer stof tot blijde dankbaarheid. Want het is een teeken, dat men ook bij ons tot de kennis van de zuivere leer was gekomen, en dat het geloof der belijders niet slechts bestond in woorden, maar in kracht.
Luther dacht er ook zoo over. Toen hij hoorde wat er in Brussel gebeurd was, schreef hij een troostbrief »Aan de Christenen in Holland, Brabant en Vlaanderen«, waarin hij onder meer zeide: »U is boven de geheele wereld het voorrecht gegeven, niet alleen om het Evangelie te hooren en Christus te leeren kennen, maar de eersten te zijn die voor Christus lijden en sterven mogen.... O, hoe verachtelijk zijn die twee ter dood gebracht; maar hoe heerlijk zullen zij met Christus in eeuwige vreugde wederkomen!.... Bij ons te lande zijn we nog niet waardig geweest, zulk een dierbaar en kostelijk offer voor Christus te worden, ofschoon velen van ons niet zonder vervolging geweest zijn en nog zijn. Daarom, mijn beminden, weest getroost en blijmoedig in den Heer, en laat ons danken voor de groote teekenen en wonderen, die Hij begonnen is onder ons te doen.... Uw banden zijn mijn banden; uw blijdschap is mijn blijdschap; zoodat ik tegelijk met u lijd en met u blijde ben.«
Ziehier hoe Luther met zijn Nederlandsche vrienden meevoelde. Hij heeft ook een mooi lied gedicht »Op de twee martelaren.«
»Een nieuw gezang, wij heffen 't aan, Het klimt tot God, den Heere!«....
luiden de eerste regels.
Afschrikken deden die brandstapels de ware belijders dan ook niet. Erasmus zeide: »Waar Rome zijn brandstapels opricht, is het of het ketters zaait.«
En zoo was het ook. De geschriften van Luther en de andere hervormers werden hier te lande steeds meer gelezen. De Bijbel werd in het Hollandsch vertaald en àl meer onder het volk bekend en naarstig onderzocht. Sommige Nederlanders gingen naar Wittenberg om Luther persoonlijk te leeren kennen. En als ze dan door den omgang met dien held Gods in hun geloof versterkt waren, kwamen ze terug om, met gevaar en dikwijls ten koste van hun leven, ook predikers te worden van het Evangelie naar de H. Schrift.
Zoo ging het ook met Hendrik van Zutphen, en met een jong priester, Johannes Pistorius, van Woerden, ook Jan de Bakker genoemd, omdat hij later bakker was geworden.
Deze jonge man, hij was pas zes en twintig jaar, was ook eenige maanden in Wittenberg bij Luther geweest. In Woerden teruggekeerd predikte hij er in de huizen. Maar door den priester daar van »Lutheranije« beschuldigd, werd hij heimelijk opgelicht, naar 's Gravenhage gebracht en daar op de Gevangenpoort, zwaar geboeid, in een donker hol opgesloten. Eerst werd hij daar eenige dagen geheel alleen gelaten, en toen kreeg hij allerlei bezoekers, die hun best moesten doen om hem van zijn geloof af te brengen. Maar alle pogingen waren vergeefsch. Zelfs zijn vader moest hem er toe zien te bewegen. Maar het geloof en den moed van zijn zoon ziende, kreeg de vader zelf ook moed om voor zijn geloof uit te komen.
»Ik ben bereid, naar het voorbeeld van Abraham, mijn lieven zoon, die nooit iets tegen mij misdaan heeft, aan God te offeren,« betuigde hij; wat den zoon natuurlijk nog meer versterkte in zijn geloof.
Vier maanden lang heeft Jan de Bakker in zijn kerkerhol doorgebracht. Toen, 15 September 1525, werd de brandstapel voor hem gereed gemaakt, in het gezicht van de andere gevangenen, om hen, zoo hoopten de rechters, daardoor af te schrikken. Met mannenmoed stapte hij er heen. »Houdt goeden moed,« riep hij zijn medegevangenen toe, »als dappere krijgsknechten van Jezus Christus! Laat mijn voorbeeld u opwekken en verdedigt de waarheid van het Evangelie tegen allen die haar miskennen!«
De gevangenen hoorden het, en opgewekt door de geloofstaal van hun moedigen medestrijder, klapten ze in de handen en zongen ze hem door de tralies hun eenparig antwoord toe in het oude Kerklied: »O, zalig feest der martelaren!«
Toen hij op de houtmijt stond en aan den paal werd vastgemaakt, riep hij: »Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? De dood is verslonden door de overwinning van Christus!« Daarop hoorden de toeschouwers hem bidden: »Heere Jezus, vergeef het hun, want ze weten niet, wat ze doen!--Jezus Christus, Zoon van God, gedenk mijner! Ontferm U mijner!« Toen de vlammen zijn lichaam verteerden, was zijn ziel al in den Hemel.
Maar het waren niet alleen mannen, die voor hun geloof durfden sterven, ook vrouwen beklommen onverschrokken het moordschavot.
Een van deze was Wendelmoet Klaesdochter, een weduwe uit Monnikendam. Toen een van haar familieleden haar in de gevangenis kwam bezoeken, en al zijn geredeneer om haar tot andere gedachten te brengen niet hielp, riep hij uit: »Ge schijnt niet bang te zijn voor den dood; maar dat komt omdat ge hem nog niet geproefd hebt.« Als het er op aan komt, zult ge er wel anders over denken, wilde hij zeggen.
Maar het antwoord was: »Ik zal den dood in ééuwigheid niet proeven, want Christus heeft hem voor mij geproefd. Hij heeft het zelf gezegd: Zoo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in eeuwigheid.«
»Mijn lieve Wendelmoet,« raadde een andermaal fluisterend een aanzienlijke dame, »waarom zwijgt ge maar niet liever, als ge er langer door leven kunt? Ge kunt immers voor uzelve denken en gelooven wat ge wilt, al spreekt ge het niet uit.«
»Zuster,« was het antwoord, »ge weet niet wat ge zegt. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid.«
Toen de rechters haar met den vuurdood dreigden om haar tot afval te bewegen, zei ze: »Is u die macht van boven gegeven, ik ben bereid om te lijden.«
En dit heeft de moedige vrouw kort daarop, toen de vlammen rond haar opstegen, standvastig getoond.
Tot besluit nog iets over Guido de Brès, geboren te Bergen in Henegouwen, een volbloed ketterhater, tot hij ongezocht een Bijbel in handen kreeg, dien las en--zelf een »ketter« werd. Eerst glasschilder werd hij toen Evangelieprediker. Maar ook te Bergen brak de vervolging uit en De Brès moest vluchten. Dan was hij hier, dan daar; en overal maakte hij de menschen bekend met den schat, dien hijzelf in den Bijbel had gevonden.
Zoo kwam hij ook in de landen van die beide andere groote hervormers, Ulrich Zwingli in Zwitserland en Johannes Calvijn in Frankrijk, tijdgenooten van Luther, wier geschriften ook in ons land met graagte gelezen werden. De Brès leerde daar die mannen en hun werken kennen, en met nieuwe wetenschap toegerust kwam hij zich te Valenciennes vestigen, waar hij met grooten zegen werkzaam was. Maar 31 Mei 1567 viel hij in handen van zijn vervolgers en werd hij veroordeeld tot den strop. Zoo werd ook hij een martelaar voor het Evangelie.
Doch ook na zijn dood bleef Guido de Brès tot zegen voor onze vaderlandsche Kerk. Hij had namelijk een geschrift opgesteld, waarin hij aantoonde, dat het geloof der Hervormden in de Nederlanden op den Bijbel gegrond was en overeenkwam met de leer der hervormers. In 1562 werd het gedrukt. Ook den koning van Spanje, Philips II, die zijn vader Karel V in 1555 als Heer der Nederlanden opgevolgd was, werd een exemplaar ervan toegezonden, met een mooien brief er bij, opdat de koning weten mocht, welke de leer was, die hij zoo doodelijk haatte. Maar te oordeelen naar de voortgezette vervolgingen van haar belijders, heeft het weinig invloed op den koning gehad.
De _Nederlandsche Geloofsbelijdenis_ werd dit geschrift genoemd. En als zoodanig is het door onze Ned. Herv. Kerk aangenomen.
XX.
1517--31 October--1917.
In dit _kleine_ boekje is ons iets te zien gegeven van een ontzaglijk _groot_ en veelbeteekenend werk. Want dat is de Kerkhervorming. En hoe meer we dit beseffen, hoe heerlijker wij het zullen vinden, dat we haar _Vierde Eeuwfeest_ mogen meevieren en hoe dankbaarder wij het ook zullen doen.
Vier eeuwen! Een lange tijd! Maar de Hervorming was ook een werk voor _alle_ volgende eeuwen; want het was een werk van God. En al zijn de mannen, door wie de Heer het tot stand wilde brengen, reeds lang heengegaan, de _Hemelsche_ Werkmeester blééf en zal blijven tot in eeuwigheid. _Hij_ blijft Zijn Kerk in stand houden en Zijn hervormingswerk voortzetten; niet alleen in de groote wereld daarbuiten, maar ook in het kleine wereldje daarbinnen, dat menschenhart heet; en dàt is toch ten slotte voor ieder in het bijzonder het gewichtigste. Want wat zou het ons baten of er al een hervorming van de _Kerk_ was en een gezuiverde _leer_, als ons _hart_ niet hervormd en gereinigd was?
De hervorming van het hart, ook van het _jonge_ hart, is geen minder groot werk dan de hervorming van de Kerk. Alleen de Heer kan het doen, door Zijn Woord en Zijn Geest. Zijn Woord gaf Hij ons reeds. Laten wij het ons leven lang in hooge eere houden en dankbaar en trouw gebruiken. En Zijn Geest wil Hij ons schenken op ons gebed.
»Hervorm vooral, volmaak mijn hart naar Uwen smaak!«
laat dàt op ons feest, bij onze danktonen, onze bede zijn. En wie deze hervorming voor zichzelf ernstig begeert, zal haar ook zeker gaarne aan heel de wereld gunnen en van harte instemmen met Gezang 245:
O, machtige Evangeliewoorden! Spoedt heerlijk voort en overwint! Och, dat u alle volkren hoorden, Zoo ver men immer volkren vindt! Bekroon Uw werk, o groote Koning! Uw zachte schepter heersche alom! Zoo worde eens aller hart Uw woning, En heel deze aarde Uw heiligdom!
+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: inzetten, enz. enz., Is het werk | | C: inzetten, enz. enz. Is het werk | | B: en Hieronymus van Praag, die zelven | | C: en Hiëronymus van Praag, die zelven | | B: Natuurlijk liep heel Mörha te hoop | | C: Natuurlijk liep heel Möhra te hoop | | B: te vier uur afscheid van Mörha en | | C: te vier uur afscheid van Möhra en | | B: Terug in het strijdperk | | C: Terug in het strijdperk. | | B: en daarbij een openlijk en helfdhaftig | | C: en daarbij een openlijk en heldhaftig | | B: Bijbel Daartoe richtte hij | | C: Bijbel. Daartoe richtte hij | | B: | | [Illustratie: DE ANDREASKERK TE EISLEBEN.] | | C: =Verwijderd; pagina's dubbel aanwezig in Bron.= | | B: KEIZER KAREL V OP ZIJN VLUCHT | | C: KEIZER KAREL V OP ZIJN VLUCHT. | | | +--------------------------------------------------------+
End of Project Gutenberg's 'Een vaste burg is onze God', by Betsy de Heer