'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917

Part 7

Chapter 73,906 wordsPublic domain

Dit waren in de eerste plaats priesters èn monniken. Want ook in de kloostercellen was het licht van het Evangelie doorgedrongen, en de meeste monniken waren overtuigd geworden, dat het kloosterleven in strijd was met Gods wil en het Christelijk leven. Dikwijls waren het de priors zelf, die hun monniken het voorbeeld gaven, de kloostergelofte te breken; en zoo liepen de meeste kloosters leeg; want nieuwe broeders mochten niet meer aangenomen worden. Alleen die er waren en blijven wilden, mochten dit doen; maar de verstandigsten en beschaafdsten onder de monniken ontdeden zich van pij en kap en gingen een nuttiger leven leiden. Zooals b.v. die Franciskaner, die met zijn bedelbus in de hand in een smederij om een aalmoes kwam.

»Waarom werk je niet liever voor je brood?« vroeg de smid, den stevigen monnik eens flink in de oogen ziende.

»Je hebt gelijk,« zei de monnik. En zijn kleed met de lange mouwen afwerpend, vatte hij een hamer in zijn sterke vuist, en liet dien met kracht op het aambeeld neerkomen.

Zoo'n knecht kon de smid juist gebruiken. En de onnutte bedelaar was een eerlijk handwerksman geworden. Zijn bus en monnikskap werden naar het klooster teruggebracht.

Anderen gingen het Evangelie verkondigen. En wie daarvoor te dom waren, maar zich toch ook nuttig wilden maken voor de goede zaak, na een leven van luiheid, gingen boeken over de Hervorming venten. Heele landstreken liepen ze af; tot in de kleinste dorpen en hutjes brachten ze de geschriften van Luther en zijn vrienden. Want dezen gingen maar voort met schrijven, en de persen--gelukkig dat de boekdrukkunst een eeuw vroeger uitgevonden was--de persen drukten maar. Terwijl er in 1513 en 1517 slechts vijf en dertig en zeven en dertig boeken uitgegeven waren, nam hun aantal al dadelijk na Luthers stellingen verbazend toe. In 1518, dus één jaar later, verschenen er reeds een en zeventig; en in 1523 niet minder dan vierhonderd acht en negentig,--waarvan honderd drie en tachtig door Luther geschreven--tegenover twintig in datzelfde jaar van Roomschen kant.

En overal werden die geschriften met gretigheid gelezen. Dit gebeurde meestal 's avonds, na gedaan dagwerk, bij den haard, dikwijls bij den schoolmeester. Was men soms in twijfel over het gelezene, dan werd de Bijbel geraadpleegd. En daaruit zag men dan, dat die boeken de waarheid zeiden, en dat men zelf altijd verkeerd onderwezen was. En wie tot hiertoe nog geweifeld had tusschen Rome en de Hervorming, liet de oude leer varen en schaarde zich van heeler hart aan de zijde van de nieuwe.

't Gaf niets of de keizer en de vorsten al strenge edicten tegen de boeken der hervormers uitvaardigden. Als er door de Inquisitie huiszoeking gedaan zou worden, stopten de kooplieden, in 't geheim onderricht, ze zorgvuldig weg. En daar een mensen gewoonlijk 't meest verlangt naar wat hij niet hebben mag, werden die veroordeelde boeken daarna nòg gretiger gekocht en gelezen.

Maar niet enkel op de boeken, ook op de verspreiders en de lezers er van had Rome het gemunt, inzonderheid op de predikers. Soms moesten ze om de vervolging hun woonplaats verlaten. Kwamen ze dan ergens, waar men nog weinig van de Hervorming wist, dan spraken ze in de woning, die hen herbergde, over het Evangelie; lazen er den bijeengeroepen buren en bekenden iets uit voor; preekten in de kerk, als het hun vergund werd; en als ze de kerk niet hebben mochten, op een andere plaats. Alle plaatsen werden nu kerken. Een markt, een kerkhof, een heuvel, een weiland dicht bij de stad--overal kon men de blijde boodschap hooren van Gods vergevende zondaarsliefde voor allen, die met oprecht berouw hun heil in Christus zochten. De menschen behoefden nú niet met hun geld in de hand te staan om van hun zonden verlost te worden. »We hebben het om niet ontvangen we geven het om niet,« was de leus van de predikers. En zoo bracht dan de vervolging aan de zaak der Hervorming juist vóór- inplaats van nadeel toe.

En zoo ging het weer niet alleen in Duitschland, maar ook in Frankrijk, Engeland, ja overal waar de Bijbel onder het volk kwam.

XVI.

Luther doet nog meer.

Na zijn terugkomst in Wittenberg verkeerde Luther voortdurend in levensgevaar; want door dat keizerlijk edict van Worms mocht iedereen hem vangen en dooden. Hij leefde trouwens dagelijks zelf in afwachting van gevangenis en brandstapel. Maar zijn God waakte over hem en liet zijn vijanden niet toe hem eenig kwaad te doen.

In 1525 stierf Luthers beschermheer, de oude, vrome keurvorst van Saksen. Zijn trouwe kapelaan Spalatin en zijn dienaren stonden weenend om zijn bed. Vriendelijk vroeg de goede vorst zijn »kindertjes« vergeving, zoo hij mogelijk iemand van hen verdriet gedaan had. »Wij, vorsten, kunnen het den menschen dikwijls lastig maken, en dat is niet goed,« zei hij.--Even voor zijn dood liet hij het vóór vele jaren geschreven testament verscheuren, waarin hij zijn ziel aan de »Moeder Gods« aanbeval, en een ander schrijven, waarin hij beleed, vast te gelooven, dat hij »alleen verlost was door het dierbaar bloed van zijn lieven Heiland.«

Frederiks broeder Johann, bijgenaamd de Standvastige, volgde hem op. Ook deze was een warm vriend, en daarbij een openlijk en heldhaftig verdediger van de Hervorming. »Ik wil dat gij voortaan het zuivere Woord van God, zonder eenig menschelijk bijvoegsel, prediken zult,« was zijn bevel aan de geestelijken, toen hij het bewind aanvaardde.

Dus ook bij zijn nieuwen vorst vond Luther bescherming; en zoo kon hij ongehinderd voortgaan, met Melanchton en anderen, Saksen te doorreizen om er overal de kerken en kloosters te bezoeken. Dit was dringend noodig; want er werden zulke erbarmelijke verkeerdheden aangetroffen en de onkunde onder de geestelijken was zóó groot, dat Luther en Melanchton zich er over bedroefden. Hoe konden toch de menschen in den weg der zaligheid onderwezen worden, als hun onderwijzers zelf er zoo onwetend in waren!

Om dien treurigen toestand verbeterd te krijgen, moesten natuurlijk allerlei verkeerde instellingen zooveel mogelijk verdwijnen. In de eerste plaats schafte Luther de mis af en de heiligendagen. Hij verlangde, dat in alle samenkomsten Gods Woord zou gepredikt worden. De ongeschikte geestelijken werden verwijderd en door bekwame, vrome predikers vervangen. Zelf stelde hij een paar vragenboeken op tot gebruik bij het godsdienstonderwijs, n.l. de _Groote_ en de _Kleine Catechismus_. De _Groote_ was voor de leer_aars_ bestemd, de _Kleine_ voor de leer_lingen_. Vooral het laatste maakte grooten opgang. Weinig boeken zijn zóó dikwijls en in zóóveel talen gedrukt. De catechisatiën zijn ook een instelling van den hervormer.

Ook voor een Duitsch Gezangboek zorgde Luther, opdat de menschen zelf ook mee zouden kunnen zingen in de kerk, inplaats van altijd maar stil te moeten luisteren naar het Latijnsche koorgezang, waar ze toch niets van verstonden. Hij had zelf de liederen gedicht en bij vele ook de muziek gemaakt; en ze gingen er bij het volk zóó in, dat ze spoedig allerwegen gezongen werden, en soms nog meer bijdroegen tot verbreiding van het Evangelie dan de prediking.

Luther hield wonder véél van muziek en zang. »Naast de godgeleerdheid,« zei hij, »geef ik aan de muziek de eerste plaats en de hoogste eer, omdat ze haar oorsprong heeft in den Hemel, waar de lieve Engelen zelf muzikanten zijn.«--»Een schoolmeester moet kunnen zingen,« zei hij op een anderen keer, »anders is hij mij het aankijken niet waard.« Eens, toen men eenige schoone stukken voor hem zong, riep hij verrukt: »Indien onze Heere God reeds zulke bewonderenswaardige gaven geschonken heeft op deze aarde, die toch niet is dan een donkere hoek, wat zal het dan niet zijn in den Hemel, waar alles volmaakt is!«

Door Luther kreeg ook het volk smaak voor muziek. En de Bijbel gaf het woorden in voor de liederen. Er kwamen dichters en componisten, van wier werken ook wij nog genieten.

Ook zorgde Luther dat er goede scholen kwamen, waar ook Hebreeuwsch en Grieksch geleerd werd, noodig voor een grondig onderzoek van den Bijbel. Daartoe richtte hij een geschrift »Aan de Raadsheeren van alle steden van Duitschland, dat zij Christelijke scholen moeten oprichten en onderhouden.«

»Waarde Heeren,« zegt hij daarin onder meer, »men geeft jaarlijks zooveel geld uit voor wegen, dijken en geweren; waarom zou men er niet een weinig van besparen om aan de arme jeugd een paar schoolmeesters te geven? Het wezenlijk welzijn van een stad bestaat niet in groote schatten, sterke muren, schoone huizen, blinkende wapenen; maar in het bezit van veel knappe, eerzame en beschaafde burgers. Houdt u dan met de kinderen bezig.... Helpe toch, wie helpen kan.«

Had Luther den _oproep_ gedaan, het was Melanchton, »de leeraar van geheel Duitschland,« die meer bepaald de _zorg_ voor de scholen op zich nam; er boeken over en voor schreef, voor betere leesboeken zorgde en zooal meer, en die daarom »de stichter van het nieuwe schoolwezen« genoemd wordt.

Luther deed intusschen zijn best om bij de scholen boekerijen aangelegd te krijgen van allerlei nuttige werken van schrijvers en dichters uit alle tijden, den Bijbel natuurlijk in de eerste plaats; om het volk, dat tot dusver maar dom was gehouden, tot meerdere ontwikkeling te brengen en hun zin te wekken voor het goede en schoone. »Want,« zei hij, »zulke schriften dienen om de werken en wonderen Gods te doen kennen.«

Dit werk van Luther behoort almede tot de gewichtigste, die de Hervorming voortgebracht heeft.

[Illustratie: LUTHER EN ZIJN VROUW.]

XVII.

Het klooster geen klooster meer.

Dat Luther van kinderen hield, bleek wel uit zijn brief aan de Raadsheeren, en meer nog uit den omgang met zijn eigen troepje, in den huiselijken kring; als hij met hen speelde en zong, hun vertelde en leerde; en uit de aardige brieven, die hij hun schreef als hij van huis was.

Want Luther was geen eenzame monnik meer. In October 1524 legde hij voorgoed zijn monniksgewaad af. En in Juli van het volgende jaar trouwde hij met Catharina von Bora, een gewezen non, van adellijke geboorte, die haar klooster ontvlucht was, toen ze met de leer van het Evangelie bekend was geworden.

De tegenstanders spraken schande van Luthers daad; zelfs enkele vrienden deden bedenkelijk; want geestelijken mòchten niet trouwen, leerde de Roomsche Kerk. Maar ook hierin wilde Luther »hervormer« zijn. »Ik wil niet alleen van Gods Woord getuigen door mijn woorden,« zei hij, »maar ook door mijn daden. Het huwelijk is een instelling van God; maar het verbod er van is een instelling van Rome. En van Rome wil ik in mijn leven niets overhouden.«

Luthers vriend Bugenhagen zegende zijn huwelijk in; en zijn ouders kwamen mee bruiloft vieren. Het gezicht van vader Luther stond nu heel wat vroolijker dan toen hij, achttien jaar geleden, in het klooster te Erfurt, bij de priesterwijding van zijn Maarten, aan den feestmaaltijd zat.

Nu eerst kreeg Luther een gezellig tehuis; want hij had een lieve, vrome, zorgzame vrouw in zijn Käthe, zooals hijzelf zeide. »De morgenster van Wittenberg« noemde hij haar grappend, omdat ze 's morgens voor dag en dauw opstond. Reeds een jaar tevoren had de keurvorst hem het klooster, dat door al de monniken verlaten was, en waarin Luther op 't laatst nog maar alleen was overgebleven, ter bewoning gegeven. En zoo werd thans het somber verblijf van een hoop luierende, babbelende, ook wel eens krakeelende monniken herschapen in de woning van een gelukkig, bedrijvig, christelijk huisgezin.

Inplaats van langzame, zware monnikenstappen deden zich nu in die oude kloostergangen allerlei prettige geluidjes hooren van trippelende kindervoetjes en heldere kinderstemmen. Want drie jongens en drie meisjes schonk de Heer hun. »Wat ben ik toch een rijk man! Wat een grooten schat heeft God mij toch gegeven!« juichte de gelukkige vader.

Hun eersteling was een Hans; de anderen heetten Paul en Maarten; en de meisjes Magdalena, Elisabeth en Margaretha. Elisabeth is heel jong gestorven, nog vóór het jaar. En »Leneke«, vaders oogappeltje, een bijzonder lief, vroom kind, ging op haar dertiende jaar van hen heen.

O, wat waren de arme ouders toen bedroefd. »Lieve God,« klaagde Luther, toen hij zag dat het sterven werd, »ik heb haar zeer lief; maar als het Uw wil is, haar van ons te nemen, dan verheugt het mij te weten dat ze bij U zal zijn.«--Tot de zieke zelf zei hij: »Magdaleentje, mijn dochtertje, je blijft graag bij je vader; maar je wilt toch ook wel graag naar je Vader in den Hemel gaan?«

»Ja, lieve Vader; zooals God het wil,« kwam zacht het antwoord.

[Illustratie: LUTHER BIJ HET LIJK VAN ZIJN DOCHTERTJE.]

Toen ze gestorven was, zei Luther: »'t Is wonderlijk, te weten dat ze in vrede en tot haar bestwil heengegaan is, en toch zoo bedroefd te zijn.«--»Lieve Käthe, laat ons toch bedenken wáár ze is en hoe goed ze 't nu heeft,« troostte hij zichzelf en de schreiende moeder. Tot zijn vrienden zei hij: »Ik heb een heilige naar den Hemel gezonden.«--Het lieve kind had haar ouders nooit het minste verdriet gedaan.

Behalve zijn eigen kinderen had Luther gewoonlijk nog meer jong volkje in huis, kostjongens, die te Wittenberg studeerden; waaronder ook een zoon van zijn vroegere weldoenster, mevrouw Cotta, uit Eisenach. 't Was er maar zelden zonder bezoekers; want geen gastvrijer huis in heel Wittenberg dan Luthers gezellige pastorie. Wie kwam was welkom. De vrienden hadden te allen tijd vrijen toegang. En bezoekers van buitenaf--en er kwamen niet weinigen om den grooten man te zien--werden, 't zij rijk of arm, bijna altijd aan zijn tafel genoodigd; wat de huismoeder wel eens in het nauw bracht, als ze op geen onverwachte gasten gerekend had. En wat de gastheer dan zooal sprak, was het luisteren en onthouden óverwaard. Een paar huisvrienden vonden het dan ook jammer, dat zooveel leerzame, geestige, pittige gezegden, uitingen van zijn vroom, opgeruimd, liefhebbend gemoed, niet door nòg meerderen gehoord konden worden, en hebben ze daarom zooveel mogelijk opgeteekend en na zijn dood uitgegeven. Dit was wel een goede gedachte. Zoo zijn »Luthers Tafelgesprekken« ook voor het nageslacht bewaard gebleven, en kunnen ook wij, na vierhonderd jaren, er nog van meegenieten.

»Frau Käthe« had den naam van nogal zuinig te zijn; maar dat moest ze wel. De vrienden noemden het al lachend een geluk voor het gezin, dat zij het roer in handen had; want haar man zou alles maar weggegeven hebben aan wie in den nood tot hem kwamen, tot zijn kleeren en meubelen toe. 't Gelukte haar echter niet altijd om daar een stokje voor te steken. Ondanks haar vermanenden blik gaf hij eens aan een student, die naar huis moest en geen reisgeld had, zoo maar zijn zilveren beker weg, dien hij eens van een vorst had gekregen. »Ik hoef niet uit zilver te drinken,« verontschuldigde hij zich.

Aan muziek ontbrak het ook niet in de gezellige woonkamer met het groote raam, dat op den kloostertuin uitzag. Als we er bij waren geweest, wanneer Vader zijn luit nam en met zijn mooie barytonstem een van zijn liederen inzette, en ouden en jongen zoo van harte meezongen, zouden we er zelf ook niet lang stil bij gebleven zijn. Geen wonder dat men zich gaarne vinden liet bij de vriendelijke, blijmoedige bewoners van het oude klooster, dat geen klooster meer was.

[Illustratie: LUTHER IN DEN HUISELIJKEN KRING.]

XVIII.

De Hervorming gevestigd.

Ook buiten de muren van Luthers vreedzame pastorie was het een tijdlang rustig geweest. Eigenbelang had Karel V zoowel als de paus, die met elkander in oorlog waren, genoodzaakt, aangaande de Hervorming maar wat door de vingers te zien; en daarom was in 1526 door den Rijksdag te Spiers besloten, dat de vorsten met de uitvoering van het edict van Worms--de vogelvrijverklaring van Luther en zijn aanhangers--naar goeddunken mochten handelen.

Maar nauwelijks was tusschen keizer en paus de vrede hersteld, of het was voor de Hervorming met de rust weer gedaan. In 1529 werd te Spiers een nieuwe Rijksdag belegd, die de verleende vrijheid weer introk. In de Roomschgezinde staten zou alle ketterij weer ten strengste worden gestraft, en in de Hervormingsgezinde, waar de nieuwe leer reeds te veel voortgang had gemaakt om haar te kunnen uitroeien, mochten geen verdere nieuwigheden ingevoerd en geen oude gebruiken meer afgeschaft worden. Zoodoende zou de Hervorming dus tot staan worden gebracht, en daar konden de Evangelische vorsten natuurlijk geen genoegen mee nemen. Ze teekenden verzet aan tegen dit besluit; en dit verzet of _protest_ boden ze den Rijksdag aan.

Door dit _protest_ kregen ze, vooral van hun tegenstanders, den naam van _Protestanten_; een naam, die toen op alle Hervormden is overgegaan, en dien wij nu ook nog dragen.

Zoo hadden zich twee partijen gevormd, die vijandig tegenover elkander stonden. Om aan de verdeeldheid een einde te maken, schreef de keizer in 1530 weer een Rijksdag uit, die te Augsburg zou gehouden worden. Daar, zoo maakte hij in een vriendelijken brief aan de vorsten bekend, konden beide partijen in liefde en vrede zich dan doen hooren en met elkander spreken, ten einde tot eenheid te komen in de leer. Maar zijn eigenlijk doel was, gelijk al spoedig bleek, om de Hervorming er onder te krijgen, zoo niet goedschiks, dan kwaadschiks.

Keurvorst Johann van Saksen ging er met Melanchton en nog eenigen van zijn godgeleerden heen. Luther, die nog onder den rijksban lag, kon hij natuurlijk niet onder de oogen van den keizer brengen; maar hij wilde hem toch, als zijn besten raadsman, zoo dicht mogelijk bij zich hebben. Daarom had hij hem op zijn doorreis in Coburg achtergelaten, een stad, 't dichtst bij de Saksische grens, waar hij hem het kasteel Ehrenburg tot verblijf had gegeven. Luther heeft daar een half jaar gewoond, zoolang de Rijksdag geduurd heeft. En al dien tijd is hij daar zijn vrienden te Augsburg tot steun geweest, met zijn raadgevingen, zijn bemoedigende brieven, en vooral met zijn gebed.

Hier heeft hij ook zijn wereldberoemd geloofslied gedicht, Gezang 264, waarvan wij het eerste vers al zoo dikwijls gezongen hebben:

Een vaste burg is onze God! Een toevlucht voor de Zijnen! Al drukt het leed, al dreigt het lot, Hij doet Zijn hulp verschijnen! De vijand rukt vast aan Met opgestoken vaan; Hij draagt zijn rusting nog Van gruwel en bedrog, Maar zal als kaf verdwijnen!

Geen aardsche macht begeeren wij; Die gaat alras verloren! Ons staat de sterke Held terzij, Dien God ons heeft verkoren! Vraagt gij Zijn naam? Zoo weet Dat Hij de Christus heet, Gods Eengeboren Zoon, Verwinnaar op den troon! De zege is ons beschoren!

En grimde ook de open hel ons aan, Met al haar duizendtallen, Toch zal geen vrees ons nederslaan, Toch doen wij 't krijgslied schallen! Hoe ook de satan woedt, Wij staan hem, voet voor voet! Wij tarten zijn geweld! Zijn vonnis is geveld! Één woord reeds doet hem vallen!

Gods Woord houdt stand in eeuwigheid En zal geen duimbreed wijken! Beef, satan! Hij, die ons geleidt, Zal u de vlag doen strijken! Delf vrouw en kind'ren 't graf, Neem goed en bloed ons af, Het brengt u geen gewin; Wij gaan ten Hemel in En erven Koninkrijken!

Dit lied, waar Luther zelf de wijs bij maakte, werd gedurende den Rijksdag in Augsburg en in heel Saksen gezongen.

Aan Melanchton had de keurvorst opgedragen een geloofsbelijdenis, _confessie_, op te stellen, dit is een verklaring van wat de Evangelischen geloofden; en toen dit stuk door allen goedgekeurd was, werd het door de vorsten en predikers onderteekend. Ook de jonge vorst van Anhalt, dezelfde die als twaalfjarige knaap het Leipziger twistgesprek met zooveel belangstelling had bijgewoond, greep vol geestdrift de pen. »Ik heb in mijn leven reeds menige lans gebroken, maar nu sta ik gereed om voor de edelste zaak, voor de eer van mijn Zaligmaker Jezus Christus den kamp te wagen,« sprak hij met vuur. »Als ik er op het oogenblik mijn leven voor moest geven, zou ik het gaarne doen.« Toen zijn naam er stond en hij de pen neerlegde, zei hij, zich stralend naar de leeraars keerend: »Ik zou liever mijn vaderlijk erfgoed als balling verlaten en met het nederigste werk mijn brood verdienen, dan een leer aannemen, die niet overeenkomt met deze geloofsbelijdenis.«

Den 25sten Juni werd de confessie met veel plechtigheid aan den keizer en heel den Rijksdag in de Duitsche taal voorgelezen en een Latijnsch afschrift er van aan den keizer overhandigd met de woorden: »Allergenadigste Keizer! ziedaar een geloofsbelijdenis, die met Gods hulp tegen de poorten der hel bestand is.«

De voorlezing had diepen indruk gemaakt. Velen moesten bekennen dat deze belijdenis heel anders klonk, dan wat men van de ketters vertelde. »'t Is volkomen waar, wat daar voorgelezen is; we kunnen het niet loochenen,« verklaarde de bisschop van Augsburg. De hertog van Beieren vroeg aan Eck, den man van het Leipziger twistgesprek: »Wel, doctor, kunt ge de confessie op goede gronden weerleggen?«

»Niet als ik het alleen uit den Bijbel moet doen, maar wel uit de kerkvaders,« was het antwoord.

»Dat beteekent dus,« zei de hertog niet heel vriendelijk, »dat de Protestanten _in_ de Schrift staan en wij er _naast_.«

Velen van de nog Roomschgezinde vorsten werden dan ook door de _belijdenis_ voor het Evangelie gewonnen. Luther had wel goed gezien, toen hij zeide: »De confessie zal tot alle volken doordringen haar stem in alle landen vernomen worden;« want zij werd in alle Europeesche talen overgezet, en door haar kreeg de Hervorming, ook buiten Duitschland, tal van nieuwe vrienden.

't Gelukte den keizer niet, hoe lang en veel er werd gepraat, om de afvalligen in der minne, zooals hij gehoopt had, met de Roomsche kerkleer te verzoenen en beide partijen weer tot één te brengen. 't Hielp niet, dat hij, naar den wensch van zijn raadgevers, door Eck en eenige anderen een weerlegging van hun belijdenis liet opstellen en hen dwong zich daaraan te houden. De Protestanten bleven standvastig weigeren iets aan te nemen, wat niet overeenkwam met den Bijbel en hun geweten. Daarom was Karels laatste besluit: dan de ketterij maar uitroeien met geweld. »Wij zullen elkander met het zwaard in de vuist onder de oogen zien; en dan zal het blijken, wie de sterkste is!« riep hij in een vlaag van woede. Men had den keizer nog zelden zóó boos gezien.

Zoo ging de Rijksdag uiteen. De vijanden verlieten Augsburg in het onbehaaglijk gevoel, een zware nederlaag te hebben geleden. Maar de vrienden juichten over de hulp, door God hun verleend. 't Was zooals Luther het in zijn eenzaamheid had uitgezongen, hun stond _de_ sterke Held ter zij; daarom was hùn de zege beschoren.

De Rijksdag van Augsburg, die ten doel had, de Hervorming uit te roeien, was juist het middel geweest om haar voorgoed te vestigen. 't Was nu voor allen duidelijk geworden: dit werk kòn niet verbroken worden.

Toch wilde Karel V het beproeven. »Ik ben besloten met alle macht tegen de Lutheranen te handelen en deze zaak geheel naar uw wensch ten einde te brengen,« schreef hij aan paus Clemens. In al zijn staten werden reeds de legers er voor bijeengebracht.

[Illustratie: DE ANDREASKERK TE EISLEBEN.]

Nu begon het er echt dreigend uit te zien voor de Hervorming. Maar--»al drukt het leed, al dreigt het lot, God doet Zijn hulp verschijnen!« zong Luther. En thans verscheen die hulp in den Turkschen sultan Soliman, die met een groote krijgsmacht Hongarije kwam binnenvallen. Inplaats van met de Duitsche vorsten te gaan vèchten, moest Karel nu juist hun hulp inroepen tegen zijn Turkschen vijand. En die hulp wilden ze hem alleen verleenen, als hij eerst de edicten van Worms en Augsburg introk. Er schoot Karel dus niets anders over dan het te doen. En zoo werd in 1532 te Neurenberg een voorloopige godsdienstvrede gesloten, waarbij aan de Protestanten vrijheid van godsdienst en geweten werd toegestaan.