Part 6
Niemand blijder dan de oude grootmoeder, toen de wagen voor de boerderij stilhield en ze haar Maarten eindelijk weer eens in de armen mocht sluiten. En Luther was niet minder blij, dat hij hier nu eens een heelen dag kon uitrusten bij die lieve, vreedzame menschen, in het stille dorpje, na al de stormen, die over hem heen waren gegaan. Natuurlijk liep heel Möhra te hoop vóór de boerderij. Ieder moest den beroemden zoon van Hans Luther zien. En den volgenden dag moest hij voor hen preeken. Het kerkje was daarvoor veel te klein, want van ver uit den omtrek kwamen de hoorders. Maar onder het jonge groen van de groote linde tegenover het huis was plaats genoeg. En daar klonk toen, onder den blauwen Meihemel, uit Luthers mond, het liefelijk Evangelie van een genadig God, die Zijn Zoon in de wereld had gezonden om de zondaren zalig te maken.
Intusschen waren Luthers vijanden nog altijd bezig zijn ondergang te bewerken. Door den keizer was een besluit geteekend en uitgevaardigd, waarbij over den Wittenberger monnik, als den gevaarlijkste aller ketters, de rijksban uitgesproken werd.
Luther was dus vogelvrij verklaard. Zoodra het vrijgeleide geëindigd was, zou een ieder hem mogen vatten, en daarvoor, als voor een heilig werk, nog beloond worden op den koop toe. En wie hem huisvesten, verbergen, voeden of op welke wijze ook helpen of beschermen mocht, met woord of daad, zou ook in den ban worden gedaan.
Zóó sprak Rome. Maar God waakte over Zijn dienstknecht en over het werk, dat Hij Hem te doen had gegeven. En als God vóór ons is, wie zal dàn tegen ons zijn?
Toen Luther gepreekt had, nam hij te vier uur afscheid van Möhra en besteeg hij opnieuw zijn reiswagen met Amsdorf en zijn kloosterbroeder Petzensteiner, die hem, volgens de regelen van de Orde, op zijn geheele reis vergezellen moest.[1] De andere vrienden waren bij Eisenach van hem afgegaan en naar Wittenberg teruggekeerd.
De weg leidde door het Thuringerwoud, en alles bleef rustig tot ze in een hollen weg kwamen, dicht bij het kasteel Altenstein. Daar zien ze zich plotseling overvallen door vijf vermomde, zwaar gewapende ruiters, die uit de struiken te voorschijn springen en den wagen omsingelen. Een van hen houdt den voerman een gespannen handboog vóór en gebiedt hem op ruwen toon halt te houden. Een tweede vraagt met gebiedende stem wie Luther is. Deze stelt gauw in 't Latijn zijn vriend Amsdorf gerust, wien hij er al zooiets van gezegd had, en maakt zich bekend; waarop hij bevel krijgt, óók onder bedreiging met een handboog, zich gevangen te geven en uit te stijgen. Amsdorf, begrijpend, doet of hij Luther te hulp wil komen en roept er schande over, rustige reizigers zoo te behandelen. En de doodelijk verschrikte kloosterbroeder, die het maar veiliger vindt om zich uit de voeten te maken, springt uit den wagen en vlucht als een haas het bosch in. De ruiters voeren intusschen hun gevangene weg. De voerman moet het onmachtig aanzien hoe ze den doctor naast hun paarden laten meeloopen; en als ze met hem uit het gezicht zijn, gaat hij ook maar verder met zijn eenig overgebleven reiziger.
Als alles in rust is, houden de ruiters halt. Ze doen Luther zijn monnikskleed uit, slaan hem een mantel om, zetten hem op een paard, en dan gaat het in draf het bosch door, langs allerlei omwegen, om mogelijke vervolgers op een dwaalspoor te brengen.
Luther, het paardrijden niet gewoon, is al spoedig doodmoe. Bij een bron, nu nog de »Lutherbron« genaamd, laat men hem afstijgen om te drinken, en onder de groote beuk,[2] die daar staat, wat uit te rusten. En dan gaat het maar weer verder door het àl donkerder wordende woud.
Omstreeks elf uur 's avonds gaat het voorzichtig berg-opwaarts, tot eindelijk halt wordt gehouden voor de poort van een oud, door dichte bosschen omringd kasteel--de Wartburg. De poort wordt geopend, de ruiters gaan binnen. En terwijl de zware valdeuren zich achter hen sluiten, stijgen ze af in den hof. Luther is in veiligheid.
Die ruiters waren de ridder van Altenstein, de slotvoogd van den Wartburg en drie vertrouwde dienaren. De goede keurvorst had dit plan uitgedacht om zijn beschermeling aan de macht van zijn vijanden te onttrekken, die hem anders, zoo vreesde hij, zeker in handen krijgen en vermoorden zouden.
De heer van Altenstein keerde nu weer naar zijn eigen kasteel terug, terwijl de anderen, langs de steenen trap van een der slottorens, Luther naar de kamer leidden, die voor hem zoo geriefelijk mogelijk in gereedheid was gebracht. Daar lag ook al een riddergewaad voor hem klaar, dat de slotvoogd hem in plaats van zijn monnikskleed maar dadelijk hielp aandoen, en een degen, dien hij aan de zijde moest gespen. Om zijn hals kreeg hij een gouden keten. Luther herkende zichzelf haast niet meer. Om zich nog meer onkenbaar te maken moest hij baard en hoofdhaar laten groeien, en zich »Jonker Georg« laten noemen. Want ook de bedienden van het kasteel mochten niet anders denken, dan dat hij de een of andere gevangen ridder was.
De tijding van Luthers ontvoering was door de vreeselijke berichten van broeder Petzensteiner en den voerman weldra allerwegen bekend, en de zonderlingste geruchten over zijn gewaanden dood deden daarbij de ronde. De vijanden juichten, want ze dachten dat het nu gedaan was met den ketter en zijn werk. Maar de vrienden treurden en jammerden over hun groot verlies. »Luther dood?! Wie zal ons nu nog zuiver het Evangelie verkondigen?«
Doch zoowel vrienden als vijanden kwamen al spoedig te weten, dat de hervormer nog leefde, al wisten ze niet wáár. Want »Jonker Georg« kon niet ledig zitten. Van zijn »Patmos«, zooals hij zijn schuilplaats noemde, schreef hij geruststellende brieven aan zijn vrienden, die Melanchton verrukt deden uitjubelen: »Onze dierbare vader leeft!« Ook zond hij, van uit zijn eenzame torenkamer te midden van de donkere wouden, allerlei geschriften de wereld in, die dan door de zorg van zijn vrienden gedrukt werden. En zoo bemerkten de vijanden tot hun grooten schrik, dat de man, dien ze zoozeer haatten èn vreesden, nog alles behalve dood was.
Luther werd op den Wartburg uitstekend verzorgd en met onderscheiding behandeld. Hij kreeg er twee edelknapen tot zijn dienst. 's Zondags, en ook wel in de week, preekte hij voor den slotvoogd en andere vertrouwden; en dagelijks maakte hij voor zijn gezondheid kleine wandelingen in den omtrek van het slot; later waagde hij zich ook wel verder. Hij was dan altijd in zijn ridderkleeding en in gezelschap van een rijknecht, die hem les moest geven in het riddertje-spelen en in het hanteeren van de wapenen. 't Was een norsch maar trouw man, dien hij eens een hevigen schrik aanjoeg, door in een herberg, waar hij wat wilde uitrusten, zijn degen, die hem verveelde, af te werpen, en naar de boeken te grijpen, die hij daar zag staan. Dat waren nu heelemaal geen riddermanieren, vond zijn onderwijzer.
Eens nam men hem mee op de jacht. Maar dit »bitter zoet vermaak«, zooals hijzelf het noemde, wilde hem niet bekoren. Het maakte hem bedroefd. Hij kon niet helpen in de jagers den paus te zien, en in de honden, die het wild moesten opspeuren, de bisschoppen, die de arme zielen der menschen in hun netten zochten te vangen. Temidden van zijn overdenkingen komt er een jong haasje, verschrikt door het hondengeblaf, op hem toegeloopen en dringt zich tegen zijn voeten aan. Luther heeft medelijden met het diertje. Hij neemt het behoedzaam op en draagt het in zijn arm mee. Maar de honden krijgen er de lucht van. Ze bespringen het, trekken het uit zijn schuilplaats en bijten het dood. De sterke man, die nog nooit is teruggeschrikt voor eigen doodsgevaar, uit een kreet van smart. »O satan!« roept hij, »zoo doet ook gij! Zoo tracht ook gij nog de zielen te verderven, die al van den dood gered zijn! Maar de arm, die hen draagt, is sterker dan de mijne.«
Dat Luther ook op den stillen Wartburg ijverig voortarbeidde aan zijn hervormingswerk, al klaagde hijzelf dat hij weinig deed, blijkt wel uit de menigte boeken en preeken, die hij er schreef, en voornamelijk uit een werk van onschatbare waarde, dat hij daar begonnen is, n.l. zijn Bijbelvertaling, een reuzenwerk in één woord.
Zooals we weten, is het Oude Testament in de Hebreeuwsche, het Nieuwe in de Grieksche taal geschreven. Nu was er wel een oude Latijnsche overzetting, de Vulgata genaamd, maar die was heel gebrekkig, heel duur, en voor het volk, dat geen Latijn kende, onbruikbaar; en de bestaande Duitsche vertalingen daarvan waren dikwijls nog onbegrijpelijker.
Daarom was het voor heel de wereld een groote zegen, dat de Heer aan Luther de gedachte in het hart gaf: »Dit éénige Boek moet in alle talen, in alle landen, onder alle oogen, in alle ooren en in alle handen en harten zijn,« en hem deed besluiten, zelf de hand daartoe aan het werk te slaan, door het in de taal van zijn volk over te zetten. Zijn eenzaam verblijf op den Wartburg schonk hem daarvoor een kostelijke gelegenheid.
Niet uit het Latijn, maar uit de oorspronkelijke talen bracht Luther den Bijbel over. Een geheel _nieuwe_ vertaling gaf hij dus, en dat in mooi, vloeiend Duitsch, geheel verschillend van de nog ruwe, ongevormde taal en stijl van die dagen. Met het gebruik van zijn Bijbel gingen de menschen zich toen ook die verfijnde taal eigen maken. Zoo werd de hervormer ook voor de _taal_ van zijn volk een Luther--_louteraar_.
[Illustratie: DE KAMER VAN LUTHER OP DEN WARTBURG.]
Hij begon met het Nieuwe Testament. Een gemakkelijke taak was dit zéker niet. Dagen, ja weken zat hij dikwijls te peinzen over de juiste beteekenis van één woord of één zin. Had hij die, dan moesten in het Duitsch de juiste woorden er voor gevonden worden. Ontzaglijk veel moeite kostte hem dit werk. Maar het was hem tegelijk een groote vreugde. Hij ondervond duidelijk dat de Heer ook hierin mèt hem was, en het hem wèl deed gelukken. Zelf zegt hij er van: »Men ziet er uit, dat de Heilige Geest er bijzonder behagen in heeft gehad, met ons, Duitschers, in onze moedertaal te spreken.«
Ook schonk de Heer hem een trouwe hulp in Melanchton, die bijzonder knap was in het Grieksch. Deze met Justus Jonas, Bugenhagen en anderen hielpen hem, na zijn terugkomst in Wittenberg, het werk voltooien, dat hij op den Wartburg begonnen was.
* * * * *
Nog altijd staat het daar, op zijn dichtbegroeide, 462 M. hooge rots, het eeuwenoude, wereldberoemde slot, het schoonste onder Thuringens burchten. Wie een reis door Thuringen maakt, keert niet huiswaarts zonder het te hebben gezien, niet alleen van buiten, maar ook van binnen. En van al het bezienswaardige, dat den bezoeker daar dan wordt getoond, blijft wel het merkwaardigste de eenvoudige torenkamer, die »Jonker Georg« tien maanden lang tot verblijf gediend heeft. Daar ziet hij dan allereerst de eikenhouten tafel, waaraan hij den Bijbel te vertalen zat; zijn stoel, zijn ledikant en de kolossale groen-steenen kachel. Ook is daar nog een eigenhandig geschreven brief van den grooten man, en een kist met de eerste uitgaven van den vertaalden Bijbel.
Zoo staat daar de eerbiedwaardige Wartburg, als een gedenkteeken van Gods trouw, die aan de Kerk een Luther gaf om het licht van Zijn Woord, eeuwen lang door onwetendheid en bijgeloof onder een korenmaat verborgen, weer op den kandelaar te plaatsen en met vernieuwden glans te doen schijnen.
VOETNOTEN:
[1] Deze regel berustte op Marc. 6: 7: _En Hij riep tot zich de twaalve, en begon hen uit te zenden twee aan twee_. Daarom moesten de kloosterbroeders ook altijd met hun beiden reizen.
[2] In 1817 is het _Derde Eeuwfeest_ der Hervorming nog onder dezen ouden boom gevierd. Men had hem versierd en een beeltenis van Luther er in gehangen. In 1841 heeft een zware storm hem geveld, tot groote droefenis der bevolking. De landsheer, hertog Bernhard van Saksen-Meiningen, liet er toen een gedenkteeken oprichten en een jonge beuk planten, die nu ook al flinke afmetingen heeft.
XIV.
Terug in het strijdperk.
Terwijl Luther rustig aan zijn gewichtig vertaalwerk bezig was, kwamen hem berichten ter oore, die hem een langer verblijf op den Wartburg onmogelijk maakten.
Hij had al eens, heel in 't geheim, een snoepreisje van enkele dagen naar Wittenberg gemaakt, om met de vrienden te spreken over het optreden van Dr. Carlstadt, een van de leeraren aan de Wittenberger hoogeschool. Deze man was bijzonder heftig en voortvarend van aard. Het hervormingswerk ging hem te langzaam naar den zin; daarom wilde hij maar op eigen gelegenheid handelen en alles, wat hem in de Kerk niet aanstond, met geweld afschaffen; wat een heele verwarring in Wittenberg gegeven had.
Luther had alle hoop, dat het zijn vrienden gelukken zou de rust te herstellen. Maar juist het tegendeel was waar. Er waren namelijk uit Zwickau, onder aanvoering van zekeren Thomas Munzer, eenige dweepzieke mannen naar Wittenberg gekomen, die zich van God gezonden profeten noemden, maar door hun daden toonden, dat ze heelemaal niet handelden naar den wil van God. Ook zij wilden, door het afschaffen van al de bestaande gebruiken, een algeheele omwenteling in de Kerk teweeg brengen. Carlstadt sloot zich bij hen aan en zocht ook de studenten op zijn hand te krijgen. Hij ruide hen op om mee naar de kerken te gaan, er de heiligenbeelden te verbrijzelen, de altaren te vernielen, de priesters, die nog gewoon de mis lazen, weg te jagen, en al zulke dolligheden meer.
Dit was heel anders dan Luther leerde. Die zeide: »Preekt de beelden uit de harten van de menschen, dan zullen ze uit de kerken vanzelf wel verdwijnen.«
Maar zoo dachten die onruststokers niet. Zelfs de hoogeschool wilden ze weg hebben. Al die geleerdheid diende nergens toe, verkondigden ze. De menschen moesten liever maar weer met hun handen gaan werken. Er stond immers geschreven, dat ze in het zweet huns aanschijns hun brood zouden eten. De meester van de jongensschool riep zoo maar uit het raam den menschen toe, dat ze hun jongens voortaan maar thuis moesten houden, want dat God hen wel leeren zou.
Een en ander dreigde noodlottig te worden voor het ware werk der hervorming. De vijanden gaven van al die wanordelijkheden de schuld aan Luther en begonnen weer moed te vatten, dat Rome het ten slotte toch nog winnen zou. De vrienden stonden er machteloos tegenover. Zelfs de Overheid zag geen kans aan de onrust een einde te maken. En allen riepen om Luther. Luther moest terugkomen.
En Luther kwàm. Toen hij op zijn Wartburg er van hoorde, nam hij een kort besluit. Hij moest en zou naar Wittenberg, het kostte wat het wilde. Hij wist wel dat zijn leven er groot gevaar door liep, maar waar het de zaak van Christus gold, achtte hij, evenals de apostel Paulus, zijn leven niet te kostbaar. »Wij moeten den satan onder den voet vertreden en tegen den engel der duisternis strijden,« zei hij. De bezorgde keurvorst smeekte hem in een dringenden brief, nog te blijven waar hij was. Maar ook dit kon hem niet van zijn plan afbrengen. »Ik heb Uw Hoogheid al genoeg toegegeven door mij dit jaar verwijderd te houden. Uw Hoogheid moet weten dat ik naar Wittenberg kom onder een machtiger bescherming dan die van een keurvorst,« schreef hij in zijn antwoord. En in vast vertrouwen op die hoogere bescherming steeg »Jonker Georg« te paard, zeide zijn eenzame wouden vaarwel, en verliet voorgoed het kasteel, dat hem tien maanden lang, tegen wil en dank, had geherbergd. Dit was op 3 Maart 1522.
Zijn weg ging over Jena, waar hij 's avonds zijn intrek nam in »De zwarte beer«. Terwijl hij daar aan de tafel was gezeten, de handen op het gevest van zijn degen geleund en lezende in een Hebreeuwsch Psalmboekje, dat vóór hem lag, kwamen er twee jongelui binnen, studenten uit St. Gallen. Ze hielden zich bescheidenlijk op een afstand. Maar de »ridder« groette hen vriendelijk en noodigde hen uit, aan zijn tafel te komen zitten.
De Zwitsers deden dit gaarne en waren al spoedig met den vreemden ridder, die hun van allerlei vroeg, in druk gesprek. Ze vertelden dat ze naar Wittenberg gingen, en die lange reis ondernomen hadden, enkel met het doel om doctor Martin Luther te zien en te hooren. En toen kwam de vraag: »Kunt u ons niet zeggen, Mijnheer, waar doctor Luther thans is?«
»Ik weet zeker, dat doctor Luther thans niet in Wittenberg is. Maar hij zal er wel gauw komen,« was het antwoord. »Philippus Melanchton is daar. Ge moet u maar ijverig toeleggen op het Grieksch en Hebreeuwsch, dan kunt ge de H. Schrift lezen.«
De studenten waren een en al verbazing. Een ridder, die zoo maar gewoon het leeren van Grieksch en Hebreeuwsch aanprees, en zelf Hebreeuwsch làs, zooals dat boekje uitwees; en die sprak over Melanchton, Erasmus en andere geleerden, alsof hij ze allen kende! 't Leek wel of hijzelf een geleerde was. Wie kon dat zijn?
Nog een tijdlang hield de aardige vreemdeling hen gezellig aan den praat. Onder den maaltijd wijdden ze meer aandacht aan zijn woorden dan aan hun eten. En ten overvloede betaalde hij ook nog hun vertering.
Bij het ter ruste gaan nam hij met een hartelijken handdruk afscheid van hen, met verzoek: »Als ge te Wittenberg zijt, groet dan doctor Hiëronymus Schurf van mij.«
»Zeer gaarne,« beloofden ze. »Maar van wien?«
»Zegt alleen maar: Die komen moet, laat u groeten. Dan weet hij het wel.«
Een paar dagen later te Wittenberg gekomen, deden de Zwitsers wat hun opgedragen was. Ze troffen bij Dr. Schurf een heel gezelschap van professoren aan, en onder dezen den vriendelijken ridder uit »De zwarte beer«.
Lachend kwam hij naar hen toe en groette hen als oude bekenden. Toen, naar een der heeren wijzend, zeide hij: »Ziedaar Philippus Melanchton, van wien ik u gesproken heb.«
De studenten mochten tot hun blijdschap het verdere van dien dag bij het geleerde gezelschap doorbrengen. Nu _wisten_ ze waar doctor Martin Luther was!
Den volgenden dag, een Zondag, stond Luther te Wittenberg weer op den preekstoel, in een stampvolle kerk. »Luther is terug! Luther gaat weer preeken!« Van mond tot mond was dit blijde nieuws door de stad gegaan. En van alle kanten waren ze in den vroegen morgen toegestroomd, de menschen, elkander verdringend om den held van Worms weer te zien.
Hij stond er als een vader, die een poos van zijn kinderen weg is geweest en hun nu vertelt, wat hij in zijn afwezen van hen gehoord heeft. Hij deed dit in eenvoudige woorden, vol kracht en tegelijk vol zachtheid. Hij begon met een prijsje. »'t Is wel goed, verkeerde dingen af te schaffen; maar,«--nu kwàm het--»waar was daarbij de orde en de welvoegelijkheid? De mis, zegt gij, is een slecht ding. Ik zeg het ook. Maar men moet er niemand met geweld van afscheuren. Aan God moet men de zaak overgeven. Zijn Woord moet werken en niet wij. Ik wil prediken, ik wil spreken, ik wil schrijven, maar ik wil niemand dwingen, want het geloof is een vrijwillige daad. Had ik met geweld te werk willen gaan, dan zou Duitschland mogelijk in een bloedbad zijn gedompeld. Maar ik ben rustig gebleven en heb het Woord zelf de wereld laten rondgaan. En dat Woord heeft het pausdom omgekeerd, zóó zelfs, dat geen vorst of keizer het ooit zooveel kwaad had kunnen doen. _Ik_ heb niets gedaan; alleen het Woord heeft alles gedaan.«
Zoo predikte Luther, achtmaal in de acht dagen, tegen den beeldenstorm en de dwepers. Zijn wapen, ook in dezen strijd, was de Bijbel. En hij overwon. Hij noodzaakte de valsche profeten om Wittenberg te verlaten, en Carlstadt, om niet meer zoo onbesuisd te werk te gaan. En zoo gelukte het hem, onder Gods zegen, de gemoederen tot bedaren te brengen en orde en rust in de stad te herstellen.
»O,« schreef doctor Schurf aan den keurvorst, »wat zijn we allen verheugd over de terugkomst van doctor Martin! Zijn woorden brengen ons, met Gods genadige hulp, dagelijks meer op den weg der waarheid terug. 't Is zoo klaar als de dag, dat de Geest van God in hem is en dat hij door Gods bijzonder bestuur te Wittenberg terug is gekomen.«
[Illustratie: DE BEELDENSTORM.]
XV.
De Bijbel herneemt zijn plaats.
Luther ging nu niet meer naar zijn schuilplaats terug. Hij bleef in Wittenberg, trots pauselijken en keizerlijken ban, en vatte er vol moed al zijn werkzaamheden weer op; zijn onderwijs aan de hoogeschool, zijn prediking 's Zondags en in de week, het schrijven van boeken; en bij dit alles werkte hij, geholpen door Melanchton, met onvermoeiden ijver aan zijn Bijbelvertaling voort.
Nog in September verscheen het Nieuwe Testament in druk. Voor één en een halven gulden was het te koop; en de menschen waren er zóó begeerig naar, dat reeds in December van datzelfde jaar een tweede druk noodig was. Want alle vrienden van het Evangelie, rijke en arme, in de stad en op het land, wilden een N. Testament hebben. »Gij hebt ons Christus gepredikt« zeiden ze tot den hervormer, »nu willen wij Hemzelf hooren spreken.« En begeerig grepen ze naar het Boek, dat hun door Rome zoolang onthouden was, en gingen ze zich in het lezen oefenen; want die kunst verstonden nog maar betrekkelijk weinigen.
Terwijl het Nieuwe Testament nog gedrukt werd, begon Luther al met de vertaling van het Oude; en hoewel hij er onafgebroken aan voortwerkte, was eerst na twaalf jaren, in 1534 dus, het geheele werk voltooid. Maar de menschen behoefden gelukkig met het lezen er van zoolang niet te wachten; want het verscheen bij gedeelten, naarmate het werk vorderde. Was een deel vertaald, dan werd het dadelijk gedrukt en uitgegeven, om maar zoo spoedig mogelijk het verlangen er naar te bevredigen en het voor de armen gemakkelijker verkrijgbaar te maken.
Zoo werd Luthers Bijbel al spoedig het meest gelezen volksboek. De menschen droegen het bij zich en bestudeerden het zóó, dat ze er in korten tijd geheel in thuis waren, het om zoo te zeggen van buiten kenden. Ze konden nu ook zelf zien, waarin de leer des Bijbels verschilde van die der priesters, en dat Luthers hervorming geheel in overeenstemming was met Gods Woord. Eenvoudige mannen en vrouwen, kinderen en soldaten, wisten meer van den Bijbel dan priesters en geleerden.
»'t Wordt toch àl te erg,« klaagde een vijandig geestelijke. »Schoenlappers en werkvrouwen, ja zelfs leerjongens, durven met onze priesters over het geloof en het Evangelie te redetwisten. En daar ze alles alleen uit de Schrift bewezen willen hebben, zooals die Luther hun dat geleerd heeft, doen ze onze geleerdste mannen met beschaamde kaken staan.«
Hetzelfde dachten al de tegenstanders, met groote vrees en ergernis. Ze blaakten van woede over dit nieuwe werk van Luther; want in dien volksbijbel zag Rome zijn meest geduchten vijand. Hertog George van Saksen verbood in zijn land het lezen en verkoopen er van en gaf bevel, dat elk exemplaar bij de Overheid gebracht moest worden. In andere Roomschgezinde staten werd hetzelfde geboden. Hier en daar werden er al brandstapels van gemaakt. Maar het hielp niet. »Zelfs na mijn verbod zijn er in mijn staten al duizenden exemplaren verkocht en gelezen,« moest hertog George getuigen. Het Woord kòn niet gebonden worden. Als God werkt, wie zal het dan keeren?
En zooals het in Duitschland ging, ging het ook in de andere landen van Europa. In àl meer talen werd het Boek der boeken overgezet en verspreid. In de Nederlanden, in Zweden, Spanje, Italië, enz. En waar de Bijbel kwam, kwam de Hervorming; niet alleen in de Kerk, maar ook in de huizen en harten van de menschen. Het overbrengen van den Bijbel in de volkstaal is wel het gewichtigste werk van Luther voor de Hervorming geweest, en tot een onberekenbaren zegen geworden voor heel de wereld.
Evenals in den tijd van de eerste Christenen werd ook nu met den dag het aantal grooter van hen, die in den Heere Jezus geloofden als hun eenigen Zaligmaker; en die nieuwe belijders hielpen dan in hun omgeving weer mee de »nieuwe leer« of beter gezegd de »oude leer«, de leer der apostelen, verbreiden. _Evangelischen_ werden ze genoemd, omdat ze zich altijd op het Evangelie beriepen; en dien naam droegen ze 't liefst.