Part 5
Luther was de eenige, die rustig bleef temidden van al het rumoer. »Laat men mijn werken maar vernielen,« zei hij. »Ik heb eenige zielen tot den Bijbel willen leiden. Als ze _dien_ kennen, hebben ze _mijn_ schriften niet meer noodig.«--Vrees kende hij niet, want hij vertrouwde onder alles op God. »Geen blad van een boom valt op de aarde zonder den wil van onzen Vader,« bemoedigde hij zijn bezorgde vrienden, »hoeveel minder dan wij! Het zegt weinig, voor het Woord te sterven, daar het Woord vleesch voor ons werd en voor ons gestorven is. Ik verblijd mij, dat ik voor de beste zaak wat kwaad te lijden heb.«
Zoo had zelfs Rome's banbul hem niet kunnen verschrikken. Zijn eenig antwoord daarop was een nieuw geschrift: _Tegen de bul van den Antichrist_. Zoo noemde hij nu den paus.
[Illustratie: LUTHER VERBRANDT DE PAUSELIJKE BUL.]
Maar Luther meende nog meer te moeten doen. Hij had in het openbaar tegen den aflaathandel gestreden, thans wilde hij in het openbaar de gehoorzaamheid aan den paus opzeggen. Sinds het hem duidelijk was geworden, dat de paus Gods Woord niet eerde en de dienaren van Christus vervolgde, kon hij hem niet langer gehoorzaam zijn. En zoo liet hij den 10den December, in de vroegte, aan den muur van de hoogeschool te Wittenberg een kennisgeving aanplakken, dat doctor Martin Luther voornemens was, dien morgen te negen uur, buiten de Elsterpoort, de pauselijke bul en andere Roomsche geschriften te verbranden, en iedereen uitnoodigde om daarbij tegenwoordig te zijn.
In minder dan geen tijd wist heel de stad het; en op het bepaalde uur stroomde alles er heen; professoren, studenten, en een groote menigte volks, ouden en jongen, rijken en armen, voor- en tegenstanders. Een houtmijt werd opgericht. Een der leeraren stak die aan. En na eerst de andere schriften verbrand te hebben, nam Luther de bul, hief die omhoog en wierp ze voor aller oog in de vlammen, met de woorden: »Omdat gij de heiligen des Heeren bedroefd hebt, zoo vertere u het eeuwige vuur!«
VOETNOOT:
[1] In den zin van _hond_.
XI.
Naar Worms.
Duitschland had intusschen een nieuwen keizer gekregen. Eerst was de kroon aangeboden aan keurvorst Frederik, Luthers vriend, die bekend stond als een verstandig, vredelievend man, die zijn volk zeer liefhad. Toen men eens, bij een opstand te Erfurt, bij hem aangedrongen had, de stad met geweld van wapenen te onderwerpen, had hij het geweigerd, »om bloed te sparen«.--»'t Zal geen vijf menschen kosten,« had men hem gezegd. Maar de vorst had geantwoord: »Een ènkel mensch zou te veel zijn.«--Ach, als keurvorst Frederik eens in onze dagen geleefd had!
Al de vorsten hadden gaarne de keizerskroon op Frederiks hoofd gezien. Maar de nederige man meende haar te moeten weigeren; en op zijn raad werd de kleinzoon van Maximiliaan, de negentienjarige Karel, reeds koning van Spanje en Heer der Nederlanden, tot keizer verkozen en in 1521 te Aken als Karel V gekroond.
Al spoedig werd er met den nieuwen keizer over Luther gesproken. De pauselijke gezant Aleander drong bij hem aan, niet alleen om de boeken van dien ketter te doen verbranden, maar ook hemzelf uit den weg te ruimen.
Het eerste wilde de keizer wel; men was daar trouwens in zijn erflanden al mee bezig; maar het laatste ging zoo gemakkelijk niet. Luther was een onderdaan van keurvorst Frederik; en dezen wilde Karel te vriend houden, omdat hij aan hem zijn kroon te danken had. Ook wist hij, dat velen van de andere vorsten Luther genegen waren. Hij wilde dus eerst weten, hoe dezen er over dachten en vooral, wat het gevoelen van den keurvorst was.
In Januari 1521 zou er een Rijksdag geopend worden, d. i. een Vergadering van alle vorsten en aanzienlijken des Rijks, om over staatszaken te spreken. Thans zou het daarbij hoofdzakelijk gaan over Luther en zijn leer. Deze Rijksdag, de eerste, waarop de jeugdige Karel moest voorzitten, zou te Worms gehouden worden. De keizer wilde Luther daar dan ook laten komen, om zich te verantwoorden.
Toen de keurvorst dit hoorde, werd hij ongerust. Hij vreesde, dat Luther er niet levend vandaan zou komen. In een brief verzocht hij den keizer om van dien eisch af te zien. En toen dit niet baatte, vroeg hij een vrijgeleide voor zijn onderdaan; waarop de keizer zijn woord gaf, dat Luther door hem beschermd zou worden.
Het vrijgeleide werd gegeven. Maar toch was de keurvorst nog niet geheel gerust. Luthers vijanden waren het echter ook niet. Aleander zag den doctor van Wittenberg liever niet voor den Rijksdag verschijnen. In zijn hart vreesde hij dien stoutmoedigen man en de kracht van zijn woord, waardoor hij er reeds zoovelen voor zijn leer gewonnen had. Hij vond dus veiliger, dat de Rijksdag hem maar onverhoord veroordeelde; te meer daar de paus hem toch al veroordeeld had. Zóó ver had hij het bij den keizer reeds weten te brengen, dat hij vergunning kreeg, vooraf Luthers geschriften te weerleggen. Hij deed dit met groote welsprekendheid, en spande aan het einde al zijn krachten in, om de vorsten tot een nieuwe veroordeeling te bewegen.
Maar de Koning der koningen waakte over Zijn dienstknecht, en gebruikte ook hier een tegenstander als pleitbezorger voor Luther en de goede zaak.
't Was hertog George van Saksen, een van Luthers grootste vijanden, die tot aller verbazing plotseling in de Vergadering opstond en zeide, dat de vorsten recht hadden, ook zelven de zaak te onderzoeken, al had de paus reeds uitspraak gedaan; want dat er met medeweten van den paus zeer veel verkeerde dingen in de Kerk geschiedden. Met bewijzen staafde hij zijn bewering. Het was niet tegen te spreken. Velen van de anderen vielen hem bij. En het einde was, dat er besloten werd, Luther voor den Rijksdag te roepen.
Den 24sten Maart verscheen de keizerlijke heraut, Caspar Sturm met de dagvaarding van Karel V te Wittenberg. Luthers vrienden zaten in doodsangst over hem. Ze sméékten hem, niet naar Worms te gaan. Het vrijgeleide van den keizer was zoo weinig te vertrouwen. Was niet vóór honderd jaar een keizerlijk woord aan Hus gegeven, ook verbroken geworden?
[Illustratie: PHILIPPUS MELANCHTHON.]
Maar er hielp niets aan. Wie er bevreesd was, Luther niet. »Christus leeft,« zei hij; en dit was hem genoeg. Toch wist hij heel goed, dat het zijn vijanden om niets anders dan zijn dood te doen was; »maar,« schreef hij aan zijn vriend Spalatin, »met de hulp van Christus zal ik het Woord op het slagveld niet verlaten.« En tot Melanchton, zijn boezemvriend, die met alle geweld mee wilde, zei hij: »Gij moet hier blijven. Kom ik niet terug en gelukt het mijn vijanden mij te dooden, dan bezweer ik u, lieve broeder! dat gij niet ophoudt de waarheid bekend te maken en bij haar te volharden. Werk meteen voor mij, als ik het niet meer kan. Gij kunt het nog beter dan ik. Daarom is er ook aan mij niet veel verloren, zoolang gij blijven moogt. Aan u heeft de Heer een nog veel beter toegerusten strijder.«
Met zulk een moed in het hart en het oog op God aanvaardde Luther den 2den April de reis, onder de tranen en gebeden van heel Wittenberg. De stadsraad had hem daarvoor een rijtuig geschonken; een kleinen, heel eenvoudigen wagen op lage wielen, zooals die toen in Saksen in gebruik waren, met een linnen kap, die op en neer kon. De keizerlijke heraut, bekleed met de teekenen van zijn waardigheid, reed te paard vooruit, met zijn wapenknecht. Deze droeg het rijksschild met den gekroonden adelaar. Professor Amsdorf, de rechtsgeleerde Schurf en een jong Deensch student, die mee naar Worms zouden gaan, zaten bij hem in den wagen. Een tweede wagen, met nog andere begeleiders, volgde. Onderweg sloten nog meer vrienden zich bij hem aan, onder wie de trouwe Justus Jonas.
In verscheidene plaatsen, die hij doortrok, predikte Luther. En hij sprak dan niet over zichzelf, maar enkel over zijn Heer en Meester, en het heil, dat door het geloof in Hem te vinden was. _Vrede zij ulieden_ was te Erfurt zijn tekst in de kerk van het Augustijner klooster; dezelfde, waar hij in vroeger jaren aan het klokketouw en met den bezem had gestaan. Ook te Eisenach kwam hij, waar hij als jongen met zingen zijn brood had gebedeld. En wáár hij kwam, liepen de menschen uit om den onverschrokken man te zien, die het, heel alleen, tegen het machtige Rome had durven opnemen.
Die reis naar Worms was voor Luther een zegetocht.
Op bevel van den keizer moest hij er binnen een en twintig dagen zijn; maar het scheen wel of vriend en vijand samenspanden om te maken, dat hij er niet of niet op tijd zou komen.
Telkens trachtten ze hem op te houden of ongerust te maken. »Ach,« klaagden ze, »er zijn te Worms zooveel kardinalen en bisschoppen! Ze zullen u verbranden, zooals ze Hus hebben gedaan.«
Maar het geloof gaf Luther kracht om al die verzoekingen te weerstaan. »Al ware de gansche weg van Wittenberg naar Worms één vuur, welks vlammen tot aan den hemel reikten,« sprak hij, »zoo zou ik in den naam des Heeren er doorheen wandelen, voor hen verschijnen en den Heere Jezus belijden.«--»Ik zal naar Worms gaan, al moest ik er ziek heengebracht worden,« had hij al vroeger gezegd. »Als de keizer mij roept, is er geen twijfel aan, dat ik van God word geroepen. Hij leeft en heerscht nog, die de jongelingen in den gloeienden oven bewaard heeft.«
Ook al om hem op te houden, wilde men hem naar een bevriend kasteel rijden. De biechtvader van den keizer was daar; en met dezen zou hij alles kunnen bespreken, zonder dat hij in Worms behoefde te komen, zeide men hem. Maar Luther antwoordde: »Ik zal mijn reis voortzetten. Als de biechtvader van den keizer mij wat te zeggen heeft, kan hij mij in Worms vinden.«--En 't was maar heel gelukkig dat hij er geen gehoor aan gaf. Want _dit_ bleek een strik, dien de vijanden hem spanden.
Nog dicht bij de stad kwam er een bode van zijn vriend Spalatin, met dringend verzoek namens zijn meester om toch niet binnen Worms te komen. Maar Luther zei: »Zeg aan uw heer, dat, al waren er zooveel duivels in Worms als pannen op de daken, ik er toch heen zou gaan.«
En hij kwàm er, nog juist op tijd. Den 16den April, in den voormiddag van den een en twintigsten dag, reed hij in zijn nederigen wagen de stad binnen. Een honderdtal edellieden, die hem tegemoet waren gegaan, volgden te paard, als een eerewacht.
't Was werkelijk ontroerend, den intocht te zien van dezen eenvoudigen monnik in de rijksstad. Als hij de keizer zelf was geweest, kon hij er niet met grooter belangstelling ontvangen zijn. 't Was er nog vòller dan bij den intocht van den keizer. Overàl op zijn reis hadden de menschen hun best gedaan den moedigen man te zien; maar hier in Worms verdrong men elkander letterlijk. Straten en huizen waren vol toeschouwers. Uit alle deur- en vensteropeningen staken de hoofden. Wel een tweeduizend menschen pakten zich samen bij het huis, waar de wagen stilhield en hij zijn intrek nemen zou.
Bij het afstappen liep er een priester op hem toe, die hem omhelsde en tot driemaal toe zijn kleed aanraakte, »alsof het een reliquie van den grootsten heilige was«, zooals Aleander grimmig naar Rome schreef.
Getroffen liet Luther zijn groote, klare oogen over de menigte gaan. »God zal mij bijstaan,« hoorde men hem, als ter geruststelling, met een blijmoedig gezicht zeggen. Toen ging hij naar binnen.
Na den maaltijd kreeg Luther druk bezoek, zoowel van vorsten, edelen en geleerden als van gewone burgers. De jonge landgraaf Philips van Hessen was ook gekomen om hem te zien. »Indien gij gelijk hebt, heer doctor, dan helpe u God!« wenschte hij hem met een hartelijken handdruk.
Ook vóór het huis bleef het vol nieuwsgierigen, tot laat in den avond.
XII.
Voor den Rijksdag.
Den volgenden morgen kwam de rijksmaarschalk Luther aanzeggen, dat hij 's middags voor den Rijksdag verschijnen moest.
Met eerbied vernam Luther het keizerlijk bevel. Hij besefte ten volle het gewicht van wat komen ging; en meer dan ooit gevoelde hij zijn zwakheid. En dit gevoel maakte hem onrustig. 't Was hem, als had hij opeens zijn vertrouwen op God verloren. Hij wierp zich op de knieën en ging hulp en kracht zoeken in 't gebed.
»Almachtig God!« riep hij uit, »hoe verschrikkelijk is de wereld; en wat heb ik weinig vertrouwen op U! Hoe zwak is het vleesch, en hoe machtig is de satan!... O God! mijn God! help mij! Het is niet mijn werk, maar het Uwe! _Gij_ moet het doen... Gij alleen... _Ik_ heb hier niets te doen. _Ik_ heb niets te twisten met die groote heeren van de wereld! Het is _Uw_ zaak... en zij is rechtvaardig!... Getrouwe God, wees mijn hulp! Ik verlaat mij niet op eenig mensch... O Heere! hoort Gij niet? Mijn God! zijt Gij dood?... Neen, Gij kunt niet sterven! Gij verbergt U slechts. Gij hebt mij tot dit werk verkozen. Ik weet het... O Heere! wees mij nabij om den wil van Uw lieven Zoon Jezus Christus, die mijn hulp, mijn schild en mijn sterkte is!...«
Toen na een kort zwijgen: »O Heere, mijn God! waar zijt Gij?... Kom! kom! ik ben bereid!... Ik ben bereid om mijn leven voor Uw waarheid te laten. Ik zal niet van U scheiden; noch heden noch in alle eeuwigheid. Al ware de wereld vol duivels, en al werd mijn lichaam gedood, ja, tot asch verbrand--mijn ziel behoort U toe! Ja, Uw Woord verzekert het mij, mijn ziel is Uwe! Zij zal eeuwig bij U blijven... Amen!... O God! help mij!... Amen!«
Gesterkt stond Luther van zijn knieën op. Hij voelde, na dit smeekgebed, zijn God weer dicht bij zich. En toen de rijksmaarschalk weer verscheen, met den keizerlijken heraut, om hem naar het bisschoppelijk paleis te leiden, waar de Rijksdag gehouden werd, was er geen zweem van onrust meer in hem.
't Was nu met de volte nog erger dan den vorigen dag. Er was gewoon geen doorkomen aan vanwege het gedrang. Zijn geleiders traden het huis weer met hem binnen, gingen ongemerkt de achterdeur uit, en brachten hem door tuinen en nauwe achterstraatjes verder. Toen de menschen dit merkten, drongen ze de huizen binnen naar de ramen, die op de tuinen uitzagen. Anderen klommen op de daken of namen de pannen er uit. Allen moesten den veel besproken man zien, dien de een voor een heilige, de ander voor een duivel in monnikskleeren hield.
Eindelijk was het niet verre paleis bereikt; maar aan binnenkomen was geen denken. Of de heraut al riep: »Plaats! Plaats!« 't volk gehoorzaamde eenvoudig niet. De hellebaardiers moesten er aan te pas komen om met geweld een nauwen doortocht te banen en de menigte tegen te houden, die mee naar binnen drong.
't Was daarbinnen trouwens al vol genoeg. Duizenden stonden er opgepakt in de gangen en zijvertrekken. Een oude generaal, George von Freundsberg, die ook daar stond, tikte Luther op den schouder en zei: »Monnikje, monnikje! gij doet heden een marsch, zooals ik en menig overste zelfs in den heetsten veldslag er geen gedaan hebben. Maar hebt gij het rechte voor en zijt ge zeker van uw zaak, wees dan maar getroost en ga in Gods naam voort. God zal u niet verlaten!«
Dit gemoedelijk woord deed Luther goed. 't Was hem een nieuwe versterking. En toen de vleugeldeuren van de Gothische zaal opengingen, trad hij eerbiedig maar onverschrokken binnen.
Nooit waren er op een Rijksdag zóóveel vorsten bijeen geweest, als Luther hier vóór zich zag. Daar zat de jonge keizer Karel V op zijn troon; naast hem zijn broeder Ferdinand; en verder een groot aantal keurvorsten, hertogen, graven, bisschoppen, de gezanten van den paus, drie koninklijke gezanten, en nog een menigte andere voorname heeren. Ook de vreeselijke hertog van Alva was er bij. Een schitterend gezelschap van meer dan tweehonderd personen. Op een tafel, midden in de zaal, lagen Luthers boeken.
't Was voor den eenvoudigen monnik een overweldigende aanblik. Een paar vorsten traden vriendelijk op hem toe, met een bemoedigend Schriftwoord. De een zeide: »Vrees niet voor degenen, die het lichaam dooden en daarna niet meer kunnen doen.« De ander: »Wanneer gij voor stadhouders en koningen zult gesteld worden om Mijn naam, dan zal de Geest uws Vaders in u spreken.« Zoo kwamen de eigen woorden van zijn Meester hem versterken in deze gewichtige ure.
Luther moest recht voor den keizer komen staan; en nu werden hem door den kanselier twee vragen gesteld. Ten eerste, of hij erkende dat de boeken, die daar lagen, door hem geschreven waren. Ten tweede, of hij alles, wat daarin voor kettersch gehouden werd, wilde herroepen. Vervolgens werden, op verlangen van Luthers raadsman Schurf, de titels van de boeken voorgelezen en--Luther mocht antwoorden.
De eerste vraag beantwoordde hij bevestigend. Voor de tweede verzocht hij eerbiedig tijd om zich te bedenken. Hij deed dit niet uit vrees, zooals de vijanden zich al met blijdschap wijsmaakten, of omdat hij het met zichzelf nog niet eens was, maar opdat niemand zou kunnen denken dat hij lichtvaardig of met overijling gehandeld had.
Het verzoek werd hem toegestaan. Hij kreeg uitstel tot den volgenden dag. En dezen tijd gebruikte Luther om te bidden, in den Bijbel te lezen, zijn boeken nog eens door te zien en na te denken over wat hij te zeggen had. »Maar met Gods hulp zal ik geen letterstreep herroepen,« schreef hij aan een vriend. 't Was hem een heerlijke gedachte, voor Keizer en Rijk van zijn Heer te mogen getuigen. Met de hand op den Bijbel beloofde hij plechtig, het Evangelie getrouw te zullen blijven, al moest hij het ook met zijn bloed bezegelen.
[Illustratie: LUTHER VOOR DEN RIJKSDAG TE WORMS.]
In die blijmoedige stemming verscheen Luther dien dag opnieuw voor de Vergadering, zoo mogelijk onder nog grooter toeloop. De avond begon al te vallen. In de zaal waren de lichten op. Vier uren lang sprak hij, eerst in het Duitsch, en toen, ter wille van den keizer, die niet van Duitsch hield, in het Latijn, over den inhoud van zijn boeken, en verzocht aan het einde, hem uit den Bijbel te bewijzen dat hij ongelijk had. In dit geval zou hij aanstonds zijn dwalingen herroepen en met eigen hand zijn boeken in de vlammen werpen.
Maar inplaats van een weerlegging kwam er een vermaning van den kanselier dat hij hier niet mocht redetwisten en eenvoudig te antwoorden had of hij herroepen wilde, ja of neen.
»Welnu,« zei Luther, »dan zal ik een antwoord geven, dat niet bijten of stooten zal. Ik kan mijn geloof niet onderwerpen aan het oordeel van den paus en de Kerkvergaderingen, daar het zoo klaar is als de dag, dat zij dikwijls gedwaald en zichzelve weersproken hebben. Word ik niet door de H. Schrift van dwaling overtuigd, zoo kan en wil ik niet herroepen; want het is niet raadzaam, iets tegen het geweten te doen.--Hier sta ik! Ik kan niet anders! God helpe mij! Amen!«
Onbeschrijfelijk was de indruk van dit kloeke antwoord op de aanwezigen. »De monnik spreekt stoutmoedig en vastberaden,« moest de keizer bekennen, na van zijn eerste verbazing bekomen te zijn. De goede keurvorst ging van dat oogenblik af nog meer voelen voor Luther en de Hervorming. Hij was er trotsch op, van zùlk een man de beschermer te zijn. »Hoe schoon heeft pater Martinus gesproken!« zei hij later tot zijn hofprediker Spalatin.
Ook velen van de andere vorsten gaven hun goedkeuring te kennen over Luthers woorden. Maar de vrienden van den paus stonden verlegen en teleurgesteld. Ze gevoelden het maar al te goed, Rome had het verloren tegen den monnik van Wittenberg.
Nogmaals werd Luther gevraagd of hij het geschrevene, althans gedeeltelijk, herroepen wilde. Zoo niet, dan zou de keizer weten, wat hij met zulk een hardnekkigen ketter te doen had.
Maar Luther liet zich door deze bedreiging niet afschrikken. »Ik heb geen ander antwoord dan ik reeds gegeven heb,« zei hij bedaard.
't Was laat geworden. De keizer stond op en de vergadering ging uiteen. Luther werd naar zijn verblijf teruggeleid door twee keizerlijke officieren, weer omstuwd door vrienden en vijanden. »Ik ben er door! Ik ben er door!« juichte hij bij het binnengaan met de handen in de hoogte. Zijn trouwe Spalatin en andere vrienden bleven bij hem. Aller hart was vol lof en dank aan God.
't Was een heerlijk getuigenis, dat Luther voor den Rijksdag had afgelegd. De Heer had zijn vertrouwen niet beschaamd. Hij had hem krachtig ter zijde gestaan en aan de wereld getoond, dat het Woord van God triomfeert, ook over de machtigsten der aarde. Hij had Zijn dienstknecht den moed gegeven, zijn heldhaftig _Neen_ te doen klinken in de ooren van Keizer en Paus, en temidden van de leugen pal te staan voor de waarheid. En al die grooten hadden het gehoord en gezien, hoe, door de kracht der waarheid, die eenvoudige monnik met een gerust geweten als een vrij man vóór hen stond.
Luthers manmoedige daad heeft het daar te Worms voor alle volgende eeuwen bewezen, dat gewetensvrijheid een heilig recht is, dat geen aardsche macht den mensch ontnemen kan of mag.
Wel mogen wij God danken voor wat Hij te Worms door Maarten Luther gedaan heeft.
XIII.
Op den Wartburg.
De aanhangers van Rome waren woedend over hun nederlaag en deden, met den nuntius Aleander aan het hoofd, al het mogelijke om Luther veroordeeld te krijgen. Ze gaven den keizer zelfs den raad, het vrijgeleide in te trekken, zooals met Hus was geschied. Tegenover een ketter behoefde men immers zijn woord niet te houden.
Maar tegen zùlk een schanddaad kwamen de Duitsche vorsten, zelfs de zoo vijandige hertog George, met kracht in verzet. Ook Karel zelf liet er zich gelukkig niet toe vinden, maar gaf, zegt men, dit schoone antwoord: »Al was er ook in de gansche wereld geen trouw en gerechtigheid meer, dan moeten zij toch bij een Duitsch keizer gevonden worden. Ik wil niet blozen als Sigismund.«
Nog acht dagen bleef Luther te Worms. Hij werd niet meer voor den Rijksdag ontboden, maar kreeg wel nog voortdurend tal van voorname bezoekers, die hem tot herroepen zochten te bewegen en de grootste gevaren voorspiegelden, zoo hij het niet deed. Maar het een werkte even weinig uit als het ander. Eindelijk gebood de keizer hem te vertrekken; want over een en twintig dagen zou het vrijgeleide geëindigd zijn. Met het oog hierop liet zijn bezorgde keurvorst hem weten, dat het voor zijn veiligheid noodig zou zijn, hem voorloopig van zijn vrijheid te berooven, en hem ergens heen te brengen, waar hij een tijdlang verborgen kon zijn. Maar waar, hoe en door wie moest nog een geheim blijven.
Gehoorzaam aan 's keizers bevel nam Luther in den morgen van den 26sten April afscheid van zijn vrienden en verliet hij Worms, in het heerlijk bewustzijn, te hebben gehandeld naar den wil van God. Twintig edellieden te paard en een groote menigte volks deden hem uitgeleide.
Ook nu ging het onder bescherming van 's keizers heraut. Maar reeds te Friedberg zond Luther hem terug; op Hessisch grondgebied achtte hij zich wel veilig. Hartelijk was het afscheid tusschen de twee mannen. Caspar Sturm was in die enkele weken een warm vriend geworden van zijn beschermeling èn van de Hervorming.
Evenals op de heenreis predikte Luther ook nu weer het Evangelie, wáár hij maar gelegenheid vond. 't Was hem namens den keizer wel verboden; maar daar stoorde hij zich niet aan. »Het Woord van God mag niet gebonden worden,« zei hij.
Zoo kwam hij te Eisenach; en vandaar ging hij een bezoek brengen aan het dichtbij gelegen dorpje Möhra, de geboorteplaats van zijn vader, waar nog zijn grootmoeder en meer familie woonde. Ze behoorden er tot de rijkste boeren uit den omtrek, de zoogenaamde »paardenboeren«, omdat ze met paarden inplaats van met ossen ploegden. Er wonen daar nog altijd veel families Luther in de omgeving.