Part 4
Onderwijl de oude vorst op zijn kasteel over zijn droom bleef voortpeinzen, zat Luther in zijn kloostercel te Wittenberg met een stuk wit papier voor zich. Hij had het feest van Allerheiligen afgewacht als de beste gelegenheid om velen tegelijk tegen de leugenleer van »den grooten beurzendorscher«--zoo noemde hij Tetzel--te waarschuwen. Daarom schreef hij, wat hij er tegen in te brengen had, op dat papier, in vijf en negentig stellingen, die hij, zeide de inleiding, bereid was aan de universiteit in het openbaar te verdedigen. Met een hamer gewapend ging hij er mee naar de Slotkerk en sloeg ze daar aan de hoofddeur aan, waar ze door iedereen gezien en gelezen konden worden.
Daar stond onder meer voor aller oog:
»De aflaatkramers zijn bedriegers wanneer zij zeggen, dat de pauselijke aflaat van alle straf bevrijden en den mensch behouden kan.
»Onder _volkomen vergeving van zonden,_ bedoelt de paus niet een opheffing van _elke_ straf, maar slechts van die, welke hijzelf opgelegd heeft.
»De kwijtschelding en vergiffenis van den paus moet niet veracht worden, want zijn vergiffenis is een verklaring van de vergiffenis Gods.
»Het is een dwaze prediking, te beweren, dat de ziel uit het vagevuur opstijgt op hetzelfde oogenblik, dat het geld in de kist klinkt.
»Zij, die zich verbeelden van hun zaligheid verzekerd te zijn door middel van aflaten, gaan naar den duivel, met hun onderwijzers.
»Ieder Christen, die oprecht berouw heeft over zijn zonden, ontvangt volkomen vergeving van schuld, ook zonder aflaatbrieven.
»Men moet den Christenen leeren, dat hij, die den armen geeft en den behoeftigen leent, beter doet dan hij, die een aflaat koopt.
»Men moet den Christenen leeren dat hij, die zijn naaste gebrek ziet lijden en een aflaat koopt inplaats van hem te helpen, zich het goddelijk ongenoegen op den hals haalt.
»De ware en kostelijke schat der Kerk, is het heilig Evangelie van Gods heerlijkheid en genade.
»Te zeggen, dat een kruis met de pauselijke wapenen versierd, even machtig is als het kruis van Christus, is godslastering.
»Men moet den Christenen leeren, dat, indien de paus het villen en plunderen der aflaatpredikers kende, hij liever den Dom van St. Pieter tot asch verbrand zou zien, dan opgebouwd van de huid, het vleesch en de beenderen zijner schapen.«
Uit deze stellingen blijkt duidelijk, dat Luther toen nog grooten eerbied had voor den paus en zich geroepen gevoelde het voor hem op te nemen, in de vaste overtuiging, dat de Heilige Vader onkundig was van wat door Tetzel in zijn naam gedaan werd.
Zooals zich denken laat, wekten zijn stellingen groot opzien. Hij had ze in 't Latijn geschreven, maar ze werden onmiddellijk in 't Duitsch vertaald en in nog geen veertien dagen door geheel Duitschland verspreid. Niemand kwam om ze te weerleggen. Maar de duizenden, die ze op Allerheiligen gelezen hadden, deden niets dan er over spreken; in huis, op de reis, op de markt, in de herberg, wáár men elkander maar zag. Inplaats van aflaten namen de bedevaartgangers ze mee naar hun woonplaats. Iedereen was er vol van en wilde ze lezen en laten lezen. Ze werden afgeschreven, in andere talen overgebracht en bij duizenden gedrukt en verkocht. Naar paleizen, studeervertrekken, kloostercellen, en zelfs naar het Vaticaan vonden ze hun weg. Binnen vier weken wist rijk en arm, geleerd en ongeleerd, in heel Europa en nog verder, er over mee te spreken. »'t Was of de Engelen uitgezonden waren om ze wijd en zijd over de aarde te verkondigen,« zei een tijdgenoot van Luther.--Zou keurvorst Frederik, bij het vernemen er van, niet aan zijn droom hebben gedacht?
De Dominicaners, met Tetzel aan het hoofd, waren woedend, dat die vermetele Augustijner hen in hun bedrijf was komen storen, en maakten hem uit voor den grootste aller ketters, die niet anders dan den brandstapel verdiende.
Ter weerlegging van zijn stellingen liet Tetzel door een van zijn handlangers een aantal stellingen vóór den aflaat vervaardigen. Eén daarvan luidde, dat al wie zegt, dat de ziel _niet_ uit het vagevuur vliegt, als het geld op den bodem van de geldkist klinkt, in dwaling verkeert. Te Frankfort aan de Oder, waar hij met zijn aflaatkraam heengetrokken was,--'t begon hem zoo dicht bij Wittenberg te benauwd te worden,--liet hij op een openbare wandelplaats een preekstoel en een houtmijt oprichten. Op dien preekstoel ging hij, omhangen met de teekenen van zijn waardigheid als inquisiteur, tegen Luther staan razen; en toen dit afgeloopen was, verbrandde hij op de houtmijt Luthers stellingen. Maar de Wittenbergsche studenten, gloeiend van verontwaardiging over den smaad, hun zoo geliefden en vereerden meester aangedaan, wisten een aantal exemplaren van Tetzels stellingen in handen te krijgen, en stookten daarvan op hun beurt een vreugdevuurtje.
Zooals dat gewoonlijk gaat, koos de één vóór, de ander tegen Luther partij. Velen gingen de oogen open voor het verkeerde van den aflaathandel en verheugden zich, dat er eindelijk iemand gekomen was, die den moed had er tegen te getuigen. Anderen werden er door verbitterd. Zelfs onder Luthers vrienden waren er, die het afkeurden, uit vrees voor de gevolgen.
Maar Luther zei: »Indien de zaak niet in den naam van God gedaan is, zal ze vallen. Indien wèl, laat ze voortgang hebben.«
En ze hàd voortgang, en heeft het nòg. De Heer zelf zorgde er voor, want het was _Zijn_ werk.
't Is nu juist vierhonderd jaren geleden, dat Maarten Luther zijn stellingen aansloeg aan Wittenbergs Slotkerk. En onder Gods bestuur is _dit_ de beslissende stoot geweest tot het groot en gezegend werk der Kerkhervorming. 't Begin, voor zoover men in deze van een begin spreken kan. Daarom wordt 31 October _Hervormingsdag_ genoemd en jaarlijks in de Protestantsche kerken met dankbaarheid herdacht.
Thans, nu we 1917 schrijven en dus het Vierde Eeuwfeest der Hervorming vieren, heeft die dag voor ons natuurlijk nog een bijzondere beteekenis.
VOETNOOT:
[1] Leeuw is in 't Latijn _leo_.
IX.
De strijd ontbrandt.
Het razen van Luthers vijanden noodzaakte hem, zich tegen hun aanvallen te verdedigen. Hij bemerkte, dat zijn stellingen niet door allen goed begrepen waren en achtte het daarom, vooral voor de onpartijdigen, noodig er nog eens een duidelijke verklaring van te geven.
Deze »Verklaring« zond hij ook aan den paus, met een brief, waarin hij den »Allerheiligsten Vader« meedeelde, wat hem bewogen had zijn stellingen te schrijven, en hem ootmoedig verzocht, zijn zaak te willen onderzoeken. Wanneer dit geschiedde, zoo vertrouwde hij, zou zij wel tot een goed einde worden gebracht. Want hij geloofde nog altijd in 's pausen rechtvaardigheid en waarheidsliefde.
Leo X liet er zich echter niet veel aan gelegen liggen. Hij dacht dat het maar een twist tusschen monniken was, en dat die wel spoedig geëindigd zou zijn, ook zonder dat hij zich er mee bemoeide. Maar toen er telkens nieuwe aanklachten tegen dien lastigen monnik bij hem inkwamen, begon het hem te vervelen en kreeg Luther, in plaats van een antwoord op zijn brief, waarop hij nog altijd vol vertrouwen wachtte, een dagvaarding namens den paus, om binnen zestig dagen in Rome te verschijnen. »Op het oogenblik dat ik den zegen wachtte, zag ik den banbliksem op mij neerdalen,« zeide hij.
Als Luther gegaan was, zou het waarschijnlijk met hem gedaan zijn geweest. Maar zijn keurvorst wist te bewerken, dat hij voorloopig in Duitschland mocht blijven, waar hij dan verhoord zou worden door den kardinaal Cajetanus, den pauselijken gezant, die te Augsburg was voor den Rijksdag.
Niettemin had Rome hem reeds, onverhoord, voor een ketter verklaard en bij voorbaat zijn ondergang besloten. Want Cajetanus was van een bevelschrift voorzien, waarin de paus hem machtigde, den monnik, indien hij binnen zestig dagen niet herriep, gevangen te nemen en naar Rome te voeren en, zoo hij mocht ontsnappen, hem en al zijn aanhangers en beschermers in den ban te doen.
Met groote vrees zagen Luthers vrienden hem op den bepaalden tijd gaan. Allerlei onrustbarende geruchten waren hun ter oore gekomen van gevaren, die hem dreigden. Maar Luther stelde zich in Gods hand en liet zich niet afschrikken. Gedurig was het hem, als hoorde hij de stem van zijn Meester: Die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is. En vol moed schreef hij aan een van zijn vrienden: »De wil des Heeren geschiede. Zelfs te Augsburg, zelfs temidden van Zijn vijanden voert Jezus Christus heerschappij. Christus leve; Luther sterve. De naam des Heeren zij geprezen!«
In October 1518 kwam hij te Augsburg en had daar een belangrijk gesprek met Cajetanus. Deze was eerst heel vriendelijk; maar toen Luther weigerde te herroepen, zoolang men hem niet van dwaling overtuigde, werd hij norsch en dreigde hij hem met de strengste straffen.
»Men doe met mij, wat men wil,« antwoordde Luther onverschrokken. »Maar al had ik vierhonderd hoofden, zoo zou ik ze liever alle verliezen, dan herroepen wat ik getuigd heb van het heilig Christelijk geloof.«
»En als de paus u in den ban doet en geen vorst u meer in zijn rijk zal dulden, waar zult ge dan blijven?« werd hem gevraagd.
»Onder den hemel,« antwoordde Luther met een rustigen glimlach en de oogen naar boven gericht.
Op deze samenkomst volgden nog twee andere; maar Cajetanus, zelf druk redeneerend, gaf zijn tegenpartij nauwelijks gelegenheid om aan het woord te komen; en na nog veel bedreigingen riep hij toornig: »Herroep, of kom niet terug!«
Luther antwoordde met een buiging en--vertrok.
Zij zagen elkander niet weder. Luther schreef den kardinaal nog een onderdanigen brief, waarin hij zich op de uitspraak van den paus en de Kerk beriep. Maar toen er na vier dagen nog geen antwoord op gekomen was, verliet hij Augsburg op raad van zijn vrienden; want het was duidelijk, dat het op zijn leven was gemunt. Hij deed het in alle stilte, vóór het aanbreken van den dag, op een paard van een zijner vrienden. En zoo kwam hij 31 October behouden in Wittenberg terug, juist een jaar na het aanplakken van zijn stellingen.
Paus Leo was heel ontevreden op Cajetanus, dat hij niet beter gezorgd had, den ketter tot andere gedachten te brengen of hem in handen te krijgen. Hij zou het nu door een ander beproeven en zond zijn kamerheer Von Miltitz naar Duitschland, een eersten pluimstrijker, die met vleien en zoete broodjes bakken zijn doel hoopte te bereiken.
Maar Luther wist wel wat er achter die vriendelijkheid schuilde en liet er zich niet door van de wijs brengen. Hij bleef bij zijn verklaring, dat hij niets herroepen kon, maar beloofde, verder over die geschilpunten te zullen zwijgen en de zaak te laten doodbloeden, als zijn vijanden het ook deden en hem met rust lieten. Want nog altijd was het Luthers oprechte wensch, een gehoorzame zoon van Kerk en paus te blijven en, zoover zijn geweten het toeliet, niets te doen, wat met die gehoorzaamheid in strijd was of den vrede verstoren kon.
Von Miltitz deed alsof hij met deze belofte tevreden was. Hij noodigde Luther heel vriendschappelijk aan den avondmaaltijd en deze nam het aan. Beiden waren opgewekt en vroolijk, en bij het scheiden omhelsde de pauselijke legaat den ketterschen doctor, die maar deed of hij die Italiaansche manieren niet begreep, bijzonder hartelijk. Maar in stilte kwam hij met Cajetanus overeen hem naar Trier te lokken. Was hij eenmaal daar, in het gebied van een aartsbisschop, dan hadden ze hem in hun macht en zou hij spoedig in Rome zijn.
De aartsbisschop, die als scheidsman in Luthers zaak dienst zou doen, verzocht dus den keurvorst hem naar Trier te zenden. Maar keurvorst Frederik dacht er niet over. Zou hij het kort geleden misschien niet hebben durven weigeren uit vrees voor den paus, nu waren de bakens verzet. In Januari was keizer Maximiliaan gestorven en Frederik van Saksen regent geworden van het Duitsche rijk. De oude keurvorst was thans in Duitschland opperste gebieder, en als zoodanig was het nu de _paus_, die noodig vond den _vorst_ te vriend te houden en te ontzien. Bovendien had Leo het nu veel te druk met staatszaken om zich met de zaak van een monnik bezig te houden. De aartsbisschop van Trier, een gematigd man en daarbij een vriend van Frederik, wilde er zich ook liefst maar niet verder mee inlaten, en kwam met den keurvorst overeen, het onderzoek uit te stellen tot den eerstvolgenden Rijksdag. En die bleef nog twee jaar uit.
Zoo deed Gods Voorzienigheid te juister tijd alle omstandigheden medewerken om het groote gevaar af te wenden, dat den hervormer en de Hervorming bedreigde.
Luther bleef dus te Wittenberg. 't Was er rustiger nu de aflaatventers uit den omtrek verdwenen waren. Hun handel bracht trouwens nergens geld meer op. Tetzel zelf, bij Von Miltitz aangeklaagd als de eigenlijke oorzaak van al de beroeringen, viel in ongenade bij den paus. Hij durfde niet eens te verschijnen, toen hij door diens gezant ter verantwoording geroepen werd, maar verborg zich in een klooster, waar hij, met verachting en schande overladen, wegkwijnde door gewetenswroeging en verdriet. De arme man, zelfs door zijn vrienden verlaten, vond bij niemand medelijden of troost dan bij Luther. »Ik heb medelijden met Tetzel,« schreef Luther aan zijn vriend Spalatin. Van dezen »vijand« kreeg de ongelukkige nog een roerenden brief, waarin hij werd gewezen op de barmhartigheid Gods voor berouwhebbende zondaren.
Zoo betoonde Luther zich een echt Christen, gehoorzaam aan het bevel van zijn Meester: Hebt uw vijanden lief. 't Was trouwens niet de persoon, maar het werk van Tetzel, dat hij haatte. Hij had het vroeger al eens gezegd: »Laat hij mij maar kwalijk bejegenen, ik zal daarom zijn vijand niet zijn; ik zal voor hem bidden als voor een vriend. Maar het is onmogelijk te dulden, dat hij de H. Schrift, onzen troost, zoo mishandelt.«
Was Tetzels schijnglorie alzoo in duisternis ondergegaan, Luthers invloed vermeerderde met den dag. Aan de Wittenbergsche hoogeschool was nauwelijks plaats meer voor de àl maar nieuw-aankomende studenten. Ook de kerken werden er te klein. De nieuwe leer vond steeds meer aanhangers, ook buiten Duitschland. Te Bazel waren door een boekdrukker al de werken van Luther uitgegeven en met snelheid, ook in andere landen, verspreid. Zelfs de _bisschop_ van Bazel juichte den hervormer toe. En een zeker kardinaal riep, na zijn werken gelezen te hebben: »O Luther! gij doet uw naam eer aan. Gij zijt een echte Luther--_louteraar_.«
X.
Het Leipziger twistgesprek.
Intusschen wachtte den hervormer nieuwe strijd. Docter Eck, hoogleeraar te Ingolstadt, nogal een vroegere vriend, ging ook heftig tegen Luthers geschriften te keer. Hij kon het maar niet verdragen, dat de boeken van dien »nietigen monnik« door heel Europa zoo gretig gekocht en gelezen werden en wilde in het openbaar met hem redetwisten, om voor aller oog aan te toonen, dat Luther ongelijk had.
Luther moest nu zijn belofte om te zwijgen wel breken. De vrienden waren weer vol vrees. Niemand had nog ooit Dr. Eck durven weerleggen. En dan het ònderwerp van den twist: Het oppergezag van den paus! Hoe durfde de arme monnik zich dááraan te wagen!
Ook zijn keurvorst was ongerust. Maar Luther sprak al dien vreesachtigen moed in. »De waarheid zal zegepralen,« zei hij; »niet door _mijn_ hand, noch door de _uwe_, noch door die van eenig ander mensch; maar door de rechterhand van God. Mocht ik ook bezwijken, de wereld zal met mij niet vergaan.«
En zoo ging de dappere man in den zomer van 1519, in gezelschap van zijn Wittenbergsche vrienden en een menigte studenten, naar Leipzig, waar het twistgesprek zou gehouden worden in de groote ridderzaal van het hertogelijk kasteel Pleissenburg, ten aanhoore van hertog George van Saksen, een groote schare van graven, abten, ridders en andere aanzienlijke en geleerde mannen.
De hoogmoedige Eck, prat op zijn geleerdheid, hield zich vooruit al van de overwinning verzekerd. Het ging, als gezegd, voor een groot deel over het oppergezag in de Kerk. Eck zei, dat de paus het opperhoofd was, als stedehouder van Christus, en grondde al zijn beweringen op de uitspraken van de Kerkvaders. Maar Luther antwoordde: »Christus zelf is het Hoofd en niet een mensch. _Christus moet als Koning heerschen_, zegt de Bijbel. En wanneer alle Kerkvaders anders leerden, zou ik mij tegen hen allen aankanten, steunende op het gezag van de H. Schrift.«
Luther beriep zich trouwens bij alles op den Bijbel. De Bijbel was zijn eenig wapen in elken strijd. En daar kon zijn tegenstander niet tegenop. »Dr. Eck is bang voor den Bijbel en loopt over de H. Schrift heen als een spin over het water,« verweet Luther.
En dat was waar. Eck moest het dan ook tegen Luther afleggen. Hij deed wel alsof hij het gewonnen had, maar in zijn hart wist hij wel beter; en de verstandigen dreven den spot met hem, zelfs in zijn eigen land; vooral met de pen. Maar _dit_ keurde Luther niet goed. »'t Is beter openlijk aan te vallen dan achter een heg verscholen te bijten,« zei hij.
Dat Leipziger twistgesprek, dat bijna drie weken geduurd heeft, had voor de zaak der Hervorming heerlijke gevolgen. Want het pas ontstoken licht der waarheid, dat door Luthers belofte aan Von Miltitz, in Duitschland althans dreigde gedoofd te worden, vlamde er opnieuw hoog door op. En dat niet door toedoen van Luther, die uit zichzelf het zwijgen niet verbroken zou hebben, maar juist door zijn tegenstanders. Wel een krachtig bewijs, dat de Hervorming geen menschenwerk, maar Gods werk was.
De kleine prins George von Anhalt, een jongen van pas twaalf jaar, die te Leipzig studeerde, was ook onder de toehoorders geweest, en had er, op een van de voor het Hof bestemde zetels, met alle aandacht geluisterd. Een groote dorst naar kennis, en vooral naar waarheid, leefde er in dat jongenshart. »Een vorst past geen leugentaal,« was een van zijn leuzen. Gedurig smeekte hij God om toch zijn hart tot de waarheid te neigen. »Doe met Uw knecht naar Uw barmhartigheid en leer mij Uw inzettingen,« bad hij vaak onder tranen. Door den dood van zijn moeder, een vrome vrouw, die in stilte de nieuwe leer aanhing, was hij in het bezit van al Luthers geschriften gekomen. En wat hij nu op den Pleissenburg tusschen die beide geleerden had hooren verhandelen, had hem, zoo jong als hij was, ernstig aan 't denken gebracht en een oprechte genegenheid voor Luther doen opvatten. Met volle overtuiging en zonder eenige vrees schaarde die lieve jongen zich openlijk aan de zijde van het Evangelie, zonder zich te laten weerhouden door de schoone beloften noch door de bedreigingen van zijn voogden en zelfs van hertog George. De Hervorming heeft in hem steeds een trouw vriend gehad. Later, als regeerend vorst, heeft hij zelf aan zijn onderdanen het Evangelie verkondigd.
Ook voor den hervormer zelf was die redetwist van groot belang; want door die nieuwe verdediging van de waarheid tegen de dwaling, leerde hij de waarheid nòg weer beter verstaan. Hij was nu ook tot de volle overtuiging gekomen, dat hij met de Roomsche Kerkleer breken moest. »Mijn besluit is genomen,« zei hij. »Ik wil met Rome geen gemeenschap meer hebben. Ik veracht zijn woede en ik veracht zijn gunst. 't Is nu uit met mijn toegeeflijkheid.«
Luther gevoelde zich nu tegenover Rome volkomen vrij; en in een ernstigen, gemoedelijken brief deelde hij den paus de reden mee van zijn scheiden. Hij schetst daarin het bedrog van Rome en zegt dan: »O, voortreffelijkste Leo! wel verre van ooit een slechte gedachte omtrent u gekoesterd te hebben, wensch ik u voor de eeuwigheid de kostbaarste goederen. Ik heb slechts één zaak gedaan: ik heb het Woord der waarheid gehandhaafd. Ik ben bereid om voor allen in alles te wijken; maar dat Woord wil en kan ik niet laten varen. Wie anders van mij denkt, denkt verkeerd. 't Is waar dat ik het Hof van Rome aangevallen heb; maar noch gijzelf, noch eenig mensch op aarde kan ontkennen, dat er aangaande de goddeloosheid die er heerscht, geen hoop op genezing bestaat. Ja, ik ben met schrik vervuld geweest, ziende dat men onder uw naam het arme volk van Christus bedroog.... O Leo, mijn Vader! hoor niet naar de vleiers, die u zeggen dat gij niet een mensch, maar een halve god zijt, en dat gij alles kunt bevelen, wat u behaagt. Ik ben mogelijk te stoutmoedig, maar de liefde dringt mij en ik moet een stem van waarschuwing en heil doen hooren.... O Leo, mijn Vader! gij zetelt op den gevaarlijksten troon. Ik zeg u de waarheid, omdat ik u hartelijk genegen ben.... Ziedaar waarom ik tegen dien zetel, die den dood aanbrengt, uitgevaren ben. Wel verre van tegen uw persoon op te staan, heb ik er door voor uw behoud meenen te werken.... Maar ziende dat al mijn zorgen om den Stoel van Rome te hulp te komen vergeefsch waren, heb ik hem den scheidbrief gegeven en gezegd: Vaarwel, Rome!...« En dan biedt hij den paus een boekje aan, dat hij pas geschreven had: _De vrijheid van een Christenmensch_. »Ik ben arm en heb niets anders om u aan te bieden,« zegt hij; »maar hebt gij iets anders nóódig dan geestelijke gaven?.... De Heere Jezus behoede u eeuwig. Amen!«
Terwijl Luther aldus afscheid nam van Kerk en paus, was Eck, uit wraak over zijn nederlaag, op hooge beenen naar Rome gereisd en had daar weten te bewerken, dat er een banbul tegen Luther uitgevaardigd werd, waarin de paus beval, al zijn als kettersch verklaarde schriften in het openbaar te verbranden, hem het prediken, onderwijzen en schrijven te verbieden, en, zoo hij binnen zestig dagen niet herriep en zich met de Kerk verzoende, hem en zijn aanhangers als vervloekte ketters gevangen te nemen en naar Rome te brengen.
Eck zelf bracht de bul in September 1520 in triomf naar Saksen, om daar te worden afgekondigd. Maar hij legde er niet veel eer mee in. In de eene stad werd ze aangeplakt op een plaats, waar niemand haar kon lezen; in andere steden plakte men haar in 't geheel niet aan. De studenten, op een relletje belust, maakten het er den overbrenger zoo lastig om, dat hij de wijk moest nemen en naar hetzelfde klooster vluchtte, waar Tetzel een schuilplaats had gezocht. Toen ze den man zelf niet meer te pakken konden krijgen, vergenoegden ze zich met een liedje op hem te maken en dit langs de straten te zingen. Eck hoorde het in zijn gevangenis. Later, toen hij zijn kans schoon zag, kwam hij met zijn bul in Erfurt. Maar de studenten dáár verscheurden al de exemplaren en wierpen de stukken in het water. »Een bul[1] moet zwemmen,« zeiden ze.--»Nu is het een echte bul«, grapte Luther, toen hij er van hoorde.
Intusschen werden er reeds in onderscheiden plaatsen buiten Duitschland brandstapels opgericht voor de schriften van den ketter. Die zouden er den schrik wel inbrengen, hoopten Rome's dienaren.
Zoo ook te Leuven. »Luther«, zoo kwamen daar de leeraren van de hoogeschool zich bij Margaretha, de landvoogdes der Nederlanden beklagen, »Luther keert het heele Christelijke geloof om.«
»Wie is die Luther?« vroeg de landvoogdes.
»Een domme monnik,« was het antwoord.
»Welnu«, luidde haar raad, »gij, die geleerd en met zoo velen zijt, schrijft tegen hem. De wereld zal eerder vele geleerden dan één dom mensch gelooven.«
De geleerden vonden echter gemakkelijker de werken van dien »dommen monnik« te verbranden dan ze te bestrijden. En terwijl ze daarmee onder veel bekijks bezig waren, kwamen studenten en burgers met nog meer boeken aandragen. De geleerde stokers verheugden zich reeds over dien bijval. Maar hun blijdschap sloeg in woede over toen ze ontdekten, dat men hen beet had en het Roomsche boeken waren, die daar lagen te branden in hetzelfde vuur, dat de werken van den ketter verteerde.