'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917

Part 3

Chapter 34,006 wordsPublic domain

Na zijn priesterwijding bleef Luther niet lang meer in het Erfurter klooster. Frederik de Wijze, de keurvorst van Saksen, had kort tevoren te Wittenberg een hoogeschool opgericht, en op aanraden van Von Staupitz werd pater Martinus door den vorst tot hoogleeraar aan deze universiteit benoemd.

Zoo kwam dat Luther in 1508 Erfurt verliet en in het Augustijner klooster te Wittenberg ging wonen; want hoewel hoogleeraar bleef hij toch monnik.

Luther was toen vijf en twintig jaar.

VI.

Naar Rome.

't Was heelemaal niet naar Luthers zin dat hij geroepen was, de wijsbegeerte te onderwijzen. Zijn hart ging naar de godgeleerdheid uit; en hij studeerde wat hij kon, vooral Grieksch en Hebreeuwsch, om zijn kennis uit de bron zelf, den Bijbel, te kunnen putten.

In Maart 1509 verkreeg hij zijn wensch. Toen werd hij candidaat in de theologie; en van nu af mocht hij elken middag zijn studenten uit den Bijbel onderwijzen. Dat waren heerlijke uren, zoowel voor hemzelf als voor zijn leerlingen. Hij begon met de verklaring van de Psalmen en daarna van den Brief aan de Romeinen. En terwijl hij zijn studenten onderwees, werd hijzelf door Gods Geest onderwezen.

Van de akademie in zijn eenzame kloostercel teruggekeerd, zat hij urenlang over den Romeinenbrief gebogen; en hoe dieper hij nadacht over wat daar geschreven stond, hoe meer het licht van de waarheid opging in zijn ziel. Vooral trof hem het woord: _De rechtvaardige zal uit het geloof leven_. 't Was hem, als legde de Heer deze woorden zelf in zijn hart. 't _Geloof_, dàt was wat rechtvaardig maakte en naar den wil van God leerde leven. 't Was Luther, als kwam er met die woorden nieuw leven in hem. Telkens hoorde hij ze weer, zelfs temidden van zijn drukste bezigheden.

De lessen, die Luther gaf, geleken niets op wat tot dusver was gehoord. 't Was maar geen _boeken_kennis, maar _Bijbel_kennis, die hij meedeelde; en die kwam niet uit het hoofd, maar uit het hart; dit voelden zijn leerlingen dadelijk. Wijd en zijd werd er over gesproken en van overal kwamen er jonge, vreemde studenten naar de Wittenbergsche hoogeschool. Zelfs professoren schaamden zich niet om Luthers lessen te komen bijwonen. Eén van hen, een bijzonder knappe, zei: »Deze monnik zal al de leeraren van den weg brengen. Hij zal een nieuwe leer invoeren en heel de Kerk hervormen; want hij grondt zich op het Woord van Christus; en er is niemand ter wereld die dat Woord bestrijden of omverwerpen kan.«

Op een goeden dag kwam Luthers vriend Von Staupitz hem het voorstel doen om in de Augustijnerkerk te preeken. Maar daar schrikte Luther voor terug. Hij op den preekstoel? Hij vond zich veel te onwaardig en te zwak voor zulk een zwaarwichtige taak. »Neen, neen!« weerde hij af. »'t Is geen geringe zaak om in Gods plaats tot de menschen te spreken.«

Von Staupitz wilde echter van geen tegenbedenkingen hooren. En toen Luther zag dat zijn verontschuldigingen geen van alle hielpen, zuchtte hij: »Ach, heer doctor, u maakt me dood! Ik houd het geen drie maanden uit.«

»Dat maakt geen verschil,« was het antwoord. »Onze Heere God heeft Boven ook geschikte menschen in Zijn dienst noodig.«

Toen was Luther uitgepraat. Hij nam de opdracht aan; en wat hem eerst zoo had bezwaard werd hem al spoedig een bron van vreugde. Met vuur en kracht predikte hij het Evangelie aan de gretig-luisterende menigte; eerst in het kerkje van het klooster; en toen dat te klein werd, in de veel grootere stadskerk, voor een nog talrijker gehoor. Zelfs de keurvorst kwam eens naar Wittenberg om hem te hooren. En hoe meer hij tot het volk sprak, hoe meer hijzelf de kracht van Gods Woord ervaarde.

Toch was Luther nog altijd een trouw aanhanger van de Roomsche Kerk en den paus. Hij was daarom niet weinig verblijd, toen hij in 1511 door zijn vicaris-generaal naar Rome gezonden werd, met nog een priester van zijn orde, om daar eenige kloosterzaken te bespreken.

Deze reis is zoowel voor hem als voor de Hervorming van groot nut geweest. »Ik wilde voor geen honderdduizend gulden dat ik Rome niet gezien had,« verklaarde hij later. Niet omdat hij er zooveel liefelijks had aanschouwd, maar juist omdat de herinnering aan al de teleurstellingen en ergernissen, op dien tocht ondervonden, hem later deed inzien hoe verbasterd de Kerk was en hoe verderfelijk haar leer.

Met groote blijdschap en vol verwachting had Luther half October met zijn kloosterbroeder de voetreis ondernomen. Nu zou hij eenigen tijd in de dichte nabijheid zijn van den heiligen paus en van zooveel andere vrome dienaren van de Kerk! Dáár zou hij de ware rust en heiligheid vinden!

Maar ach, wat een ontnuchtering! »Hoe dichter bij Rome, hoe slechter Christenen«, vertelde hij later. Groot was zijn verbazing en nog grooter zijn verontwaardiging over de verregaande zedeloosheid, die hij in Italië aantrof. Maar hij troostte zich met de gedachte, dat het in Rome zelf toch wel heel anders en beter zou zijn.

Ook in de kloosters, waar hij onderweg zijn intrek nam, zag hij veel onbehoorlijks. Zoo vertoefde hij eenige dagen in het rijke klooster der Benedictijners, waar alles even weelderig en prachtig was ingericht. Het maakte den nederigen broeder uit het arme klooster te Wittenberg stom van verbazing. Als gast durfde hij echter geen aanmerkingen te maken. Maar toen hij er ten overvloede op vastendag de tafel beladen zag met een keur van vleeschgerechten, kòn hij niet zwijgen.

»De Kerk en de paus verbieden zulke dingen,« vermaande hij.

De monniken lachten wat om hun nauwgezetten gast; en toen ze zagen dat het hem ernst was, werden ze kwaad en gingen ze aan het schelden. Zoo'n lompe Duitscher! Wou die hun de les lezen? Zoo'n stillen verklikker konden ze in hun klooster wel missen.

't Werd voor Luther raadzaam dat hij heenging. Zijn vertrek uit het klooster geleek veel op een vlucht. Te Bologna werd hij ernstig ziek. Sommigen zeggen door vergif, hem in het klooster toegediend; anderen meenen dat de matige monnik, zoo gewend aan zijn soberen kost, er het eten niet heeft kunnen verdragen.

Luther was heel treurig gestemd. Hij vreesde in den vreemde te zullen sterven. Maar daar kwamen die woorden hem weer te binnen: _De rechtvaardige zal uit het geloof leven_. En ze gaven hem weer troost, moed en kracht. Hij herstelde en kon zijn reis voortzetten.

Einde November was het doel bereikt en zag Luther, van de hoogte waarop hij stond, de heilige stad, met haar menigte torens en koepels, aan zijn voeten liggen. Vol aandoening knielt hij neer en in vervoering roept hij uit: »Wees gegroet, heilig Rome!«

Helaas, nieuwe teleurstelling! Inplaats van beter was het in Rome, zoo mogelijk, nog erger. Pracht en praal was er genoeg; maar met den godsdienst was het er allertreurigst gesteld. Priesters, bisschoppen zelfs, hoorde hij spotten met het heiligste.

Eens hielp hij in een kerk de mis bedienen; maar terwijl hij nog aan de eerste was, had de priester aan het altaar naast hem er al zeven gelezen. »Vlug wat, vlug wat!« hoorde hij hem fluisterend roepen; »maak dat Onze Lieve Vrouw haar Zoon terugkrijgt!«

En dat was nogal bij de mis, waarbij aan het volk werd geleerd, dat de ouwel, die de priester in de hand hield, door het uitspreken van eenige Latijnsche woorden, in het werkelijke lichaam van den Heere Jezus veranderde. Luther geloofde vast dat het waar was; daarom was hij er altijd zoo eerbiedig bij. Maar nu zag hij, dat de priesters in Rome het niet geloofden, ja, er mee spotten.

Deze dingen, en nog veel meer goddeloosheden, die hij er hoorde en zag, bedroefden hem diep. Maar toch bleef hij nog vasthouden aan de leer der Kerk. Zoo wilde hij, als vroom pelgrim, Rome niet verlaten, zonder op zijn bloote knieën de acht en twintig treden van de marmeren Pilatustrap opgegaan te zijn. Dit was een van de heiligste werken, die men doen kon, en aan het beklimmen van elke trede was een aflaat van negen jaren verbonden. 't Was dezelfde trap, zoo luidde het verhaal, die voor het rechthuis van Pilatus had gestaan en door de voeten van den Heiland was betreden geworden. Door een wonder was die trap van Jeruzalem naar Rome gekomen.

Ook deze dwaasheid geloofde Luther nog; en dus kroop hij al biddend de treden op. Maar terwijl hij er mee bezig is, hoort hij opnieuw met kracht die inwendige stem: _De rechtvaardige zal uit het gelóóf leven_.

Verschrikt springt hij overeind. Als een _waarschuwing_ klinken thans die woorden hem in de ooren. Hij ziet opeens, met schaamte en afschuw, hoe bijgeloovig hij is; en dadelijk maakt hij rechtsomkeert en lóópt naar beneden. Neen, geen eigen werk, maar alleen het geloof in Jezus Christus, Gods Zoon, kan hem rechtvaardigen. Niet door boetedoeningen of wat ook kan hij de vergeving van zijn zonden _verdienen_. Hij _behoeft_ die ook niet te verdienen. Zijn _Verlosser_ heeft ze voor hem verdiend. _Die_ heeft zijn schuld geboet, door Zijn lijden en kruisdood. Als hij dàt waarlijk gelooft, schenkt God hem de vergeving uit _genade_, om _niet_.

O, wat een heerlijk licht gaat er nú op in Luthers ziel! Wat wordt het nú rustig daarbinnen! _De rechtvaardige zal uit het gelóóf leven._ Nu begrijpt hij pas goed de beteekenis van dit woord. Zelf vertelde hij later daarvan: »Zoodra Gods Geest mij die woorden leerde verstaan, gevoelde ik mij als een nieuw mensch herleven en trad ik door open deuren het Paradijs van God binnen. Van toen af beschouwde ik ook den dierbaren Bijbel met geheel nieuwe oogen. Het woord »Rechtvaardigheid Gods«, waar ik vroeger bang voor was, werd mij nu tot troost, kreeg ik nu lief. Waarlijk, dat woord was voor mij de rechte deur van het Paradijs.«

Zoo vond Luther te Rome dan tòch, wat hij er was komen zoeken: rust en vrede voor zijn hart. Niet, zooals hij eerst gehoopt had, door de nabijheid van den paus; ook niet door de Pilatustrap; maar door die woorden uit Paulus' brief, honderden jaren geleden door den apostel geschreven juist aan de Christenen in datzelfde Rome.

Gezegende reis! 't Was de Heer zelf die hem er gebracht had. In Rome was Luthers _hart_ hervormd. Nú kon hij, op Gods tijd, beginnen met de hervorming van de _Kerk_.

VII.

Tetzel en zijn aflaten.

In 1512, kort na Paschen, keerde Luther te Wittenberg terug, en nog datzelfde jaar werd hij er tot doctor in de godgeleerdheid bevorderd. Bij deze gelegenheid legde hij, volgens zijn eigen woorden, den eed af aan »zijn dierbare en heilige Schrift«, en beloofde hij, »haar getrouw te verkondigen, zuiver te leeren, gedurende zijn gansche leven te beoefenen en tegen alle valsche leeraars te verdedigen«.

En aan die belofte is Luther trouw gebleven, zijn leven lang. Hoe beter hijzelf de waarheid leerde verstaan, hoe vuriger hij haar predikte aan anderen; hoe meer hij zag wat al onwetendheid en dwalingen er onder de menschen heerschten, hoe meer hij zijn best deed, die te bestrijden.

Van goede werken als middel om de zaligheid te verdienen, wilde Luther niets meer weten.

»Ik, doctor Martin Luther, onwaardig Evangeliedienaar van onzen Heere Jezus Christus, belijd, dat het geloof alleen voor God rechtvaardigt zonder de werken. Dit is het ware Evangelie, dat niemand voor onze zonden gestorven is dan Jezus Christus, Gods Zoon. En indien Hij alleen het is, die de zonden wegneemt, kunnen wij het niet doen met onze werken. Maar de goede werken _volgen_ de verlossing, gelijk de vruchten zich vertoonen aan den boom. De begeerte om zichzelf rechtvaardig te maken is voor het hart een bron van angst en vrees. Maar wie Christus als Verlosser aanneemt, heeft den vrede; en niet alleen den vrede, maar ook de reinheid des harten. Alle heiligmaking is een vrucht van het geloof; want het geloof is een goddelijk werk, dat door den Heiligen Geest ons hart vernieuwt en nieuwe menschen van ons maakt.--Dit is onze leer. Het is die, welke de Heilige Geest leert. Wij bewaren haar in den naam van God. Amen!«

Zoo bracht Luther aan groote scharen van toehoorders de »Blijde Boodschap«, zooals hij die zelf had leeren verstaan. En het klonk alles zoo eenvoudig en waar wat hij zeide van het geloof in den Heere Jezus, dat de menschen zich verwonderden, het vroeger zelf niet zoo te hebben ingezien.

Vooral voor de hoogeschool was hij tot zegen. »Als Luther voor zijn studenten de Schriften verklaarde,« zegt een van zijn vrienden, »was het of er na een langen, donkeren nacht een nieuwe dageraad opging over de leer.« En dat begrijpen we, als we Luther zelf hooren zeggen: »In mijn hart heerscht alleen, en _moet_ ook alleen heerschen, het geloof in mijn Heere Jezus Christus, die alleen het begin, het midden en het einde is van al de gedachten, die nacht en dag mijn geest vervullen.«

Dat Luther in zijn prediking anders leerde dan de Kerk, was hij zich toen nog niet bewust, en als gehoorzame monnik was dit ook allerminst zijn bedoeling. Tot er iets gebeurde, dat hem voorgoed met Kerk en paus in botsing bracht.

Paus Julius II was begonnen in Rome een buitengewoon prachtige kerk te bouwen, de St. Pieterskerk; en zijn opvolger, Leo X, wilde dit werk voltooien. Maar dit kostte ontzaglijk veel geld en--de schatkist was ledig.

Dit was trouwens niets nieuws. Paus Leo, vriendelijk en innemend, maar zonder éénigen godsdienstzin, was een bijzonder pracht- en kunstlievend man, en verspilde onnoemelijke schatten, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn op vermaak en feesten beluste hovelingen. Ook schonk hij veel weg aan familie en armen, die bij hem aanklopten, want hij was erg goedgeefsch. Zoodoende had Rome altijd gebrek aan geld, niettegenstaande het er uit alle landen binnenstroomde.

Ook nu zat de Heilige Vader danig in de war. Hij had, behalve voor de St. Pieterskerk, ook een groote som noodig voor een aangekocht handschrift van een van de oude Romeinsche geschiedschrijvers; en om nu aan geld te komen, schreef hij, op raad van zijn neef, den kardinaal Pucci, een aflaat uit, waarin algeheele vergeving van zonden werd toegezegd aan een ieder, die door het koopen van zulk een aflaat geld voor den kerkbouw aanbracht. Ook zou deze aflaat van kracht zijn voor de dooden, zoodat hun zielen uit het vagevuur verlost zouden worden, wanneer er voor hen zulk een brief gekocht en betaald werd.

Oorspronkelijk was zoo'n _aflaat_ of _vrijlating_ een kwijtschelding van _straf_, door de _Kerk_ opgelegd, als boete voor een begane zonde. Die kwijtschelding werd dan geschonken op het verrichten van een zoogenaamd verdienstelijk werk, en kon ook verleend worden tegen betaling van geld voor eenig kerkelijk doel. Maar het volk verstond er doodgewoon onder, dat je voor geld _vergeving van zonden_ koopen kon, als een broodje bij den bakker. En de verkoopers lieten dat maar zoo, en gingen het ten slotte zelf prediken.

Die aflaathandel was zeer winstgevend. Als de pausen dus geld noodig hadden, schreven ze, onder een of ander voorwendsel, maar zoo'n aflaat uit. En zoo deed Leo X nu ook.

De aartsbisschop van Mainz, Albrecht, mocht er op zijn verzoek in Duitschland mee werken en daarvoor de winst met den paus deelen. Want ook hij had geld noodig om de dertigduizend gulden van zijn bisschopsmantel af te doen, waarvoor hij nog altijd bij Rome in het krijt stond. De Dominicaners, die er ook wel wat aan verdienen wilden, zouden zich met de uitvoering belasten, en zonden hun afgevaardigde, Johann Tetzel, naar Mainz, om zijn diensten aan te bieden.

Deze niet ongeleerde monnik was een door en door slecht mensch. Hij was al eens door keizer Maximiliaan veroordeeld om, in een zak gebonden, in den Tiber geworpen te worden, en had het aan de voorspraak van keurvorst Frederik te danken, dat hij nog leefde. Maar hij was welbespraakt als de brutaalste kwakzalver, die ooit op een markt had gestaan, en voor dit baantje als geknipt.

Deze man reisde met zijn aflaatkraam heel Duitschland door, in een mooi gemakkelijk rijtuig gezeten, door drie ruiters en een groot gevolg begeleid. Kwam hij bij een stad, dan liet hij de overheid zeggen, dat de genade van God en van den Heiligen Vader voor de poorten verschenen was. Aanstonds werden dan alle klokken geluid en met veel eerbetoon haalde men den aflaatkramer in.

Zoo kwam hij in October 1517 ook te Jüterbog, een stad, vlak bij de Saksische grens.--In Saksen zelf mocht hij van den keurvorst niet komen.--Dadelijk kwam alles, wat loopen kon, er op de been. De Raad, de geestelijkheid in plechtgewaad, de gilden met hun vaandels, de onderwijzers en hun scholieren met brandende waskaarsen in de hand, traden hem eerbiedig tegemoet en leidden hem in plechtigen optocht naar de hoofdkerk.

De pauselijke aflaatbul werd op een fluweelen kussen, met goud omboord, vooruitgedragen. Dan volgde Tetzel, met een groot, rood houten kruis in de hand, dat, met de pauselijke wapenen omhangen, vóór het altaar in de kerk werd geplaatst, waar van alle kanten, ook uit het dichtbijgelegen Wittenberg, het volk toestroomde om hem te hooren.

Tetzel beklom den kansel. En wat hij daar dan met kracht en klem den menschen stond wijs te maken, was in één woord allerverschrikkelijkst.

»De aflaten,« zoo begon hij met bulderende stem, »zijn het kostbaarste en hoogste geschenk van God! Dit kruis«--hier wees hij op het roode--»heeft evenveel kracht als het kruis van Christus zelf.« En dan ging hij zijn hoorders de brieven aanprijzen, waarin hun de zonden vergeven zouden worden, niet alleen die ze gedaan _hadden_, maar ook die ze nog zouden _willen_ doen. Berouw deed er minder toe. Koopen en betalen, dàt was de hoofdzaak. »Menschen, ge hebt zooveel doodzonden gedaan, dat ze niet te tellen zijn, en voor elk daarvan zoudt ge zeven jaar in het vagevuur moeten branden!« donderde het over de hoofden. »Maar door zoo'n genadebrief wordt elke schuld uitgedelgd, al is die ook nòg zoo groot. Koopt ook voor uw vader, of moeder of vrienden, die in het vagevuur kermen! Hoort gij het niet? »Erbarm u!« roepen ze. »We lijden vreeselijke pijn! Een kleine aalmoes zou ons verlossen!«--Helpt hen dan! Op hetzelfde oogenblik, dat het geld in de kist klinkt, stijgt hun ziel ten hemel!« En zoo ging hij maar door, met nòg gruwelijker leugens.

't Was wel dwaas van de menschen om al dien schandelijken onzin maar voor goede munt aan te nemen. Maar ze hadden van kind af geleerd, alles blindelings te gelooven wat van Rome kwam. En hoe meer leven en vertoon daar bij was, hoe meer indruk het maakte. Daarbij viel zoo'n leer bij velen wel in den smaak, omdat die een gemakkelijk middel aan de hand deed om het geweten te sussen. Na het »Legt in, legt in, legt in!« aan het einde van zoo'n toespraak uitgebruld, »alsof er een wilde stier bulkte«, volgens Luther, régende het dan ook geldstukken in de offerkist naast het kruis. De spotters hadden er al een rijmpje op:

»Zoodra het geld in 't kistje klinkt, Het zieltje in den hemel springt.«

Want niet allen lieten zich die zotteklap op de mouw spelden. Wie echter aanmerkingen durfden maken, werden door den redenaar zonder complimenten »in den ban« verklaard.

De aflaatkramers werden zelf ook wel eens leuk beetgenomen of in hun leugens gevangen. Maar de ernstige, verstandige lieden bedroefden zich, dat het arme volk zoo het geld uit den zak geklopt en, erger nog, op een dwaalweg gebracht werd. Doch er was niemand, die het openlijk durfde uitspreken.

Tetzel deed intusschen goede zaken. In één stad kreeg hij in drie weken niet minder dan twee millioen gulden bij elkaar. Wagens vol geld gingen de Alpen over. »Allemaal zonden van de Duitschers,« spotten de Italianen.

VIII.

De Slotkerk te Wittenberg.

De treurige gevolgen van Tetzels schaamtelooze bedriegerij werden ook door Luther ondervonden. Als de menschen bij hem kwamen biechten en hij hun, alvorens de vrijspraak te geven, ernstig afvroeg, of het nu ook hun oprecht voornemen was, de beleden zonden te laten en hun leven te beteren, kreeg hij gewoonweg ten antwoord, dat dit niet noodig was, want dat ze aflaatbrieven gekocht hadden bij Tetzel.

Dat was voor Luther te veel. Had hij tot hiertoe gezwegen uit eerbied voor den paus en de kerkelijke instellingen, nu kòn hij het niet langer. Reeds de eerste maal dat hij door zijn vriend Staupitz van den schreeuwerigen aflaatkramer hoorde, had hij gezegd: »Zoo God het wil, zal ik een gat in zijn trommel slaan.« En nu achtte hij het oogenblik daartoe gekomen. Hij rekende het zijn heilige plicht, tegen zulke goddeloosheden openlijk de stem te verheffen en het misleide volk te waarschuwen; niet zoozeer nog tegen den aflaat zelf als tegen de schandelijke wijze waarop daarin handel gedreven werd. Hij had er in de kerk voor het volk al tegen gepreekt. Maar het had weinig gebaat; Tetzel bleef ongehinderd zijn goddeloos bedrijf voortzetten. Nu zou Luther zich tot de leeraars wenden.

[Illustratie: DE SLOTKERK TE WITTENBERG.]

't Was 31 October geworden, de dag vóór Allerheiligen, een gewichtige feestdag, die overal in de kerken met veel plechtigheid werd gevierd; vooral te Wittenberg, in de Slotkerk, die keurvorst Frederik er gesticht had. Want in die kerk waren door den keurvorst een menigte dingen bijeengebracht, zoogenaamde overblijfselen van heiligen, waaraan groote waarde werd gehecht; b.v. stukjes hout, naar het heette van het kruis des Heeren, beenderen en tanden van apostelen of andere heiligen, lapjes van kleederen, die ze gedragen hadden, doosjes zand, met bloed van martelaren gedrenkt, en zooal meer. Reliquieën heetten die dingen; en op Allerheiligen werden ze in de Slotkerk vertoond.

Geen wonder dus dat op dien dag de goedgeloovigen bij massa's daarheen togen; niet alleen om er al de heiligen aan te roepen, maar ook om die reliquieën te zien en te vereeren; te meer wijl er met dit kerkbezoek nog een bijzonderen aflaat te verdienen was.

't Was in den morgen van dien 31sten October, dat keurvorst Frederik, op zijn kasteel te Schweinitz, aan zijn broeder, hertog Johann, een droom zat te vertellen, dien hij dien nacht had gehad, en dien hij nooit zou vergeten, zei hij, al leefde hij ook nog duizend jaren.

»Ik droomde,« zoo vertelde hij, »dat er een monnik bij mij kwam met verzoek, iets op de deur van de Slotkerk te mogen schrijven. Ik gaf mijn toestemming, en de monnik ging heen en begon te schrijven. Maar hij dit deed in zulke groote letters, dat ik het hier vandaan lezen kon, en met een pen zóó lang, dat het einde er van tot aan Rome reikte, tegen de ooren van een rustig daar liggenden leeuw[1] stootte en de kroon op het hoofd van den paus aan 't waggelen bracht. Al de kardinalen en vorsten schoten toe om haar tegen te houden; gij en ik hielpen mee. Onderwijl ging de leeuw, in zijn rust gestoord, zoo geweldig aan het brullen, dat heel Rome en al de staten van het heilige rijk toeliepen om te zien, wat er gebeurde. De paus verlangde, dat men dien monnik het schrijven verbieden zou, en wendde zich in de eerste plaats tot mij, omdat het in mijn land gebeurde. Toen liepen gij en ik en al de rijksvorsten naar Rome, om die pen in stukken te breken. Maar hoe meer moeite we deden, hoe sterker ze werd. Eindelijk gaven we 't op. Ik liet toen aan den monnik vragen,--want ik was nu eens in Rome en dan weer in Wittenberg--vanwaar hij die pen had en hoe zij zoo sterk kwam. Toen antwoordde hij: Die pen is afkomstig van een oude gans in Bohemen en al honderd jaar oud. Ik kreeg haar van een vroegeren schoolmeester. En dat ze zoo sterk is, komt, omdat men haar het merg niet ontnemen kan. Ik sta er zelf over verbaasd.--Toen de monnik dit gezegd had, hoorde ik opeens een geducht leven. Uit die groote pen waren een menigte kleine pennen gekomen.... Toen werd ik wakker.«

Hertog Johann vond het een wonderlijken droom. »Hadden we nu maar een Jozef of een Daniël hier,« zei hij.

»Ik heb al wel over een uitlegging gedacht, maar ik bewaar die voor mij. Misschien zal de tijd nog eens leeren of ik goed gedacht heb,« zei de keurvorst, weinig vermoedend dat de tijd reeds bezig was zulks te doen.